Blog Image

Aramaic Peshitta Tanakh

Ketava d’Eramya Nebya

Jeremiah Posted on Wed, September 19, 2018 13:32:18

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Eramya Nebya

Het boek Jeremiah de profeet.

Jeremiah1.

1:1 De woorden van Jeremiah

de zoon van Hilkiah,

uit de priesters die in Anathoth waren

in het land van Benjamin,

1:2 tot wie het woord van Maryah kwam,

in de dagen van Josiah de zoon van Amon,

koning van Judah,

in het dertiende jaar van zijn heerschappij.

1:3 Het kwam ook in de dagen van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

tot het einde van het elfde jaar van Zedekiah

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

tot de ballingschap van Jeruzalem

in de vijfde maand.

1:4 Het woord van Maryah kwam nu tot mij zeggende,

1:5 “Voordat Ik u in de baarmoeder vormde

kende Ik u,

en voordat gij geboren werd

heb Ik u geheiligd;

Ik heb u tot een profeet benoemd voor de naties.”

1:6 Vervolgens zei ik,

“Ach,

Maryah Aloha!

zie,

ik weet niet hoe te spreken,

omdat ik een jonge man ben.”

1:7 Maar Maryah zei tot mij,

“Zeg niet,

‘ik ben een jonge man,’

want Ik zend u overal,

gij zult gaan,

en alles wat Ik u gebied,

zult gij spreken.

1:8 “Wees niet bang voor hen,

want Ik ben met u om u te verlossen,”

verklaart Maryah.

1:9 Vervolgens strekte Maryah Zijn hand uit

en raakte mijn mond aan,

en Maryah zei tot mij,

“Zie,

Ik heb Mijn woorden in uw mond gelegd.

1:10 “Zie Ik heb u deze dag over de naties

en over de koninkrijken gesteld,

om uit te roeien en neer te halen,

om te vernietigen en omver te werpen,

om te bouwen

en om te planten.”

1:11 Het woord van Maryah kwam tot mij zeggende,

“Wat ziet gij,

Jeremiah?”

En ik zei,

“Ik zie een roede van een amandel-boom.”

1:12 Toen zei Maryah tot mij,

“Gij hebt goed gezien,

want ik waak over Mijn woord om het uit te voeren.”

1:13 Het woord van Maryah

kwam een tweede keer tot mij,

zeggende,

“Wat ziet gij?”

En ik zei,

“Ik zie een kokende pot,

wegkijkende van het noorden.”

1:14 Toen zei Maryah tot mij,

“Vanuit het noorden

zal het kwaad uitbreken

over al de inwoners van het land

1:15 “Want,

zie,

Ik roep al de families van de koninkrijken van het noorden,”

maakt Maryah bekend;

“en zij zullen komen

en zij zullen elkeen zijn troon

bij de toegang van de poorten van Jeruzalem zetten,

en tegen al haar muren rondom

en tegen al de steden van Judah.

1:16 “Ik zal Mijn oordelen over hen uitspreken

betreffende al hun goddeloosheid,

waardoor zij Mij hebben verlaten

en offers hebben geofferd aan andere goden

en de werken aanbaden van hun eigen handen.

1:17 “Nu,

Omgord uw lendenen en sta op,

en spreek tot hen alles wat Ik u gebied.

Wees niet verbijsterd in hun bijzijn,

of Ik zal u in hun bijzijn verbijsteren.

1:18 “Zie nu,

Ik heb u vandaag als een versterkte stad

en als een pilaar van ijzer

en als muren van brons gemaakt

tegen het ganse land,

tegen de koningen van Judah,

tegen haar vorsten,

tegen haar priesters,

en tot het volk van het land.

1:19 “Zij zullen tegen u strijden,

maar zij zullen u niet overwinnen,

want Ik ben met u om u te verlossen,”

verklaart Maryah.

Jeremiah 2.

2:1 Nu,

het woord van Maryah kwam tot mij,

zeggende,

2:2 “Ga en verkondigd in de oren van Jeruzalem,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah,

“Ik gedenk betreffende u de de toewijding van uw jeugd,

de liefde van uw verlovingen,

uw volgen -Mij achterna- in de woestijn,

door een niet gezaaid land.

2:3 “Israël was heilig voor Maryah,

de eerste van Zijn oogst.

Ieder die ervan at werd schuldig;

kwaad kwam over hen,”

verklaart Maryah.'”

2:4 Hoort het woord van Maryah,

O huis van Jacob,

en al de families van het huis van Israël.

2:5 Zo zegt Maryah,

“Welk onrecht hebben uw vaders in Mij gevonden,

dat zij verre van mij weg gingen

en leegte achterna wandelden

en leeg werden?

2:6 “Ze zeiden niet,

‘waar is Maryah die ons uit het land van Egypte bracht,

die ons leidde door de woestijn,

door een land van woestijnen en van putten,

door een land van droogte en van diepe duisternis,

door een land dat niet één doorkruiste en waar geen mens woonde?’

2:7 “Ik bracht u in het vruchtbare land

om haar vrucht

en haar goede dingen te eten.

Maar gij zijt gekomen en verontreinigde Mijn land,

en gij maakte Mijn erfenis tot een gruwel.

2:8 “De priesters zeiden niet,

‘Waar is Maryah?’

En degenen die de wet hanteerden kenden Mij niet;

de heersers overtraden ook tegen Mij,

en de profeten profeteerden door Baal

en wandelden achter dingen aan die geen winst maken.

2:9 “Daarom zal Ik nog met u twisten,”

maakt Maryah bekend,

“en met uw zoon’s zonen zal Ik twisten.

2:10 “Want steek over naar de kustlanden van Kittim en zie,

en zend naar Kedar en observeer aandachtig

en zie of er zoiets als dit is geweest!

2:11 “Heeft een natie zijn goden veranderd

toen zij geen goden waren?

Maar Mijn volk heeft zijn heerlijkheid veranderd

voor datgene die geen winst maakt.

2:12 “Wees ontsteld,

O hemelen,

over dit,

en huiver,

wees zeer verbaasd,”

verklaart Maryah.

2:13 “Want Mijn volk heeft twee kwaden begaan:

ze hebben Mij verlaten,

de bron van levende wateren,

om voor zichzelf waterbakken te houwen,

gebroken waterbakken

die geen water kunnen bevatten.

2:14 “is Israël een slaaf?

of is hij een inlandse dienaar?

Waarom is hij een prooi geworden?

2:15 “De jonge leeuwen hebben naar hem gebruld,

ze hebben luid gebruld.

En ze hebben zijn land tot een verwoesting gemaakt;

zijn steden zijn vernietigd geworden,

zonder één inwoner.

2:16 “De mannen van Memphis en Tahpanhes

hebben ook de kruin van uw hoofd geschoren.

2:17 “Hebt gij dit uzelf niet aan gedaan,

door uw verlating van Maryah uw Aloha

toen Hij u op de weg leidde?

2:18 “Maar wat doet gij nu op de weg naar Egypte,

om de wateren van de Nijl te drinken?

Of wat doet gij op de weg naar Assyria,

om de wateren van de Eufraat te drinken?

2:19 “Uw eigen goddeloosheid zal u corrigeren,

en uw afkerigheid zal u terechtwijzen;

weet daarom en zie

dat het kwaad en bitter voor u is

om Maryah uw Aloha te verlaten,

en de vrees van Mij niet in u is,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.

2:20 “Want lang geleden verbrak Ik uw juk,

en verscheurde uw banden;

maar je zei,

‘Ik zal niet dienen!’

Want op elke hoge heuvel

en onder elke groene boom

hebt gij u neergelegd als een hoer.

2:21 “Toch plantte Ik u een uitverkoren wijnstok,

een compleet getrouw zaad.

Hoe zijt gij dan tot Mij veranderd

in de verbasterde scheuten van een vreemde wijnstok?

2:22 “Alhoewel gij uzelf met loog wast

en veel zeep gebruikt,

de smet van uw ongerechtigheid ligt voor Mij,”

maakt Maryah Aloha bekend.

2:23 “Hoe kunt gij zeggen,

‘Ik ben niet verontreinigd,

ik ben de Baals niet achterna gegaan’?

Kijk naar uw weg in de vallei!

Weet wat gij hebt gedaan!

Gij zijt een snelle jonge kameel

die haar wegen heeft verward,

2:24 een wilde ezel die aan de wildernis gewend is,

die de windt opsnuift in haar hartstocht.

In de tijd van haar hitte wie kan haar afwijzen?

Allen die haar zoeken zullen niet moe worden;

in haar maand zullen ze haar vinden.

2:25 “Weerhoud uw voet van het ongeschoeid zijn

en uw keel van dorst;

maar gij hebt gezegd,

‘Het is hopeloos!

nee!

want Ik heb van vreemden gehouden,

en hen zal ik nagaan.’

2:26 “Zoals de dief beschaamd wordt

wanneer hij wordt ontdekt,

zo wordt het huis van Israël beschaamd;

zij,

hun koningen,

hun prinsen,

en hun priesters

en hun profeten,

2:27 die tegen een boomstam zeggen,

‘gij zijt mijn vader,’

en tegen een steen,

‘gij hebt mij geboorte gegeven.’

Want zij hebben hun rug naar Mij gekeerd,

en niet hun gezicht;

maar in de tijd van hun ellende zullen zij zeggen,

‘sta op en red ons.’

2:28 “Maar waar zijn uw goden

die gij voor uzelf hebt gemaakt?

Laat hun opstaan,

indien zij u kunnen redden in de tijd van uw ellende;

want volgens het aantal van uw steden

zijn uw goden,

O Judah.

2:29 “Waarom wilt gij met Mij twisten?

gij hebt allen tegen Mij gezondigd,”

verklaart Maryah.

2:30 “Tevergeefs heb Ik uw zonen geslagen;

zij accepteerden geen kastijding.

Uw zwaard heeft uw profeten verteerd

gelijk een vernietigende leeuw.

2:31 “O generatie,

gehoorzaam het woord van Maryah.

Ben Ik een woestijn voor Israël geweest,

of een land van dikke duisternis?

Waarom zegt Mijn volk,

‘Wij zijn vrij om te dwalen;

we zullen niet langer naar U toe komen?

2:32 “Kan een maagd haar sieraden vergeten,

of een bruid haar tooi?

Toch is Mijn volk Mij vergeten

dagen zonder getal.

2:33 “Hoe goed bereidt gij uw weg

om liefde te zoeken!

Daarom hebt gij zelfs de goddeloze vrouwen

uw wegen geleerd.

2:34 “Ook is op uw rokken

het levensbloed van de onschuldige armen gevonden;

gij hebt hun niet inbrekende gevonden.

Maar ondanks al deze dingen,

2:35 hebt gij toch gezegd,

‘Ik ben onschuldig;

waarlijk Zijn toorn is van mij afgewend.’

Zie,

Ik zal met u in oordeel treden

omdat gij zegt,

‘Ik heb niet gezondigd.’

2:36 “Waarom gaat gij zo vaak rond

uw weg veranderende?

Ook,

zult gij voor schande worden gezet door Egypte

gelijk gij voor schande werd gezet door Assyria.

2:37 “Vanaf deze plaats zult gij ook uitgaan

met uw handen op uw hoofd;

want Maryah heeft hen verworpen

in welken gij vertrouwd hebt,

en gij zult niet voorspoedig zijn samen met hen.”

Jeremiah 3.

3:1 Aloha zegt,

“Als een man van zijn vrouw scheidt

en zij gaat van hem weg

en behoort bij een andere man,

zal hij nog naar haar terugkeren?

Zal dat land niet volledig verontreinigd zijn?

Maar gij zijt een hoer met vele geliefden;

toch wendt gij u tot Mij,”

maakt Maryah bekend.

3:2 “Hef uw ogen op naar de kale hoogten en zie;

waar zijt gij niet geschonden geweest?

Bij de wegen hebt gij voor hen gezeten

gelijk een arabier in de woestijn,

en gij hebt een land vervuild

met uw hoererij

en met uw goddeloosheid.

3:3 “Daarom zijn de stortregens ingehouden geweest,

en er is geen lenteregen geweest.

Toch had gij het voorhoofd van een hoer;

gij weigerde om beschaamd te worden.

3:4 “Hebt gij nu zojuist niet tot Mij geroepen,

‘Mijn Vader,

Gij zijt de vriend van mijn jeugd?

3:5 ‘Zal Hij toornig zijn voor eeuwig?

Zal Hij verontwaardigd zijn tot het einde?’

Zie!

gij hebt gesproken

en hebt die boze dingen gedaan,

en gij hebt uw weg gekozen.”

3:6 Vervolgens,

Maryah zei tot mij

in de dagen van Josiah de koning,

“Hebt gij gezien wat het trouweloze Israël deed?

zij ging omhoog op elke hoge heuvel

en onder elke groene boom,

en zij was daar een hoer.

3:7 “Ik dacht,

‘Nadat zij al deze dingen heeft gedaan

zal zij naar Mij terugkeren’;

maar zij keerde niet terug,

en haar trouweloze zus Judah zag het.

3:8 “En voor alle overspel van het trouweloos Israël dat Ik zag,

had Ik haar weggezonden

en gaf haar een geschrift van scheiding

toch vreesde haar trouweloze zus Judah niet;

maar zij ging en was ook een hoer.

3:9 “Vanwege de lichtheid van haar hoererij,

vervuilde zij het land

en pleegde overspel

met stenen en stronken.

3:10 “Toch is-

-ondanks dit alles-

haar trouweloze zus Judah

niet met heel haar hart naar Mij teruggekeerd,

maar eerder in bedrog,”

verklaart Maryah.

3:11 En Maryah zei tot mij,

“Ongelovig Israël

heeft zich rechtvaardiger bewezen

dan trouweloos Judah.

3:12 “Ga en verkondig deze woorden

aan het noorden en zeg,

‘Keer terug,

ongelovig Israël,’

maakt Maryah bekend;

‘Ik zal u niet in boosheid aanzien.

want Ik ben genadig,’

maakt Maryah bekend;

‘Ik zal niet toornig zijn voor eeuwig.

3:13 ‘Erken slechts uw ongerechtigheid,

dat gij overtreden hebt

tegen Maryah uw Aloha,

en gij uw gunsten verspreid hebt

tot de vreemden onder elke groene boom,

maar Mijn stem hebt gij niet gehoorzaamd,’

verklaart Maryah.

3:14 ‘Keer terug,

O trouweloze zonen,’

maakt Maryah bekend;

‘Want Ik ben voor u een Meester ,

en Ik zal u aannemen

één van een stad

en twee van een familie,

en Ik zal u naar Zion brengen.’

3:15 “Vervolgens zal Ik u herders geven naar Mijn eigen hart,

die u zullen voeden met kennis en begrip.

3:16 “Het zal in deze dagen zijn

wanneer gij vermenigvuldigd

en verhoogd word in het land,”

maakt Maryah bekend,

“ze zullen niet langer meer zeggen,

‘De ark van het verbond van Maryah.’

En het zal niet in hen gedachten opkomen,

noch zullen ze het herinneren,

noch zullen ze het missen,

noch zal het opnieuw worden gemaakt.

3:17 “In die tijd

zullen zij Jeruzalem

‘De troon van Maryah’ noemen,

en al de naties zullen ertoe verzameld worden,

naar Jeruzalem,

voor de naam van Maryah;

Ook zullen zij niet meer wandelen

naar de koppigheid van hun slechte hart.

3:18 “In die dagen,

zal het huis van Judah

met het huis van Israël wandelen,

en zij zullen samenkomen

uit het land van het noorden

naar het land dat Ik uw vaders gaf

als een erfdeel.

3:19 “Vervolgens zei Ik,

‘Hoe zou Ik u onder Mijn zonen stellen

en u een aangenaam land geven,

het mooiste erfdeel van de naties!’

En Ik zei,

‘Gij zult Mij,

mijn vader noemen,

en u niet omkeren van het Mij volgen.’

3:20 “Waarlijk,

zoals een vrouw trouweloos vertrekt van haar geliefde,

zo hebt gij trouweloos met Mij gehandeld,

O huis van Israël,”

maakt Maryah bekend.

3:21 Luister,

een stem is te horen op de kale hoogten,

het huilen en de smekingen van de zonen van Israël;

daar zij hun weg hebben verdraaid,

zijn ze Maryah hun Aloha vergeten.

3:22 “Keer terug,

O trouweloze zonen,

Ik zal uw trouweloosheid genezen.”

“Zie!

wij komen tot U;

want Gij zijt Maryah onze Aloha.

3:23 “De heuvels zijn zeker een misleiding,

een beroering op de bergen.

In Maryah onze Aloha

is immers de redding van Israël.

3:24 “Maar het schandelijk ding

heeft de arbeid van onze vaders verteerd

sinds onze jeugd,

hun kuddes schapen en hun kuddes runderen,

hun zonen en hun dochters.

3:25 “Laat we gaan neerliggen in onze schaamte,

en laat onze vernedering ons bedekken;

want wij hebben gezondigd tegen Maryah onze Aloha,

wij en onze vaders,

vanaf onze jeugd

zelfs tot op deze dag.

En we hebben de stem van Maryah,

onze Aloha,

niet gehoorzaamd.”

Jeremiah 4.

4:1 “Als gij zult terugkeren,

O Israël,”

verklaart Maryah,

“Dan moet gij naar Mij terugkeren.

En als gij uw verfoeilijke dingen van Mijn aanwezigheid zult wegdoen,

en niet zult wankelen,

4:2 en gij zult zweren,

‘Zoals Maryah leeft,’

in waarheid,

in rechtvaardigheid en in gerechtigheid;

dan zullen de naties zich in Hem zegenen,

en in Hem zullen zij roemen.”

4:3 Want zo zegt Maryah

tot de mannen van Judah

en tot Jeruzalem,

“Breek uw braakliggende grond open,

en zaai niet tussen doornen.

4:4 “Besnijd uzelf voor Maryah

en verwijder de voorhuiden van uw hart,

mannen van Judah en inwoners van Jeruzalem,

of anders zal Mijn toorn uitgaan als vuur

en verbranden

met niet één om het te blussen,

vanwege het kwaad van uw daden.”

4:5 Maak bekend in Judah

en verkondig in Jeruzalem,

en zeg,

“Blaas de hoorn in het land;

roep luidop en zeg,

‘Verzamel uzelf,

en laat ons de versterkte steden ingaan.’

4:6 “Hef een vaandel op naar Zion toe!

zoek een schuilplaats,

blijf niet stil staan,

want Ik breng een kwaad uit het noorden,

en een grote vernietiging.

4:7 “Een leeuw is uit zijn struikgewas opgeklommen,

en een verwoester van naties is er op uitgetrokken;

hij is uit zijn plaats uitgegaan

om uw land tot een woestenij te maken.

Uw steden zullen ruïnes zijn

zonder één inwoner.

4:8 “Vanwege dit,

trek rouwgewaad aan,

weeklaag en jammer;

want de woeste toorn van Maryah

heeft zich niet van ons afgewend.”

4:9 “Het zal zowat komen in die dag,”

maakt Maryah bekend,

“Dat het hart van de koningen

en het hart van de prinsen zal falen;

en de priesters zullen ontzet zijn

en de profeten zullen verbaasd zijn.”

4:10 Vervolgens zei ik,

“Ah,

Maryah Aloha!

Waarlijk, U hebt dit volk en Jeruzalem geheel en al misleid,

zeggende,

‘Gij zult vrede hebben’;

terwijl daarentegen het zwaard de keel treft.”

4:11 In die tijd

zal er tegen dit volk

en tegen Jeruzalem worden gezegd,

“Een verzengende wind van de kale hoogten

in de woestijn

in de richting van de dochter van Mijn volk–

niet om te wannen en niet om te reinigen,

4:12 een wind te sterk voor dit —

zal komen op Mijn bevel;

nu zal Ik ook oordelen uitspreken tegen hun.

4:13 “Zie,

hij gaat op als wolken,

en zijn strijdwagens als de wervelwind;

zijn paarden zijn sneller dan arenden.

Wee aan ons,

want we worden verwoest!”

4:14 Wast uw hart van het kwaad,

O Jeruzalem,

opdat gij moogt gered worden.

Hoelang zullen uw verdorven gedachten

in u wonen?

4:15 Want een stem verkondigt vanuit Dan,

en roept goddeloosheid uit

vanaf Berg Ephraim.

4:16 “Bericht het aan de naties,

nu!

verkondigt het over Jeruzalem,

‘Belegeraars komen uit een ver land,

en verheffen hun stemmen tegen de steden van Judah.

4:17 ‘Gelijk wachters van een veld

zijn zij zowat rondom tegen haar,

omdat zij tegen Mij in opstand is gekomen,’

maakt Maryah bekend.

4:18 “Uw wegen en uw daden

hebben deze dingen tot u gebracht.

Dit is uw kwaad.

Hoe bitter is het!

Hoe het uw hart heeft geraakt!”

4:19 Mijn ziel,

mijn ziel!

ik ben in angst!

Oh mijn hart!

mijn hart bonst in mij;

ik kan niet stil zijn,

omdat gij hebt gehoord,

O mijn ziel,

het geluid van de hoorn,

de alarmering van de strijd.

4:20 catastrofe op catastrofe wordt afgekondigd,

want het ganse land wordt verwoest;

plotseling zijn mijn tenten verwoest,

mijn gordijnen in een oogwenk.

4:21 Hoelang moet ik de vaandel zien

en het geluid van de bazuin horen?

4:22 “Want Mijn volk is dwaas,

ze kennen Mij niet;

het zijn dwaze kinderen

en ze hebben geen begrip.

Ze zijn sluw om kwaad te doen,

maar om het goede te doen

hebben zij de kennis niet.”

4:23 Ik keek naar de aarde,

en zie,

zij was vormloos en nietig;

en naar de hemelen,

en zij hadden geen licht.

4:24 Ik keek naar de bergen,

en zie,

zij trilden,

en al de heuvels bewogen heen en weer.

4:25 Ik keek,

en zie,

er was geen mens,

en al de vogels van de hemelen waren gevlucht.

4:26 Ik keek,

en zie,

het vruchtbare land was een woestijn,

en al haar steden werden neergehaald

in de tegenwoordigheid van Maryah,

vanwege Zijn felle toorn.

4:27 Want zo zegt Maryah,

‘Het hele land zal een verlatenheid zijn,

toch zal Ik geen complete vernietiging voltrekken.

4:28 “Hierom zal de aarde rouwen

en de hemelen daarboven zullen donker zijn,

omdat Ik het heb gesproken,

Ik heb het voorgenomen,

en Ik zal Mijn gedachten niet veranderen,

ook zal Ik er-niet-van-af-wijken.”

4:29 Op het geluid van de paardrijder

en de boogschutter

vlucht elke stad;

ze gaan het struikgewas in

en klimmen tussen de rotsen;

elke stad is verlaten,

en geen mens woont in hen.

4:30 En gij,

O verlatene,

wat wilt gij doen?

Hoewel gij u kleed in scharlaken,

hoewel gij uzelf versiert met versiersels van goud,

hoewel gij uw ogen vergroot met verf,

tevergeefs maakt gij uzelf mooi.

Uw minnaars verachten u;

zij zoeken uw leven.

4:31 Want ik hoorde een schreeuw als van een vrouw die in arbeid is,

de benauwdheid als van een die haar eerste kind baart,

de schreeuw van de dochter van Zion die naar adem snakt,

haar handen uitstrekkende,

zeggende,

“Ach, mij is wee,

want ik bezwijm

voor het aangezicht van moordenaars.”

Jeremiah 5.

5:1 “Trek heen en weer door de straten van Jeruzalem,

en kijk nu en wees aandachtig.

En zoek in haar open pleinen,

indien ge een mens kunt vinden,

indien er één is die gerechtigheid doet,

die de waarheid zoekt,

dan zal ik haar gratie schenken.

5:2 “En hoewel ze zeggen,

‘Als Maryah leeft,’

toch zweren zij valselijk.”

5:3 O Maryah,

kijken uw ogen niet naar waarheid?

Gij hebt hen geslagen,

maar ze verzwakten niet;

Gij hebt hen verteerd,

maar ze weigerden om correctie aan te nemen.

Ze hebben hun gezichten harder gemaakt dan gesteente;

ze hebben geweigerd om tot inkeer te komen.

5:4 Vervolgens zei ik,

“Ze zijn slechts behoeftigen,

dwaas zijn ze;

want ze kennen beide niet,

de weg van Maryah

noch de verordening van hun Aloha.

5:5 “Ik zal naar de aanzienlijke (mannen) gaan

en zal tegen hen spreken,

want zij kennen de weg van Maryah

en de verordening van hun Aloha.”

Maar ook zij,

hebben eendrachtig,

het juk verbroken

en de banden verscheurd.

5:6 Daarom zal een leeuw uit het woud hen ombrengen,

een wolf uit de woestijnen zal hen vernietigen,

een luipaard bespied hun steden.

Iedereen die van hun uitgaat

zal in stukken worden gescheurd,

omdat hun overtredingen vele zijn,

hun afvalligheden zijn niet te tellen.

5:7 “Waarom zou Ik u gratie schenken?

uw zonen hebben Mij verlaten

en gezworen bij deze die geen goden zijn.

Toen Ik hen tenvolle had gevoed,

pleegden ze overspel

en troepten samen in het hoerenhuis.

5:8 “Het waren als goed-gevoede wellustige hengsten geworden,

elkeen van hen hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.

5:9 “Zal Ik deze mensen niet bestraffen,”

maakt Maryah bekend,

“En zal Ik Mijzelf niet wreken

op een natie zoals dit?

5:10 “Ga op door haar wijnstok-rijen en vernietigt,

maar voer geen complete vernietiging uit;

verwijdert haar scheuten,

want zij zijn niet van Maryah.

5:11 “Want het huis van Israël

en het huis van Judah

hebben zeer trouweloos tegen Mij gehandeld,”

maakt Maryah bekend.

5:12 Ze hebben gelogen over Maryah

en zeiden,

“Hij is niet;

tegenslag zal niet over ons komen,

en we zullen geen zwaard of hongersnood zien.

5:13 “De profeten zijn als wind,

en het woord is niet in hen.

Zo zal het aan hun worden gedaan!”

5:14 Daarom,

aldus zegt Maryah,

Aloha van de heirscharen,

“Omdat gij dit woord hebt gesproken,

Zie!

Ik maak Mijn woorden vuur in uw mond

en dit volk hout,

en het zal hen verteren.

5:15 “Zie,

Ik breng een natie tegen u van verre,

O huis van Israël,”

maakt Maryah bekend.

“Het is een blijvende natie,

het is een oude natie,

een natie wiens taal gij niet kent,

noch kunt gij begrijpen wat zij zeggen.

5:16 “Hun pijlkoker is als een open graf,

allen van hen zijn machtige mannen.

5:17 “Zij zullen uw oogst en uw voedsel verslinden;

zij zullen uw zonen en uw dochters verslinden;

zij zullen uw schaapskudden en uw runderkudden verslinden;

zij zullen uw wijnstokken en uw vijgenbomen verslinden;

zij zullen met het zwaard vernietigen

uw versterkte steden

waarop gij vertrouwen stelt.

5:18 “Nochthans,

zelfs in die dagen,”

maakt Maryah bekend,

“zal Ik u geen complete vernietiging maken.

5:19 “Het zal zowat komen wanneer ze zeggen,

‘waarom heeft Maryah onze Aloha al deze dingen aan ons gedaan?’

dan zult gij tegen hen zeggen,

‘Zoals gij Mij hebt verlaten

en vreemde goden in uw land hebt gediend,

zo zult gij vreemdelingen dienen in een land dat het uwe niet is.’

5:20 “Maak dit bekend in het huis van Jakob

en verkondig het in Judah,

zeggende,

5:21 ‘Hoor dit nu,

O dwaas en gevoelloos volk,

die ogen hebben maar niet zien,

die oren hebben maar niet horen.

5:22 ‘Vreest gij Mij niet?’

maakt Maryah bekend.

‘Beeft gij niet in Mijn aanwezigheid?

Want Ik heb het zand als een grens voor de zee geplaatst,

een eeuwig besluit,

zodat zij er niet overheen kan.

Hoewel haar golven elkaar opgooien,

toch kunnen ze niet zegevieren;

hoewel zij bulderen,

toch kunnen zij er niet overheen.

5:23 ‘Maar dit volk heeft een koppig en opstandig hart:

ze zijn in opstand gekomen

en verdwenen.

5:24 ‘Ze zeggen niet in hun hart,

“Laat ons nu Maryah onze Aloha vrezen,

die regen geeft in zijn seizoen,

zowel de herfstregen als de lenteregen,

die voor ons bewaart

de vastgestelde weken van de oogst.”

5:25 ‘Uw ongerechtigheden

hebben deze dingen afgewend,

en uw zonden

hebben het goede van u weerhouden.

5:26 ‘Want goddeloze mannen worden gevonden onder Mijn volk,

ze wachten als vogelaars die op de loer liggen;

ze zetten een val,

ze vangen mensen.

5:27 ‘Gelijk een kooi vol van vogels,

zo zijn hun huizen vol van bedrog;

daarom zijn ze groot en rijk geworden.

5:28 ‘Ze zijn dik;

ze zijn strak,

Ze blinken ook uit in daden van goddeloosheid;

ze bepleiten de zaak niet,

de zaak van de wees,

opdat zij voorspoed mogen hebben;

en ze verdedigen de rechten van de armen niet.

5:29 ‘Zal Ik deze mensen niet bestraffen?’

maakt Maryah bekend,

‘Zal Ik Mijzelf niet wreken

over een volk als dit?’

5:30 “Een verschrikkelijk en afschuwelijk ding

is in het land gebeurd:

5:31 de profeten profeteren valselijk,

en de priesters heersen op hun eigen gezag;

en Mijn volk houd er zo van!

Maar wat wilt gij doen op het einde ervan?

Jeremiah 6.

6:1 “Vlucht voor veiligheid,

O zonen van Benjamin,

vanuit het midden van Jeruzalem!

Blaas nu een bazuin in Tekoa

en heft een signaal over Beth-haccerem;

want het kwade kijkt neder vanuit het noorden,

en een grote vernietiging.

6:2 “De bevallige en sierlijke,

de dochter van Zion,

zal Ik afsnijden.

6:3 “Herders en hun kuddes zullen tot haar komen,

ze zullen hun tenten opzetten

rondom haar,

ze zullen weiden

elk op hun plek.

6:4 “Maakt krijg tegen haar;

sta op,

en laat ons s’middags aanvallen.

Wee ons,

de dag neemt af,

want de schaduwen van de avond verlengen!

6:5 “Sta op,

en laat ons s’nachts aanvallen

en haar paleizen vernietigen!”

6:6 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Hak haar bomen neder

en werp een belegering op tegen Jeruzalem.

Dit is de stad om te worden gestraft,

in wiens midden er alleen verdrukking is.

6:7 “Zoals een bronput haar wateren fris houdt,

zo houdt zij haar goddeloosheid fris.

Geweld en vernietiging worden in haar gehoord;

ziekte en wonden zijn gedurig voor Mijn aangezicht.

6:8 “Wees gewaarschuwd,

O Jeruzalem,

of Ik zal vervreemd worden van u,

en u tot een verlatenheid maken,

een niet bewoond land.”

6:9 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Ze zullen het overblijfsel van Israël

door en door nalezen als een wijnstok;

laat uw hand als een druivenoogster

nogmaals over haar scheuten gaan.”

6:10 O wie zal ik spreken en waarschuwen opdat zij mogen horen?

Zie!

hun oren zijn gesloten en zij kunnen niet luisteren.

Zie!

Het woord van Maryah is een verwijt aan hen geworden;

ze hebben er geen behagen in.

6:11 Maar ik ben vol van de toorn van Maryah;

ik ben vermoeid door het in te houden.

“Stort het uit over de kinderen in de straat

en op de vergadering van jonge mannen tezamen;

want zowel echtgenoot als echtgenote zullen worden genomen,

de oude en de zeer oude.

6:12 “Hun huizen zullen worden overgedragen aan anderen,

hun velden en hun vrouwen tezamen;

want Ik zal Mijn hand uitstrekken

tegen de inwoners van het land,”

maakt Maryah bekend.

6:13 “Want van de minste van hen

tot zelfs de belangrijkste van hen,

eenieder is hebzuchtig naar winst,

en van de profeet

tot zelfs de priester

handelt eenieder valselijk.

6:14 “De gebrokenheid van Mijn volk

hebben ze oppervlakkig genezen,

zeggende,

‘Vrede,

vrede,

maar er is geen vrede.

6:15 “Waren ze beschaamd

vanwege de gruwel die ze hebben begaan?

Ze waren zelfs helemaal niet beschaamd;

ze wisten zelfs niet eens hoe zich te schamen.

Daarom zullen ze onder diegenen vallen die vallen;

op het moment dat Ik hun straf,

zullen ze worden neergeworpen,”

zegt Maryah.

6:16 Zo zegt Maryah,

“Sta op de wegen

en zie en vraag naar de oude paden,

waar de goede weg is,

en wandel daarin;

en gij zult rust vinden voor uw zielen.

Maar ze zeiden,

‘We willen daarin niet wandelen.’

6:17 “En Ik stelde wachters over u,

zeggende,

‘Luister naar het geluid van de bazuin!’

maar ze zeiden,

‘We willen niet luisteren.’

6:18 “Hoort daarom,

O naties,

en weet,

O gemeenschap,

wat onder hen is.

6:19 “Hoort,

O aarde,

zie!

Ik breng onheil over dit volk,

de vrucht van hun plannen,

omdat ze niet hebben geluisterd naar Mijn woorden,

en wat betreft Mijn wet,

ook dit hebben zij verworpen.

6:20 “Met welk doel komt wierook van uit Sheba naar Mij toe

en de zoetstok vanuit een ver land?

Uw brandoffers zijn niet aanvaardbaar

en uw offers zijn Mij niet aangenaam.”

6:21 Daarom,

zo zegt Maryah,

“Zie,

Ik leg struikelblokken voor dit volk.

En zij zullen over hun struikelen,

vaders en zonen tezamen;

naaste en vriend zal vergaan.”

6:22 Zo zegt Maryah,

“Zie,

een volk komt vanuit het noorden land,

en een grote natie zal opgewekt worden

vanuit de verafgelegen delen van de aarde.

6:23 “Ze grijpen boog en speer;

ze zijn wreed en hebben geen genade;

hun stem brult als de zee,

en ze rijden op paarden,

uitgedost als een man voor de krijg

tegen u,

O dochter van Zion!”

6:24 We hebben het gerucht ervan gehoord;

onze handen zijn slap.

benauwdheid heeft ons gegrepen,

en pijn,

als van een barende vrouw.

6:25 Ga niet uit tot in het veld

en wandel ook niet op de weg,

want de vijand heeft een zwaard,

terreur is aan alle kanten.

6:26 O dochter van mijn volk,

trek rouwkledij aan

en wentelt in de as;

treur als om een enige zoon,

een hoogst bittere rouwklacht.

Want de plunderaar

zal plotseling over ons komen.

6:27 “Ik heb u tot een onderzoeker

en tot een keurder onder Mijn volk gemaakt,

opdat gij hun weg zoudt onderscheiden en beproeven.”

6:28 Allen van hen zijn hardnekkige opstandelingen.

In ‘t rond gaande als een roddelaar.

Ze zijn brons en ijzer;

Zij,

allen van hen,

zijn verdorven.

6:29 De balg blaast fel,

het lood is door het vuur verteerd;

tevergeefs gaat het verfijnen verder,

doch zijn de goddelozen niet afgescheiden.

6:30 Ze noemen hen verworpen zilver,

omdat Maryah hen verworpen heeft.

Jeremiah 7.

7:1 Het woord dat van Maryah

tot Jeremiah kwam,

zeggende,

7:2 “Sta in de poort van Maryah’s huis

en verkondigt daar dit woord en zeg,

‘Hoor het woord van Maryah,

gij allen van Judah,

die door deze poorten ingaat

om Maryah te aanbidden!'”

7:3 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

de Aloha van Israël,

“verbeter uw wegen en uw daden,

en Ik zal u toestaan om in deze plaats te wonen.

7:4 “Vertrouw niet op misleidende woorden,

zeggende,

‘Dit is de tempel van Maryah,

de tempel van Maryah,

de tempel van Maryah.’

7:5 “Want indien gij uw wegen en uw daden echt verbetert,

indien gij echt gerechtigheid beoefent tussen een man en zijn naaste,

7:6 indien gij de vreemdeling niet verdrukt,

de wees,

of de weduwe,

en geen onschuldig bloed vergiet in deze plaats,

noch achter andere goden aanloopt tot uw eigen ondergang,

7:7 dan zal Ik u in deze plaats laten wonen,

in het land dat Ik aan uw vaders gaf

voor eeuwig en altijd.

7:8 “Zie,

gij vertrouwt tot niets in misleidende woorden.

7:9 “Zult gij stelen,

moorden,

en overspel plegen

en valselijk zweren,

en offers offeren aan Baal

en andere goden nalopen

die gij niet hebt gekend,

7:10 kom dan

en sta voor Mijn aangezicht,

in dit huis

die naar Mijn naam genoemd is,

en zeg,

‘We zijn verlost!’

dat gij al deze gruwelen doen zou?

7:11 “Is dit huis,

die naar Mijn naam genoemd is;

een hol van rovers in uw ogen geworden?

Zie,

Ik,

zelfs Ik,

heb het gezien,”

maakt Maryah bekend.

7:12 “Maar ga nu naar Mijn plaats

die in Shiloh was,

waar Ik Mijn naam in het eerste deed wonen,

en zie wat Ik ermee deed

vanwege de zondigheid van Mijn volk Israël.

7:13 “En nu,

omdat gij al deze dingen hebt gedaan,”

maakt Maryah bekend,

“en Ik tegen u sprak,

vroeg opstaande en sprekende,

maar gij niet gehoord hebt,

en Ik riep u maar gij antwoordde niet,

7:14 daarom,

zal ik aan het huis die naar Mijn naam genoemd is,

waarop gij vertrouwt,

en aan de plaats

die Ik u en uw vaders gaf,

doen zoals Ik aan Shiloh deed.

7:15 “En Ik zal u van voor Mijn aanblik uitwerpen,

zoals Ik al uw broeders heb uitgeworpen,

het ganse zaad van Ephraim zelfs.

7:16 “Wat u betreft,

bid niet voor dit volk,

en hef geen geschrei of gebed voor hen op,

en bemiddel niet bij Mij;

want Ik hoor u niet!

7:17 “Ziet gij dan niet

wat zij in de steden van Judah

en op de straten van Jeruzalem doen?

7:18 “De kinderen verzamelen hout,

en de vaders ontsteken het vuur,

en de vrouwen kneden deeg

om koeken te maken voor de koningin van de hemel;

en zij gieten drankoffers uit aan andere goden

om Mij te provoceren.

7:19 “Provoceren ze Mij?”

maakt Maryah bekend.

“Is het zichzelf niet dat ze provoceren,

tot beschaming van hun eigen aangezichten?”

7:20 Daarom zegt dus Maryah Aloha,

“Zie,

Mijn woede en Mijn toorn

zal worden uitgestort over deze plaats,

over mens en over beest

en over de bomen van het veld

en over de vrucht van de grond;

en het zal branden en niet worden uitgedoofd.”

7:21 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Legt uw brand-offers bij uw slacht-offers

en eet uw vlees.

7:22 “Want Ik heb niet gesproken tot uw vaders,

noch hen geboden

op de dag dat Ik hen uit het land van Egypte bracht,

betreffende brand-offers en slacht-offers.

7:23 “Maar dit is wat Ik hen gebood,

zeggende,

‘Luistert naar Mijn stem,

en Ik zal uw Aloha zijn,

en gij zult Mijn volk zijn;

en gij zult wandelen in geheel de weg die Ik u gebied,

opdat het goed met u moge gaan.’

7:24 “Toch hebben ze niet geluisterd of hun oor geneigd,

maar ze wandelden in hun eigen raadslagen

en in de halsstarrigheid van hun kwade hart,

en ze gingen achterwaarts en niet voorwaarts.

7:25 “Sinds de dag

dat uw vaders vanuit het land van Egypte kwamen

tot op de dag van vandaag,

heb Ik u al Mijn dienstknechten

de profeten gezonden,

ze dagelijks en op tijd

en gedurig sturende.

7:26 “Toch luisterden ze niet naar Mij,

ook neigden zij hun oor niet,

maar verstijfden hun nek;

zij deden meer kwaad dan hun vaders.

7:27 “Gij zult al deze woorden tegen hen spreken,

maar zij zullen niet naar u luisteren:

en gij zult tegen hen roepen,

maar zij zullen u niet antwoorden.

7:28 “Gij zult tegen hen zeggen,

‘Dit is het volk

die de stem van Maryah hun Aloha niet gehoorzaamt

noch correctie aanvaard;

waarheid is uitgeput

en is weggesneden

uit hun mond.

7:29 ‘Snijd uw haar af en gooi het weg,

en hef een klaaggezang aan op de kale hoogten;

want Maryah heeft verworpen en verlaten

de generatie van Zijn gramschap.’

7:30 “Want de zonen van Judah

hebben datgene gedaan wat kwaad is in Mijn ogen,”

maakt Maryah bekend,

“Ze hebben hun verfoeilijke dingen gesteld

in het huis dat naar Mijn naam genoemd wordt,

om dat te verontreinigen.

7:31 “Ze hebben de hoge plaatsen van Topheth gebouwd,

die in de vallei van de zoon van Hinnom is,

om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden,

wat Ik niet had geboden

en het kwam niet in Mijn geest op.

7:32 “Daarom,

zie!

dagen komen eraan,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer het niet langer meer Topheth zal worden genoemd,

of de vallei van de zoon van Hinnom,

maar de vallei van de slachting;

want ze zullen in Topheth begraven

omdat er geen andere plaats is.

7:33 “De dode lichamen van dit volk

zullen tot voedsel zijn voor de vogels van de lucht

en voor de beesten van de aarde;

en niet één zal ze afschrikken.

7:34 “Vervolgens zal Ik uit de steden van Judah

en uit de straten van Jeruzalem

de stem van vreugde doen ophouden

en de stem van blijdschap,

de stem van de bruidegom

en de stem van de bruid;

want het land zal een puinhoop worden.

Jeremiah 8.

8:1 “In die tijd,”

maakt Maryah bekend,

“Zullen ze de botten van de koningen van Judah

en de botten van hun prinsen naar buiten brengen,

en de botten van de priesters

en de botten van de profeten,

en de botten van de inwoners van Jeruzalem

uit hun graven.

8:2 “Ze zullen hen uitspreiden voor de zon,

de maan- en voor het hele heirleger des hemels,

die ze hebben liefgehad en die ze hebben gediend,

en die ze achterna gegaan zijn en die ze hebben gezocht,

en die ze hebben aanbeden.

Ze zullen niet verzameld of begraven worden;

ze zullen als mest op het aanschijn van de aarde zijn.

8:3 “En de dood zal eerder dan het leven worden gekozen

door gans het overblijfsel dat overblijft uit deze kwaadaardige familie,

dat in alle plaatsen overblijft waarheen Ik hen heb gedreven,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.

8:4 “Gij zult tegen hen zeggen,

‘zo zegt Maryah,

“Zal men vallen en niet weder opstaan?

zal men zich afkeren en geen berouw hebben?

8:5 “Waarom heeft dit volk,

Jeruzalem,

zich dan in voortdurende afvalligheid omgedraaid?

ze houden vast aan bedrog,

ze weigeren terug te keren.

8:6 “Ik heb geluisterd en gehoord,

ze hebben gesproken wat niet juist is;

niemand bekeerde hem van zijn goddeloosheid,

zeggende,

‘Wat heb ik gedaan?’

iedereen keerde zich om naar zijn loop,

zoals een paard die ten strijde oprukt.

8:7 “Zelfs de ooievaar in de lucht kent haar seizoenen;

en de tortelduif en de torenzwaluw en de lijster

observeren het tijdstip van hun trek;

maar Mijn volk kent

de verordening van Maryah niet.

8:8 “Hoe kunt gij zeggen,

‘We zijn wijs,

en de wet van Maryah is met ons’?

Maar zie!

de leugenachtige pen van de schriftgeleerden

heeft het tot een leugen gemaakt.

8:9 “De wijze mannen worden te schande gezet,

ze zijn ontstelt en gevangen;

zie!

ze hebben het woord van Maryah verworpen,

en wat voor soort van wijsheid hebben ze?

8:10 “Daarom zal ik hun vrouwen aan anderen geven,

hun velden aan nieuwe eigenaars;

omdat van de minste zelfs tot de grootste

iedereen hebzuchtig is voor winst;

van de profeet tot de priester

iedereen beoefent bedrog.

8:11 “De gebrokenheid van de dochter van Mijn volk

hebben ze oppervlakkig genezen,

zeggende,

‘Vrede, vrede,’

maar er is geen vrede.

8:12 “Waren ze beschaamd vanwege de gruwel die ze hadden begaan?

Ze waren zeker niet beschaamd,

en ze wisten niet hoe ze moesten blozen;

daarom zullen ze vallen onder degenen die vallen;

op het moment van hun straf zullen ze neerwaarts worden gebracht,”

zegt Maryah.

8:13 “Ik zal hun zeker wegrukken,”

maakt Maryah bekend;

er zullen geen druiven aan de wijnstok zijn

en geen vijgen aan de vijgenboom,

en het blad zal verdorren;

en datgene wat Ik ze heb gegeven zal voorbijgaan.”‘”

8:14 Waarom zitten we stil?

verzamelt uzelf,

en laten ons de versterkte steden ingaan

en laat ons daar vergaan,

omdat Maryah onze Aloha ons heeft gedoemd

en ons vergiftigd water heeft gegeven om te drinken,

want we hebben tegen Maryah gezondigd.

8:15 We hebben op vrede gewacht,

maar niets goeds kwam;

maar ziet,

in plaats van een tijd van herstel,

kwam er terreur!

8:16 Het gesnuif van zijn paarden wordt van Dan af gehoord;

op het geluid van het hinniken van zijn hengsten

siddert het hele land;

want zij komen en verslinden het land en haar volheid,

de stad en haar inwoners.

8:17 “Want zie,

Ik zend serpenten onder u,

en adders,

voor dewelke geen bezwering is,

en zij zullen u bijten,”

maakt Maryah bekend.

8:18 Mijn verdriet gaat verder dan genezing,

mijn hart is zwak binnenin mij!

8:19 Zie,

luistert!

De kreet van de dochter van Mijn volk uit een ver land:

“is Maryah niet in Zion?

Is haar Koning niet in haar?”

“Waarom hebben ze Mij getergd

met hun gesneden beelden,

en met vreemde afgoden?”

8:20 “De oogst is voorbijgegaan,

de zomer loopt ten einde,

en we zijn niet gered.”

8:21 Voor de gebrokenheid van de dochter van mijn volk ben ik gebroken;

ik rouw,

wanhoop heeft mij aangegrepen.

8:22 Is er geen balsem in Gilead?

Is er daar geen arts?

Waarom is de gezondheid

van de dochter van mijn volk

dan niet beter geworden?

Jeremiah 9.

9:1 Oh dat mijn hoofd wateren waren

en mijn ogen een fontein van tranen,

opdat ik dag en nacht zou kunnen wenen

voor de verslagenen van de dochter van mijn volk!

9:2 Oh dat ik in de woestijn

een reizigers verblijfplaats had;

opdat ik mijn volk moge verlaten

en vertrekken van hen!

want allen van hen zijn overspelers,

een vergadering van trouweloze mannen.

9:3 “Ze krommen hun tong als hun boog;

leugens en onwaarheid zegevieren in het land;

want zij gaan van kwaad tot kwaad,

en zij kennen Mij niet,”

maakt Maryah bekend.

9:4 “Laat eenieder op zijn hoede zijn mzijn naaste,

en vertrouw geen broeder;

omdat elke broeder listig handelt,

en elke naaste gaat rond als een lasteraar.

9:5 “Eenieder bedriegt zijn naaste

en spreekt de waarheid niet,

ze hebben hun tong geleerd om leugens te spreken;

ze vermoeien zichzelf om ongerechtigheid te plegen.

9:6 “Uw woning is in het midden van bedrog;

door bedrog weigeren zij Mij te kennen,”

maakt Maryah bekend.

9:7 Daarom dus zegt Maryah van de heirscharen,

“Ziet!

Ik zal ze zuiveren en ze testen,

want wat kan Ik anders doen,

vanwege de dochter van Mijn volk?

9:8 “Hun tong is een dodelijke pijl;

ze spreekt bedrog;

met zijn mond spreekt men vrede tegen zijn naaste,

maar innerlijk legt hij voor hem een hinderlaag.

9:9 “Zal Ik hun niet straffen voor deze dingen ?

maakt Maryah bekend.

“Op een volk zoals dit,

zal Ik Mijzelf niet wreken?

9:10 “Voor de bergen zal Ik een geween en weeklacht opheffen,

en voor de weilanden van de wildernis een klaaggezang,

omdat zij in vernieling gelegd zijn zodat niemand er doorheen komt,

en het geloei van het vee wordt niet gehoord;

zowel de vogels van de hemel en de beesten zijn gevlucht;

ze zijn weggegaan.

9:11 “Ik zal Jeruzalem tot een puinhoop maken,

een hol van Jakhalzen;

en Ik zal de steden van Judah tot een verlatenheid maken,

zonder één inwoner.”

9:12 Wie is de wijze man die dit kan begrijpen?

En wie is hij tot wie de mond van Maryah heeft gesproken,

dat hij het moge verklaren?

Waarom is het land verwoest,

in vernieling gelegd als een woestijn

zodat niet één er-door-heen gaat?

9:13 Maryah zei,

“Omdat zij Mijn wet die Ik hun voorlegde verlaten hebben,

en Mijn stem niet hebben gehoorzaamd

en er ook niet naar gewandeld hebben,

9:14 maar naar de koppigheid van hun hart hebben gewandeld,

en naar de Ba’al,

zoals hun vaders hun leerden.”

9:15 Daarom dus zegt Maryah van de heirscharen,

de Aloha van Israël,

“Zie,

Ik zal hun voeden,

dit volk,

met alsem

en hun vergiftigd water te drinken geven.

9:16 “Ik zal hen onder de naties verstrooien,

die noch zij noch hun vaders hebben gekend;

en Ik zal het zwaard achter hun aan sturen

totdat Ik hen heb verpletterd.”

9:17 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Overweegt en roep de rouwende vrouwen;

opdat zij mogen komen;

en zend om de jammerende vrouwen,

opdat zij mogen komen!

9:18 “Laat hen haast maken en een gejammer voor ons opheffen,

opdat onze ogen tranen mogen vergieten

en onze oogleden over-stromen van water.

9:19 “Want een stem van gejammer wordt uit Zion gehoord,

‘Hoe zijn we geruineerd!

We zijn tot grote schande gesteld,

want we hebben het land verlaten,

omdat zij onze woningen hebben neergeworpen.'”

9:20 Hoort nu het woord van Maryah,

O gij vrouwen,

en laat uw oor het woord van Zijn mond ontvangen;

leer uw dochters jammeren,

en elk haar naaste een klaaglied.

9:21 Want de dood is door onze ramen opgekomen;

het is onze paleizen binnengedrongen

om de kinderen af te snijden van de straten ,

de jonge mannen van de stadspleinen.

9:22 Spreekt,

“Zo zegt Maryah,

de kadavers van mensen

zullen nedervallen gelijk mest op het open veld,

en gelijk de schoof achter de maaier,

maar niet één zal ze verzamelen.'”

9:23 Zo zegt Maryah,

“Laat een wijs mens niet opscheppen

over zijn wijsheid,

en laat de machtige mens niet opscheppen

over zijn macht,

laat een rijke mens niet opscheppen

over zijn rijkdom;

9:24 maar laat hem die opschept hierover opscheppen,

dat hij Mij begrijpt en kent,

dat Ik Maryah ben die liefdevolle vriendelijkheid uitoefen,

recht en gerechtigheid op de aarde;

want Ik verheug Mij in deze dingen,”

maakt Maryah bekend.

9:25 “Ziet!

de dagen komen,”

maakt Maryah bekend,

“Dat Ik allen zal straffen die besneden zijn

en toch onbesneden zijn-

9:26 Egypte en Judah,

en Edom en de zonen van Ammon,

en Moab en allen die de woestijn bewonen

die het haar op hun slapen knippen;

want al de naties zijn onbesneden

en heel het huis van Israël zijn onbesnedenen van hart.”

Jeremiah 10.

10:1 Hoor het woord dat Maryah tegen u spreekt,

O huis van Israël.

10:2 Zo zegt Maryah,

“leer de weg van de naties niet,

en wordt niet verschrikt door de tekenen van de hemelen

hoewel de naties door hen verschrikt zijn;

10:3 want de gebruiken van de volken zijn misleiding;

want het is een stuk hout uit het woud gehakt,

het werk van de handen van een ambachtsman met een scherpe beitel.

10:4 Men versiert het met zilver en met goud;

men bevestigd het met spijkers en met hamers

zodat het niet zal waggelen.

10:5 “Gelijk een vogelverschrikker in een komkommerveld zijn ze,

en ze kunnen niet spreken;

ze moeten worden gedragen,

omdat ze niet kunnen wandelen!

Vrees hen niet,

want zij kunnen geen kwaad doen,

maar ze kunnen ook geen goed doen.”

10:6 Er is niet één zoals U,

O Maryah;

groot zijt Gij,

en groot is Uw naam in macht.

10:7 Wie zou U niet vrezen,

O Koning van de naties?

inderdaad het is U recht!

Want onder al de wijze mannen van de naties

en in al hun koninkrijken,

is er niet één zoals U.

10:8 Maar ze zijn allemaal dom en dwaas

in hun discipline van waanideeën-

hun afgod is slechts een stuk hout!

10:9 Geslagen zilverplaten worden uit Tarshish gebracht,

en goud uit Uphaz,

het werk van de vakman

en van de handen van de goudsmid;

diepblauw en purper is hun kleding;

ze zijn allemaal het werk van bekwame vakmannen.

10:10 Maar Maryah is de ware Aloha;

Hij is de levende Aloha en de eeuwige Koning.

bij Zijn toorn beeft de aarde,

en de naties kunnen Zijn verontwaardiging niet verdragen.

10:11 Zo zult gij tegen hen zeggen,

“de goden die de hemel en de aarde niet hebben gemaakt

zullen vergaan van de aarde

en vanonder de hemel.”

10:12 Hij is het die de aarde maakte door Zijn kracht,

die de wereld vestigde door Zijn wijsheid;

en door Zijn begrip

heeft Hij de hemelen uitgespreid.

10:13 Wanneer Hij Zijn stem doet horen,

is er een geraas van wateren in de hemelen,

en Hij laat de wolken opstijgen van het einde der aarde;

Hij maakt de bliksem voor de regen,

en brengt de wind van-uit Zijn pakhuizen.

10:14 Elk mens is dwaas,

arm van kennis;

elke goudsmid wordt beschaamd door zijn afgoden;

want zijn gegoten beelden zijn bedrieglijk,

en er is geen ademtocht in hen.

10:15 Ze zijn waardeloos,

een werk van spotternij,

in de tijd van hun bestraffing zullen ze vergaan.

10:16 Het deel van Jakob is niet zoals deze;

want de Schepper van alles is Hij,

en Israël is de stam van Zijn erfdeel;

Maryah van de heirscharen is Zijn naam.

10:17 Pak uw bundel op van de grond,

gij die onder belegering verblijft!

10:18 Want zo zegt Maryah,

“Zie!

Ik zal de inwoners van het land wegslingeren

op dit moment,

en zal hen verontrusten,

opdat zij mogen gevonden worden.”

10:19 Wee is mij,

vanwege mijn letsel!

Mijn wonde is ongeneeslijk.

Maar ik zei,

“dit is werkelijk een kwaal,

en ik moet het verdragen.”

10:20 Mijn tent is verwoest,

en al mijn lijnen zijn gebroken;

mijn zonen zijn van mij weggegaan

en zijn niet meer.

Er is niet één meer om mijn tent weer uit te spreiden

of om mijn voorhangsel op te richten.

10:21 Want de herders zijn onnozel geworden

en hebben Maryah niet gezocht;

daarom zijn zij niet welvarend geweest,

en zijn al hun kudden verstrooid.

10:22 Het geluid van een gerucht!

Zie,

het komt-

en een grote opschudding vanuit het land van het noorden-

om de steden van Judah te maken

tot een verlatenheid,

een hol van jakhalzen.

10:23 Ik weet,

O Maryah,

dat de mens zijn weg niet aan hemzelf is,

evenmin is het aan de mens om zijn stappen te richten

terwijl hij wandelt.

10:24 Corrigeer mij,

O Maryah,

maar met gerechtigheid;

niet door Uw toorn,

of Gij zult mij tot niets brengen.

10:25 Stort Uw toorn uit over de naties die U niet kennen

en over de families die Uw naam niet aanroepen;

want zij hebben Jakob verslonden;

ze hebben hem verslonden

en verteerden hem

en hebben zijn woning in puin gelegd.

Jeremiah 11.

11:1 Het woord dat tot Jeremiah inkwam van Maryah,

zeggende,

11:2 “Hoor de woorden van dit verbond,

en spreek tegen de mannen van Judah

en tegen de inwoners van Jeruzalem;

11:3 en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah,

de Aloha van Israël,

“Vervloekt is de man

die de woorden niet in acht neemt van dit verbond

11:4 welke Ik uw voorvaders gebood

op de dag dat Ik ze uit het land van Egypte bracht,

uit de ijzeren oven,

zeggende,

‘Luistert naar Mijn stem,

en doe deze volgens alles wat Ik u gebied;

zo zult gij Mijn volk zijn,

en Ik zal uw Aloha zijn,

11:5 opdat Ik de eed moge bevestigen

die ik aan uw voorvaders zwoer,

om hen een land te geven overvloeiende van melk en honing,

zoals het op deze dag is.”‘”

Toen zei ik,

“Amen,

O Maryah.”

11:6 En Maryah zei tegen mij,

“Maak al deze woorden bekend

in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem,

zeggende,

‘Hoort de woorden van dit verbond en doe hen.

11:7 ‘Want Ik heb uw vaders heel ernstig gewaarschuwd

op de dag dat Ik hen uit het land van Egypte opbracht,

zelfs tot op deze dag,

voortdurend gewaarschuwd,

zeggende,

“Luister naar Mijn stem.”

11:8 ‘Toch hebben ze niet gehoorzaamd

of hun oor niet geneigd,

maar ze wandelden,

eenieder,

naar de koppigheid van zijn kwade hart;

daarom heb Ik over hun al de woorden van dit verbond gebracht,

welke Ik hun gebood te doen;

maar dat deden ze niet.'”

11:9 Vervolgens,

Maryah zei tegen mij,

“Een samenspanning is beklonken

onder de mannen van Judah

en onder de inwoners van Jeruzalem.

11:10 “Ze zijn teruggekeerd naar de ongerechtigheden van hun voorvaders

die weigerden om Mijn woorden te horen,

en ze zijn andere goden achterna gegaan

om hen te dienen;

het huis van Israël en het huis van Judah

hebben Mijn verbond verbroken

die Ik met hun vaderen maakte.”

11:11 Daarom dus zegt Maryah,

“Zie ik breng rampspoed over hun

die zij niet zullen kunnen ontvluchten;

alhoewel zij tot Mij zullen schreeuwen,

toch zal Ik naar hen niet luisteren.

11:12 “Vervolgens,

de steden van Judah en de inwoners van Jeruzalem zullen gaan

en schreeuwen tot de goden aan wie zij wierook branden,

maar zij zullen hen zeker niet redden

in de tijd van hun rampspoed.

11:13 “Want uw goden zijn zoveel als uw steden,

O Judah;

en zo veel als de straten van Jeruzalem

zijn de altaren die gij hebt opgezet voor het schandelijke ding,

altaren om zelfs wierook te branden voor Baʿal.

11:14 “Daarom,

bid niet voor dit volk,

hef geen geschrei of gebed voor hen op;

want Ik zal niet luisteren wanneer zij Mij aanroepen

vanwege hun rampspoed.

11:15 “Welk recht heeft Mijn geliefde in Mijn huis

wanneer zij vele gemene daden heeft gedaan?

kan het offer-vlees uw rampspoed van u wegnemen,

zodat gij kunt verheugen?”

11:16 Maryah noemde uw naam,

“Een groene olijfboom,

schoon van vrucht en vorm”;

met het geluid van een groot tumult

heeft Hij vuur daarop doen ontvlammen,

en zijn takken zijn waardeloos.

11:17 Maryah van de heirscharen,

die u plantte,

heeft kwaad tegen u uitgesproken

vanwege het kwaad van het huis van Israël

en van het huis van Judah,

die zij hebben gedaan om Mij te provoceren

door offers op te offeren aan Baʿal.

11:18 Bovendien,

Maryah maakte het aan mij bekend en ik wist het;

Gij hebt mij toen hun daden getoond.

11:19 Maar ik was gelijk een kalm lam

geleid naar de slachting;

en ik wist niet dat zij complotten tegen mij hadden bedacht;

zeggende,

“Laat ons de boom met zijn vrucht vernietigen,

en laat ons hem afsnijden uit het land van de levenden,

dat zijn naam niet meer wordt herinnerd.”

11:20 Maar,

O Maryah van de heirscharen,

die rechtvaardig oordeelt,

die de gevoelens en het hart beproeft,

laat mij Uw wraak op hen zien,

want aan U heb ik mijn zaak toevertrouwd.

11:21 Dus, zo zegt Maryah

aangaande de mannen van Anathoth,

die uw leven zoeken,

zeggende,

“Profeteer niet in de naam van Maryah,

zodat gij niet door onze hand zult sterven”;

11:22 daarom,

zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Ziet,

Ik ben op het punt om ze te straffen!

de jonge mannen zullen sterven door het zwaard,

hun zonen en dochters zullen door hongersnood sterven;

11:23 en een overblijfsel zal niet aan hen worden overgelaten

want Ik zal rampspoed brengen over de mannen van Anathoth-

het jaar van hun bestraffing.”

Jeremiah 12.

12:1 Rechtvaardig zijt Gij,

O Maryah,

dat ik mijn zaak bij U zou bepleiten;

inderdaad zou ik zaken van rechtvaardigheid met U bespreken:

waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig geweest?

waarom zijn al degenen die zeer trouweloos handelen op hun gemak?

12:2 Gij hebt ze geplant,

zij hebben ook wortel geschoten;

zij groeien,

zij hebben zelfs vrucht voortgebracht.

Gij zijt dicht bij hun lippen

maar verre van hun gedachten.

12:3 Maar Gij kent mij,

O Maryah;

Gij ziet mij;

en Gij onderzoekt de houding van mijn hart naar U toe.

sleep ze weg gelijk schapen naar de slacht

en zet ze afzonderlijk tot de dag der slachting!

12:4 Hoe lang is het land rouwende

en de vegetatie van het platteland verdorrende?

Vanwege de goddeloosheid van degenen die erin wonen,

zijn dieren en vogels weggerukt geweest,

omdat mensen hebben gezegd,

“Hij zal ons laatste einde niet zien.”

12:5 “Wanneer gij met het voetvolk hebt gerend

en zij u moe hebben gemaakt,

hoe kunt gij dan met paarden concurreren?

wanneer gij in een land van vrede nederdaalt,

hoe zult gij het dan doen in het struikgewas van de Jordaan?

12:6 “Want zelfs uw broeders en het huishouden van uw vader,

zelfs zij hebben trouweloos met u gehandeld,

zelfs zij hebben hebben u overluid achterna geroepen .

Geloof hen niet,

hoewel zij misschien aardige dingen tegen u zeggen.”

12:7 “Ik heb Mijn huis verlaten,

Ik heb Mijn erfenis opgegeven;

Ik heb de beminde van Mijn ziel

in de hand van haar vijanden gegeven.

12:8 “Mijn erfenis is tot Mij geworden

als een leeuw in het woud;

zij heeft tegen Mij gebruld;

daarom ben Ik gekomen om haar te haten.

12:9 “Is Mijn erfenis tot Mij als een gespikkelde roofvogel?

Zijn de roofvogels van alle kanten tegen haar?

Ga,

verzamel alle dieren van het veld,

breng hen om te verslinden!

12:10 “Vele herders hebben Mijn wijngaard verwoest,

ze hebben Mijn akker onder de voet vertrapt;

ze hebben Mijn aangename akker

tot een verlaten wildernis gemaakt.

12:11 “Het is tot een verlatenheid gemaakt,

troosteloos,

rouwt het voor Mij;

het hele land is verlaten gemaakt,

want geen mens legt het ter harte.

12:12 “Op alle kale hoogten in de wildernis,

verwoesters zijn gekomen,

want een zwaard van Maryah verslindt

van het ene einde van het land

zelfs tot het andere;

er is geen vrede,

voor niemand.

12:13 “Zij hebben tarwe gezaaid en hebben doornen geoogst,

zij hebben zich tot geen profijt ingespannen.

Wees slechts beschaamd over uw oogst

vanwege de felle toorn van Maryah.”

12:14 Zo zegt Maryah,

betreffende al Mijn goddeloze geburen

die de erfenis aanslaan

waarmee Ik Mijn volk Israël heb begifted,

“Zie Ik sta op het punt om hen uit hun land te ontwortelen

en Ik zal het huis van Judah uit hun midden ontwortelen.

12:15 “En het zal komen

dat zowat nadat Ik hen ontworteld heb,

Ik opnieuw medelijden over hen zal hebben;

en Ik zal ze terugbrengen,

elkeen naar zijn erfenis

en elkeen naar zijn land.

12:16 “Vervolgens,

Indien zij de wegen van Mijn volk werkelijk willen leren,

zwerende bij Mijn naam,

‘Zoals Maryah leeft,’

want gelijk zij Mijn volk leerden om te zweren bij Ba’al,

zo zullen zij vervolgens opgebouwd worden

in het midden van Mijn volk.

12:17 “Maar indien zij niet willen luisteren,

dan zal Ik die natie ontwortelen,

uitrukken en vernietigen,”

maakt Maryah bekend.

Jeremiah 13.

13:1 Zo zei Maryah tot mij,

“Ga en koop uzelf een linnen tailleband

en doe hem rondom uw middel,

maar breng hem niet in water.”

13:2 Dus kocht ik die tailleband

in overeenstemming met het woord van Maryah

en deed hem rondom mijn middel.

13:3 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam een tweede maal tot mij,

zeggende,

13:4 “Neem de tailleband die gij hebt gekocht,

welke rondom uw middel is,

en sta op,

ga naar Perath

en verstop hem daar in een spleet van de rots.”

13:5 Dus ging ik en verstopte hem bij Perath,

zoals Maryah mij had bevolen.

13:6 Na vele dagen zei Maryah tegen mij,

“Sta op,

ga naar Perath en neem de tailleband vandaar uit

dewelke Ik u heb bevolen om daar te verstoppen.”

13:7 Vervolgens,

ik ging naar Perath en groef,

en ik nam de tailleband uit de plaats waar ik hem had verstopt;

en kijk,

de tailleband was geruïneerd,

hij was totaal waardeloos.

13:8 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot mij,

zeggende,

13:9 “Zo zegt Maryah,

‘Precies zo zal Ik de hoogmoed van Judah vernietigen

en die grote hoogmoed van Jeruzalem.

13:10 ‘Dit goddeloze volk,

dat weigert om naar Mijn woorden te luisteren,

dat wandelt naar de koppigheid van hun harten

en andere goden achterna is gegaan om hen te dienen

en om neder te buigen voor hen,

laat het precies als deze tailleband worden

die totaal waardeloos is.

13:11 ‘Want zoals de tailleband om het middel van een man vast-hecht,

zo heb Ik het hele huisgezin van Israël

en het hele huisgezin van Judah

aan Mij doen vast-hechten,’

maakt Maryah bekend,

‘opdat zij een volk voor Mij mogen zijn,

tot aanzien,

tot lof en heerlijkheid;

maar zij hebben niet geluisterd.’

13:12 “Daarom,

gij moet dit woord tegen hun spreken,

‘Zo zegt Maryah,

de Aloha van Israël,

“Elke kruik zal met wijn worden gevuld.”‘

En wanneer zij tegen u zeggen,

“Weten wij niet heel goed

dat elke kruik met wijn zal worden gevuld?’

13:13 Zeg dan tegen hun,

‘Zo zegt Maryah,

“Zie Ik sta op punt om al de inwoners van dit land-

de koningen die op David zijn troon zitten,

de priesters,

de profeten en al de inwoners van Jeruzalem-

te vullen met dronkenschap!

13:14 “Ik zal ze tegen elkaar slaan,

de vaders en de zonen,

beide,

tezamen,”

maakt Maryah bekend.

“Ik zal geen medelijden betonen

en ook niet rouwig zijn-

evenmin mededogen hebben-

om ze aldus niet te vernietigen.”‘”

13:15 Luistert en neemt in acht,

wees niet hoogmoedig,

want Maryah heeft gesproken.

13:16 Geef heerlijkheid aan Maryah uw Aloha,

voordat Hij duisternis brengt

en voordat uw voeten struikelen

op de schemerige bergen,

En terwijl gij op licht hoopt

maakt Hij het tot diepe duisternis,

en verandert het in donkerheid.

13:17 Maar indien gij er nog niet wil naar luisteren,

zal mijn ziel in het geheim snikken om zulke hoogmoed;

en mijn ogen zullen bitterlijk huilen

en tranen naar beneden stromen ,

omdat de kudde van Maryah

in gevangenschap is genomen.

13:18 Zeg tegen de koning en de koningin-moeder,

“Neem een nederige zetel,

want uw fraaie kroon

is van uw hoofd naar beneden gekomen.”

13:19 De steden van de Negev zijn opgesloten geworden,

en er is niet één om ze te openen;

heel Judah is in ballingschap weggevoerd geweest,

geheel in ballingschap weggevoerd.

13:20 “Hef uw ogen op en zie

degenen die vanuit het noorden komen.

Waar is de kudde die u gegeven werdt,

uw fraaie schapen?

13:21 “Wat zult gij zeggen

wanneer Hij voormalige kameraden over u benoemt

-en gij zelf hebt ze opgeleid tegen u-

om het hoofd boven u te zijn?

zullen pijnscheuten u niet vastgrijpen

gelijk een vrouw in barensnood?

13:22 “Indien gij in uw hart zegt,

‘Waarom zijn deze dingen gebeurd aan mij?’

Vanwege de omvang van uw ongerechtigheid

zijn uw zomen weggehaald geweest

en uw hielen zijn tentoongesteld geweest.

13:23 “Kan de Ethiopiër zijn huid verkleuren?

Of de luipaard zijn vlekken?

Dan kunt gij ook goed doen

die gewend zijt om kwaad te doen?

13:24 “Daarom zal Ik hun verstrooien

gelijk afdrijvend stro

door de woestijnwind.

13:25 “Dit is uw lot,

het deel dat tot u van Mij is afgemeten,”

maakt Maryah bekend,

“Omdat gij Mij vergeten hebt

en hebt vertrouwt op leugens.

13:26 “Zo heb Ik zelf

ook uw zomen ontbloot

boven uw aangezicht

opdat uw schaamte moge gezien worden.

13:27 “Wat betreft uw overspelen en uw wellustig hinniken,

de ontuchtigheid van uw hoererij

op de heuvels in de akker,

Ik heb uw schanddaden gezien.

Wee aan u,

O Jeruzalem!

hoelang zult gij nog onrein blijven?”

Jeremiah 14.

14:1 Datgene wat tot Jeremiah kwam

als het woord van Maryah

met betrekking tot de droogte:

14:2 “Judah rouwt

en haar poorten verzwakken;

ze zitten op de grond in de rouw,

en de roep van Jeruzalem is opgestegen.

14:3 “Hun edelen hebben hun knechten om water gezonden;

ze zijn tot de waterbakken gekomen en hebben geen water gevonden.

ze zijn teruggekeerd met hun vaten leeg;

ze zijn tot schande gemaakt en vernederd,

en ze bedekken hun hoofden.

14:4 “Omdat de grond is gebarsten,

want er is geen regen geweest op het land;

zijn de boeren te schande gemaakt,

ze hebben hun hoofden bedekt.

14:5 “Want zelfs de hinde in het veld heeft gekalfd

om haar jong alleen te laten,

want er is geen gras.

14:6 “De wilde ezels staan op de kale hoogten;

ze hijgen naar lucht zoals jakhalzen,

hun ogen zakken in

want er is geen gewas.

14:7 “Alhoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen,

O Maryah,

handel omwille van Uw naam!

onze afvalligheden zijn werkelijk vele geweest,

wij hebben tegen U gezondigd.

14:8 “O Gij hoop van Israël,

haar Zaligmaker in tijden van nood,

waarom zijt Gij als een vreemdeling in het land

of als een zwervende mens

die zijn tent voor één nacht heeft opgezet?

14:9 “Waarom zijt Gij als een overwonnen man,

als een sterke man die niet redden kan?

Nochtans zijt Gij in ons midden,

O Maryah,

en wij zijn geroepen door Uw naam;

verlaat ons niet!”

14:10 Dus zegt Maryah tegen dit volk,

“Toch hebben zij ervan gehouden om rond te dwalen;

ze hebben hun voeten niet onder controle gehouden.

Daarom aanvaard Maryah hen niet;

nu zal Hij hun ongerechtigheid herinneren

en hun zonden ter verantwoording roepen.”

14:11 Zo zei Maryah tegen mij,

“bid niet voor het welzijn van dit volk.

14:12 “Wanneer zij vasten,

ga Ik niet luisteren naar hun geschrei;

en wanneer zij brandoffer en graanoffer offeren,

ga Ik ze niet accepteren.

Ik ga veeleer een einde aan hen maken door het zwaard,

en door de hongersnood en de pestziekte.”

14:13 Maar,

“Ah, Maryah Aloha!”

Zei ik,

“Kijk,

de profeten vertellen hen,

‘Gij zult het zwaard niet zien

noch zult gij hongersnood hebben,

maar ik zal u blijvende vrede geven in deze plaats.'”

14:14 Toen zei Maryah tegen mij,

“De profeten profeteren leugen in Mijn naam.

Ik heb ze niet gezonden

noch hen geboden

noch gesproken tegen hen;

zij profeteren aan u een leugenachtig visioen,

waarzeggerij,

een ding van niets,

en het bedrog van hun eigen geest.

14:15 “Daarom zo zegt Maryah

betreffende de profeten

die profeteren in Mijn naam,

hoewel Ik het niet was die ze zond-

blijven ze toch zeggen,

‘Er zal geen zwaard of hongersnood zijn in dit land’-

door zwaard en hongersnood

zullen die profeten hun einde ontmoeten!

14:16 “Ook het volk tot wie zij profeteren

zullen op de straten van Jeruzalem worden weggegooid

vanwege de hongersnood en het zwaard;

en er zal niet één zijn om ze te begraven-

noch hen,

noch hun vrouwen,

noch hun zonen,

noch hun dochters-

want Ik zal hun eigen goddeloosheid over hun uitstorten.

14:17 “Gij zult dit woord tegen hen zeggen,

‘Laat mijn ogen met tranen afvloeien

dag en nacht,

en laat hen niet ophouden;

want de maagdelijke dochter van mijn volk

is verpletterd met een krachtige slag,

met een zwaar geïnfecteerde wonde.

14:18 ‘Als ik uitga naar het land,

ziedaar,

diegenen gedood met het zwaard!

of als ik de stad inga,

ziedaar,

ziekten van de hongersnood!

Want profeten en priesters

beiden zijn gaan rondzwerven in het land

dat zij niet kennen.'”

14:19 Hebt Gij Judah compleet verworpen?

Of hebt Gij Zion gehaat?

Waarom hebt Gij ons geslagen zodat we genezing voorbij gaan?

We wachtten op vrede,

maar er kwam niets goeds;

en op een tijd van genezing,

maar zie daar,

verschrikking!

14:20 Wij erkennen onze goddeloosheid,

O Maryah,

de ongerechtigheid van onze vaders,

want wij hebben gezondigd tegen U.

14:21 Veracht ons niet,

ter wille van Uw eigen naam ;

onteer de troon van Uw heerlijkheid niet;

onthoud en verbreek Uw verbond met ons niet.

14:22 Zijn er onder de afgoden van de naties enige die regen geven?

Of kan de hemel plasregens toestaan?

Zijt Gij het niet,

O Maryah onze Aloha?

Daarom hopen wij op u.

Want Gij zijt de Enige die al deze dingen heeft gedaan.

Jeremiah 15.

15:1 Vervolgens,

Maryah zei tegen mij,

“Zelfs al waren Mozes en Samuel staande voor Mij,

Mijn hart zou niet met dit volk zijn;

stuur ze weg uit Mijn tegenwoordigheid

en laat ze uitgaan!

15:2 “En het zal zijn wanneer dat zij tegen u zeggen,

‘Waar moeten wij heengaan?’

dan moet gij hen vertellen,

‘zo zegt Maryah;

“Zij bestemd tot de dood,

tot de dood;

en zij bestemd tot het zwaard,

tot het zwaard;

en zij bestemd tot de hongersnood,

tot de hongersnood;

en zij bestemd tot gevangenschap,

tot gevangenschap.”‘

15:3 “Ik zal vier soorten onheil over hun uitroepen,”

maakt Maryah bekend:

“het zwaard om te doden,

de honden om weg te slepen,

en de vogels van de hemel

en de beesten van de aarde

om te verslinden en te vernietigen.

15:4 “Ik zal hen tot een voorwerp van verschrikking maken

onder al de koninkrijken van de aarde

vanwege Manasseh,

de zoon van Hezekiah,

de koning van Judah,

voor wat hij deed in Jeruzalem.

15:5 “Inderdaad,

wie zal medelijden met u hebben,

O Jeruzalem,

of wie zal om u rouwen,

of wie zal zich terzijde wenden om te vragen naar uw welzijn?

15:6 “Gij die Mij verlaten hebt,”

maakt Maryah bekend,

“Gij blijft achteruit gaan.

Zo zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u vernietigen;

Ik ben moe van te zwichten!

15:7 “Ik zal hen ziften met een wannende-vork-

aan de poorten van het land;

Ik zal hen van kinderen beroven,

Ik zal Mijn volk vernietigen;

omdat zij zich niet berouwden over hun wegen.

15:8 “Hun weduwen zullen talrijker vóór Mij zijn

dan het zand van de zee;

Ik zal over hen,

tegen de moeder van een jonge man,

een plunderaar op het middaguur brengen;

Ik zal op haar plotseling angst en wanhoop doen neerdalen.

15:9 “Zij die zeven zonen baarde kwijnde weg;

haar ademhaling is moeizaam.

Haar zon is ondergegaan terwijl het nog dag was;

zij is beschaamd geweest en vernederd.

Zo zal Ik hun overlevenden aan het zwaard overgeven

Vóór hun vijanden,”

maakt Maryah bekend.

15:10 Wee mij,

mijn moeder,

dat gij mij hebt gebaard

als een man van twist

en een man van krakeel aan het ganse land!

Ik heb niet uitgeleend,

noch hebben mensen aan mij geld uitgeleend,

nochtans vervloekt iedereen mij.

15:11 Maryah zei,

“Waarlijk,

Ik zal u voor doeleinden van het goede vrijlaten;

waarlijk,

Ik zal de vijand aan u smeekbede doen maken

in een tijd van rampspoed

en een tijd van benauwdheid.

15:12 “kan iemand ijzer verbrijzelen,

ijzer uit het noorden,

of brons?

15:13 “Uw rijkdom en uw schatten

zal Ik zonder kosten tot roof geven,

voor al uw zonden zelfs

en in al uw grenzen.

15:14 “Vervolgens

zal ik uw vijanden ertoe brengen

om het in een land te brengen dat gij niet kent;

want een vuur is ontstoken in Mijn toorn,

het zal op u branden.”

15:15 Gij die weet,

O Maryah,

gedenk mij,

sla acht op mij,

en neem wraak voor mij op mijn vervolgers.

Neemt mij niet weg,

met het oog op Uw geduld;

weet dat ik omwille van U smaad verdraag.

15:16 Uw woorden werden gevonden en ik at ze op,

en Uw woorden werden voor mij een vreugde

en de verrukking van mijn hart;

want ik ben geroepen geweest door Uw naam,

O Maryah Aloha van de heirscharen.

15:17 Ik zat niet in de kring van de pretmakers,

ik heb ook niet gejuicht.

Vanwege Uw hand op mij zat ik alleen,

want Gij vulde mij met verontwaardiging.

15:18 Waarom is mijn pijn blijvend geweest

en mijn wonde ongeneeslijk,

weigerend om genezen te worden?

Zult Gij mij werkelijk als een bedrieglijke stroom zijn-

met water dat onbetrouwbaar is-?

15:19 Daarom,

zo zegt Maryah,

“Indien gij terugkeert,

dan zal Ik u herstellen-

voor Mij zult gij staan;

en indien gij het kostbare van het waardeloze uittrekt,

zult gij Mijn spreekbuis worden.

Zij van hun kant mogen zich tot u wenden,

maar wat u betreft,

gij moet u niet tot hun wenden.

15:20 “Dan zal Ik u maken

een versterkte muur van brons

tegen dit volk

en hoewel zij tegen u strijden,

zullen zij u niet overheersen;

want Ik ben met u om u te behouden

en u te verlossen,”

maakt Maryah bekend.

15:21 “Zo zal Ik u bevrijden uit de hand van de goddelozen,

en Ik zal u verlossen uit de greep van de geweldenaars.”

Jeremiah 16.

16:1 Het woord van Maryah kwam ook tot mij zeggende,

16:2 “gij zult geen vrouw tot uzelf nemen

noch zonen of dochters hebben in deze plaats.”

16:3 Want zo zegt Maryah

betreffende de zonen en dochters geboren in deze plaats,

en betreffende hun moeders die hen baren,

en hun vaders die hen in dit land verwekken:

16:4 “zij zullen sterven aan dodelijke ziekten

zij zullen niet beklaagd of begraven worden,

zij zullen als mest zijn op het oppervlak van de aarde

en eindigen door zwaard en hongersnood,

en hun karkassen zullen voedsel worden

voor de vogels van de hemel

en voor de beesten van de aarde.”

16:5 Want zo zegt Maryah,

“Ga het huis van rouw niet binnen,

ga niet om te weeklagen of om hun te vertroosten;

want Ik heb Mijn vrede teruggetrokken van dit volk,”

maakt Maryah bekend,

“Mijn liefdevolle vriendelijkheid en mededogen.

16:6 “Grote en kleine mannen,

beide,

zullen sterven in dit land,

zij zullen niet worden begraven,

zij zullen niet worden beklaagd,

evenmin zal iemand zichzelf snijden

of zijn hoofd scheren vanwege hen.

16:7 “Mensen zullen geen brood breken in rouw vanwege hen,

om iemand te troosten vanwege de doden,

noch hun een beker vertroosting geven om te drinken

vanwege iemands vader of moeder.

16:8 “Bovendien zult gij het huis van het feestmaal niet ingaan

om bij hen te zitten

om te eten en te drinken.”

16:9 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël:

“Zie!

Ik ga van deze plaats wegnemen,

voor uw ogen en in uw tijd,

de stem van vreugde,

en de stem van blijdschap,

de stem van de bruidegom,

en de stem van de bruid.

16:10 “Wanneer gij nu dit volk al deze woorden vertelt,

zullen zij tegen u zeggen,

‘Om welke reden heeft Maryah

al deze grote rampspoed tegen ons verklaard?

En wat is onze ongerechtigheid,

of wat is onze zonde

die wij tegen Maryah onze Aloha hebben begaan?

16:11 “Dan moet gij tegen hun zeggen,

‘het is omdat uw voorvaders Mij hebben verlaten,’

maakt Maryah bekend,

‘en andere goden hebben gevolgd

en hun hebben gediend,

en voor hun neergebogen hebben,

maar Mij hebben ze verlaten-

en hebben Mijn wet niet gehouden.

16:12 ‘Ook gij hebt kwaad gedaan,

zelfs meer dan uw voorvaders;

want ziet!

Gij-een-ieder van u-

wandelt naar de koppigheid van zijn eigen kwade hart,

zonder naar Mij te luisteren.

16:13 ‘Dus zal Ik u vanuit dit land gooien

naar het land die gij niet hebt gekend,

noch gij noch uw vaders;

en daar zult gij andere goden dienen

dag en nacht,

want Ik zal u geen gunst schenken.’

16:14 “Dus ziet!

de dagen komen,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer het niet langer gezegd zal worden,

‘Zoals Maryah leeft,

die de zonen van Israël vanuit het land Egypte heeft opgebracht,

16:15 maar,

‘zoals Maryah leeft,

die de zonen van Israël opbracht

uit het land van het noorden

en uit al de landen

alwaar Hij hun had verbannen.’

Want Ik zal hun terugbrengen naar hun eigen land

dat Ik aan hun vaders gaf.

16:16 “Ziet,

Ik ga vele vissers zenden,”

maakt Maryah bekend,

“en zij zullen naar hun vissen;

en daarna zal Ik vele jagers zenden,

en zij zullen hun van elke berg jagen

en van elke heuvel

en uit de spleten van de rotsen.

16:17 “Want Mijn ogen zijn op al hun wegen:

ze zijn niet verborgen voor Mijn aangezicht,

noch is hun ongerechtigheid verscholen voor Mijn ogen.

16:18 “Ik zal hun ongerechtigheid en hun zonde eerst dubbel vergelden,

omdat zij Mijn land hebben vervuild;

Mijn erfenis hebben zij gevuld

met de karkassen van hun verfoeilijke afgoden

en met hun gruwelen.”

16:19 O Maryah,

mijn sterkte en mijn burcht,

en mijn toevlucht in de dag van benauwdheid,

tot U zullen de naties komen

van de einden van de aarde

en zeggen,

“Onze vaders hebben niets anders dan leugens geërfd,

ijdelheid en dingen waarin geen winst is.”

16:20 Kan de mens goden voor hemzelf maken?

Toch zijn zij geen goden!

16:21 “Zie dus,

Ik ga hen doen kennen-

deze keer zal Ik hen Mijn sterkte en Mijn macht doen kennen;

en zij zullen weten dat Mijn naam Maryah is.”

Jeremiah 17.

17:1 De zonde van Judah is opgeschreven met een ijzeren griffel;

met een diamant punt is het gegraveerd op de tablet van hun hart

en op de hoornen van hun altaren,

17:2 Zoals zij hun telgen gedenken,

zo gedenken zij hun altaren en hun Asherim

nabij groene bomen op de hoge heuvels.

17:3 O berg van Mij in het open veld,

ik zal uw welstand

en al uw schatten ten roof overgeven,

uw hoge plaatsen vanwege de zonde in al uw grenzen.

17:4 En gij zult,

zelfs van uzelf,

uw erfenis die Ik u gaf loslaten;

en Ik zal u uw vijanden doen dienen

in het land welke gij niet kent;

want gij hebt een vuur ontstoken in Mijn toorn

die voor altijd zal branden.

17:5 Zo zegt Maryah,

“Vervloekt is de mens die op de mensheid vertrouwt

en het vlees tot zijn sterkte maakt,

en wiens hart zich afkeert van Maryah.

17:6 “Want hij zal als een struik in de woestijn zijn

en zal niet zien wanneer voorspoed komt,

maar zal leven in steenachtige woestenij in de wildernis,

een land van zout zonder inwoner.

17:7 “Gezegend is de mens die op Maryah vertrouwt-

en wiens vertrouwen Maryah is.

17:8 “Want hij zal als een boom zijn geplant bij het water,

die zijn wortels uitstrekt naar een stroom

en zal niet vrezen wanneer de hitte komt;

maar zijn bladeren zullen groen zijn,

en hij zal niet angstig zijn in een jaar van droogte

en nooit ophouden met vruchten af te werpen.

17:9 “Het hart is bedrieglijker dan alle andere dingen-

en is wanhopig ziekelijk-

wie kan het begrijpen?

17:10 “Ik,

Maryah,

doorzoek het hart,

Ik beproef de gedachten,

zelfs om te geven-

aan elke mens naar zijn wegen,

naar de resultaten van zijn daden.

17:11 “Zoals een patrijs die eieren uitbroedt-

welke zij niet heeft gelegd,

zo is hij die een fortuin maakt,

maar onrechtvaardig;

in het midden van zijn dagen zal het hem verlaten,

en op het einde zal hij een dwaas zijn.”

17:12 Een glorieuze troon

verheven vanaf het begin

is plaats van ons heilige der heiligen.

17:13 O Maryah,

de hoop van Israël,

allen die U verlaten zullen tot schande worden gemaakt.

Zij die zich van U afkeren-

in de aarde zullen ze worden neergeschreven,

omdat zij Maryah-

de fontein van levend water zelfs hebben verlaten.

17:14 Genees mij,

O Maryah,

en ik zal genezen worden;

red mij en ik zal behouden worden,

want Gij zijt mijn lof.

17:15 Kijk,

ze blijven tegen mij zeggen,

“waar is het woord van Maryah?

laat het nu komen!”

17:16 Maar wat mij betreft,

ik heb toch geen haast gemaakt

om meer dan een schaap-herder achter U te zijn,

ook heb ik niet verlangd naar de jammerlijke dag;

Gij weet het zelf dat de uiting van mijn lippen

in Uw tegenwoordigheid was.

17:17 Wees geen verschrikking voor mij;

Gij zit mijn schuilplaats op de dag van onheil.

17:18 Laat degenen die mij vervolgen tot schande worden gemaakt,

maar wat mij betreft,

laat mij niet tot schande worden gemaakt;

laat hen verschrikt worden,

maar laat mij niet verschrikt worden.

Breng over hun een dag van rampspoed,

en verpletter hen met tweevoudige vernietiging!

17:19 Zo zei Maryah tegen mij,

“Ga en sta in de volks-poort,

doorheen welke de koningen van Judah inkomen en uitgaan,

evenals in alle poorten van Jeruzalem;

17:20 en zeg tegen hun,

‘Luistert naar het woord van Maryah,

koningen van Judah,

en geheel Judah en alle inwoners van Jeruzalem

die door deze poorten inkomen:

17:21 ‘zo zegt Maryah,

“wacht u voor uzelf,

en draagt geen last op de sabbath dag

breng het ook niet binnen door de poorten van Jeruzalem.

17:22 “Gij zult geen last vanuit uw huizen brengen

op de sabbath dag

noch enig werk doen,

maar de sabbath dag heilig houden,

zoals ik uw voorvaders gebood.

17:23 “Toch luisterden zij niet

neigden hun oren niet,

maar verstijfden hun nekken

om niet te luisteren

of correctie aan te nemen.

17:24 “Maar het zal zowat gebeuren,

wanneer gij aandachtig luistert naar Mij,”

maakt Maryah bekend,

“Om geen last binnen te brengen

door de poorten van deze stad

op de sabbath dag,

maar om de sabbath dag heilig te houden

door geen werk daarop te doen,

17:25 dan zullen er koningen inkomen

door de poorten van deze stad

en prinsen zittend op de troon van David,

rijdend in strijdwagens en op paarden,

zij en hun prinsen,

de mannen van Judah en de inwoners van Jeruzalem,

en deze stad zal voor eeuwig bewoond worden.

17:26 “Zij zullen inkomen

vanuit de steden van Judah

en vanuit de omgeving van Jeruzalem,

vanuit het land van Benjamin,

vanuit het laagland,

vanuit het heuvelland

en vanuit de Negev,

brengende brandoffers,

offers,

graanoffers,

en wierook,

en brengende offers van dankzegging

naar het huis van Maryah.

17:27 “Maar wanneer gij niet naar Mij luistert

om de sabbath dag heilig te houden

door geen last te dragen

en in te komen door de poorten van Jeruzalem

op de sabbath dag,

dan zal Ik een vuur ontsteken in haar poorten

en het zal de paleizen van Jeruzalem verteren

en het zal niet worden uitgeblust.”‘”

Jeremiah 18.

18:1 Het woord dat van Maryah tot Jeremiah kwam,

zeggende,

18:2 “Sta op en ga naar beneden naar het pottenbakkershuis,

en daar zal Ik Mijn woorden aan u bekendmaken.”

18:3 Vervolgens ging ik naar beneden naar het pottenbakkershuis,

en daar was hij,

een zeker ding aan het vormen op de pottenbakkersschijf.

18:4 Maar telkens wanneer het vat dat hij vormde van de klei

verspild werd in de hand van de pottenbakker;

zo vormde hij het opnieuw tot een ander vat,

zoals het de pottenbakker goed leek om het te vormen.

18:5 Toen kwam het woord van Maryah tot mij,

zeggende:

18:6 “Kan Ik niet,

O huis van Israël,

met u omgaan zoals deze pottenbakker?”

Maakt Maryah bekend.

“Ziet!

zoals de klei in de pottenbakkershand,

zo zijt gij in Mijn hand,

O huis van Israël.

18:7 “Op een ogenblik

zou ik kunnen spreken

betreffende een natie

of betreffende een koninkrijk om het te ontwortelen,

om het naar beneden te trekken,

of om het te vernietigen;

18:8 “Indien die natie

waartegen Ik heb gesproken

zich van haar kwaad afkeert,

zal Ik zwichten betreffende de rampspoed

die Ik van plan was om erover te brengen.

18:9 “Op een ander ogenblik

zou Ik kunnen spreken over een natie

of over een koninkrijk

om het op te bouwen

of te planten;

18:10 “indien het kwaad doet in Mijn ogen

door Mijn stem niet te gehoorzamen;

dan zal Ik Mij beter bedenken

over het goede

waarmee Ik had beloofd om het te zegenen.

18:11 “Dus nu dan,

spreek tegen de mannen van Judah

en tegen de inwoners van Jeruzalem,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah,

“Ziet!

Ik vorm rampspoed tegen u

en bedenk een plan tegen u.

Oh keer om,

ieder van u van zijn kwade weg,

en hervormt uw wegen en uw daden.”‘

18:12 “Maar zij zullen zeggen,

‘Het is hopeloos!

Want we gaan onze eigen plannen volgen,

en elk van ons zal handelen

volgens de koppigheid van zijn kwaadaardige hart.’

18:13 “Daarom dus zegt Maryah,

‘Vraagt nu onder de naties,

wie heeft ooit zoiets dergelijks gehoord?

De maagd van Israël

heeft een zeer verschrikkelijk ding gedaan.

18:14 ‘Doet de sneeuw van Libanon het gesteente van het open veld verdwijnen?

of wordt het koude stromende water

ooit weggerukt vanuit een vreemd land?

18:15 ‘Want Mijn volk is Mij vergeten,

ze branden wierook aan waardeloze goden

en ze zijn op hun wegen gestruikeld,

op de oude paden,

om te wandelen in zijpaden,

en niet op een hoge weg,

18:16 om hun land tot een verlatenheid te maken,

en een mikpunt van eeuwigdurend gesis;

iedereen die daar voorbijgaat zal verbaasd zijn

en zijn hoofd schudden.

18:17 ‘Ik zal hun verstrooien als met een oostenwind

voor de vijand;

Ik zal op hun achterkant zien

en niet hun voorkant

op de dag van hun rampspoed.'”

18:18 Vervolgens zeiden zij,

“Kom en laat ons plannen bedenken tegen Jeremiah.

De wet zal zeker niet verloren gaan van de priester,

noch de raad van de wijze,

noch het goddelijke woord van de profeet!

Kom op en laat ons hem slaan met onze tong,

en laat ons geen acht slaan op enige van zijn woorden.”

18:19 Heb aandacht voor mij,

O Maryah,

en luister naar wat mijn tegenstanders zeggen!

18:20 Moet goed worden terugbetaald met kwaad?

Want zij hebben een kuil voor mij gegraven.

Gedenk hoe ik voor U stond

om goed namens hun te spreken;

om zo Uw toorn van hen af te wenden.

18:21 Daarom,

geef hun kinderen over aan hongersnood

en lever hun over aan de kracht van het zwaard;

en laat hun vrouwen kinderloos en tot weduwe gemaakt worden.

Laat hun mannen ook worden geslagen tot de dood,

hun jonge mannen neergeslagen door het zwaard in de strijd?

18:22 Moge een uitroep worden gehoord uit hun huizen,

wanneer Gij plotseling plunderaars over hun brengt;

want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen

en ze verborgen strikken voor mijn voeten.

18:23 Doch Gij,

O Maryah,

weet,

al hun dodelijke ontwerpen tegen mij;

vergeef hun ongerechtigheid niet

wis ook hun zonde niet uit voor Uw aangezicht.

Maar mogen zij omvergeworpen worden voor U;

handelt Gij met hen in de tijd van Uw toorn!

Jeremiah 19.

19:1 Zo zegt Maryah,

“Ga en koop een aardewerken kruik van de pottenbakker,

en neem enige van de oudsten van het volk

en enige van de senior priesters mee.

19:2 “Ga dan uit naar de vallei van Ben-hinnom,

die bij de ingang van de potscherf-poort is,

en verkondig daar de woorden die Ik u vertel,

19:3 en zeg,

‘Hoor het woord van Maryah,

O koningen van Judah en inwoners van Jeruzalem:

zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Ziet Ik sta op het punt om een rampspoed over deze plaats te brengen,

waarbij de oren van ieder die ervan hoort tuiten zullen.

19:4 “Omdat zij Mij hebben verlaten

en deze een vreemde plaats hebben gemaakt

en daarin offers hebben gebrand aan andere goden,

dat noch zij noch hun voorvaders

noch de koningen van Judah ooit hebben gekend,

en omdat zij deze plaats hebben gevuld

met het bloed van de onschuldigen

19:5 en de hoge plaatsen van Ba-al hebben gebouwd

om hun zonen in het vuur te verbranden

als brandoffers aan Ba-al,

een ding die Ik nooit bevolen of gesproken heb,

evenmin is het ooit in Mijn gedachten gekomen;

19:6 daarom,

ziet!

dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“Waarop deze plaats niet langer Topheth zal worden genoemd

of de vallei van Ben-hinnom,

maar eerder het dal der slachting.

19:7 “Ik zal de raad van Judah en Jeruzalem in deze plaats ongeldig maken,

en Ik zal hun door het zwaard doen vallen

voor hun vijanden

en door de hand van degenen die hun leven zoeken;

en Ik zal hun karkassen overgeven

als voeder voor de vogels van de hemel

en de beesten van de aarde.

19:8 “Ook zal Ik deze stad –

tot een verlatenheid-

en een mikpunt van gesis maken;

eenieder die haar passeert-

zal verbaasd zijn en sissen-

vanwege al haar rampspoed.

19:9 “Ik zal hen het vlees van hun zonen-

en het vlees van hun dochters doen eten,

en zij zullen elkaars vlees eten

in de belegering en in de kwelling

waarmee hun vijanden

en zij die hun leven zoeken

hen zullen kwellen.”‘

19:10 “Dan moet gij de kruik breken

voor de ogen van de mannen die u vergezellen-

19:11 en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Evenzo zal Ik dit volk en deze stad breken,

gelijk als men een pottenbakkerskruik breekt,

welke niet opnieuw kan worden hersteld;

en zij zullen (worden) begraven in Topheth

omdat er geen andere plaats van begrafenis is.

19:12 “Dit is hoe Ik deze plaats en haar inwoners zal behandelen,”

maakt Maryah bekend,

“om deze stad dus als Topheth te maken.

19:13 “De huizen van Jeruzalem

en de huizen van de koningen van Judah

zullen verontreinigd worden als de plaats Topheth,

vanwege al de huizen

op wiens daken zij offers hebben gebrand

aan heel het hemelse heir

en drankoffers uitgoten hebben

aan andere goden.”‘”

19:14 Vervolgens,

Jeremiah kwam van Topheth,

waarheen Maryah hem had gezonden om te profeteren;

en hij stond in de voorhof van het huis van Maryah

en zei tot gans het volk:

19:15 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Zie!

Ik sta op het punt om over deze stad

en over al haar plaatsen

de hele rampspoed te brengen

welke Ik tegen haar bekend heb gemaakt,

omdat zij hun nekken hebben verstijfd

om niet naar Mijn woorden te luisteren.'”

Jeremiah 20.

20:1 Toen Pashhur de priester,

de zoon van Immer,

die hoofd officier was in het huis van Maryah,

Jeremiah hoorde profeteren

betreffende deze dingen,

20:2 liet Pashhur de profeet Jeremiah slaan

en zette hem in de straf-blokken

welke aan de bovenste Benjamin Poort waren,

die bij het huis van Maryah was.

20:3 Op de volgende dag,

toen Pashhur Jeremiah uit de blokken bevrijdde,

zei Jeremiah tegen hem,

“Pashhur is niet de naam zoals Maryah u heeft genoemd,

maar eerder Magor-Missabib.

20:4 Want zo zegt Maryah,

‘ziet!

Ik ga u een verschrikking maken-

voor uzelf-

en voor al uw vrienden;

en terwijl uw ogen toekijken,

zullen zij vallen door het zwaard van hun vijanden.

Zo zal Ik heel Judah overgeven in de hand van de koning van Babel,

en hij zal ze wegvoeren als ballingen naar Babel

en zal hen met het zwaard doden.

20:5 ‘Ook zal Ik alle rijkdom van deze stad overgeven,

al haar opbrengsten en al haar kostbare dingen;

al de schatten zelfs van de koningen van Judah

zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden,

en zij zullen ze roven,

ze wegnemen

en ze naar Babel brengen.

20:6 ‘En gij,

Pashhur,

en allen die in uw huis leven

zullen in gevangenschap gaan;

en gij zult Babel binnengaan,

en daar zult gij sterven

en daar zult gij begraven worden,

gij en al uw vrienden

aan wie gij valselijk geprofeteerd hebt.'”

20:7 O Maryah,

Gij hebt mij misleid en ik was misleid;

Gij hebt mij overwonnen en zegevierde.

Ik ben een mikpunt van spot geworden

de hele dag door;

eenieder bespot mij.

20:8 Want elke keer dat ik spreek,

roep ik hardop;

ik roep geweld en vernietiging uit,

omdat voor mij

het woord van Maryah

heeft geleid tot verwijten en bespotting,

de hele dag door.

20:9 Maar als ik zeg,

“Ik zal Hem niet gedenken

of niet meer spreken in Zijn naam,”

dan wordt het in mijn hart als een brandend vuur,

opgesloten in mijn gebeente;

en ik vermoeide mijzelf om het in te houden,

maar ik kan het niet uithouden.

20:10 Want ik heb het gefluister van velen gehoord,

“verschrikking aan alle kanten!

Klaag hem aan:

ja,

laat we hem aanklagen!”

Al mijn vertrouwde vrienden,

kijken naar mijn val,

zeggende:

“Misschien zal hij misleid worden,

zodat wij tegen hem mogen overwinnen

en onze wraak op hem nemen.”

20:11 Maar Maryah is met mij

als een gevreesde kampioen;

daarom zullen mijn vervolgers struikelen en niet overwinnen.

Ze zullen zich geheel en al schamen,

omdat zij hebben gefaald,

met een eeuwigdurende schande

die niet vergeten zal worden.

20:12 Toch,

O Maryah van de heirscharen,

Gij die de rechtvaardigen beproeft,

die de gedachten en het hart ziet;

laat mij Uw wraak op hen zien;

want aan U heb ik mijn zaak uiteengezet.

20:13 Zingt voor Maryah,

prijst Maryah!

Want Hij heeft de ziel van de behoeftige verlost

uit de hand van de kwaaddoeners.

20:14 Vervloekt is de dag waarop ik geboren ben;

laat die dag-

niet gezegend zijn-

waarop mijn moeder mij heeft gebaard!

20:15 Vervloekt is de man

die het nieuws bracht

aan mijn vader,

zeggende,

“Een mannelijk kindje is aan u geboren geworden!”

en hem zeer gelukkig maakte.

20:16 Maar laat die mens zijn als de steden

welke Maryah omver wierp zonder te zwichten,

en laat hem een verontwaardiging horen in de ochtend

en een alarmkreet op het middaguur;

20:17 omdat hij mij niet voor de geboorte doodde,

zo dat mijn moeder mijn graf zou zijn geweest,

en haar baarmoeder altijd zwanger ware.

20:18 Waarom ben ik ooit uit de baarmoeder voortgekomen

om te zien op moeite en droefheid,

opdat mijn dagen in schaamte zijn besteed geweest?

Jeremiah 21.

21:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam van Maryah

toen koning Zedekiah tot hem Pashhur zond

de zoon van Malchijjah,

en Zephaniah de priester,

de zoon van Maaseiah,

zeggende,

21:2 “Vraag toch van Maryah namens ons,

want Nebuchadnezzar de koning van Babel

voert oorlog tegen ons;

wellicht zal Maryah met ons doen

naar al Zijn wonderlijke daden,

zodat de vijand zich van ons zal terugtrekken.”

21:3 Vervolgens,

Jeremiah zei tegen hen,

“gij zult tot Zedekiah zeggen als volgt:

21:4 ‘zo zegt Maryah

Aloha van Israël,

“zie,

Ik sta op het punt om de oorlogswapens terug te draaien

die in uw handen zijn,

waarmee gij strijdende zijt tegen de koning van Babel

en de Kaldāye die u belegeren buiten de muur;

en Ik zal ze verzamelen in het centrum van deze stad.

21:5 “Ik-zelf zal tegen u strijden

met een uitgestrekte hand

en een machtige arm,

zelfs in woede

en met toorn

en met grote verontwaardiging.

21:6 “Ik zal ook de inwoners van deze stad neerslaan,

mens en beest,

beiden,

zij zullen sterven aan een grote pestziekte.

21:7 “Daarna dan,”

maakt Maryah bekend,

“zal Ik Zedekiah koning van Judah

en zijn dienaren

en het volk,

zelfs degenen die in deze stad overleven van de pestziekte,

van het zwaard en van de hongersnood,

in de hand van Nebuchadnezzar koning van Babel overgeven,

en in de hand van hun vijand

en in de hand van degenen die hun leven zoeken;

en hij zal hun neerslaan

met de snede van het zwaard.

Hij zal hen niet sparen

noch medelijden

noch mededogen hebben.”‘

21:8 “Gij zult ook tegen dit volk zeggen,

‘zo zegt Maryah,

“Ziet,

de weg van het leven

en de weg van de dood

stel Ik voor u.

21:9 “Hij die in deze stad verblijft

zal door het zwaard

en door hongersnood

en door pestziekte sterven;

maar hij die er uit vertrekt

en uitvalt naar de Kaldāye

die u belegeren

zal leven,

en zijn eigen leven zal hij als buit hebben.

21:10 “Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld

ten kwade en niet ten goede,”

maakt Maryah bekend.

“Zij zal in de hand van de koning van Babel over-gegeven- worden

en hij zal ze met vuur verbranden.”‘

21:11 “Zeg vervolgens tegen het huishouden van de koning van Judah,

‘hoor het woord van Maryah,

21:12 O huis van David,

zo zegt Maryah:

“Voer de gerechtigheid uit elke morgen;

en verlost de persoon die beroofd is

uit de macht van zijn onderdrukker,

opdat Mijn toorn niet moge uitgaan als vuur

en branden met niet één om het te doven,

vanwege het kwaad van hun daden.

21:13 “Zie,

Ik ben tegen u,

O valleibewoner,

O rotsachtige vlakte,”

maakt Maryah bekend,

“gij mannen die zegt,

‘wie zal tegen ons afwaarts komen?

of wie zal onze woningen betreden?’

21:14 “Maar Ik zal u straffen naar de resultaten van uw daden,”

maakt Maryah bekend,

“en Ik zal een vuur ontsteken in haar woud

opdat het heel haar omgeving moge verteren.”‘”

Jeremiah 22.

22:1 Zo zegt Maryah,

“daal af naar het huis van de koning van Judah,

en spreek daar dit woord

22:2 en zeg,

‘hoor het woord van Maryah

O koning van Judah,

die op David’s troon zit,

gij en uw dienaren

en uw volk

die deze poorten binnentreden.

22:3 ‘Zo zegt Maryah,

“doe rechtvaardigheid en gerechtigheid,

en verlos degene die beroofd is

uit de macht van zijn onderdrukker.

Mishandel ook niet of gebruik geen geweld tegen de vreemdeling,

de wees,

of de weduwe;

en vergiet ook geen onschuldig bloed in deze plaats.

22:4 “Want indien uw mannen dit ding inderdaad zullen uitvoeren,

dan zullen koningen de poorten van dit huis ingaan,

zittend in David’s positie op zijn troon,

rijdend op strijdwagens en op paarden,

zelfs de koning zelf

en zijn dienaren

en zijn volk.

22:5 “Maar indien gij deze woorden niet zult gehoorzamen,

Ik zweer bij mezelf,”

maakt Maryah bekend,

“dat dit huis een verlatenheid zal worden.”‘”

22:6 Want zo zegt Maryah over het huis van de koning van Judah:

“gij zijt als Gilead voor Mij,

zoals de top van de Libanon;

maar toch zal Ik u zeker als een wildernis maken,

zoals steden die niet bewoond zijn.

22:7 “Want Ik zal vernielers tegen u apart zetten,

elk met zijn wapens;

en zij zullen uw meest uitgelezen ceders afhakken

en ze in het vuur gooien.

22:8 “Veel naties zullen langs deze stad voorbijkomen;

en zij zullen tegen elkaar zeggen,

‘waarom heeft Maryah alzo aan deze grote stad gedaan?’

22:9 “Dan zullen zij antwoorden,

‘Omdat zij het verbond van Maryah hun Aloha verlieten

en voor andere goden neerbogen

en hen dienden.'”

22:10 Weent niet om de dode

of rouwt niet om hem,

maar weent veel om degene die weggaat;

want hij zal nooit terugkeren

of zijn geboorteland zien.

22:11 Want zo zegt Maryah

met betrekking tot Sallum

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

die koning werd in de plaats van Josiah zijn vader,

die uit deze plaats uitging,

“Hij zal daar nooit terugkeren;

22:12 maar in de plaats waarheen zij hem gevangen voerden,

daar zal hij sterven

en dit land niet weer zien.

22:13 “Wee hem die zijn huis bouwt zonder gerechtigheid

en zijn bovenkamers zonder recht,

die de diensten van zijn naaste zonder te betalen gebruikt

en hem zijn loon niet geeft,

22:14 die zegt,

‘ik zal mijzelf een ruim huis bouwen

met royale bovenkamers,

en haar vensters er uithouwen,

het bedekken met ceder

en het felrood schilderen.’

22:15 “Wordt gij een koning omdat gij concurreert in ceder?

Heeft uw vader niet gegeten en gedronken

en recht en gerechtigheid gedaan?

Toen was het goed met hem.

22:16 “Hij verdedigde de zaak van de ellendigen en behoeftigen;

toen was het goed.

Is dat niet wat het betekent om Mij te kennen?”

Maakt Maryah bekend.

22:17 “Maar uw ogen en uw hart

zijn slechts gericht op uw eigen oneerlijke winst,

en op het vergieten van onschuldig bloed

en op het beoefenen van verdrukking en afzetterij.’

22:18 Daarom dus zegt Maryah

met betrekking tot Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

“ze zullen niet weeklagen om hem:

‘O wee,

mijn broeder!’

Of,

‘O wee,

zuster!’

Ze zullen niet weeklagen om hem:

‘O wee om de meester!’

Of,

‘O wee om zijn pracht!’

22:19 “Hij zal begraven worden met een ezels-begrafenis,

weggesleurd en uitgeworpen

ver voorbij de poorten van Jeruzalem.

22:20 “Ga op naar Libanon en schreeuw het uit,

en verhef uw stem in Bashan;

schreeuw het ook uit van Abarim,

want al uw geliefden zijn verpletterd geworden.

22:21 “Ik sprak tegen u in uw welvaart;

maar gij hebt gezegd,

‘ik wil niet luisteren!’

Dit is uw gewoonte geweest vanaf uw jeugd,

dat gij niet naar Mijn stem hebt geluisterd.

22:22 “De wind zal al uw herders wegvegen,

en uw geliefden zullen in gevangenschap gaan;

dan zul gij zeker beschaamd zijn en vernederd

vanwege al uw slechtheid.

22:23 “Gij die woont in Libanon,

genesteld in de ceders,

hoe zult gij kermen wanneer de pijnscheuten over u komen,

pijn als een vrouw bij de bevalling!

22:24 “Zoals Ik leef,”

maakte Maryah bekend,

“hoewel Coniah

de zoon van Jehoiakim

koning van Judah

een zegel op Mijn rechterhand was,

toch zou Ik u er afrukken;

22:25 en Ik zal u overgeven

in de hand van degenen die uw leven zoeken,

ja,

in de hand van degenen die gij vreest,

zelfs in de hand van Nebuchadnezzar

koning van Babel

en in de hand van de Kaldāye.

22:26 “Ik zal u uitwerpen,

en uw moeder die u gebaard heeft,

in een ander land,

waar gij niet geboren zijt,

en daar zult gij sterven.

22:27 “Maar wat betreft het land waarnaar zij verlangen weder-te-keren,

zij zullen er niet naar wederkeren.

22:28 “Is deze man Coniah een verachte,

verbrijzelde kruik?

Of is hij een ongewenst vat?

Waarom zijn hij en zijn nazaten uitgeworpen geweest

en geworpen in een land dat zij niet hebben gekend?

22:29 “O land,

land,

land,

hoort het woord van Maryah!

22:30 “Zo zegt Maryah,

schrijft gij deze man kinderloos neer,

een man die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen;

want geen man van zijn nazaten

zittend op de troon van David

zal voorspoedig zijn,

noch opnieuw heersen in Judah.'”

Jeremiah 23.

23:1 “Wee aan de herders

die de schapen van Mijn weide

aan het vernietigen en verstrooien zijn!”

Maakt Maryah bekend.

23:2 Daarom dus zegt Maryah Aloha van Israël:

“betreffende de herders die Mijn volk hoeden:

gij hebt Mijn kudde verstrooid en ze weggedreven,

en gij hebt niet voor hun gezorgd;

zie!

Ik sta op punt om u te bezoeken

vanwege het kwaad van uw daden,”

maakt Maryah bekend.

23:3 “Vervolgens,

Ik zal zelf het overblijfsel van Mijn kudde bijeenbrengen

vanuit al de landen waarheen Ik ze verdreven heb

en ze terugbrengen naar hun weide,

en zij zullen vruchtbaar zijn

en zich vermenigvuldigen.

23:4 “Ik zal ook herders over hen stellen

en zij zullen hen hoeden;

en ze zullen niet langer bevreesd zijn,

noch verschrikt worden,

noch zal één worden vermist,”

maakt Maryah bekend.

23:5 “Zie!

de dagen komen eraan,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer Ik voor David een rechtvaardige Scheut zal verwekken;

en Hij zal als een koning regeren

en wijselijk handelen

en recht en gerechtigheid doen in het land.

23:6 “In Zijn dagen zal Judah worden gered,

en Israël zal veilig wonen;

en dit is Zijn naam

bij welke Hij zal worden genoemd,

‘MARYAH ONZE GERECHTIGHEID.’

23:7 “Daarom ziet,

de dagen komen eraan,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer zij niet meer zullen zeggen,

‘Zoals Maryah leeft,

die de zonen van Israël uit het land van Egypte opbracht,’

23:8 maar,

‘Zoals Maryah leeft,

die de nakomelingen van het huishouden van Israël heeft opgebracht

en heeft teruggeleid vanuit het noorden land

en vanuit al de landen waarheen Ik hen verdreven had.’

Dan zullen zij op hun eigen grond leven.”

23:9 Wat de profeten betreft:

mijn hart is in mij gebroken,

al mijn botten trillen;

ik ben als een dronken man geworden,

zelfs als een man door wijn overwonnen,

vanwege Maryah

en vanwege Zijn heilige woorden.

23:10 Want het land is vol van overspelers;

want het land treurt vanwege de vloek.

De weilanden van de woestijn zijn opgedroogd.

Hun loop is slecht en ook hun macht is niet recht.

23:11 “Want zowel profeet als priester zijn verontreinigd;

zelfs in Mijn huis heb Ik hun zondigheid gevonden,”

maakt Marayh bekend.

23:12 “Daarom zal hun weg als glibberige paden aan hen zijn,

ze zullen weggedreven worden in de schemering

en erin neervallen;

want Ik zal rampspoed over hun brengen,

het jaar van hun bestraffing,”

maakt Maryah bekend.

23:13 “Bovendien,

onder de profeten van Samaria zag Ik een aanstootgevend iets:

zij profeteerden door Baʿal

en leidden mijn volk Israël op een dwaalspoor.

23:14 “Ook heb Ik een afschuwelijk iets gezien

onder de profeten van Jeruzalem:

het plegen van ontucht

en wandelen in leugens;

en ze versterken de handen van boosdoeners,

zodat niet één van zijn zondigheid is teruggekeerd .

Allen van hen zijn Mij als Sodom geworden

en haar inwoners zoals Gomorrah.

23:15 “Daarom zegt Maryah van de heirscharen dus

betreffende de profeten,

‘Zie!

Ik ga hen alsem voeden

en hen giftig water laten drinken,

want er is verontreiniging uitgegaan

van de profeten van Jeruzalem

tot in het hele land.'”

23:16 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Luistert niet naar die woorden

van de profeten die aan u profeteren.

Zij leiden u in ijdelheid;

ze spreken een visioen van hun eigen verbeelding,

niet uit de mond van Maryah.

23:17 “Ze blijven zeggen tegen degene die Mij verachten,

‘Maryah heeft het gezegd,

“gij zult vrede hebben”‘;

en ook tegen eenieder die in de koppigheid van zijn eigen hart wandelt,

zeggen zij,

‘ rampspoed zal over u niet komen.’

23:18 “Maar wie heeft in de raad van Maryah gestaan,

opdat hij Zijn woord zou zien en horen?

Wie heeft gehoor gegeven aan Zijn woord en luisterde?

23:19 “Zie,

de storm van Maryah is in toorn uitgegaan,

een wervel-storm zelfs;

het zal naar beneden wervelen

op het hoofd van de goddelozen.

23:20 “De toorn van Maryah zal niet terugkeren

totdat Hij heeft gedaan

en de doelen van Zijn hart heeft uitgevoerd;

in de laatste dagen zult gij het duidelijk begrijpen.

23:21 “Ik zond deze profeten niet,

maar ze renden,

Ik sprak tegen hun niet,

maar ze profeteerden.

23:22 “Maar indien ze in Mijn raad hadden gestaan,

dan zouden ze Mijn woorden aan Mijn volk hebben verkondigd,

en zouden hen van hun kwade weg hebben afgewend

en van het kwaad van hun daden.

23:23 “Ben Ik Aloha dichtbij,”

maakt Maryah bekend,

“en niet Aloha van verre?

23:24 “Kan een mens zich verbergen in schuilplaatsen

zodat Ik hem niet zie?”

Maakt Maryah bekend.

Vervul Ik de hemel en de aarde niet?

Maakt Maryah bekend.

23:25 “Ik heb gehoord wat de profeten hebben voornoemd

die in Mijn naam valselijk profeteren,

zeggende,

‘ik had een droom,

ik had een droom!’

23:26 “Hoe lang?

is er iets in de harten van de profeten die onwaarheid profeteren,

zelfs deze profeten van het bedrog van hun eigen hart,

23:27 die van plan zijn om Mijn volk Mijn naam te doen vergeten

door hun dromen die zij aan een andere verhalen,

net zoals hun vaders Mijn naam vergaten

vanwege Ba’al?

23:28 “De profeet die een droom heeft mag zijn droom verhalen,

maar laat hem die Mijn woord heeft-

Mijn woord in waarheid spreken.

Wat heeft stro gemeenschappelijk met graan?”

maakt Maryah bekend.

23:29 “Is Mijn woord niet als vuur?”

maakt Maryah bekend,

“en als een hamer die de rots verbrijzelt?

23:30 “Daarom zie!

Ik ben tegen de profeten,”

maakt Maryah bekend,

“die Mijn woorden van elkaar stelen.

23:31 “Zie!

Ik ben tegen de profeten,”

maakt Maryah bekend,

“die hun tongen gebruiken en bekendmaken,

‘Maryah maakt bekend.’

23:32 “Zie!

Ik ben tegen degenen die valse dromen hebben geprofeteerd,”

maakt Maryah bekend,

“en hen hebben verhaald

en Mijn volk op een dwaalspoor hebben geleid

door hun leugens en roekeloze opschepperij;

toch heb Ik hun niet gezonden of hun geboden,

zij verschaffen dit volk niet het minste voordeel,”

maakt Maryah bekend.

23:33 “Wanneer nu dit volk of de profeet of een priester u zeggende vraagt,

‘wat is de Godsspraak van Maryah?’

Dan zult gij tegen hen zeggen,

‘welke Godsspraak?’

Maryah maakt bekend,

‘Ik zal u verlaten.’

23:34 “Vervolgens,

wat betreft de profeet of de priester of het volk die zegt,

‘de Godsspraak van Maryah,’

Ik zal straf brengen over die mens en zijn huishouden.

23:35 “Zo zal eenieder van u tegen zijn naaste en tegen zijn broeder zeggen,

‘wat heeft Maryah geantwoord?’

of,

‘wat heeft Maryah gesproken?’

23:36 “Want gij zult de Godsspraak van Maryah niet langer herinneren,

omdat ieders eigen woord de godsspraak zal worden,

en gij hebt de woorden van de levende Aloha verdraaid,

Maryah van de heirscharen,

onze Aloha.

23:37 “Zo zult gij tegen die profeet zeggen,

‘wat heeft Maryah u geantwoord?’

en,

‘wat heeft Maryah gesproken?’

23:38 “Want zo gij zegt,

‘De Godsspraak van Maryah!’

zo zegt Maryah beslist,

‘omdat gij dit woord hebt gezegd,

“De Godsspraak van Maryah!”

heb Ik ook tot u gezonden.,

zeggende,

“Gij zult niet zeggen,

‘De Godsspraak van Maryah!'”‘

23:39 “Daarom zie!

Ik zal u zekerlijk vergeten

en u uitwerpen vanuit Mijn tegenwoordigheid,

samen met de stad

die Ik u en uw vaders gaf.

23:40 ‘Ik zal een eeuwigdurende smaad op u werpen-

en een eeuwigdurende vernedering-

die niet zal worden vergeten.”

Jeremiah 24.

24:1 Nadat Nebuchadnezzar

koning van Babel-

Jeconiah de zoon van Jehioakim-

de koning van Judah

gevankelijk had weggevoerd,

en de ambtenaren van Judah

met de ambachtslieden

en de smeden van Jeruzalem

en hen naar Babel had gebracht,

toonde Maryah mij:

zie!

twee korven met vijgen

vóór de tempel van Maryah geplaats!

24:2 Een korf had zeer goede vijgen

zoals de eerste-rijpe vijgen,

en de andere korf had zeer slechte vijgen

die niet konden gegeten worden-

vanwege verrotting.

24:3 Vervolgens zei Maryah tegen mij,

“wat ziet gij,

Jeremiah?”

En ik zei,

“vijgen,

die goede vijgen,

zeer goed;

en die slechte vijgen,

zeer slecht,

welke niet kunnen gegeten worden vanwege verrotting.”

24:4 Vervolgens kwam het woord van Maryah tot mij,

zeggende,

24:5 ‘Zo zegt Maryah Aloha van Israël,

‘gelijk deze goede vijgen,

zo zal Ik de gevangenen van Judah als goed beschouwen,

die Ik vanuit deze plaats

heb gezonden

in het land van de Chaldeeërs.

24:6 “Want Ik zal Mijn ogen op hen richten ten goede,

en Ik zal hen naar dit land terugbrengen;

en Ik zal hen opbouwen

en hen niet omverwerpen,

en Ik zal hen planten

en hen niet aftrekken.

24:7 ‘Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen,

want Ik ben Maryah;

en zij zullen Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn,

want zij zullen met hun hele hart

naar Mij terugkeren.

24:8 ‘Maar zoals de slechte vijgen

die niet kunnen gegeten worden vanwege verrotting

-voorwaar,

zo zegt Maryah-

zo zal Ik Zedekiah koning van Judah verlaten,

en zijn ambtenaren,

en het overblijfsel van Jeruzalem die in dit land achterbleef

en degenen die in het land van Egypte wonen.

24:9 ‘Ik zal hen zelfs tot een verschrikking en een kwaad maken

tot al de koninkrijken van de aarde,

als een schande en een spreekwoord,

een bespotting en een vervloeking

in alle plaatsen waarheen Ik hen zal verdrijven.

24:10 ‘Ik zal het zwaard zenden,

de hongersnood en de pestziekte onder hun

totdat ze worden ontworteld

uit het land dat Ik hun en hun voorouders heb gegeven.'”

Jeremiah 25.

25:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam

betreffende heel het volk van Judah,

in het vierde jaar van Jehoiakim de zoon van Josiah,

koning van Judah

-dat was het eerste jaar van Nebuchadnezzar koning van Babel-,

25:2 dat Jeremiah de profeet

tegen het hele volk van Judah sprak

en tegen al de inwoners van Jeruzalem,

zeggende,

25:3 “vanaf het dertiende jaar van Josiah

de zoon van Amon,

koning van Judah,

zelfs tot op deze dag,

deze drie-en-twintig jaar

is het woord van Maryah tot mij gekomen,

en ik tegen u opnieuw en opnieuw gesproken heb,

maar gij hebt niet geluisterd.

25:4 “En Maryah heeft aan u allen

Zijn dienaren de profeten gezonden

opnieuw en opnieuw,

maar gij hebt niet geluisterd

noch uw oor geneigd om te aanhoren,

25:5 zeggende,

‘Dat eenieder nu van zijn kwade weg afwend

en van het kwaad van uw daden,

en woont in het land

dat Maryah aan u heeft gegeven

en aan uw voorouders

voor altijd en eeuwig;

25:6 en ga niet achter andere goden aan

om hen te dienen

en om hen te aanbidden,

en terg Mij niet tot toorn

met het werk van uw handen,

en Ik zal u geen kwaad doen.’

25:7 “Toch hebt gij niet naar Mij geluisterd,”

maakt Maryah bekend,

“opdat gij Mij zou kunnen tergen tot toorn

met het werk van uw handen

tot uw eigen schade.

25:8 “Daarom dus

zegt Maryah van de heirscharen,

‘omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoorzaamd,

25:9 zie!

Ik zal zenden

en al de families van het noorden nemen,’

maakt Maryah bekend,

‘en Ik zal tot Nebuchadnezzar zenden

koning van Babel,

Mijn dienaar,

en Ik zal hen tegen dit land brengen

en tegen haar inwoners

en tegen al deze volken rondom;

en Ik zal hen volkomen vernietigen

en hen tot een gruwel

en tot een aanfluiting maken,

en tot een eeuwigdurende verlatenheid.

25:10 ‘Bovendien,

zal Ik de stem van vreugde van hen afnemen

en de stem van blijdschap,

de stem van de bruidegom

en de stem van de bruid,

het geluid van de molenstenen

en het licht van de lamp.

25:11 ‘Dit hele land

zal een verlatenheid en een verschrikking zijn,

en deze volken

zullen de koning van Babel zeventig jaren dienen.

25:12 ‘Het zal zijn

wanneer de zeventig jaren voltooid zijn

dat Ik die koning van Babel zal straffen- en die natie,’

maakt Maryah bekend,

‘om hun ongerechtigheid,

en het land van de Chaldeeërs;

en Ik zal het tot een eeuwigdurende verlatenheid maken.

25:13 ‘Ik zal al Mijn woorden

over dit land brengen

welke Ik ertegen heb uitgesproken,

alles wat in dit boek is geschreven

hetgeen Jeremiah heeft geprofeteerd

tegen al die volken.

25:14 ‘Want vele naties

en grote koningen

zullen slaven van hen maken,

ja van hen!

en Ik zal hun vergelden

naar hun daden

en naar het werk van hun handen.'”

25:15 Want alzo zegt Maryah,

Aloha van Israël,

tegen mij,

“Neemt deze beker van de wijn des gramschap in Mijn hand

en geef al de volken aan wie Ik u zend het te drinken.

25:16 “Ze zullen drinken

en heen en weer zwieren

en als gekken zijn

vanwege het zwaard

dat Ik onder hun zal zenden.”

25:17 Vervolgens nam ik de beker

uit de hand van Maryah

en gaf al de volken

naar wie Maryah mij heeft gezonden het te drinken:

25:18 Jeruzalem

en de steden van Judah

en haar koningen

en haar prinsen,

om hen tot een verwoesting te maken,

tot een verschrikking,

tot een aanfluiting

en tot een vloek,

zoals het is deze dag;

25:19 Farao koning van Egypte,

zijn dienaren,

zijn prinsen

en al zijn volk;

25:20 en al het vreemde volk,

al de koningen van het land van Uz,

al de koningen van het land van de Filistijnen

zelfs Ashkelon,

Gaza,

Ekron en het overblijfsel van Ashdod;

25:21 Edom,

Moab en de zonen van Ammon;

25:22 en al de koningen van Tyre,

al de koningen van Sidon

en de koningen van de kustlanden

welke aan de andere zijde van de zee zijn;

25:23 en Dedan,

Tema,

Buz en allen die de hoeken van hun haar hebben geknipt;

25:24 en al de koningen van Arabia

en al de koningen van het vreemde volk

die in de woestijn wonen;

25:25 en al de koningen van Zimri,

al de koningen van Elam

en al de koningen van Media;

25:26 en al de koningen van het noorden,

dichtbij en veraf,

de een met de andere;

en al de koninkrijken der wereld

die op het oppervlak van de aarde zijn,

en de koning van Sheshach zal na hen drinken.

25:27 “Gij zult tegen hen zeggen,

‘zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Drinkt,

wordt dronken,

braakt,

valt neer en sta niet meer op

vanwege het zwaard

dat Ik onder u zal zenden.”‘

25:28 “En het zal zijn,

zo zij weigeren om de beker

uit uw hand te nemen om te drinken,

dan zult gij tegen hen zeggen,

‘zo zegt Maryah van de heirscharen:

“gij zult voorzeker drinken!

25:29 “Want zie!

Ik begin rampspoed te bewerken in deze stad

welke naar Mijn naam wordt genoemd,

en gij zoudt volledig vrij van straf zijn?

Gij zult niet vrij van straf zijn;

want Ik laat een zwaard komen

over al de inwoners der aarde,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.’

25:30 “Daarom zult gij al deze woorden tegen hun profeteren,

en gij zult zeggen tegen hun,

‘Maryah zal brullen vanop de hoogte

en Zijn stem uiten vanuit Zijn heilige woning;

Hij zal krachtig brullen tegen Zijn kudde.

Hij zal schreeuwen als degenen die de druiven treden,

tegen al de bewoners der aarde.

25:31 ‘Een geschreeuw is tot het einde van de aarde gekomen,

omdat Maryah een geschil heeft met de volken.

Hij treedt in het gericht met alle vlees;

wat de goddelozen betreft,

Hij heeft hen aan het zwaard overgegeven,’

maakt Maryah bekend.”

25:32 Alzo zegt Maryah van de heirscharen,

“Zie,

het kwaad gaat uit

van volk naar volk,

en een grote storm wordt opgewekt

vanuit de meest afgelegen streken van de aarde.

25:33 “Diegenen,

(die) op die dag door Maryah (zijn) gedood,

zullen van het het ene einde van de aarde tot het andere zijn.

Ze zullen niet beklaagd,

verzameld of begraven worden;

als mest op het oppervlakte der aarde

zullen zij zijn.

25:34 “Jammer,

gij herders,

en huil;

en wentelt (u) in asse,

gij meesters van de kudde;

want de dagen van uw slachting

en uw verstrooiingen zijn gekomen,

en gij zult vallen als een eerste keuze vat.

25:35 “De herders zullen geen weg hebben om te vluchten,

noch de meesters van de kudde om te ontsnappen.

25:36 “Hoort het geluid van de kreet van de herders,

en het gejammer van de meesters van de kudde!

Want Maryah vernietigt hun weiland.

25:37 “En de vredige -(velden)- vouwen zijn tot stilte gebracht

vanwege de felle toorn van Maryah.

25:38 “Hij heeft Zijn schuilplaats verlaten gelijk de leeuw;

want hun land is tot een verschrikking geworden

vanwege de woestheid van het verdrukkende zwaard

en vanwege Zijn woeste toorn.”

Jeremiah 26.

26:1 In het begin van de heerschappij van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

kwam dit woord van Maryah,

zeggende,

26:2 “Zo zegt Maryah,

‘Sta in de voorhof van Maryah Zijn huis,

en spreek tegen al de steden van Judah,

welke gekomen zijn om te aanbidden in het huis van Maryah,

om tot hen al de woorden

welke Ik u geboden heb te spreken.

En laat niet één woord achterwege!

26:3 ‘Misschien willen ze luisteren

en zal iedereen zich van zijn kwade weg afkeren,

opdat Ik berouw moge hebben over de rampspoed

die Ik van plan ben om aan hen te doen

vanwege het kwaad van hun daden.’

26:4 “En gij zult tegen hun zeggen,

‘Zo zegt Maryah,

“Indien gij niet wilt luisteren naar Mij,

om te wandelen in Mijn wet

die Ik voor u heb ingesteld,

26:5 om te luisteren naar de woorden van Mijn dienaren de profeten,

die Ik tot u heb gezonden

opnieuw en opnieuw,

maar gij hebt niet geluisterd;

26:6 vervolgens,

zal Ik dit huis als Shiloh maken,

en deze stad zal Ik een vloek maken

voor al de volken van de aarde.”‘”

26:7 De priesters

en de profeten

en al het volk

hoorden Jeremiah deze woorden spreken

in het huis van Maryah.

26:8 Toen Jeremiah geëindigd was met spreken,

met alles wat Maryah hem geboden had te spreken,

tegen al het volk,

de priesters en de profeten en al het volk grepen hem,

zeggende,

“Gij moet sterven!

26:9 “Waarom hebt gij in de naam van Maryah geprofeteerd,

zeggende,

‘dit huis zal als Shiloh zijn

en deze stad zal verlaten zijn,

zonder inwoner’?”

En al het volk verzamelde zich rondom Jeremiah

in het huis van Maryah.

26:10 Wanneer de ambtenaren van Judah deze dingen hoorden,

kwamen zij op vanuit het Koningshuis

naar het huis van Maryah

en zaten bij de ingang

van de Nieuwe Poort van het huis van Maryah.

26:11 Vervolgens,

de priesters en de profeten spraken tegen de ambtenaren

en tegen al het volk,

zeggende,

“Een doodvonnis voor deze man!

Want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad

gelijk gij gehoord hebt in uw gehoor.”

26:12 Vervolgens,

Jeremiah sprak tegen al de ambtenaren

en tegen al het volk,

zeggende,

“Maryah zond mij om te profeteren

tegen dit huis

en tegen deze stad

al de woorden die gij hebt gehoord.

26:13 “Verander daarom nu uw wegen

en uw daden

en gehoorzaamt de stem van Maryah

uw Aloha;

en Maryah zal Zijn mening veranderen

betreffende de ellende

die Hij tegen u heeft uitgesproken.

26:14 “Maar wat mij betreft,

zie,

ik ben in uw handen;

doe met mij zoals goed is en recht in uw ogen.

26:15 “Weet alleen voorzeker dat als gij mij ter dood brengt,

gij onschuldig bloed over uzelf brengt,

en over deze stad

en over haar inwoners;

want waarlijk Maryah heeft mij naar u gezonden

om al deze woorden in uw gehoor te spreken.”

26:16 Vervolgens,

de ambtenaren

en al het volk

zeiden tegen de priesters

en tegen de profeten,

“geen doodvonnis voor deze man!

want hij heeft tegen ons gesproken

in de naam van Maryah onze Aloha.”

26:17 Toen stonden sommigen van de oudsten van het land op

en spraken tot de gehele vergadering van het volk,

zeggende:

26:18 “Micah van Moresheth

profeteerde in de dagen van Hezekiah

koning van Judah;

en hij sprak tegen al het volk van Judah,

zeggende,

‘Zo heeft Maryah van de heirscharen gezegd,

“Zion zal worden geploegd als een akker,

en Jeruzalem zal een puinhoop worden,

en de berg van het huis

als de hoge plaatsen van een woud.”‘

26:19 “Heeft Hezekiah koning van Judah

en heel Judah hem ter dood gebracht?

Vreesde hij niet Maryah

en smeekte hij de gunst van Maryah,

en Maryah veranderde Zijn mening betreffende de ellende

dat Hij tegen hen uitgesproken had?

Maar wij begaan een groot kwaad tegen onszelf.”

26:20 Inderdaad,

er was ook een man

die profeteerde in de naam van Maryah,

Uriah de zoon van Shemaiah

van Kiriath-jearim;

en hij profeteerde tegen deze stad

en tegen dit land

woorden vergelijkbaar met al die van Jeremiah.

26:21 Wanneer koning Jehoiakim

en al zijn machtige mannen

en alle ambtenaren zijn woorden hoorden,

toen trachtte de koning hem ter dood te brengen;

maar Uriah hoorde het,

en hij werd bevreesd en vluchtte

en ging naar Egypte.

26:22 Vervolgens,

koning Jehoiakim zond mannen naar Egypte:

Elnathan de zoon van Achbor

en sommige mannen met hem

gingen naar Egypte.

26:23 En zij brachten Uriah uit Egypte

en leidden hem naar koning Jehoiakim,

die hem met een zwaard doodde

en zijn dood lichaam

in de begraafplaats van het gewone volk wierp.

26:24 Niettemin was de hand van Ahikam

de zoon van Shaphan

met Jeremiah,

opdat zij hem niet in de hand van het volk zouden geven

om hem ter dood te brengen.

Jeremiah 27.

27:1 In het begin van de heerschappij van Zedekiah

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

kwam dit woord tot Jeremiah

van Maryah,

zeggende

27:2 -zo zegt Maryah tegen mij-

“Maak voor uzelf banden

en jukken

en leg ze op uw nek,

27:3 en zend bericht aan de koning van Edom,

aan de koning van Moab;

aan de koning van de zonen van Ammon,

aan de koning van Tyre

en aan de koning van Sidon

door de boodschappers

die tot Jeruzalem komen

tot Zedekiah

de koning van Judah.

27:4 “Gebied hen om naar hun meesters te gaan,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

zo zult gij tegen uw meesters zeggen,

27:5 “Ik heb de aarde gemaakt,

de mens en de dieren

die op het aangezicht van de aarde zijn

door Mijn grote kracht

en door Mijn uitgestrekte arm,

en Ik zal het geven aan diegene

die in Mijn ogen welgevallig is.

27:6 “Nu heb Ik al deze landen gegeven

in de hand van Nebuchadnezzar

koning van Babel,

Mijn dienaar,

en de wilde dieren van het veld

heb Ik ook aan hem gegeven,

om hem te dienen.

27:7 “Al de volken zullen hem

en zijn zoon

en zijn kleinzoon dienen

todat de tijd van zijn eigen land komt;

dan zullen vele volken

en grote koningen

hem tot hun dienaar maken.

27:8 “Het zal zijn,

dat het volk of het koninkrijk,

dat hem,

Nebuchadnezzar koning van Babel,

niet wil dienen,

en dat zijn nek niet onder het juk van de koning van Babel wil leggen,

dat volk zal Ik straffen met het zwaard,

met hongersnood,

en met pestziekte,”

maakt Maryah bekend,

“Totdat Ik het heb vernietigd

door zijn hand.

27:9 “Maar wat u betreft,

luistert niet naar uw profeten,

uw voorspellers,

uw dromers,

uw waarzeggers

of uw tovenaars

die tot u spreken,

zeggende,

‘gij zult de koning van Babel niet dienen.’

27:10 “Want zij profeteren een leugen aan u

om u verre van uw land te verwijderen;

en Ik u zal uitdrijven

en gij zult omkomen.

27:11 “Maar het volk,

dat zijn nek onder het juk van de koning van Babel zal brengen,

en hem (zal) dienen,

dat zal Ik in zijn land laten blijven,”

maakt Maryah bekend,

“en zij zullen het bewerken en erin wonen.”‘”

27:12 Ik sprak

-overeenkomstig al deze woorden-

tot Zedekiah

koning van Judah,

zeggende,

“Breng uw nekken onder het juk van de koning van Babel

en dien hem

en zijn volk,

en leef!

27:13 “Waarom wilt gij sterven,

gij en uw volk,

door het zwaard,

hongersnood en pestziekte,

gelijk Maryah heeft gesproken-

tot dat volk die de koning van Babel niet dienen wil?

27:14 “Luister dus niet naar de woorden van de profeten

die tegen u spreken,

zeggende,

‘gij zult de koning van Babel niet dienen,’

want zij profeteren een leugen aan u;

27:15 want Ik heb hen niet gezonden,”

maakt Maryah bekend,

“maar zij profeteren valselijk in Mijn naam,

opdat ik u zou uitdrijven

en dat gij zou omkomen,

gij en de profeten die tot u profeteren.”

27:16 Vervolgens sprak ik tot de priesters,

en tot al dit volk,

zeggende,

“zo zegt Maryah:

luister niet naar de woorden van uw profeten

die aan u profeteren,

zeggende,

‘ziet,

de vaten van het huis van Maryah

zullen nu spoedig vanuit Babel worden teruggebracht’;

want zij profeteren een leugen aan u.

27:17 “Luister niet naar hen;

dien de koning van Babel,

en leef!

waarom zou deze stad een puinhoop worden?

27:18 “Maar indien zij profeten zijn

en indien het woord van Maryah met hen is,

laat hen thans Maryah van de heirscharen smeken

dat de vaten die in het huis van Maryah zijn achtergelaten,

in het huis van de koning van Judah

en in Jeruzalem

niet naar Babel zullen gaan.

27:19 “Want zo zegt Maryah van de heirscharen

betreffende de pilaren,

betreffende de zee,

betreffende de stellingen

en betreffende de rest van de vaten

die in deze stad zijn achtergelaten,

27:20 die Nebuchadnezzar koning van Babel niet nam

wanneer hij Jeconiah de zoon van Jehoiakim

koning van Judah,

in ballingschap voerde,

van Jeruzalem naar Babel,

en al de edelen van Judah en Jeruzalem.

27:21 “Ja,

zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

betreffende de vaten

die in het huis van Maryah

en in het huis van de koning van Judah

en te Jeruzalem

achtergelaten zijn ,

27:22 ‘zij zullen naar Babel worden gedragen

en ze zullen daar zijn tot de dag dat Ik ze bezoek,’

maakt Maryah bekend.

‘Vervolgens zal ik hen opvoeren

en hen terugbrengen naar deze plaats.'”

Jeremiah 28.

28:1 In hetzelfde jaar nu,

in het begin van de heerschappij van Zedekiah koning van Judah,

in het vierde jaar,

in de vijfde maand,

Hananiah de zoon van Azzur,

de profeet,

die van Gibeon was,

sprak tegen mij in het huis van Maryah

in aanwezigheid van de priesters

en al het volk,

zeggende,

28:2 “zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Ik heb het juk van de koning van Babel verbroken.

28:3 ‘Binnen twee jaar

ga Ik al de vaten van het huis van Maryah

naar deze plaats terugbrengen,

die Nebuchadnezzar koning van Babel

uit deze plaats wegnam

en naar Babel voerde.

28:4 ‘Ik zal ook Jeconiah

de zoon van Jehoiakim,

koning van Judah,

naar deze plaats terugbrengen,

en al de ballingen van Judah die naar Babel zijn gegaan,’

maakt Maryah bekend,

‘want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken.'”

28:5 Vervolgens,

de profeet Jeremiah sprak tegen de profeet Hananiah

in het bijzijn van de priesters

en in het bijzijn van al het volk

die in het huis van Maryah stonden,

28:6 en de profeet Jeremiah zei,

“Amen!

Moge Maryah zo doen;

moge Maryah uw woorden bevestigen

die gij geprofeteerd hebt

om de vaten van het huis van Maryah

en al de ballingen terug te brengen,

vanuit Babel naar deze plaats.

28:7 Hoort nu toch dit woord

die ik ga spreken in uw gehoor

en in het gehoor van al het volk!

28:8 “De profeten die voor mij en voor u

uit de oude tijden waren

profeteerden tegen vele landen

en tegen grote koninkrijken,

van oorlog

en van rampspoed

en van pestziekte.

28:9 “De profeet die van de vrede profeteerde,

wanneer het woord van die profeet komt te geschieden,

dan zal die profeet gekend zijn

als één die Maryah waarlijk gezonden heeft.”

28:10 Vervolgens,

nam Hananiah de profeet

het juk van de nek van Jeremiah de profeet

en verbrak het.

28:11 Hananiah sprak in de aanwezigheid van al het volk,

zeggende,

“Zo zegt Maryah,

‘Evenzo zal ik het juk van Nebuchadnezzar-

de koning van Babel-

binnen de twee volle jaren-

van de nek van alle volken verbreken.'”

Toen ging de profeet Jeremiah zijn weg.

28:12 Het woord van Maryah kwam tot Jeremiah

nadat Hananiah de profeet

het juk had verbroken

uit de nek van Jeremiah de profeet,

zeggende,

28:13 “ga en spreek tegen Hananiah,

zeggende,

‘zo zegt Maryah,

“de jukken van hout

hebt gij verbroken,

maar in plaats van die

hebt gij jukken van ijzer gemaakt.”

28:14 ‘Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Ik heb een juk van ijzer

in de nek van al deze volken gelegd,

opdat zij Nebuchadnezzar koning van Babel mogen dienen;

en zij zullen hem dienen.

En Ik heb hem ook de beesten van het veld gegeven.”‘”

28:15 Vervolgens,

Jeremiah de profeet

zei tegen Hananiah de profeet,

“Luistert nu,

Hananiah,

Maryah heeft u niet gezonden,

en gij hebt dit volk doen vertrouwen op een leugen.

28:16 “Daarom dus zegt Maryah,

‘zie,

Ik sta op het punt om u van de aardbodem te verwijderen.

Dit jaar zult gij sterven,

omdat gij rebellie hebt geadviseerd

tegen Maryah.'”

28:17 Zo stierf Hananiah de profeet

in hetzelfde jaar

in de zevende maand.

Jeremiah 29.

29:1 Dit zijn nu de woorden van de brief

welke Jeremiah de profeet

vanuit Jeruzalem

naar het overblijfsel

van de oudsten van de ballingschap zond,

naar de priesters,

naar de profeten

en naar al het volk

die Nebuchadnezzar in ballingschap had weggevoerd

van Jeruzalem naar Babel.

29:2 (Dit was nadat koning Jeconiah

en de koningin-moeder,

de hof ambtenaren,

de prinsen van Judah en Jeruzalem,

de ambachtslieden

en de smeden

uit Jeruzalem waren vertrokken.)

29:3 De brief werd verzonden door de hand van Elasah

de zoon van Shaphan,

en Gemariah

de zoon van Hilkiah,

die Zedekiah

koning van Judah

naar Babel zond

aan Nebuchadnezzar

koning van Babel,

zeggende,

29:4 “zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

aan alle ballingen

die Ik in ballingschap heb gestuurd

vanuit Jeruzalem naar Babel,

29:5 “bouwt huizen

en leeft daarin;

en plant tuinen

en eet hun opbrengst.

29:6 ‘Neemt vrouwen

en word de vaders van zonen en dochters,

en neemt vrouwen voor uw zonen

en geef uw dochters aan mannen,

opdat zij zonen en dochters mogen baren;

en vermenigvuldigt u daar

en neemt niet af.

29:7 ‘Zoekt het welzijn van die stad

waarheen Ik u in ballingschap heb gestuurd,

en bid tot Maryah namens haar;

want in haar welzijn

zult gij welzijn hebben.’

29:8 “Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘laat uw profeten die in uw midden zijn

en uw geestelijken u niet bedriegen,

en luister niet naar de dromen die ze dromen.

29:9 ‘Want zij profeteren valselijk tegen u in Mijn naam;

Ik heb hen niet gezonden,’

maakt Maryah bekend.

29:10 “Want zo zegt Maryah,

‘wanneer er zeventig jaren voltooid zijn geweest voor Babel,

zal Ik u bezoeken en Mijn goed woord aan u vervullen,

om u terug te brengen naar deze plaats.

29:11 ‘Want Ik weet de plannen die Ik voor u heb,’

maakt Maryah bekend,

‘plannen voor welzijn

en niet voor rampspoed

om u een toekomst en een verwachting te geven.

29:12 ‘Dan zult gij Mij aanroepen,

en naderen

en tot Mij bidden,

en Ik zal naar u luisteren.

29:13 ‘Gij zult Mij zoeken

en Mij vinden

wanneer gij naar Mij zoekt

met heel uw hart.

29:14 ‘Ik zal door u gevonden worden,’

maakt Maryah bekend,

‘en Ik zal uw fortuinen herstellen

en zal u verzamelen vanuit alle volken

en vanuit al de plaatsen

waarheen Ik u gedreven heb,’

maakt Maryah bekend,

‘en Ik zal u wederbrengen

naar die plaats van waaruit ik u wegzond

in ballingschap.’

29:15 “Omdat gij hebt gezegd,

‘Maryah heeft profeten voor ons opgericht in Babel’

29:16 –want zo zegt Maryah over de koning

die op de troon van David zit,

en over al het volk

dat in deze stad woont,

uw broeders

die met u niet zijn meegegaan in ballingschap —

29:17 zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Zie,

Ik zend het zwaard over hun,

hongersnood en pestziekte,

en Ik zal hen als opengespleten vijgen maken

welke niet gegeten kunnen worden vanwege verrotting.

29:18 ‘Ik zal hen vervolgen met het zwaard,

met hongersnood en pestziekte;

en Ik zal hen tot een verschrikking maken

voor alle koninkrijken van de aarde,

om een vloek te zijn

en een gruwel

en een uitfluiting,

en een smaad onder al de volken

waarheen Ik hun gedreven heb,

29:19 omdat zij niet naar Mijn woorden hebben geluisterd,’

maakt Maryah bekend,

‘die Ik naar hun zond

opnieuw en opnieuw

door Mijn dienaren de profeten;

maar gij hebt niet geluisterd,’

maakt Maryah bekend.

29:20 “Gij,

daarom,

hoort het woord van Maryah,

al gij ballingen,

die Ik weggezonden heb

vanuit Jeruzalem naar babel.

29:21 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

betreffende Ahab de zoon van Kolaiah

en betreffende Zedekiah

de zoon van Maaseiah,

die in Mijn naam valselijk tegen u profeteren,

‘zie,

Ik zal hen overleveren in de hand van Nebuchadnezzar

koning van Babel,

en hij zal hen doden voor uw ogen.

29:22 ‘Vanwege hun

zal een vloek worden gebruikt

door al de ballingen van Judah

die in Babel zijn,

zeggende,

“moge Maryah u als Zedekiah doen

en als Ahab,

die de koning van Babel in het vuur heeft geroosterd,

29:23 omdat zij dwaas gehandeld hebben in Israël,

en overspel hebben gepleegd met de vrouwen van hun naasten

en valselijk woorden hebben gesproken in Mijn naam,

wat Ik hen niet geboden heb;

en IK BEN

Hij die (het) weet

en (IK) ben een getuige,”

maakt Maryah bekend.'”

29:24 Tegen Shemaiah de Nehelamite

zult gij spreken,

zeggende,

29:25 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Omdat gij brieven hebt gestuurd in uw eigen naam

aan al het volk dat in Jeruzalem is,

en aan Zephaniah de zoon van Maaseiah,

de priester,

en aan alle priesters,

zeggende,

29:26 “Maryah heeft u tot priester gemaakt

inplaats van Jehoiada de priester,

om de opziener te zijn in het huis van Maryah

over elke gek die profeteert,

om hem in de schandblokken te steken

en in de ijzeren kraag,

29:27 nu dan,

waarom hebt gij Jeremiah van Anathoth niet berispt

die aan u profeteerde?

29:28 “Want hij heeft tot ons in Babel gezonden,

zeggende,

‘de ballingschap zal lang zijn;

bouwt huizen

en leeft daarin

en plant tuinen

en eet hun opbrengst. ‘”‘”

29:29 Zephaniah de priester

las deze brief

aan Jeremiah de profeet.

29:30 Vervolgens,

het woord van Maryah

kwam tot Jeremiah,

zeggende,

29:31 “Zend naar al de ballingen,

zeggende,

‘zo zegt Maryah

over Shemaiah de Nehelamite,

“Omdat Shemaiah aan u heeft geprofeteerd,

hoewel Ik hem niet heb gezonden,

en hij heeft u op een leugen doen vertrouwen,”

29:32 Daarom dus zegt Maryah,

“ziet,

Ik sta op punt om Shemaiah de Nehelamite

en zijn nakomelingen te straffen;

hij zal niet iemand hebben die onder dit volk leeft,

en hij zal het goede niet zien

dat Ik van plan ben aan Mijn volk te doen,”

maakt Maryah bekend,

“omdat hij opstandigheid tegen Maryah heeft gepredikt.”‘”

Jeremiah 30.

30:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam

van Maryah,

zeggende,

30:2 “zo zegt Maryah,

Aloha van Israël,

‘schrijf al de woorden die Ik tot u heb gesproken in een boek.

30:3 ‘Want zie,

dagen zijn komende,’

maakt Maryah bekend,

‘wanneer Ik het lot

van Mijn volk Israël en Judah

zal herstellen.’

Maryah zegt,

‘Ik zal hen ook terugbrengen naar het land

dat Ik aan hun voorvaders gaf

en zij zullen het bezitten.'”

30:4 Dit zijn nu de woorden

die Maryah sprak

over Israël

en over Judah:

30:5 “want zo zegt Maryah,

‘Ik heb een geluid van verschrikking gehoord,

van vrees,

en er is geen vrede.

30:6 ‘Vraagt nu,

en ziet als een man geboorte kan geven.

Waarom zie ik dan elke man

met zijn handen op zijn lendenen,

als een vrouw in bevalling?

En waarom worden alle gezichten tot bleekheid verdraaid?

30:7 ‘Helaas!

want die dag is groot,

er is niet één gelijk hij;

en het is de tijd van Jacob’s benauwdheid,

maar hij zal ervan gered worden.

30:8 ‘Het zal zowat komen op die dag,’

maakt Maryah van de heirscharen bekend,

‘dat Ik zijn juk vanuit hun nek zal verbreken

en hun banden zal verscheuren;

en vreemden zullen hen niet langer tot hun slaven maken.

30:9 ‘Maar zij zullen

Maryah hun Aloha dienen

en David hun koning,

die Ik voor hen zal verwekken.

30:10 ‘Vreest niet,

O Jacob Mijn dienaar,’

maakt Maryah bekend,

‘en wees niet ontzet,

O Israël;

want ziet!

Ik zal u van verre redden

en uw zaad uit het land van hun gevangenschap.

En Jacob zal wederkeren

en zal stil zijn

en in rust,

en niet één zal hem bang maken.

30:11 ‘Want Ik ben met u,’

maakt Maryah bekend,

‘om u te redden;

want Ik zal al de naties totaal vernietigen

waarheen Ik u verstrooid heb,

maar u zal Ik niet totaal vernietigen.

Maar Ik zal u rechtvaardig tuchtigen

en zal u in geen geval ongestraft laten.’

30:12 “Want zo zegt Maryah,

‘uw wond is ongeneeslijk

en uw letsel is ernstig.

30:13 ‘Er is niet één om uw zaak te bepleiten;

geen genezing voor uw pijnlijke plek,

geen herstel voor u.

30:14 ‘Al uw geliefden zijn u vergeten,

ze zoeken u niet;

want Ik heb u verwond met de wonde van een vijand,

met de bestraffing van een wrede,

omdat uw ongerechtigheid groot is

en uw zonden zijn talrijk.

30:15 ‘Waarom schreeuwt gij het uit over uw letsel?

Uw pijn is ongeneeslijk.

Omdat uw ongerechtigheid groot is

en uw zonden talrijk zijn,

heb Ik deze dingen aan u gedaan.

30:16 ‘Daarom,

allen die u verslinden

zullen verslonden worden;

en al uw tegenstanders,

elk van hen,

zal in gevangenschap gaan;

en zij die u plunderen

zullen tot plundering zijn,

en allen die op u azen

zal Ik tot prooi overgeven.

30:17 ‘Want Ik zal u de gezondheid herstellen

en ik zal u genezen van uw wonden,’

maakt Maryah bekend,

‘omdat zij u een verschoppeling hebben genoemd,

zeggende:

“Het is Zion;

niemand bekommerd zich om haar.”‘

30:18 “Zo zegt Maryah,

‘Zie,

Ik zal het lot van de tenten van Jacob herstellen

en medelijden hebben met zijn woonplaats;

en de stad zal op haar puinhoop worden herbouwd,

en het paleis zal op zijn rechtmatige plaats staan.

30:19 ‘Van hen zal dankzegging uitgaan

en de stem van degenen die vieren;

en Ik zal hen vermenigvuldigen

en ze zullen niet verminderd worden;

Ik zal hen ook eren

en ze zullen niet onbetekenend zijn.

30:20 ‘Hun kinderen zullen ook als eertijds zijn,

en hun vergadering zal voor Mij gevestigd worden;

en Ik zal al hun onderdrukkers bestraffen.

30:21 ‘Hun leider zal één van hen zijn,

en hun heerser zal uit hun midden voortkomen;

en Ik zal hem nabij brengen

en hij zal tot Mij naderen:

want wie durft zijn leven te riskeren om Mij te benaderen?’

maakt Maryah bekend.

30:22 ‘Gij zult Mijn volk zijn,

en Ik zal uw Aloha zijn.'”

30:23 Zie,

de orkaan van Maryah!

Toorn is uitgegaan,

een vegende orkaan;

zij zal over het hoofd van de goddelozen losbarsten.

30:24 De woeste toorn van Maryah zal niet terugkeren

totdat Hij heeft volbracht

en totdat Hij heeft bereikt

de voornemens van Zijn hart;

in de laatste dagen zult gij dit begrijpen.

Jeremiah 31.

31:1 “In die tijd,”

maakt Maryah bekend,

“zal Ik Aloha van al de families van Israël zijn,

en zij zullen Mijn volk zijn.”

31:2 Zo zegt Maryah,

“Het volk die het zwaard overleefde

vond genade in de woestijn-

Israël,

toen hij ging om zijn rust te vinden.”

31:3 Maryah verscheen aan hem van verre,

zeggende,

“Ik heb u liefgehad met een eeuwigdurende liefde;

daarom heb Ik u getrokken met liefdevolle vriendelijkheid.

31:4 “Nogmaals zal Ik u bouwen

en gij zult herbouwd worden,

O maagd van Israël!

Nogmaals zult gij uw tamboerijnen opnemen,

en uitgaan naar de dansen van de pleziermakers.

31:5 “Nogmaals zult gij wijngaarden planten

op de heuvels van Samaria;

de planters zullen planten

en zullen ervan genieten.

31:6 “Want er zal een dag zijn waarop de wachters

op de heuvels van Ephraim uitroepen,

‘sta op,

en laat ons opgaan naar Zion,

naar Maryah onze Aloha.'”

31:7 Want zo zegt Maryah,

“Zingt luid met blijdschap voor Jacob,

en juicht over het hoofd van de naties;

verkondigt,

geeft lof en zeg,

‘O Maryah,

red Uw volk,

het overblijfsel van Israël.’

31:8 “Zie,

Ik breng ze uit het noordelijke land,

en Ik zal ze verzamelen uit de afgelegen delen van de aarde,

onder hen de blinden en de lammen,

de vrouw met het kind

en zij die door het kind in barensweeén is,

samen;

een groot gezelschap,

ze zullen hier terugkeren.

31:9 “Met tranen zullen ze komen,

en door smeking zal Ik hen leiden;

Ik zal hen doen wandelen door stromen van wateren,

op een recht pad waarin zij niet zullen struikelen;

want Ik ben een vader voor Israël,

en Ephraim is MIjn eerstgeborene.”

31:10 Hoor het woord van Maryah,

O naties,

en verkondigt in de kustlanden in de verte,

en zegt,

“Hij die Israël heeft verstrooid zal hem verzamelen

en hem bewaren zoals een herder zijn kudde bewaart.”

31:11 Want Maryah heeft Jacob vrijgekocht

en verloste hem uit de hand van hem

die sterker was dan hij.

31:12 “Ze zullen komen en juichen van vreugde op de hoogte van Zion,

en ze zullen stralend zijn over de gave van Maryah-

over het graan en de nieuwe wijn en de olie,

en over de jongen van de schaapskudde en de veestapel;

en hun leven zal zijn als een verwaterde tuin,

en ze zullen nooit meer wegkwijnen.

31:13 “Vervolgens,

de maagd zal zich verheugen in de dans,

en de jonge mannen en de oude,

samen,

want Ik zal hun rouw omzetten in vreugde

en zal hun troosten

en hen vreugde geven in plaats van hun verdriet.

31:14 “Ik zal de ziel van de priesters met overvloed vullen,

en Mijn volk zal met Mijn goedheid worden voldaan,”

maakt Maryah bekend.

31:15 Zo zegt Maryah,

“Een stem is gehoord in Ramah,

rouwklacht en bitter geween.

Rachel weent om haar kinderen;

ze weigert getroost te worden om haar kinderen,

omdat ze niet meer zijn.”

31:16 Zo zegt Maryah,

“Bedwing uw stem van het geween

en uw ogen van de tranen;

want uw werk zal worden beloond,”

maakt Maryah bekend,

en zij zullen terugkeren vanuit het land van de vijand.

31:17 “Er is hoop voor uw toekomst,”

maakt Maryah bekend,

“en uw kinderen zullen terugkeren naar hun eigen grondgebied.

31:18 “Ik heb Ephraim wel horen bejammeren,

‘Gij hebt mij getuchtigd,

en ik werd getuchtigd,

als een ongedrild kalf;

breng mij terug opdat ik moge terug-gebracht-worden,

want Gij zijt Maryah

mijn Aloha.

31:19 ‘Want nadat ik terugkeerde,

had ik berouw;

en nadat ik was geïnstrueerd,

sloeg ik op mijn dij;

ik was beschaamd

en ook vernederd

omdat ik de smaad van mijn jeugd droeg.’

31:20 “Is Ephraim Mijn dierbare zoon?

is hij een verrukkelijk kind?

inderdaad,

zo vaak als Ik tegen hem heb gesproken,

herinner Ik mij hem nog steeds;

daarom verlangt Mijn hart naar hem;

Ik zal zeker genade met hem hebben,”

maakt Maryah bekend.

31:21 “Richt voor uzelf wegmarkeringen op,

plaats voor uzelf wegwijzers;

richt uw geest op de verharde weg,

op de weg waarop gij zijt gegaan.

Keer terug,

O maagd van Israël,

keer terug naar deze

uw steden.

31:22 “Hoelang wilt gij gaan

hierheen en daarheen,

O trouweloze dochter?

Want Maryah heeft een nieuw ding op de aarde geschapen-

een vrouw zal een man verschalken.”

31:23 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Opnieuw zullen zij dit woord spreken in het land van Judah

en in haar steden wanneer Ik hun lot herstel,

‘Maryah zegene u,

O verblijfplaats van gerechtigheid,

O heilige heuvel!’

31:24 “Judah en al haar steden

zullen daarin samen-wonen,

de boer en zij die rondgaan met kuddes.

31:25 “Want Ik heb de vermoeiden verzadigd

en allen die smachten verkwikt.”

31:26 Hierop werd ik wakker en keek,

en mijn slaap was aangenaam aan mij.

31:27 “Zie,

dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“wanneer Ik het huis van Israël

en het huis van Judah zal bezaaien

met het zaad van de mens

en met het zaad van het beest.

31:28 “Zoals Ik over hen heb gewaakt

om uit te rukken,

om af te breken,

om neer te vellen,

om te vernietigen

en om rampspoed te brengen,

alzo zal Ik over hun waken

om te bouwen en om te planten,”

maakt Maryah bekend.

31:29 “In die dagen zullen ze niet opnieuw zeggen,

‘De vaders hebben zure druiven gegeten,

en de kinderen hun tanden zijn geïrriteerd.’

31:30 “Maar eenieder zal sterven om zijn ongerechtigheid;

elke mens die de zure druiven eet,

zijn tanden zullen geïrriteerd worden.

31:31 “Zie,

dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

‘Wanneer Ik een nieuw verbond zal maken

met het huis van Israël

en met het huis van Judah,

31:32 niet gelijk het verbond dat Ik met hun vaders maakte

op de dag dat Ik ze bij de hand nam

om hen vanuit het land van Egypte te brengen,

Mijn verbond dat ze braken,

alhoewel Ik een echtgenoot voor hen was,”

maakt Maryah bekend.

31:33 “Maar dit is het verbond

dat Ik zal maken

met het huis van Israël

na die dagen,”

maakt Maryah bekend,

“Ik zal Mijn wet in hun leggen

en in hun hart zal Ik die schrijven;

en Ik zal hun Aloha zijn,

en zij zullen Mijn volk zijn.

31:34 “Ze zullen niet opnieuw onderwijzen,

elke man zijn naaste

en elke man zijn broeder,

zeggende,

‘kent Maryah,’

want zij zullen Mij allen kennen,

van de minste van hen

tot de grootste van hen,”

maakt Maryah bekend,

“want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven,

en hun zonde zal Ik niet meer gedenken.”

31:35 Zo zegt Maryah,

Die de zon geeft voor het licht overdag,

en de vaste orde van de maan

en de sterren voor het licht snacht’s,

Die de zee aanwakkert zodat haar golven razen;

Maryah van de heirscharen is Zijn naam:

31:36 “Indien deze vaste orde

van voor Mij afwijkt,”

maakt Maryah bekend,

“dan zal ook het zaad van Israël ophouden

om een volk voor Mij te zijn-

voor altijd.”

31:37 Zo zegt Maryah,

“Als de hemel hierboven gemeten kan worden

en de grondvesting van de aarde hieronder doorzocht wordt,

dan zal Ik ook alle zaad van Israël verwerpen

vanwege alles wat zij gedaan hebben,”

maakt Maryah bekend.

31:38 “Zie,

dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“Waarop de stad voor Maryah zal worden herbouwd

van de Toren-van-Hananel

tot de Hoek-Poort.

31:39 “De meetlijn zal verder uitgaan

recht vooruit naar de heuvel Gareb;

dan zal het naar Goah omdraaien.

31:40 En de gehele vallei

van de dode lichamen

en van de asse

en al de velden zo ver als de beek Kidron,

tot aan de hoek van de Paarden-Poort naar het oosten,

zal heilig zijn voor Maryah;

het zal niet meer uitgerukt

of voor eeuwig neergeworpen.

Jeremiah 32.

32:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam van Maryah

in het tiende jaar van Zedekiah koning van Judah,

dat was het achttiende jaar van Nebuchadnezzar.

32:2 Nu,

in die tijd,

de legermacht van de koning van Babel belegerde Jeruzalem,

en Jeremiah de profeet

was in de tuin van de wacht opgesloten,

dat in het huis van de koning van Judah was,

32:3 omdat Zedekiah koning van Judah hem opgesloten had,

zeggende,

“Waarom profeteert gij,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah,

“Ziet,

Ik sta op punt om deze stad

in de hand te geven

van de koning van Babel,

en hij zal het aannemen;

32:4 en Zedekiah koning van Judah

zal niet ontsnappen uit de hand van de Kaldani,

maar in de hand van de koning van Babel

zal hij ongetwijfeld worden gegeven,

en hij zal met hem

van aangezicht tot aangezicht spreken

en hem

van oog tot oog zien;

32:5 en hij zal Zedekiah naar Babel meenemen,

en hij zal daar zijn totdat Ik hem bezoek,”

maakt Maryah bekend.

“zo gij tegen de Kaldani strijdt,

wilt gij geen succes hebben”‘?”

32:6 En Jeremiah zei,

“Het woord van Maryah kwam tot mij,

zeggende,

32:7 ‘Zie,

Hanamel

de zoon van Shallum uw oom

komt naar u toe,

zeggende,

“koop mijn veld voor uzelf

dat bij Anathoth is,

want gij hebt het terug-koop-recht

om het aan te kopen.”‘

32:8 “Vervolgens,

Hanamel mijn oom’s zoon

kwam naar mij toe in de tuin van de wacht

volgens het woord van Maryah

en zei tegen mij,

‘Koop mijn veld,

alsjeblieft,

dat bij Anathoth is,

dat in het land van Benjamin is;

want gij hebt het recht op bezit

en het terug-koop-recht is het uwe;

koop het voor uzelf.’

Toen wist ik dat dit het woord was van Maryah.

32:9 “Ik kocht het veld dat bij Anathoth was

van Hanamel mijn oom’s zoon,

en ik woog het zilver voor hem uit,

zeventien sjekels van zilver.

32:10 “Ik ondertekende en verzegelde de akte,

en riep getuigen op,

en woog het zilver uit op de weegschalen.

32:11 “Toen nam ik de akten van aankoop,

zowel het verzegeld exemplaar

bevattende de bepalingen en voorwaarden-

en het open exemplaar;

32:12 en ik gaf de akte van aankoop aan Baruch

de zoon van Neriah,

de zoon van Mahseiah,

voor de ogen van Hanamel mijn oom’s zoon

en voor de ogen van de getuigen

die de akte van aankoop ondertekenden,

vóór al de Joden

die in de tuin van de wacht zaten.

32:13 “En ik beval Baruch in hun bijzijn,

zeggende,

32:14 ‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“neem deze akten,

deze verzegelde akte van aankoop

en deze open akte,

en doe ze in een aardenwerken pot,

opdat zij een lange tijd mogen bestaan.”

32:15 ‘Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Huizen

en velden

en wijngaarden

zullen in dit land wederom worden gekocht.”‘

32:16 “Nadat ik nu de akte van aankoop aan Baruch

de zoon van Neriah had gegeven,

toen bad ik tot Maryah,

zeggende,

32:17 ‘Ach Maryah Aloha!

Ziedaar,

de hemelen en de aarde hebt Gij gemaakt

door Uw grote kracht

en door Uw uitgestrekte arm!

Niets is te moeilijk voor U,

32:18 die liefdevolle vriendelijkheid betoont aan duizenden,

maar de ongerechtigheid van de vaders vergeldt

in de schoot van hun kinderen na hen,

O grote en almachtige Aloha.

Maryah van de heirscharen is Zijn naam;

32:19 groot in raad en machtig in daad,

wiens ogen geopend zijn voor al de wegen van de zonen der mensen,

aan eenieder gevend naar zijn wegen

en naar de vrucht van zijn daden;

32:20 die tekenen en wonderen hebt gesteld in het land van Egypte,

en zelfs tot op deze dag

zowel in Israël als onder de mensheid;

en Gij hebt voor U-zelf een naam gemaakt,

als op deze dag.

32:21 ‘Gij bracht Uw volk Israël uit het land van Egypte

met tekenen en met wonderen,

en met een sterke hand

en met een uitgestrekte arm

en met grote verschrikking;

32:22 en hun dit land gaf,

dat Gij hun voorvaders hebt gezworen

om hen te geven,

een land vloeiende van melk en honing.

32:23 ‘Zij kwamen in en namen het in bezit,

maar ze gehoorzaamden Uw stem niet

en wandelden niet in Uw wet;

van alles wat Gij hun opgedragen hebt om te doen

hebben zij helemaal niets gedaan ;

daarom hebt Gij al deze rampspoed over hen doen komen.

32:24 ‘Zie!

de belegerings-hellingen hebben de stad bereikt om haar in te nemen;

en de stad is in de hand van de Kaldean gegeven die ertegen strijden,

vanwege het zwaard,

de hongersnood en de pestziekte;

en wat Gij hebt gesproken is gebeurd;

en zie,

Gij ziet het.

32:25 ‘Gij hebt tegen mij gezegd,

O Maryah Aloha,

“Koopt voor uzelf het veld met geld en roep getuigen op”

-hoewel de stad in de hand van de Kaldean is gegeven.'”

32:26 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah,

zeggende,

32:27 “Zie,

IK BEN MARYAH,

Aloha van alle vlees;

is enig ding te moeilijk voor MIj?”

32:28 Daarom dus zegt Maryah,

“Zie!

Ik sta op het punt om deze stad in de hand van de Kaldean te geven

en in de hand van Nebuchadnezzar koning van Babel,

en hij zal ze innemen.

32:29 “De Kaldean die strijden tegen deze stad zullen ingaan

en deze stad in vuur en vlam zetten

en haar verbranden,

samen met de huizen

waar mensen wierook hebben aangeboden aan Ba-al

op hun daken

en drankoffers uitgoten voor andere goden

om Mij tot toorn aan te zetten.

32:30 “Werkelijk,

de zonen van Israël

en de zonen van Judah

hebben vanaf hun jeugd alleen maar kwaad gedaan in Mijn ogen;

want de zonen van Israël

hebben Mij alleen maar tot toorn aangezet

door het werk van hun handen,”

maakt Maryah bekend.

32:31 “Werkelijk,

deze stad is voor Mij een terging geweest

van Mijn boosheid en Mijn toorn

vanaf de dag dat zij haar bouwden,

zelfs tot op deze dag,

zodat het van voor Mijn aangezicht

weggedaan moet worden,

32:32 vanwege al het kwaad van de zonen van Israël

en de zonen van Judah

die zij hebben gedaan om Mij te tergen tot toorn-

zij,

hun koningen,

hun leiders,

hun priesters,

hun profeten,

de mannen van Judah

en de inwoners van Jeruzalem.

32:33 “Ze hebben hun rug naar Mij toegekeerd

en niet hun aangezicht;

hoewel Ik hun leerde,

keer op keer onderwees,

wilden zij niet luisteren,

noch instructie ontvangen.

32:34 “Maar zij stelden hun verfoeilijke dingen in het huis

dat volgens Mijn naam is genoemd,

om dat te verontreinigen.

32:35 “Zij bouwden de hoge plaatsen van Ba-al

die in de vallei van Ben-hinnom zijn

om hun zonen

en hun dochters

door het vuur naar Molech te laten gaan,

dat Ik hen niet had geboden

noch was het in Mijn gedachten opgekomen

dat zij deze gruwel zouden doen,

om Judah te doen zondigen.

32:36 “Nu daarom dus zegt Maryah

Aloha van Israël

betreffende deze stad van welke gij zegt,

‘door het zwaard

is zij in de hand van de koning van Babel gegeven,

door de hongersnood

en door de pestziekte.’

32:37 “Zie!

Ik zal ze verzamelen vanuit al de landen

waarheen Ik ze heb gedreven in Mijn boosheid,

in Mijn toorn en in grote verontwaardiging;

en Ik zal ze terugbrengen naar deze plaats

en ze in veiligheid doen wonen.

32:38 “Zij zullen Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn;

32:39 en Ik zal ze één hart en één weg geven,

opdat ze Mij altijd mogen vrezen,

voor hun eigen goed

en voor het goed van hun kinderen na hen.

32:40 “Ik zal een eeuwigdurend verbond met hen maken

dat Ik Mij niet van hen zal afkeren,

om hen goed te doen;

en Ik zal de vrees van Mij in hun hart leggen

opdat zij zich niet van Mij zullen afkeren.

32:41 “Ik zal Mij over hen verheugen om ze goed te doen

en zal hen getrouw in dit land planten

met heel Mijn hart

en met heel Mijn ziel.

32:42 “Want zo zegt Maryah,

‘net zoals Ik al deze grote rampspoed over dit volk bracht,

zo ga Ik over hen al het goede brengen dat Ik hen beloofd heb.

32:43 ‘Velden zullen worden gekocht in dit land

van welke gij zegt,

“het is een verlatenheid,

zonder mens of beest,

het is gegeven in de hand van de Kaldean.”

32:44 ‘Mannen zullen velden kopen voor geld,

akten ondertekenen en verzegelen,

en getuigen oproepen in het land van Bejamin,

in de omgeving van Jeruzalem,

in de steden van Judah,

in de steden van het heuvelland,

in de steden van het laagland

en in de steden van de Negev;

want Ik zal hun lot herstellen,’

maakt Maryah bekend.”

Jeremiah 33.

33:1 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam voor de tweede keer tot Jeremiah,

terwijl hij nog steeds was opgesloten in de tuin van de wacht,

zeggende,

33:2 “Zo zegt Maryah die de aarde heeft gemaakt,

Maryah die het formeerde om het te vestigen,

Maryah is Zijn naam,

33:3 ‘roep tot Mij en Ik zal u antwoorden,

en Ik zal u grote en machtige dingen vertellen,

welke gij niet kent.’

33:4 “Want zo zegt Maryah Aloha van Israël

betreffende de huizen van deze stad,

en betreffende de huizen van de koningen van Judah

die afgebroken zijn

om een verdediging tegen de belegeringshellingen

en tegen het zwaard te maken,

33:5 ‘terwijl ze er aan komen om met de Kaldean te strijden

en om ze te vullen met de lijken van mensen

die Ik in Mijn boosheid en in Mijn toorn heb gedood,

en Ik heb Mijn aangezicht verborgen voor deze stad

vanwege al hun zondigheid:

33:6 ‘Zie,

Ik zal er welzijn en genezing naar toe brengen,

en Ik zal hen helen;

en Ik zal hen een overvloed

van vrede en waarheid openbaren.

33:7 ‘Ik zal het lot van Judah

en het lot van Israël herstellen

en zal hen weder-op-bouwen zoals zij aanvankelijk waren.

33:8 ‘Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid

door welke zij tegen Mij hebben gezondigd,

en Ik zal al hun ongerechtigheden vergeven

door welke zij tegen Mij hebben gezondigd

en door welke zij tegen Mij hebben overtreden.

33:9 ‘Dat zal Mij tot een naam van vreugde zijn,

lof en glorie voor al de naties van de aarde

die zullen horen van al het goede dat Ik voor hun doe,

en zij zullen vrezen en beven

vanwege al het goede

en al de vrede die Ik ervoor maak.

33:10 “Zo zegt Maryah,

‘Nochtans zal er terug worden gehoord in deze plaats,

van welke gij zegt,

“het is een verspilling,

zonder mens en zonder beest,”

dat is,

in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem

die verlaten zijn,

zonder mens en zonder inwoner en zonder beest,

33:11 de stem van vreugde en de stem van blijdschap,

de stem van de bruidegom en de stem van de bruid,

de stem van degenen die zeggen,

“geef dankzegging aan Maryah van de heirscharen,

want Maryah is goed,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend”;

en zelfs van degenen die dankoffers brengen in het huis van Maryah.

Want Ik zal het lot van het land herstellen

zoals het eerst was,’

zegt Maryah.

33:12 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘in deze plaats

die woest is,

zonder mens of beest,

en in al haar steden,

zal er weer een bewoning zijn van herders

die hun kuddes laten rusten.

33:13 ‘In de steden van het heuvelland,

in de steden van het laagland,

in de steden van de Negev,

in het land van Bejamin,

in de omgevingen van Jeruzalem

en in de steden van Judah,

de kuddes zullen wederom onder de handen passeren

van degene die hun nummert,’

zegt Maryah.

33:14 ‘Zie,

dagen zijn komende,’

maakt Maryah bekend,

‘waarop Ik dat goede woord zal vervullen

dat Ik heb gesproken

betreffende het huis van Israël

en het huis van Judah.

33:15 ‘In die dagen en op dat moment

zal Ik een rechtvaardige Scheut van David doen ontspringen;

en Hij zal gerechtigheid uitvoeren

en rechtvaardigheid op de aarde.

33:16 ‘In die dagen zal Judah worden gered

en Jeruzalem zal in veiligheid wonen;

en dit is de naam bij welke zij zal worden geroepen:

Maryah is onze gerechtigheid.’

33:17 “Want zo zegt Maryah,

‘David zal nooit gebrek hebben aan een man

om op de troon van het huis van Israël te zitten;

33:18 en de Levitische priesters

zal het nooit ontbreken aan een man voor Mij

om brandoffers aan te bieden,

om graanoffers te branden

en om voortdurend offers te bereiden.'”

33:19 Het woord van Maryah kwam tot Jeremiah,

zeggende,

33:20 “Zo zegt Maryah,

‘indien gij Mijn verbond voor de dag

en Mijn verbond voor de nacht kunt verbreken,

zodat die dag en nacht niet op hun bestemde tijd zullen zijn,

33:21 dan moge Mijn verbond

ook verbroken worden met David Mijn dienaar

zodat hij geen zoon zal hebben om op zijn troon te regeren,

en met de Levitische priesters,

Mijn dienaren.

33:22 ‘Zoals het heir van de hemel niet kan worden geteld

en het zand van de zee niet kan worden gemeten,

zo zal Ik het zaad van David Mijn dienaar vermenigvuldigen

en de Levieten die aan Mij dienen.'”

33:23 En het woord van Maryah kwam tot Jeremiah,

zeggende,

33:24 “hebt gij niet waargenomen wat dit volk heeft gesproken,

zeggende,

‘de twee families welke Maryah verkoos,

heeft Hij ze verworpen’?

Zo verachten zij Mijn volk,

zij zijn niet langer als een volk in hun ogen.

33:25 “Zo zegt Maryah,

‘Indien Mijn verbond voor dag en nacht niet standhoudt,

en Ik de vaste patronen van hemel en aarde niet heb vastgesteld,

33:26 dan zou Ik het zaad van Jakob verwerpen

en van David Mijn dienaar,

van zijn zaad geen heersers nemen over het zaad van Abraham,

Isaac en Jakob.

Maar Ik zal hun lot herstellen en zal genade over hun hebben.'”

Jeremiah 34.

34:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam van Maryah,

toen Nebuchadnezzar koning van Babel en zijn gehele leger,

met al de koninkrijken van de aarde die onder zijn heerschappij waren

en al de volken,

strijd voerden tegen Jeruzalem

en tegen al haar steden,

zeggende,

34:2 “zo zegt Maryah Aloha van Israël,

‘ga en spreek tot Zedekiah

koning van Judah

en zeg tot hem:

“Zo zegt Maryah,

‘zie!

Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel,

en hij zal die verbranden met vuur.

34:3 “Gij zult niet uit zijn hand ontsnappen,

want gij zult zeker gevangen worden

en in zijn hand overgeleverd worden;

en gij zult de koning van Babel van oog tot oog zien,

en hij zal met u van aangezicht tot aangezicht spreken,

en gij zult naar Babel gaan.'”‘

34:4 “Hoort toch het woord van Maryah,

O Zedekiah koning van Judah!

Zo zegt Maryah betreffende u,

‘gij zult niet sterven door het zwaard.

34:5 ‘Gij zult in vrede sterven;

en zoals specerijen werden verbrand voor uw vaders,

de voormalige koningen die vóór u waren,

zo zullen zij specerijen voor u verbranden;

en zij zullen over u weeklagen,

“ach, Maryah!”‘

Want ik heb het woord gesproken,”

Maakt Maryah bekend.

34:6 Vervolgens,

Jeremiah de profeet

sprak al deze woorden tot Zedekiah

koning van Judah

in Jeruzalem-

34:7 toen het leger van de koning van Babel

tegen Jeruzalem vocht

en tegen al de overgebleven steden van Judah,

welke zijn,

Lachish en Azekah,

want zij alleen bleven over

als versterkte steden

onder de steden van Judah.

34:8 Het woord

dat tot Jeremiah kwam

van Maryah

nadat koning Zedekiah een verbond had gemaakt

met al het volk

dat in Jeruzalem was

om vrijlating aan hen te verkondigen:

34:9 dat elk mens zijn mannelijke knecht

en elk mens zijn vrouwelijke knecht vrij zou laten,

een Hebreeuwse man of een Hebreeuwse vrouw (zijnde);

opdat niet één hen zou moeten houden,

een Jood zijn broeder,

in slavernij.

34:10 En al de ambtenaren en al het volk

die het verbond waren ingegaan

gehoorzaamden,

dat elk mens zijn mannelijke knecht

en elk mens zijn vrouwelijke knecht

zou moeten vrijlaten,

opdat niet één hen nog langer in slavernij zou houden;

ze gehoorzaamden,

en lieten hen vrij.

34:11 Maar daarna draaiden ze om

en namen de mannelijke knechten

en de vrouwelijke knechten terug

die ze vrij hadden gelaten,

en ze brachten hen tot onderwerping

als mannelijke knechten

en als vrouwelijke knechten.

34:12 Vervolgens,

het woord van Maryah

kwam van Maryah tot Jeremiah,

zeggende,

34:13 “zo zegt Maryah

Aloha van Israël,

‘Ik maakte een verbond met uw voorvaders

op de dag dat Ik hen uit het land van Egypte bracht,

uit het huis van slavernij,

zeggende,

34:14 “Aan het einde van zeven jaar

zal elk van u zijn Hebreeuwse broeder

die aan u is verkocht

en u zes jaar heeft gediend vrijlaten,

gij zult hem vrij van u wegzenden;

maar uw voorvaders hebben Mij niet gehoorzaamd

of neigden hun oor niet naar Mij.

34:15 “Hoewel gij onlangs hebt omgedraaid

en hebt gedaan wat juist is in Mijn ogen,

elke mens vrijlating verkondigende tot zijn naaste ,

en gij hebt een verbond voor Mij gemaakt

in het huis dat bij Mijn naam wordt genoemd.

34:16 “Toch draaide gij u om en ontheiligde Mijn naam,

en elke mens nam zijn mannelijke knecht

en elke mens zijn vrouwelijke knecht terug

die gij had vrijgelaten volgens hun wens,

en gij hebt hen ondergeschikt gemaakt

om uw mannelijke knechten

en uw vrouwelijke knechten te zijn.”‘

34:17 “Daarom dus zegt Maryah,

‘gij hebt Mij niet gehoorzaamd

in verkondiging van vrijlating

elke mens aan zijn broer

en elke mens aan zijn naaste.

Zie!

Ik roep een vrijlating tegen u uit’

maakt Maryah bekend,

‘door het zwaard,

door de pestziekte

en door de hongersnood;

en Ik zal u tot een verschrikking maken

voor al de koninkrijken der aarde.

34:18 ‘Ik zal de mannen geven die Mijn verbond hebben overtreden,

die de woorden van het verbond niet hebben uitgevoerd

die zij voor Mij maakten,

toen zij het kalf in tweeën sneden

en tussen de delen ervan passeerden-

34:19 de ambtenaren van Judah

en de ambtenaren van Jeruzalem,

de hof officieren en de priesters

en al het volk van het land

die tussen de delen van het kalf zijn gepasseerd–

34:20 Ik zal hen in de hand van hun vijanden geven

en in de hand van diegenen die hun leven zoeken.

En hun dode lichamen zullen voedsel zijn

voor de vogels van de hemel

en de beesten van de aarde.

34:21 ‘Zedekiah koning van Judah

en zijn ambtenaren

zal Ik in de hand van hun vijanden geven

en in de hand van diegenen die hun leven zoeken,

en in de hand van het leger van de koning van Babel

die -van u- weg zijn gegaan.

34:22 ‘Ziet,

Ik ga bevelen,’

maakt Maryah bekend,

‘en Ik zal hen terug brengen naar deze stad;

en ze zullen ertegen strijden

en die nemen en die verbranden met vuur;

en Ik zal de steden van Judah

tot een verlatenheid maken

zonder inwoner.'”

Jeremiah 35.

35:1 Het woord van Maryah

dat tot Jeremiah kwam

in de dagen van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

zeggende,

35:2 “ga naar het huis van de Rekabieten

en spreek tegen hen,

en breng hen in het huis van Maryah,

in één van de kamers,

en geef ze wijn te drinken.”

35:3 Toen nam ik Jaazaniah

de zoon van Jeremiah,

zoon van Habazziniah,

en zijn broers

en al zijn zonen

en het hele huis van de Rekabieten,

35:4 en ik bracht hen in het huis van Maryah,

in de kamer van de zonen van Hanan de zoon van Igdaliah,

de man van Aloha,

die nabij de kamer was van de ambtenaren,

die boven de kamer was van Maaseiah de zoon van Shallum,

de deur-bewaarder.

35:5 Toen stelde ik kruiken vol van wijn

en bekers

voor de mannen van het huis van de Rekabieten;

en ik zei tegen hen,

“drink wijn!”

35:6 Maar ze zeiden,

“We zullen geen wijn drinken,

want Jonadab de zoon van Rechab,

onze vader,

beval ons,

zeggende,

‘wijn zult gij niet drinken,

gij of uw zonen,

voor altijd.

35:7 ‘Gij zult geen huis bouwen,

en gij zult geen zaad zaaien

en gij zult geen wijngaard planten of bezitten;

maar in tenten zult gij wonen al uw dagen,

opdat gij vele dagen moogt leven

in het land waarin gij verblijft.’

35:8 “De stem van Jonadab hebben wij gehoorzaamd

de zoon van Rechab,

onze vader,

in alles dat hij ons opdroeg,

om geen wijn te drinken al onze dagen,

wij,

onze vrouwen,

onze zonen noch onze dochters,

35:9 noch om onszelf huizen te bouwen om in te wonen;

en we hebben geen wijngaard of veld of zaad.

35:10 “We hebben enkel in tenten verbleven,

en hebben gehoorzaamd

en hebben gedaan

overeenstemmende alles wat Jonadab onze vader ons heeft bevolen.

35:11 “Maar toen Nebuchadnezzar

koning van Babel

opkwam tegen het land,

zeiden we,

‘kom en laat ons naar Jeruzalem gaan

uit vrees voor het leger van de Kaldeans

en uit vreees voor het leger van de Aramáyé.’

Zo hebben we in Jeruzalem verbleven.”

35:12 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah,

zeggende,

35:13 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘ga en zeg tegen de mannen van Judah

en de inwoners van Jeruzalem,

“Wilt gij geen instructie ontvangen

door naar Mijn woorden te luisteren?”

maakt Maryah bekend.

35:14 “De woorden van Jonadab

de zoon van Rechab,

die hij zijn zonen beval geen wijn te drinken,

worden waargenomen.

Zo drinken zij tot nu toe geen wijn,

want zij hebben het gebod van hun vader gehoorzaamd.

Maar Ik heb tot u gesproken

opnieuw en opnieuw;

toch hebt gij naar Mij niet geluisterd.

35:15 “Ook heb Ik al Mijn dienaars de profeten tot u gezonden,

hen opnieuw en opnieuw zendende,

zeggende:

‘keert nu af-

elk mens van zijn boze weg-

en wijzigt uw daden,

en ga niet achter andere goden aan om ze te aanbidden.

Dan zult gij in het land wonen

dat Ik aan u en aan uw voorvaders heb gegeven;

maar gij hebt uw oor niet geneigd

en naar Mij niet geluisterd.

35:16 ‘Inderdaad,

de zonen van Jonadab de zoon van Rechab

hebben het bevel van hun vader nagekomen,

dat hij hun bevolen heeft,

maar dit volk heeft naar Mij niet geluisterd.'”‘

35:17 “Daarom dus zegt Maryah,

Aloha van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Zie!

Ik breng op Judah en op al de inwoners van Jeruzalem

al de rampspoed dat Ik tegen hen heb uitgesproken;

omdat Ik tegen hen sprak maar zij luisterden niet,

en Ik heb hen geroepen maar ze antwoordden niet.'”

35:18 Vervolgens,

Jeremiah zei tot het huis van de Rekabieten,

“zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘omdat gij het bevel van Jonadab uw vader hebt gehoorzaamd,

en al zijn bevelen hebt gehouden

en gedaan overeenkomstig alles wat hij u heeft bevolen;

35:19 daarom dus zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Jonadab de zoon van Rechab

zal geen gebrek hebben aan een man

om altijd voor Mij te staan.”‘”

Jeremiah 36.

36:1 In het vierde jaar van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

dit woord kwam tot Jeremiah van Maryah,

zeggende,

36:2 “neem een rol

en schrijf er al de woorden op die Ik tot u heb gesproken

betreffende Israël

en betreffende Judah,

en betreffende al de volken,

vanaf de dag dat Ik voor het eerst tot u sprak,

vanaf de dagen van Josiah,

zelfs tot op deze dag.

36:3 “Misschien zal het huis van Judah al de rampspoed horen

dat Ik (van) plan (ben) om over hen te brengen,

opdat elke mens zich van zijn kwade weg zal omdraaien;

dan zal Ik hun ongerechtigheid en hun zonden vergeven.”

36:4 Vervolgens,

Jeremiah riep Baruch

de zoon van Neriah,

en Baruch schreef

bij het dicteren van Jeremiah

al de woorden van Maryah

welke Hij aan hem had gesproken

op een rol.

36:5 Jeremiah beval Baruch,

zeggende,

“ik ben gebonden;

ik kan het huis van Maryah niet binnengaan.

36:6 “Dus ga jij en lees voor uit de rol

welke gij geschreven hebt bij mijn dicteren

de woorden van Maryah

aan het volk in het huis van Maryah op een vastendag.

En gij zult ze ook voorlezen aan al het volk van Judah

die uit hun steden komen.

36:7 “Misschien zal hun smeking voor Maryah komen,

en eenieder zal zich van zijn kwade weg afwenden,

want groot is de gramschap en de toorn

die Maryah heeft uitgesproken tegen dit volk.”

36:8 Baruch de zoon van Neriah

deed overeenkomende alles wat Jeremiah de profeet hem bevolen had,

voorlezende uit het boek de woorden van Maryah

in het huis van Maryah.

36:9 Nu gebeurde het,

In het vijfde jaar van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

in de negende maand,

dat al het volk in Jeruzalem

en al het volk die uit de steden van Judah naar Jeruzalem kwam

een vasten uitriep voor Maryah.

36:10 Toen las Baruch uit het boek de woorden voor van Jeremiah,

in het huis van Maryah

in de kamer van Gemariah

de zoon van Shaphan de schrijver,

in de bovenste voorhof,

bij de ingang van de Nieuwe Poort van het huis van Maryah,

aan al het volk.

36:11 Wanneer nu Micaiah

de zoon van Gemariah,

de zoon van Shaphan,

al de woorden van Maryah uit dat boek had gehoord,

36:12 ging hij naar beneden naar het huis van de koning,

in de kamer van de schrijver.

en zie!

Al de ambtsdragers zaten daar-

Elishama de schrijver,

en Delaiah de zoon van Shemaiah,

en Elnathan de zoon van Achbor,

en Gemariah de zoon van Shaphan,

en Zedekiah de zoon van Hananiah,

en al de andere ambtsdragers.

36:13 Micaiah maakte aan hen al de woorden bekend

die hij gehoord had

toen Baruch aan het volk uit dat boek voorlas.

36:14 Vervolgens,

zonden al de ambtsdragers Jehudi

de zoon van Nethaniah,

de zoon van Shelemiah,

de zoon van Cushi,

naar Baruch,

zeggende,

“Neem de rol in uw hand

uit welke gij het volk hebt voorgelezen

en kom.”

Zo nam Baruch

de zoon van Neriah

de rol in zijn hand en ging naar hen toe.

36:15 Ze zeiden tegen hem,

“Zit neer,

alsjeblieft,

en lees het aan ons voor.”

Dus las Baruch het aan hen voor.

36:16 Wanneer zij al de woorden hadden gehoord,

keerden zij zich angstig om

de één naar de ander

en zeiden tegen Baruch,

“Wij zullen al deze woorden zeker aan de koning melden.”

36:17 En zij vroegen Baruch,

zeggende,

“Vertel ons,

alsblieft,

hoe heb je al deze woorden geschreven?

Was het door zijn dicteren?”

36:18 Toen zei Baruch tegen hen,

” hij dicteerde al deze woorden aan mij;

en ik schreef ze met inkt in het boek.”

36:19 Vervolgens zeiden de ambtsdragers tegen Baruch,

“Ga,

verberg uzelf,

gij en Jeremiah,

en laat niemand weten waar ge zijt.”

36:20 Zo gingen zij naar de koning in de voorhof,

maar de rol

hadden zij neergelegd in de kamer van Elishama de schrijver,

en zij rapporteerden al de woorden aan de koning.

36:21 Vervolgens,

de koning zond Jehudi om de rol te verkrijgen,

en hij nam ze uit de kamer van Elishama de schrijver.

En jehudi las ze voor aan de koning

evenals aan al de ambtsdragers

die naast de koning stonden.

36:22 Nu was de koning zittend in het winterhuis

in de negende maand,

met een vuur voor hem in de vuurpot aangestoken.

36:23 Toen Jehudi drie of vier kolommen had gelezen,

sneed de koning het met een schrijvers-mes in stukken

en wierp het in het vuur dat in de vuurpot was,

totdat gans de rol was verteerd door het vuur

dat in de vuurpot was.

36:24 Toch waren de koning en al zijn dienaars

die al deze woorden hoorden

niet bevreesd,

evenmin scheurden zij hun gewaden.

36:25 Hoewel zelfs Elnathan

en Delaiah

en Gemariah

bij de koning smeekten om de rol niet te verbranden,

hij zou niet naar hun luisteren.

36:26 En de koning gebood Jerahmeel de

de koningszoon,

Seraiah de zoon van Azriel,

en Shelemiah de zoon van Abdeel

om Baruch de schrijver

en Jeremiah de profeet te grijpen,

maar Maryah verborg hen.

36:27 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah

nadat de koning de rol

en de woorden die Baruch geschreven had

op het dicteren van Jeremiah

had verbrand,

zeggende,

36:28 “neem opnieuw een andere rol

en schrijf daarop al de eerdere woorden

die op de eerste rol waren

welke Jehoiakim de koning van Judah verbrandde.

36:29 “En betreffende Jehoiakim koning van Judah zult gij zeggen,

‘zo zegt Maryah,

gij hebt deze rol verbrand

zeggende,

‘waarom hebt gij daarop geschreven

dat de koning van Babel zeker zal komen

en dit land vernietigen,

en mens en beest vandaar zal doen verdwijnen?'”

36:30 ‘Daarom dus zegt Maryah

betreffende Jehoiakim

koning van Judah,

“hij zal niet één hebben om op de troon van David te zitten,

en zijn dood lichaam zal worden uitgeworpen

in de hitte van de dag

en in de koelte van de nacht.

36:31 “Ik zal hem

en zijn nazaten

en ook zijn dienaren straffen

voor hun ongerechtigheid,

en Ik zal op hun

en de inwoners van Jeruzalem

en de mannen van Judah

al de rampspoed brengen die Ik aan hen bekend heb gemaakt-

maar luisteren deden zij niet.”‘”

36:32 Vervolgens,

Jeremiah nam een andere rol

en gaf ze aan Baruch

de zoon van Neriah,

de schrijver,

en hij schreef daarop bij het dicteren van Jeremiah

al de woorden van het boek

welke Jehoiakim koning van Judah

in het vuur had verbrandt;

en vele gelijkaardige woorden werden eraan toegevoegd.

Jeremiah 37.

37:1 Nu,

Zedekiah

de zoon van Josiah–

die Nebuchadnezzar

koning van Babel

koning had gemaakt in het land van Judah–

regeerde als koning

inplaats van Coniah

de zoon van Jehoiakim.

37:2 Maar noch hij

noch zijn dienaren

noch het volk van het land

geen van allen

luisterden naar de woorden van Maryah

welke Hij sprak door Jeremiah de profeet.

37:3 Toch zond koning Zedekiah Jehucal

de zoon van Shelemiah,

en Zephaniah

de zoon van Maaseiah,

de priester,

naar Jeremiah de profeet,

zeggende,

“alsjeblieft bid tot Maryah onze Aloha in onze naam.”

37:4 Nu was Jeremiah nog steeds inkomende en uitgaande onder het volk,

want ze hadden hem nog niet in de gevangenis gezet.

37:5 Ondertussen,

Farao’s leger was vanuit Egypte vertrokken;

en wanneer de Kaldeans

die Jeruzalem hadden belegerd

dat gerucht over hun hoorden,

toen hebben zij de belegering van Jeruzalem opgeheven.

37:6 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah de profeet,

zeggende,

37:7 “zo zegt Maryah

Aloha van Israël,

‘zo moet gij zeggen tegen de koning van Judah,

die u tot Mij zond om te vragen van Mij:

“Zie,

Farao’s leger dat uitgekomen is tot uw hulp

zal naar zijn eigen land van Egypte terugkeren.

37:8 “De kaldeans zullen ook terugkeren

en strijden tegen deze stad,

en zij zullen die veroveren

en die met vuur verbranden .”‘

37:9 “Zo zegt Maryah,

‘bedrieg jezelf niet,

zeggende,

“De Kaldean zullen zeker van ons weggaan,”

want ze zullen niet gaan.

37:10 ‘Want zelfs al had gij het gehele leger van de Kaldeans verslagen,

die tegen u strijdende waren,

en er waren alleen maar gewonde mannen onder hen overgebleven,

elke man in zijn tent,

ze zouden opstaan

en deze stad met vuur verbranden.'”

37:11 Nu gebeurde het

wanneer het leger van de Kaldeans

de belegering van Jeruzalem had opgeheven

vanwege het leger van Farao,

37:12 dat Jeremiah van Jeruzalem uitging

om naar het land van Bejamin te gaan

om daar bezit te nemen van enig bezit

temidden van het volk.

37:13 Terwijl hij bij de Poort van Benjamin was,

was daar een kapitein van de wacht wiens naam Irijah was,

de zoon van Shelemiah

de zoon van Hananiah;

en hij arresteerde Jeremiah de profeet,

zeggende,

“gij loopt over naar de Kaldeans!”

37:14 Maar Jeremiah zei,

“een leugen!

ik loop niet over naar de Kaldeans”;

toch wilde hij niet naar hem luisteren.

Dus arresteerde Irijah Jeremiah

en bracht hem naar de ambtenaren.

37:15 Toen waren de ambtenaren boos op Jeremiah

en sloegen hem,

en ze stopten hem in de gevangenis

in het huis van Jonathan

de schrijver,

die ze tot gevangenis hadden gemaakt.

37:16 Daar was Jeremiah in de kerker gekomen,

dat is,

de gewelfde cel;

en Jeremiah bleef daar vele dagen.

37:17 Nu zond koning Zedekiah uit en liet hem meenemen;

en in zijn paleis vroeg de koning hem heimelijk en zei,

“is er een woord van Maryah?”

En Jeremiah zei,

“Er is!”

Toen zei hij,

“Gij zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden!”

37:18 Verder zei Jeremiah tegen koning Zedekiah,

“Op welke wijze heb ik tegen u gezondigd,

of tegen uw dienaars,

of tegen dit volk,

dat gij mij gevangen hebt gezet?

37:19 “Waar zijn dan uw profeten

die tegen u profeteerden,

zeggende,

‘De koning van Babel zal niet tegen u

of tegen dit land komen’?

37:20 “Maar nu,

alsjeblief luister,

O mijn Heer de koning;

alsjeblieft laat mijn verzoek voor u komen

en doe mij niet terugkeren

naar het huis van Jonathan de schrijver,

opdat ik daar niet moge sterven.”

37:21 Vervolgens,

koning Zedekiah gaf bevel,

en zij gaven Jeremiah over aan de voorhof van het wachthuis

en gaven hem een snede van brood

dagelijks uit de Bakkersstraat,

totdat al het brood in de stad op was.

Zo bleef Jeremiah in de voorhof van het wachthuis.

Jeremiah 38.

38:1 Nu,

Shephatiah de zoon van Mattan,

en Gedaliah de zoon van Pashhur,

en Jucal de zoon van Shelemiah,

en Pashhur de zoon van Malchijah

hoorden de woorden die Jeremiah sprak tot al het volk,

zeggende,

38:2 “zo zegt Maryah,

‘hij die in deze stad blijft zal sterven door het zwaard

en door hongersnood

en door pestziekte,

maar hij die uitgaat naar de Kaldeans zal leven

en zijn eigen leven als buit hebben

en in leven blijven.

38:3 “Zo zegt Maryah,

‘Ongetwijfeld zal deze stad

in de hand van het leger

van de koning van Babel

worden gegeven

en hij zal die innemen.'”

38:4 Vervolgens,

de ambtenaren zeiden tegen de koning,

“Laat deze man nu ter dood worden gebracht,

aangezien hij de krijgslieden ontmoedigt

die in deze stad zijn achtergelaten en ook al het volk,

door zulke woorden tot hun te spreken;

want deze man zoekt het welzijn niet van dit volk

maar eerder hun schade.”

38:5 Dus zei koning Zedekiah,

“ziehier!

hij is in uw handen;

want de koning kan geen ding tegen u doen.”

38:6 Vervolgens,

ze namen Jeremiah

en wierpen hem in de put van Malchijah

de zoon van de koning,

welke in de voorhof van het wachthuis was;

en ze lieten Jeremiah met touwen zakken.

Nu was er in die put geen water

maar alleen modder,

en Jeremiah zakte (weg) in die modder.

38:7 Maar Ebed-Melech de Ethiopiër,

een eunuch,

terwijl hij in het paleis van de koning was,

hoorde dat ze Jeremiah in de put hadden geworpen.

De koning zat echter toen in de Poort van Benjamin;

38:8 en Ebed-Melech ging uit van het paleis van de koning

en sprak tot de koning,

zeggende,

38:9 “Mijn heer de koning,

deze mannen hebben goddeloos gehandeld

in alles wat zij hebben gedaan aan Jeremiah de profeet

die zij in de put hebben geworpen;

en juist daar waar hij is zal hij sterven

vanwege de hongersnood,

want er is geen brood meer in de stad.”

38:10 Vervolgens,

de koning gebood Ebed-Melech de Ethiopiër,

zeggende,

“Neemt dertig mannen van hier onder uw gezag

en haal Jeremiah de profeet op uit de put

voordat hij sterft.”

38:11 Dus nam Ebed-Melech de mannen onder zijn gezag

en ging in het paleis van de koning

naar een plaats onder de voorraadkamer

en nam van daar afgedragen kleren

en versleten vodden mee,

en liet ze met touwen (naar beneden) zakken

– in de put

bij Jeremiah-.

38:12 Vervolgens,

Ebed-Melech de Ethiopiër zei tegen Jeremiah,

“Steek nu die afgedragen kleren

en die versleten vodden

onder uw oksels

en onder die touwen”;

en Jeremiah deed dat.

38:13 Zo trokken zij Jeremiah omhoog met de touwen

en tilden hem uit de put,

en Jeremiah bleef in de voorhof van het wachthuis.

38:14 Toen zond koning Zedekiah

en liet Jeremiah de profeet tot hem brengen

bij de derde ingang

welke in het huis van Maryah is;

en de koning zei tegen Jeremiah,

“Ik ga u iets vragen;

verberg niets voor mij.”

38:15 Daarop zei Jeremiah tegen Zedekiah,

“Als ik het u zeg,

zult gij mij dan niet ter dood brengen?

Trouwens,

als ik u advies geef,

zult gij naar mij niet luisteren.”

38:16 Maar koning Zedekiah zwoer in het geheim tot Jeremiah

zeggende,

“Zoals Maryah leeft,

die voor ons dit leven maakte,

ik zal u zeker niet ter dood brengen

evenmin zal ik u overgeven

in de hand van deze mannen

die uw leven zoeken.”

38:17 Daarop zei Jeremiah tegen Zedekiah,

“Zo zegt Maryah Aloha van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘Indien gij inderdaad wilt uitgaan

naar de ambtenaren van de koning van Babel,

dan zult gij leven,

deze stad zal niet worden verbrand met vuur,

en gij en uw huishouden zult overleven.

38:18 ‘Maar indien gij niet wilt uitgaan

naar de ambtenaren van de koning van Babel,

dan zal deze stad overgeven worden in de hand van de Kaldeans;

en zij zullen die verbranden met vuur,

en gij,

gij zelf zult niet ontsnappen vanuit hun hand.'”

38:19 Toen zei koning Zedekiah tegen Jeremiah,

“Ik vrees de Joden die overgegaan zijn naar de Kaldeans,

omdat zij mij misschien overgeven in hun hand

en ze zullen mij beschimpen.”

38:20 Maar Jeremiah zei,

“Ze zullen u niet overgeven.

Alsjeblieft gehoorzaam Maryah in wat ik tot u zeg,

opdat het goed met u moge gaan

en gij moogt leven.

38:21 Maar zo gij blijft weigeren om uit te gaan,

dit is het woord dat Maryah mij heeft getoond:

38:22 ‘zie dan,

allen van de vrouwen die achtergebleven zijn

in het paleis van de koning van Judah

zullen worden uitgebracht naar de ambtenaren van de koning van Babel;

en die vrouwen zullen zeggen,

“Uw vertrouwde vrienden hebben u misleid en overmeesterd;

terwijl uw voeten in het slijk waren gezonken,

zijn zij achterwaarts omgekeerd.”

38:23 ‘Zij zullen ook al uw vrouwen

en uw zonen uitbrengen naar de Kaldeans,

en gij,

gijzelf zult niet ontsnappen vanuit hun hand,

maar zult worden gegrepen door de hand van de koning van Babel,

en deze stad zal worden verbrand met vuur.'”

38:24 Toen zei Zedekiah tegen Jeremiah,

“Laat geen mens iets over deze woorden weten en gij zult niet sterven.

38:25 “Maar indien de ambtenaren horen dat ik met u gesproken heb

en tot u komen

en tegen u zeggen,

‘Zeg ons nu wat gij tegen de koning hebt gezegd

en wat de koning tegen u heeft gezegd;

verberg het niet voor ons

en we zullen u niet ter dood brengen,’

38:26 dan moet gij tegen hen zeggen,

‘Ik presenteerde mijn verzoek voor de koning,

om mij niet terug te laten keren naar het huis van Jonathan

om daar te sterven.'”

38:27 Vervolgens,

al de ambtenaren kwamen tot Jeremiah en ondervroegen hem.

Dus rapporteerde hij aan hen

in overeenstemming met al deze woorden

welke de koning bevolen had;

en ze hielden op om met hem te spreken,

aangezien zij dat gesprek niet hadden gehoord.

38:28 Dus bleef Jeremiah in de voorhof van het wachthuis

tot de dag dat Jeruzalem werd veroverd.

Jeremiah 39.

39:1 Terwijl nu Jeruzalem veroverd was,

in het negende jaar van Zedekiah

koning van Judah,

in de tiende maand,

kwam Nebuchadnezzar koning van Babel

en zijn gehele leger naar Jeruzalem

en belegerde het;

39:2 in het elfde jaar van Zedekiah,

in de vierde maand,

op de negende dag van de maand,

was de stadsmuur doorbroken.

39:3 Toen kwamen al de ambtenaren van de koning van Babel binnen

en zaten neer bij de Midden Poort:

Nergal-sar-ezer,

Samgar-nebu,

Sar-sekim de Rab-saris,

Nergal-sar-ezer de Rab-mag,

en al de rest van de ambtenaren van de koning van Babel.

39:4 Toen Zedekiah de koning van Judah

en al de krijgslieden hen zagen,

vluchtten zij en gingen ‘s nachts de stad uit

via de tuin van de koning

door de poort tussen de twee muren;

en hij ging naar buiten naar de Arabah toe.

39:5 Maar het leger van de Kaldean achtervolgde hen

en achterhaalde Zedekiah in de vlakten van Jericho;

en zij grepen hem

en brachten hem opwaarts naar Nebuchadnezzar

koning van Babel

naar Riblah in het land van Hamath,

en hij voltrok vonnis over hem.

39:6 Vervolgens,

de koning van Babel

doodde de zonen van Zedekiah

voor zijn ogen bij Riblah;

de koning van Babel

doodde ook al de edelen van Judah.

39:7 Daarna verblindde hij Zedekiah zijn ogen

en bond hem in boeien van brons

om hem naar Babel te brengen.

39:8 De Kaldean verbrandden ook het paleis van de koning

en de huizen van het volk met vuur,

en ze braken de muren van Jeruzalem af.

39:9 Wat betreft de rest van het volk

die in de stad was achtergebleven,

de afvalligen die naar hem waren overgegaan

en de rest van het volk die achterbleef,

Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht

voerde hen in ballingschap naar Babel.

39:10 Maar van de armste mensen die niets hadden,

liet Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht

er sommige achter in het land van Judah,

en gaf hen op dat moment wijngaarden en akkers.

39:11 Nebuchadnezzar

koning van Babel

had nu orders gegeven betreffende Jeremiah

aan Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht,

zeggende,

39:12 “Neem hem en zorg voor hem,

en doe niets schadelijks aan hem

maar handel eerder met hem

precies zoals hij u zegt.”

39:13 Dus stuurde Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht een bevel,

samen met Nebushazban de Rab-saris,

en Nergal-sar-ezer de Rab-mag,

en al de leidende officieren van de koning van Babel;

39:14 en zij zonden heen

en namen Jeremiah vanuit de voorhof van het wachthuis

en vertrouwden hem zelfs toe aan Gedaliah,

de zoon van Ahikam,

de zoon van Shaphan,

om hem naar huis te brengen.

Zo verbleef hij te midden van het volk.

39:15 Nu was het woord van Maryah tot Jeremiah gekomen

terwijl hij was opgesloten in de voorhof van het wachthuis,

zeggende,

39:16 “Ga en spreek met Ebed-melech de Ethiopiër,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“zie,

Ik sta op het punt om Mijn woorden over deze stad te brengen

tot onheil

en niet tot voorspoed;

en zij zullen op die dag voor u (uw aangezicht) plaatsvinden.

39:17 “Maar Ik zal u verlossen op die dag,”

maakt Maryah bekend,

“en gij zult niet in de hand worden gegeven

van die mannen die gij vreest.

39:18 “Want Ik zal u zeker redden,

en gij zult niet vallen door het zwaard;

maar gij zult uw eigen leven als buit hebben,

omdat gij op MIj hebt vertrouwd,”

maakt Maryah bekend.'”

Jeremiah 40.

40:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam van Maryah

nadat Nebuzaradan kapitein van de lijfwacht

hem had laten gaan uit Ramah,

toen hij hem in kettingen gevangen had genomen

onder al de ballingen van Jeruzalem

en Judah die werden verbannen naar Babel.

40:2 Nu had de kapitein van de lijfwacht Jeremiah genomen

en zei tegen hem,

“Maryah uw Aloha beloofde deze rampspoed tegen deze plaats;

40:3 en Maryah heeft het voortgebracht

en gedaan zoals Hij het beloofde.

Want gij lieden hebt gezondigd tegen Maryah

en hebt niet geluisterd naar Zijn stem,

daarom is dit ding over u gekomen.

40:4 “Maar nu,

zie,

ik bevrijd u vandaag van de ketenen die aan uw handen zijn.

Indien gij de voorkeur zou geven

om met mij naar Babel te komen,

kom dan mee,

en ik zal voor u zorgen;

maar indien gij niet de voorkeur zou geven

om met mij naar Babel te komen,

laat het maar.

Zie,

het hele land is voor uw aangezicht;

ga waarheen het u goed en recht lijkt om te gaan.”

40:5 Toen Jeremiah nog steeds niet was terug gegaan,

zei hij,

“Ga dan terug naar Gedalliah de zoon van Ahikam,

de zoon van Saphan,

die de koning van Babel over de steden van Judah heeft aangesteld,

en verblijf bij hem onder het volk;

of ga ergens anders heen waar het u goed lijkt om te gaan.”

Zo gaf de kapitein van de lijfwacht hem een vergoeding

en een geschenk

en liet hem gaan.

40:6 Vervolgens,

Jeremiah ging naar Mizpah toe,

naar Gedaliah de zoon van Ahikam

en verbleef bij hem

te midden van het volk

die in het land waren achtergelaten.

40:7 Al de bevelhebbers van de strijdkrachten die nu in het veld waren,

zij en hun mannen,

hoorden dat de koning van Babel

Gedaliah – de zoon van Ahikam

over het land had aangesteld

en dat hij aan hem de leiding had gegeven

over de mannen,

de vrouwen en de kinderen,

die van de armsten van het land

die niet naar Babel verbannen waren geweest.

40:8 Zo kwamen zij bij Gedaliah te Mizpah,

samen met Ishmael de zoon van Nethaniah,

en Johanan en Jonathan de zonen van Kareah,

en Seraiah de zoon van Tanhumeth,

en de zonen van Ephai de Netophathite,

en Jezaniah de zoon van de Maacathite,

zowel zij als hun mannen.

40:9 Vervolgens,

Gedaliah de zoon van Ahikam,

de zoon van Shaphan,

zwoer aan hun en aan hun mannen,

zeggende,

“Wees niet bevreesd om de Kaldean te dienen;

verblijf in het land

en dien de koning van Babel,

opdat het u goed moge gaan.

40:10 “Wat mij nu betreft,

ziet,

ik verblijf in Mizpah

om voor u voor de Kaldean te staan die naar ons toekomen;

maar wat u betreft,

brengt wijn en zomer-vrucht en olie binnen

en doe ze in uw opslagvaten,

en leef in uw steden die gij hebt ingenomen.”

40:11 Precies zo hoorden ook al de Joden die in Moab waren,

en onder de zonen van Ammon

en in Edom

en die in al die andere landen waren,

dat de koning van Babel

een overblijfsel voor Judah had achter gelaten,

en dat hij over hen Gedaliah had aangesteld

de zoon van Ahikam,

de zoon van Saphan.

40:12 Daarop keerden al de Joden terug

vanuit al de plaatsen

naar welke zij gedreven waren

en kwamen naar het land van Judah,

naar Gedaliah te Mizpah,

en brachten wijn en zomer-vrucht binnen in grote overvloed.

40:13 Nu kwamen Johanan de zoon van Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten

die in het veld waren

naar Gedaliah te Mizpah-

40:14 en zeiden tegen hem,

“Zijt gij u ervan bewust

dat Baalis de koning van de zonen van Ammon

Ishmael de zoon van Nethaniah heeft gezonden

om uw leven te nemen?”

Maar Gedaliah de zoon van Ahikam geloofde hen niet.

40:15 Vervolgens,

johanan

de zoon van Kareah

sprak heimelijk tegen Gedaliah te Mizpah,

zeggende,

“Laat mij heengaan en Ishmael de zoon van Nethaniah doden,

en niet één man zal het weten!

Waarom zou hij uw leven nemen,

zodat al de Joden die tot u vergadert zijn

zouden verstrooid worden

en het overblijfsel van Judah zou vergaan?”

40:16 Maar Gedaliah

de zoon van Ahikam

zei tegen Johanan

de zoon van Kareah,

“Doe dit ding niet,

want gij vertelt een leugen over Ishmael.”

Jeremiah 41.

41:1 In de zevende maand,

Ishmael de zoon van Nethaniah,

de zoon van Elishama,

van de koninklijke familie

en één van de hoofd-officieren van de koning,

samen met tien mannen,

kwam te Mizpah naar Gedaliah

de zoon van Ahikam.

Terwijl zij daar samen brood aan het eten waren te Mizpah,

41:2 Ishmael de zoon van Nethaniah

en die tien mannen die bij hem waren stonden op,

en sloegen Gedaliah

de zoon van Ahikam

de zoon van Shaphan

met het zwaard,

en brachten degene die de koning van Babel

over het land had aangesteld ter dood.

41:3 Ishmael sloeg ook al de Joden neer

die bij hem waren;

die bij Gedaliah waren te Mizpah,

en de Kaldean die daar werden gevonden,

de mannen van oorlog.

41:4 Nu gebeurde het op de eerstvolgende dag

na het doden van Gedaliah,

toen niet één ervan wist,

41:5 dat er tachtig mannen van Schehem,

van Shiloh,

en van Samaria kwamen

met hun baarden afgeschoren

en hun kleren gescheurd

en hun lichamen gegeseld,

met graanoffers en wierrook in hun handen

om ze naar het huis van Maryah te brengen.

41:6 Toen Ishmael de zoon van Nethaniah van Mizpah uitging

om hen te ontmoeten,

weende (hij) toen gij ging;

en toen hij hen ontmoette,

zei hij tegen hen,

“Kom naar Gedaliah de zoon van Ahikam!”

41:7 Toch bleek het

dat zo snel als zij de stad binnen kwamen,

dat Ishmael de zoon van Nethaniah

en de mannen die bij hem waren

hun afslachtte en hun in de waterput gooiden.

41:8 Maar tien mannen die onder hun werden gevonden zeiden tegen Ishmael,

“breng ons niet ter dood;

want we hebben opslag van tarwe,

gerst,

olie en honing verborgen in het veld.”

Dus hield hij zich in,

en heeft hun niet ter dood gebracht

samen met hun metgezellen.

41:9 Wat nu de waterput betreft

waarin Ishmael al de lijken van de mannen had gegooid

die hij neergeslagen had vanwege Gedaliah,

dat was degene die koning Asa had gemaakt vanwege Baasha,

koning van Israël;

Ishmael de zoon van Nethaniah vulde die met de verslagenen.

41:10 Toen nam Ishmael

al het overblijfsel van het volk gevangen

dat te Mizpah was,

de dochters van de koning

en al het volk die in Mizpah was overgebleven,

die Nebuzaradab

de kapitein van de lijfwacht

onder de hoede van Gedaliah

de zoon van Ahikam had gesteld;

zo nam Ismael de zoon van Nethaniah

hen gevangen

en ging verder om over te steken naar de zonen van Ammon.

41:11 Maar Johanan

de zoon van Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten

die bij hem waren

hoorden van al het kwaad

dat Ishmael de zoon van Nethaniah had gedaan.

41:12 Dus namen zij al de mannen

en gingen heen om te strijden tegen Ishmael

de zoon van Nethaniah

en zij vonden hem bij de grote poel

die in Gibeon is.

41:13 Zo gauw nu al het volk

dat bij Ishmael was

Johanan zag

de zoon van Kareah

en de bevelhebbers van de strijdkrachten

die bij hem waren,

waren ze blij.

41:14 Dus al het volk

dat Ishmael had gevangen genomen uit Mizpah

draaide zich om

en kwam terug

en ging naar Johanan

de zoon van Kareah.

41:15 Maar Ishmael

de zoon van Nethaniah

ontkwam van Johanan

met acht mannen

en ging naar de zonen van Ammon.

41:16 Vervolgens,

Johanan de zoon van Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten

die bij hem waren

namen uit Mizpah al het overblijfsel van het volk

die hij had herkregen van Ishmael

de zoon van Nethaniah,

nadat hij Gedaliah had neergeslagen

de zoon van Ahikam,

dat wil zeggen,

de mannen die soldaten waren,

de vrouwen,

de kinderen,

en de eunuchen,

die hij had teruggebracht van Gibeon.

41:17 En zij gingen

en verbleven in Geruth Chimham,

dat naast Beth-lechem ligt,

om verder te gaan naar Egypte-

41:18 vanwege de Kaldean;

want zij waren bevreesd voor hen,

aangezien Ishmael

de zoon van Nethaniah-

Gedaliah de zoon van Akiham-

had neergeslagen,

die de koning van Babel over het land had benoemd.

Jeremiah 42.

42:1 Vervolgens,

al de bevelhebbers van de strijdkrachten,

Johanan de zoon van Kareah,

Jezaniah de zoon van Hoshaiah,

en al het volk

beide klein en groot naderden

42:2 en zeiden tegen Jeremiah de profeet,

“Alsjeblieft laat onze smeekbede voor u komen,

en bid voor ons tot Maryah uw Aloha,

dat voor al dit overblijfsel is;

omdat wij maar met weinig van de velen zijn overgebleven,

gelijk uw eigen ogen ons nu zien,

42:3 opdat Maryah uw Aloha

ons de weg moge vertellen

in welke we moeten wandelen

en het ding dat wij moeten doen.”

42:4 Toen zei Jeremiah de profeet tegen hen,

“Ik heb u gehoord.

zie!

Ik ga bidden tot Maryah uw Aloha

in overeenstemming met uw woorden;

en ik zal u de hele boodschap vertellen

welke Maryah u zal antwoorden.

Ik zal geen woord voor u achterhouden.”

42:5 Vervolgens,

zij zeiden tegen Jeremiah,

“Moge Maryah een waarachtig en getrouw getuige zijn tegen ons

als we niet handelen in overeenstemming met de gehele boodschap

waarmee Maryah uw Aloha u naar ons zal zenden.

42:6 “Of het nu aangenaam of onaangenaan is,

we zullen luisteren naar de stem van Maryah onze Aloha

tot wie wij u zenden,

opdat het goed met ons moge gaan

wanneer we luisteren naar de stem van Maryah onze Aloha.”

42:7 Aan het einde nu van tien dagen

kwam het woord van Maryah tot Jeremiah.

42:8 Toen riep hij om Johanan de zoon van Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten die bij hem waren,

en om al het volk

zowel klein en groot,

42:9 en zei tegen hen,

“Zo zegt Maryah

Aloha van Israël,

tot wie gij mij hebt gezonden

om uw smeekbede voor Hem te presenteren:

42:10 ‘Indien gij inderdaad in dit land zult verblijven,

dan zal Ik u opbouwen en u niet afbreken,

en Ik zal u planten en u niet ontwortelen;

want Ik zal afzien betreffende de rampspoed

die Ik u heb toegebracht.

42:11 ‘Wees niet bevreesd voor de koning van Babel,

die gij nu vreest;

wees niet bevreesd voor hem,’

maakt Maryah bekend,

‘want Ik ben met u om u te redden

en u te verlossen uit zijn hand.

42:12 ‘Ik zal u ook mededogen betonen,

zodat hij mededogen over u zal hebben

en u weder naar uw eigen grond brengt.

42:13 ‘Maar in geval gij gaat zeggen,

“we willen niet in dit land verblijven,”

aldus om niet naar de stem van Maryah uw Aloha te luisteren,

42:14 zeggende,

“Nee,

maar we willen naar het land van Egypte gaan,

alwaar we geen oorlog zullen zien

of het geluid van een bazuin horen

of hongeren naar brood,

en we zullen daar verblijven”;

42:15 luister dan in dat geval naar het woord van Maryah,

O overblijfsel van Judah.

Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Indien gij werkelijk uw gedachten zet om Egypte in te gaan

en in gaat om daar te verblijven,

42:16 het zwaard dan,

waar gij bevreesd voor zijt,

zal u daar in het land van Egypte inhalen;

en de hongersnood,

waarvoor gij angstig zijt,

zal u daar in Egypte nauwgezet achtervolgen,

en gij zult daar sterven.

42:17 “Dus al de mannen

die hun zinnen zetten om naar Egypte te gaan om daar te verblijven

zullen sterven door het zwaard,

door hongersnood

en door pestziekte,

en ze zullen geen overlevenden hebben

of vluchtelingen van de rampspoed

die Ik over hun ga brengen.”‘”

42:18 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Zoals Mijn boosheid en toorn zijn uitgestort

over de inwoners van Jeruzalem,

zo zal Mijn toorn over u uitgestort worden

wanneer gij Egypte binnengaat.

En gij zult een vloek worden,

een voorwerp van afschuw,

een vervloeking en een verwijt;

en gij zult deze plaats niet meer zien.”

42:19 Maryah heeft tot u gesproken,

O overblijfsel van Judah,

“Ga niet naar Egypte!”

Gij moet duidelijk begrijpen

dat ik heden ten dage tegen u heb getuigd.

42:20 Want gij hebt alleen maar uzelf misleid;

want gij zijt het die mij naar Maryah uw Aloha hebt gezonden,

zeggende,

“bid voor ons tot Maryah onze Aloha;

en al wat Maryah onze Aloha zegt,

vertel het ons ook,

en wij zullen het doen.”

42:21 Dus heb ik het u vandaag verteld,

maar gij hebt Maryah uw Aloha niet gehoorzaamd,

zelfs niet in één ding waarvoor Hij mij zond

om het u te vertellen.

42:22 Daarom moet gij nu duidelijk begrijpen

dat gij zult sterven door het zwaard,

door de hongersnood en door de pestziekte,

in de plaats waarheen gij naar toe wilt gaan

om daar te verblijven.

Jeremiah 43.

43:1 Maar zodra Jeremiah,

-die Maryah- hun Aloha- tot hun had gezonden-,

klaar was om aan al het volk te vertellen

al de woorden van Maryah hun Aloha-

dat wil zeggen,

al deze woorden-

43:2 zeiden Azariah de zoon van Hoshaiah,

en Johanan ben- Kareah,

en al de arrogante mannen tegen Jeremiah,

“Gij vertelt een leugen!

Maryah onze Aloha heeft u niet gezonden om te zeggen,

‘Gij moogt Egypte niet binnengaan om daar te verblijven’;

43:3 maar Baruch

de zoon van Neriah

zet u tegen ons op

om ons over te geven in de hand van de Kaldean,

zodat zij ons ter dood zullen brengen

of ons naar Babel zullen verbannen.”

43:4 Dus Johanan

ben-Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten,

en al het volk,

gehoorzaamden de stem van Maryah niet

om in het land van Judah te verblijven.

43:5 Maar Johanan

ben-Kareah

en al de bevelhebbers van de strijdkrachten

namen het hele overblijfsel van Judah

die waren teruggekeerd vanuit al de naties

waarnaar zij waren uitgedreven geweest,

om te verblijven in het land van Judah-

43:6 de mannen,

de vrouwen,

de kinderen,

de dochters van de koning

en elke persoon

die Nebuzaradan

de kapitein van de lijfwacht

bij Gedaliah had gelaten

de zoon van Ahikam

en kleinzoon van Shaphan,

samen met Jeremiah de profeet

en Baruch de zoon van Neriah-

43:7 en zij gingen het land van Egypte in

want zij gehoorzaamden de stem van Maryah niet

en gingen in zover als Tahpanhes.

43:8 Vervolgens,

het woord van Maryah kwam tot Jeremiah in Tahpanhes,

zeggende,

43:9 “Neem wat grote stenen in uw handen

en verberg ze in de mortel

bij het gemetselde terras

dat bij de ingang van het paleis van de farao in Tahpanhes is,

voor de ogen van sommige van de Joden;

43:10 en zeg tegen hen,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Zie,

Ik ga heen zenden

en Nebuchadnezzar de koning van Babel grijpen,

Mijn dienaar,

en Ik ga zijn troon zetten

recht boven die stenen die ik verborgen heb;

en hij zal zijn baldakijn over hen ontplooien.

43:11 “Hij zal ook komen om het land van Egypte te treffen;

degenen die tot de dood bestemd zijn

zullen aan de dood worden overgegeven,

en degenen tot gevangenschap

aan gevangenschap,

en degenen tot het zwaard

aan het zwaard.

43:12 “En Ik zal in de tempels van de goden van Egypte een vuur aansteken,

en hij zal hen verbranden en hen gevangen nemen.

Zo zal hij zichzelf omhullen met het land van Egypte

zoals een herder zichzelf omhult met zijn kleed,

en hij zal van daar heengaan in shlama.

43:13 “Hij zal ook de obelisken van Heliopolis verbrijzelen,

wat in het land van Egypte is;

en hij zal de tempels van de goden van Egypte verbranden met vuur.”

Jeremiah 44.

44:1 Het woord dat tot Jeremiah kwam

voor al de Joden die in het land van Egypte leefden,

degenen die in Migdol leefden,

Tahpanhes,

Memphis,

en het land van Pathros,

zeggende,

44:2 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Gij hebt zelf al de rampspoed gezien

die Ik over Jeruzalem en al de steden van Judah heb gebracht;

en zie,

deze dag liggen ze in puin

en geen mens leeft daarin,

44:3 vanwege hun goddeloosheid

die zij hebben begaan om Mij tot woede te provoceren

door offers te blijven branden

en om andere goden te dienen

die zij niet hadden gekend,

noch zij,

gij,

noch uw vaders.

44:4 ‘Toch zond Ik u al Mijn dienaars de profeten,

opnieuw en opnieuw,

zeggende,

“Oh,

doe dit afschuwelijke ding niet die Ik verafschuw.”

44:5 ‘Maar zij luisterden

of neigden hun oren niet

om van hun goddeloosheid af te keren,

om geen offers aan andere goden te verbranden.

44:6 ‘Daarom,

Mijn toorn en Mijn woede werden uitgestort

en brandde in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem,

zo zijn ze een ruïne geworden

en een verlatenheid

zoals het deze dag is.

44:7 ‘Nu dan – zo zegt Maryah

Aloha van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Waarom doet gij uzelf grote schade aan,

gelijk als – om van u – af te snijden,

man en vrouw – kind en zuigeling,

uit het midden van Judah,

uzelf zonder overblijfsel latende,

44:8 Mij tergende tot woede

met de werken van uw handen,

offers brandende aan andere goden in het land van Egypte,

waar gij binnengekomen zijt om te verblijven,

opdat gij moogt worden afgesneden –

en een vloek-

en een smaad wordt-

onder al de naties van de aarde?

44:9 “Hebt gij de goddeloze werken van uw vaders vergeten,

de goddeloze werken van de koningen van Judah,

en de goddeloze werken van hun vrouwen,

uw eigen goddeloze werken,

en de goddeloze werken van uw vrouwen,

die zij deden in het land van Judah

en in de straten van Jeruzalem?

44:10 “Maar ze zijn zelfs tot op deze dag niet berouwvol geworden,

evenmin hebben ze gevreesd

evenmin in Mijn wet of Mijn inzettingen gewandeld,

die Ik heb ingesteld

voor u en voor uw vaders.”‘

44:11 “Daarom,

zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

‘zie,

Ik ga Mijn aangezicht tegen u stellen tot rampspoed,

en om zelfs heel Judah af te snijden.

44:12 En Ik zal het overblijfsel van Judah wegnemen

die hun gedachten hebben gezet

op het binnengaan van het land van Egypte

om daar te verblijven,

en zij zullen allen hun einde ontmoeten in het land van Egypte;

zij zullen vallen door het zwaard

en hun einde ontmoeten door hongersnood.

Beide,

klein en groot zal sterven door het zwaard en hongersnood;

en zij zullen een vloek worden,

een voorwerp van verschrikking,

een verwensing en een smaad.

44::13 ‘En Ik zal diegenen straffen

die in het land van Egypte leven,

zoals Ik Jeruzalem gestraft heb,

met het zwaard,

met hongersnood,

en met pestziekte.

44:14 ‘zo dat er geen zullen zijn die ontkomen

of overleven voor het overblijfsel van Judah-

welke het land van Egypte zijn binnengegaan

om daar te verblijven-

en dan terug te keren naar het land van Judah,

waarnaar zij verlangen terug te keren en te leven;

want niet één zal terugkeren

behalve wat vluchtelingen.'”

44:15 Vervolgens,

al de mannen die zich ervan bewust waren

dat hun vrouwen offers brandden aan andere goden,

samen met de vrouwen die erbij stonden,

als een grote vergadering,

met inbegrip van al het volk die in Pathros woonde

in het land van Egypte,

reageerden op Jeremiah,

zeggende,

44:16 “Wat betreft de boodschap

die gij tegen ons hebt gesproken

in de naam van Maryah,

we gaan niet naar u luisteren!

44:17 “Maar eerder zullen wij zeker elk woord uitvoeren

dat uit onze mond is uitgegaan,

door offers aan de koningin van de hemel te verbranden

en drankoffers aan haar uitgieten,

net zoals wijzelf,

onze voorvaders,

onze koningen en onze prinsen deden

in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem;

want toen hadden we genoeg te eten

en we waren goed af

en we zagen geen tegenslag.

44:18 Maar sinds we stopten met het branden van offers

aan de koningin van de hemel

en het uitgieten van drankoffers aan haar,

ontbrak het ons aan alles

en hebben ons einde ontmoet

door het zwaard en door hongersnood.”

44:19 “En,”

zeiden de vrouwen,

“Toen wij aan de koninging van de hemel

offers aan het branden waren

en drankoffers aan haar aan het uitgieten waren,

was het zonder onze echtgenoten-

dat we voor haar offerkoekjes maakten-

naar haar beeld

en aan haar drankoffers uitgoten?”

44:20 Toen zei Jeremiah tegen al het volk,

tegen de mannen en vrouwen-

zelfs tegen al het volk

die hem zo’n antwoord had gegeven-

zeggende,

44:21 “Wat betreft de rokende offers die gij brandde

in de steden van Judah

en in de straten van Jeruzalem,

gij en uw voorvaders,

uw koningen en uw prinsen,

en het volk van het land,

heeft Maryah ze niet herinnert

en is dit alles niet in Zijn geest opgekomen?

44:22 “Zo kon Maryah het niet langer verdragen,

vanwege het kwaad van uw daden,

vanwege de gruwelen die gij hebt begaan;

dus is uw land een puinhoop geworden,

een voorwerp van verschrikking

en een vloek,

zonder één inwoner,

zoals het deze dag is.

44:23 “Omdat gij offers hebt gebrand

en hebt gezondigd tegen Maryah

en de stem van Maryah niet gehoorzaamde-

noch in Zijn wet-

Zijn verordening-

en Zijn getuigenissen wandelde,

daarom is deze rampspoed u overkomen,

zoals het op deze dag is.”

44:24 Vervolgens,

Jeremiah zei tegen al het volk,

inclusief al de vrouwen,

“Hoor het woord van Maryah,

geheel Judah

die in het land van Egypte is,

44:25 zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

als volgt:

‘wat u en uw vrouwen betreft,

gij hebt met uw mond gesproken

en het vervuld met uw handen,

zeggende,

“We zullen zeker onze geloften nakomen die wij hebben gezworen,

om offers te branden aan de koningin van de hemel

en drankoffers aan haar schenken.”

Doe maar – en bevestig uw geloften,

en doe zeker uw geloften!’

44:26 “Niettemin,

hoor het woord van Maryah,

geheel Judah die levende zijt in het land van Egypte,

‘Zie,

Ik heb gezworen bij Mijn grote naam,’

zegt Maryah,

‘nooit zal Mijn naam opnieuw worden aangeroepen

door de mond van een man van Judah

in heel het land van Egypte,

zeggende,

“Zoals Maryah Aloha leeft.”

44:27 ‘Zie,

Ik waak over hen tot het kwade en niet tot het goede,

en al de mannen van Judah

die in het land van Egypte zijn

zullen hun einde ontmoeten

door het zwaard en door hongersnood

totdat zij helemaal verdwenen zijn.

44:28 ‘Degenen die aan het zwaard ontsnappen

zullen vanuit het land van Egypte

naar het land van Judah terugkeren

weinig in aantal.

Vervolgens,

heel het overblijfsel van Judah

dat naar het land van Egypte is gegaan om daar te verblijven

zal weten wiens woord zal bestaan,

het Mijne of het hunne.

44:29 ‘Dit zal het teken voor u zijn,’

maakt Maryah bekend,

‘Dat Ik u zal straffen in deze plaats,

opdat gij moogt weten

dat Mijn woorden zeker tegen u zullen bestaan ten kwade.’

44:30 “Zo zegt Maryah,

‘Zie,

Ik ga farao Hopra

koning van Egypte

overgeven in de hand van zijn vijanden,

in de hand van degenen die zijn leven zoeken,

net zoals Ik Zedekiah

koning van Judah

in de hand van Nebuchadnezzar gaf

de koning van Babel,

die zijn vijand was en zijn leven zocht.'”

Jeremiah 45.

45:1 Dit is de boodschap

die Jeremiah de profeet sprak

tegen Baruch

de zoon van Neriah,

terwijl hij die woorden

in een boek neerschreef

op Jeremiah zijn aanwijzing,

in het vierde jaar van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah,

zeggende,

45:2 “Zo zegt Maryah

Aloha van Israël tegen u,

O Baruch:

45:3 ‘Gij zegt,

“Ach,

wee mij!

want Maryah heeft aan mijn smart droefheid toegevoegd;

ik ben afgemat door mijn gekreun

en heb geen rust gevonden.”‘

45:4 “Dus moet gij tegen hem zeggen,

‘zo zegt Maryah,

“Zie,

wat Ik gebouwd heb sta ik op het punt om af te breken,

en wat Ik geplant heb sta ik op het punt om te ontwortelen,

dat is,

het hele land.”

45:5 ‘Maar gij,

zoekt gij grote dingen voor uzelf?

Zoek ze niet,

want zie,

Ik ga rampspoed over alle vlees brengen,’

maakt Maryah bekend,

‘Maar Ik zal u uw leven als buit geven

in al de plaatsen waar gij heen moogt gaan. ‘”

Jeremiah 46.

46:1 Dat wat als het woord van Maryah kwam

tot Jeremiah de profeet

betreffende de naties.

46:2 Aan Egypte,

betreffende het leger van farao Neco

koning van Egypte,

dat bij de de Eufraat Rivier was te Carchemish,

die Nebuchadnezzar

koning van Babel versloeg

in het vierde jaar van Jehoiakim

de zoon van Josiah,

koning van Judah:

46:3 “Hef beukelaar en schild (sparaka) op,

en trek nabij voor de strijd!

46:4 “Tuig de paarden op,

en bestijg de strijdrossen,

en neem uw plaats in met helmen op!

Poets de speren op,

doe de schaalbepantsering aan!

46:5 “Waarom heb Ik het gezien?

Ze zijn doodsbang,

Ze trekken zich terug,

En hun machtige mannen zijn verslagen

En hebben toevlucht gezocht in de vlucht,

Zonder om te kijken;

Verschrikking is aan alle kanten!”

Maakt Maryah bekend.

46:6 Laat de snelle man niet ontvluchten,

Noch de machtige man ontsnappen;

In het noorden naast de rivier Eufraat

Zijn ze gestruikeld en gevallen.

46:7 Wie is deze die opstijgt als de Nijl,

als de rivieren wiens wateren op en neer deinen?

46:8 Egypte stijgt op als de Nijl;

Zelfs als de rivieren waarvan de wateren op en neer deinen;

En Hij heeft gezegd,

“Ik zal opstaan en dat land bedekken;

Ik zal de stad en haar inwoners zeker vernietigen.”

46:9 Steiger,

gij paarden,

en rijd waanzinnig,

gij strijdwagens,

Dat de sterke mannen mogen vooruit marcheren:

Cush en Put,

die het schild hanteren,

En de Ludim,

die de boog hanteren en krommen.

46:10 Want die dag behoort toe aan Maryah Aloha van de heirscharen,

Een dag van wraak,

om Zichzelf te wreken op Zijn vijanden;

En het zwaard zal verslinden en verzadigd worden

en zijn vulling drinken van hun bloed;

Want er zal een slachting zijn voor Maryah Aloha van de heirscharen,

in het land van het noorden bij de rivier Eufraat.

46:11 Ga op naar Gilead en verkrijg balsem,

O maagdelijke dochter van Egypte!

Tevergeefs vermeerdert gij geneesmiddelen ;

Er is geen genezing voor u.

46:12 De naties hebben gehoord van uw schaamte,

En de aarde is vol van uw noodkreet;

Want de ene krijger is over de andere gestruikeld,

En beide van hen zijn tegelijkertijd nedergevallen.

46:13 Dit is de boodschap

die Maryah sprak

tegen Jeremiah de profeet

betreffende de komst van Nebuchadnezzar

koning van Babel

om het land van Egypte te slaan:

46:14 “Maak bekend in Egypte

en verkondigt in Migdol,

Verkondig ook in Memphis

en Tahpanhes;

zeg,

‘Neem uw plaats

en maak uzelf klaar,

Want het zwaard heeft degenen om u heen verslonden.’

46:15 “Waarom zijn uw machtigen ter aarde geworpen?

Zij staan niet

omdat Maryah hen heeft neergestoten.

46:16 “Ze zijn herhaaldelijk gestruikeld;

Inderdaad,

ze zijn gevallen de één tegen de ander.

Vervolgens zeiden zij,

‘Sta op!

En laat ons teruggaan

Naar ons eigen volk en ons geboorteland

Weg van het zwaard van de onderdrukker.’

46:17 “Daar riepen zij,

Farao koning van Egypte is maar een groot lawaai;

De bestemde tijd heeft hij laten voorbij gaan!’

46:18 “Zoals Ik leef,”

maakt de Koning bekend

Wiens naam is Maryah van de heirscharen,

“Er zal zeker één komen

die als Tabor opdoemt

tussen de bergen,

Of als de Carmel bij de zee.

46:19 “Maak uw bagage klaar voor verbanning,

O dochter verblijvende in Egypte,

Want Memphis zal een verlatenheid worden;

Het zal zelfs afgebrand

en beroofd worden van inwoners.

46:20 “Egypte is een mooie vaars,

Maar een paardevlieg uit het noorden is komende-

het is komende!

46:21 “Ook haar huurlingen in haar midden

Zijn als gemeste kalveren,

Want ook zij zijn zelfs teruggekeerd en zijn samen weggevlucht;

Ze stonden niet op hun grond.

Want de dag van hun rampspoed is over hen gekomen,

De tijd van hun bestraffing.

46:22 “Het geluid beweegt zich voort als een serpent;

Want als een leger trekken zij verder

En komen naar haar toe als houthakkers met bijlen.

46:23 “Ze hebben haar woud omgehakt,”

maakt Maryah bekend;

“Het zal ongetwijfeld niet meer worden gevonden,

Alhoewel ze nu talrijker dan sprinkhanen zijn

En ze zonder getal zijn.

46:24 “De dochter van Egypte is te schande gemaakt,

Overgegeven aan de macht van het volk van het noorden.”

46:25 Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

zegt,

“Zie,

Ik ga Amon van Thebes straffen,

en farao,

en Egypte samen met haar goden

en haar koningen,

zelfs farao en degenen die op hem vertrouwen.

46:26 “Ik zal hen overleveren

aan de macht van degenen die hun levens zoeken,

zelfs in de hand van Nebuchadnezzar

koning van Babel,

en in de hand van zijn ambtenaren.

Daarna,

echter,

zal het worden bewoond zoals in de dagen vanouds,”

maakt Maryah bekend.

46:27 “Maar wat u betreft,

O Jakob Mijn dienaar,

vreest niet,

Zijt evenmin ontzet,

O Israël!

Want,

zie,

Ik ga u redden van verre,

En uw nakomelingen uit het land van hun gevangenschap;

En Jakob zal terugkeren en ongestoord zijn

En veilig,

met niet één die hem doet beven.

46:28 “O Jakob Mijn dienaar,

vrees niet,”

maakt Maryah bekend,

“Want Ik ben met u.

Want Ik zal een volledig einde maken aan al de naties

waarheen Ik u gedreven heb,

Toch zal Ik geen volledig einde maken aan u;

Maar Ik zal u correct terechtwijzen

En u in geen geval ongestraft laten.”

Jeremiah 47.

47:1 Datgene wat kwam als het woord van Maryah

tot Jeremiah de profeet

betreffende de Filistijnen,

voordat Farao Gaza veroverde.

47:2 Zo zegt Maryah:

“Zie,

wateren zullen opstijgen vanuit het noorden

En een overvloeiende stortvloed worden,

En het land en al haar volheid overvloeien ,

De stad en degenen die daarin leven;

En de mensen zullen het uitschreeuwen,

En elke inwoner van het land zal jammeren.

47:3 “Vanwege het lawaai van de gelopperende hoeven van zijn hengsten,

Het tumult van zijn strijdwagens,

en het gerommel van zijn wielen;

De vaders zijn niet teruggekeerd voor hun kinderen,

Vanwege de slapheid van hun handen,

47:4 Vanwege de dag die komende is

Om al de Filistijnen te vernietigen,

Om af te snijden van Tyre en Sidon

Elke bondgenoot die overblijft;

Want Maryah gaat de Filistijnen vernietigen,

Het overblijfsel van het kustland van Caphtor.

47:5 “Kaalheid is over Gaza gekomen;

Ashkelon is ten val gebracht.

O overblijfsel van hun vallei,

Hoelang zul gij uzelf snijden?

47:6 “Ah,

zwaard van Maryah,

Hoelang zal het nog duren voordat gij stil zijt?

Trek terug in uw schede;

Wees in rust en blijf stil.

47:7 “Hoe kan het stil zijn,

Wanneer Maryah het een bevel heeft gegeven?

Tegen Ashkelon en tegen de zeekust-

daartoe heeft Hij het bestemd.”

Jeremiah 48.

48:1 Betreffende Moab.

Zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Wee aan Nebo,

want het is vernietigd geweest;

Kiriathaim is ten schande gesteld

het is veroverd geweest;

Het verheven bolwerk is ten schande gesteld

en verbrijzeld.

48:2 “Er is niet langer lof voor Moab,

In Heshbon hebben ze rampspoed tegen haar bedacht:

‘Kom en laat ons haar afsnijden van een volk te zijn!’

Ook gij

Madmen,

Zult tot zwijgen worden gebracht;

Het zwaard zal u achtervolgen.

48:3 Het klinken van een verontwaardiging van Horonaim,

‘Verwoesting en grote vernieling!’

48:4 Moab is gebroken,

Haar kleintjes hebben een kreet-van-nood geslagen.

48:5 Want bij de beklimming van Luhith

zullen ze opklimmen met aanhoudend geween;

Want bij de afdaling van Horonaim

hebben ze de gekwelde kreet van vernietiging gehoord.

48:6 “Vlucht,

red uw levens,

dat gij zoals een tamarisk moogt zijn in de woestijn.

48:7 “Want vanwege uw vertrouwen in uw eigen prestaties en schatten,

Zult gijzelf zelfs gevangen genomen worden;

En Chemosh zal in ballingschap gaan

Tezamen met zijn priesters en zijn prinsen.

48:8 “Een verwoester zal komen naar elke stad,

Zodat geen stad zal ontsnappen;

Het dal zal ook worden verwoest

En de winderige vlakte zal worden vernietigd,

Zoals Maryah heeft gezegd.

48:9 “Geef vleugels aan Moab,

Want zij zal wegvluchten;

En haar steden zullen een troosteloosheid worden,

Zonder één om daarin te wonen.

48:10 “Vervloekt zij degene die het werk van Maryah achteloos doet,

En vervloekt zij degene die zijn zwaard van het bloed weerhoudt.

48:11 “Moab is gerust geweest sinds zijn jeugd;

Hij is ook ongestoord geweest,

Zoals wijn op zijn droesem,

En hij is niet geleegd geweest van vat tot vat,

Noch is hij in ballingschap gegaan.

Daarom behoudt hij zijn smaak,

En zijn geur is niet veranderd.

48:12 “Daarom zie,

de dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“wanneer Ik degenen tot hem zal zenden die vaten om-kantelen,

en zij zullen hem om-kantelen,

en zij zullen zijn vaten ledigen

en zijn kruiken verbrijzelen.

48:13 “En Moab zal zich schamen over Chemosh,

zoals het huis van Israël zich schaamde over Beth-el,

hun vertrouwen.

48:14 “Hoe kunt gij zeggen,

‘We zijn machtige krijgsmannen,

En moedig tot de strijd’?

48:15 “Moab is verwoest geworden

en mannen zijn opgegaan naar zijn steden;

Zijn beste jonge mannen zijn ook afgedaald tot de slachting,”

Maakt de Koning bekend,

wiens naam is Maryah van de heirscharen.

48:16 “De ramp van Moab zal spoedig komen,

En zijn rampspoed heeft zich snel verhaast.

48:17 “Rouw over hem,

gij allen die rondom hem leeft,

Zelfs allen van u die zijn naam kent;

Zegt,

‘Hoe is de machtige scepter gebroken geworden,

Een staf van praal!’

48:18 “Kom van uw heerlijkheid af

En zit op de uitgedroogde grond,

O dochter die in Dibon woont,

Want de verwoester van Moab is tegen u opgekomen,

Hij heeft uw bolwerken verwoest.

48:19 “Sta bij de weg en houd de wacht,

O bewoonster van Aroer;

Vraagt hem die vlucht en haar die ontsnapt

En zeg,

‘Wat is er gebeurd?’

48:20 “Moab is te schande gemaakt,

want het is verbrijzeld.

Jammert en schreeuwt het uit;

Maak het bekend bij de Arnon

dat Moab verwoest is geworden.

48:21 “Het oordeel is ook over de vlakte gekomen,

over Holon,

en over Jahzah

en over Mephaath,

48:22 over Dibon,

Nebo en Beth-diblathaim,

48:23 over Kiriathaim,

Beth-gamul en Beth-meon

48:24 over Kerioth,

Bozrah en al de steden van het land van Moab,

verre en nabij.

48:25 “De hoorn van Moab is afgesneden

en zijn arm verbroken,”

maakt Maryah bekend.

48:26 “Maak hem dronken,

want hij is arrogant geworden jegens Maryah;

dus zal Moab zich wentelen in zijn braaksel,

en hij zal ook een mikpunt van spot worden.

48:27 “Was Israël nu geen mikpunt van spot tot u?

Of was hij gevangen onder de dieven?

Want elke keer dat gij spreekt over hem

schudt gij uw hoofd in minachting.

48:28 “Verlaat de steden

en woon onder de rotsen,

O inwoners van Moab,

En wees zoals een duif die nestelt

in de mond van de rotsspleet.

48:29 “We hebben gehoord van de hoogmoed van Moab

-hij is zeer trots-

Van zijn hooghartigheid,

zijn hoogmoed,

zijn arrogantie

en zijn zelfverheffing.

48:30 “Ik ken zijn woede,”

maakt Maryah bekend,

“Maar het is zinloos;

Zijn ijdele opschepperij heeft niets bereikt.

48:31 “Daarom zal Ik om Moab jammeren,

Zelfs om heel Moab zal Ik het uitschreeuwen:

om de mannen van Kir-heres zal Ik zuchten.

48:32 “Meer dan het geween om Jazer

zal Ik om u wenen,

O wijnstok van Sibmah!

Uw ranken strekten zich uit over de zee,

Ze bereikten de zee van Jazer;

Op uw zomervruchten en uw druivenoogst

is de verwoester gevallen.

48:33 “Zo worden blijheid en vreugde weggenomen

Vanuit het vruchtbare veld,

zelfs vanuit het land van Moab.

En Ik heb de wijn doen ophouden vanuit de wijnpersen;

Niet één zal hen met geschreeuw treden,

Het geschreeuw zal geen geschreeuw van vreugde zijn.

48:34 “Vanwege het geschreeuw te Heshbon

zelfs tot aan Elealeh,

zelfs tot aan Jahaz

hebben zij hun stem verheven,

van Zoar zelfs tot aan Horonaim

en tot aan Eglath-shelishiyah;

want zelfs de wateren van Nimrim zullen verwoest worden.

48:35 “Ik zal een eind maken in Moab,”

maakt Maryah bekend,

“Aan degene die offers brengt op de hoge plaatsen

en aan degene die wierook brandt aan zijn goden.

48:36 “Daarom kermt Mijn hart voor Moab gelijk pijpen;

Mijn hart kermt ook gelijk pijpen voor de mannen van Kir-heres.

Daarom is de overvloed

welke het heeft gekregen

verloren gegaan.

48:37 “Want elke kop is kaal

en elke baard is kortgeknipt;

er zijn snijwonden op alle handen

en een rouwgewaad op de lendenen.

48:38 “Op alle daken van Moab

en in haar straten

is er overal geweeklaag;

want Ik heb Moab verbroken

als een ongewenst vat,”

maakt Maryah bekend.

48:39 “Hoe verbrijzeld is het!

Hoe hebben ze gehuild!

Hoe heeft Moab de rug afgekeerd

-het schaamt zich!-

Zo zal Moab een mikpunt van spot worden

en een voorwerp van verschrikking

aan allen om haar heen.”

48:40 Want zo zegt Maryah:

“Zie,

men zal snel vliegen als een adelaar

en zijn vleugels uitspreiden tegen Moab.

48:41 “Kerioth is gevangen genomen

En de bolwerken zijn in beslag genomen,

Zo zullen de harten zijn

van de machtige mannen van Moab

-op die dag-

zoals het hart van een vrouw in barensweeën.

48:42 “Moab zal worden te-niet-gedaan

als een volk zijnde

Omdat hij arrogant is geworden tegenover Maryah.

48:43 “Verschrikking,

kuil en strik komen over u,

O inwoner van Moab,”

maakt Maryah bekend.

48:44 “Degene die vlucht voor de verschrikking

Zal in de kuil vallen,

En degene die omhoog klimt uit de kuil

Zal in de strik worden gevangen;

Want Ik zal over haar brengen,

zelfs over Moab,

Het jaar van hun straf,”

maakt Maryah bekend.

48:45 ‘In de schaduw van Heshbon

De vluchtelingen staan zonder kracht;

Want een vuur is uitgegaan van Heshbon

En een vlam vanuit het midden van Sihon,

En het heeft het voorhoofd van Moab verteerd

En de hoofdhuid van de losbandige feestgangers.

48:46 “Wee aan u,

Moab!

Het volk van Chemosh is omgekomen;

Want uw zonen zijn gevangen weggenomen

En uw dochters tot gevangenschap.

48:47 “Toch zal Ik het lot van Moab herstellen

In de laatste dagen,”

maakt Maryah bekend.

Tot zover het oordeel over Moab.

Jeremiah 49.

49:1 Betreffende de zonen van Ammon.

Zo zegt Maryah:

“Heeft Israël geen zonen?

Of heeft hij geen erfgenamen?

Waarom dan heeft Malcam bezit genomen van Gad

En vestigde zijn volk zich in de steden daarvan?

49:2 “Daarom zie,

de dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“Dat Ik een trompetgeschal van oorlog zal laten horen

Tegen Rabbah van de zonen van Ammon;

En het zal een troosteloze hoop worden,

En haar steden zullen in brand worden gezet.

Dan zal Israël bezit nemen van zijn bezitters,”

zegt Maryah.

49:3 “Jammert,

O Heshbon,

want Ai is verwoest geworden!

Schreeuwt het uit,

O dochters van Rabbah,

Omgord uzelf met rouwgewaad en weeklaagt,

En ren heen en weer binnen de muren;

Want Malcam zal in ballingschap gaan

Samen met zijn priesters en zijn prinsen.

49:4 “Hoe opschepperig zijt gij over de valleien!

Uw vallei stroomt weg,

O afvallige dochter

Die vertrouwt op haar schatten,

zeggende,

‘Wie zal tegen mij komen?’

49:5 “Zie,

Ik ga verschrikking over u brengen,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend,

“Vanuit alle richtingen om u heen;

En elk van u zal halsoverkop verdreven worden,

Met niet één om de vluchtelingen bij elkaar te brengen.

49:6 “Maar daarna zal Ik herstellen

Het lot van de zonen van Ammon,”

maakt Maryah bekend.

49:7 Betreffende Edom.

Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Is er niet langer enige wijsheid in Teman?

Is goede raad van de verstandige verloren gegaan?

Is hun wijsheid vergaan?

49:8 “Vlucht weg,

keert terug,

woont in de diepten,

O inwoners van Dedan,

Want Ik zal de rampspoed van Esau over hem brengen

Terwijl ik hem bestraf.

49:9 “Wanneer er druivenplukkers naar u toe kwamen,

Zouden zij dan niet wat na-pluk achterlaten?

Wanneer er dieven ‘s nachts kwamen,

ze zouden slechts vernietigen

totdat ze genoeg hadden.

49:10 “Maar Ik heb Esau ontbloot,

Ik heb zijn schuilplaatsen blootgelegd

Zodat hij niet in staat zal zijn om zich te verbergen;

Zijn nakomelingen zijn samen met zijn familie vernietigd

en zijn geburen,

en hij is niet meer.”

49:11 “Laat uw vaderloze kinderen achter,

Ik zal ze in leven houden,

en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.”

49:12 Want zo zegt Maryah,

“Zie!

degenen die niet zijn veroordeeld tot het drinken van de beker

zullen die zeker drinken,

en zijt gij degene die volledig zult worden vrijgesproken?

gij zult niet worden vrijgesproken,

maar gij zult die zeker drinken.

49:13 “Want Ik heb gezworen bij Mijzelf,”

maakt Maryah bekend,

“Dat Bozrah een voorwerp van afschuw zal worden,

een schande,

een puinhoop en een vloek;

en al haar steden zullen eeuwigdurende puinhopen worden.”

49:14 Ik heb een boodschap gehoord van Maryah,

En een afgezant wordt onder de naties gezonden,

zeggende,

“Verzamelt uzelf

en komt tegen haar tezamen,

En sta op voor de strijd!”

49:15 “Want zie,

Ik heb u onder de naties klein gemaakt ,

Onder mensen veracht.

49:16 “Wat de verschrikking van u betreft,

De arrogantie van uw hart heeft u bedrogen,

O gij die woont in de kloven van de rots,

Die de hoogte van de heuvel bezet.

Hoewel gij uw nest zo hoog als een adelaar maakt,

Zal Ik u vandaar naar beneden halen,”

maakt Maryah bekend.

49:17 “Edom zal een voorwerp van afschuw worden;

iedereen die er langs loopt

zal met afschuw vervuld worden

en zal fluiten over al haar wonden.

49:18 “Gelijk de omverwerping van Sodom en Gommorah met haar buren,”

zegt Maryah,

“Zal daarin niet één wonen,

noch zal een zoon van mensen daarin verblijven.

49:19 “Zie,

één zal opkomen zoals een leeuw uit de bosjes van de Jordaan

tegen een eeuwig bewaterde weide;

want in een oogwenk zal Ik hem ervan doen wegrennen,

en wie ook uitverkoren is zal Ik erover benoemen.

Want wie is als MIj,

en wie zal Mij voor de rechter dagen?

En wie is dan die herder die tegen Mij kan opstaan?”

49:20 Daarom,

hoort het plan van Maryah

die Hij heeft gepland tegen Edom,

en Zijn voornemens

die Hij heeft voorgenomen tegen de inwoners van Teman:

ze zullen ze zeker wegslepen,

zelfs de geringsten van de kudde;

Hij zal hun weide zeker verlaten maken vanwege hun.

49:21 De aarde beefde bij het geluid van hun ondergang.

Daar is een geschreeuw!

Het geluid ervan is gehoord geweest aan de Rode Zee.

49:22 Zie,

Hij zal opklimmen

en naar beneden duiken als een adelaar

en Zijn vleugels uitspreiden tegen Bozrah;

en de harten van de machtige mannen van Edom

zullen op die dag zijn als het hart van een vrouw in barensweeën.

49:23 Betreffende Damascus.

“Hamath en Arpad zijn tot schande gemaakt,

Want ze hebben slecht nieuws gehoord;

Ze zijn ontmoedigd.

Er is benauwdheid bij de zee;

Het kan niet gekalmeerd worden.

49:24 “Damascus is hulpeloos geworden;

Zij heeft zich afgewend om te vluchten,

En paniek heeft haar gegrepen;

Nood en benauwdheid hebben haar in de greep gehouden

Als een vrouw in de bevalling.

49:25 “Hoe is de stad van lof niet verlaten geweest,

De stad van Mijn vreugde!

49:26 “Daarom,

haar jonge mannen zullen in haar straten vallen,

En alle krijgslieden zullen op die dag tot zwijgen worden gebracht,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.

49:27 “Ik zal aan de muur van Damascus een vuur aansteken,

En dit zal de versterkte torens van Ben-Hadad verteren.”

49:28 Betreffende Kedar en de koninkrijken van Hazor,

welke Nebuchadnezzar koning van Babel versloeg.

Zo zegt Maryah,

“Sta op,

ga op naar Kedar

En verwoest de mannen van het oosten.

49:29 “Zij zullen hun tenten en hun kudden wegnemen;

Zij zullen wegdragen voor henzelf

Hun tentgordijnen,

al hun goederen

en hun kamelen,

En zij zullen elkaar toeroepen

‘Verschrikking aan alle kanten!’

49:30 “Ren weg,

vlucht!

Woont in de diepten,

O inwoners van Hazor,”

maakt Maryah bekend:

“Want Nebuchadnezzar

koning van Babel

heeft een plan tegen u gemaakt

En bedacht een voornemen tegen u.

49:31 “Sta op,

ga op tegen een volk die op zijn gemak is,

Die veilig leeft,”

maakt Maryah bekend.

Het heeft geen poorten of grendels;

Ze wonen alleen.

49:32 “Hun kamelen zullen geroofd worden,

En hun vele vee zal tot buit zijn,

En Ik zal degenen die de hoeken van hun haar knippen verstrooien

naar al de winden;

En Ik zal hun van alle kanten rampspoed brengen ,”

maakt Maryah bekend.

49:33 “Hazor zal een hol van jakhalzen worden,

Een verlatenheid voor altijd;

Niet één zal daar wonen,

Noch zal er een zoon van mensen in wonen.”

49:34 Hetgeen die kwam als het woord van Maryah

tot Jeremiah de profeet

betreffende Elam,

aan het begin van de heerschappij van Zedekiah

koning van Judah,

zeggende:

49:35 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Zie,

Ik ga de boog van Elam breken,

De beste van hun (strijd) macht.

49:36 ‘Ik zal over Elam de vier winden brengen

Vanuit de vier uiteinden van de hemel,

En Ik zal hen verstrooien naar al deze winden;

En er zal geen volk zijn

waarnaar de verstrooiden van Elam niet zullen gaan.

49:37 ‘Zo zal Ik Elam verbrijzelen voor hun vijanden

En voor degenen die hun leven zoeken;

En Ik zal rampspoed over hen brengen,

Zelfs Mijn felle toorn,’

maakt Maryah bekend,

‘En Ik zal het zwaard achter hun uitzenden

Totdat Ik hen verteerd heb.

49:38 ‘Vervolgens,

Ik zal Mijn troon in Elam plaatsen

En koning en prinsen van daar vernietigen,’

maakt Maryah bekend.

49:39 ‘Maar het zal komen

zowat in de laatste dagen

Dat Ik het lot van Elam zal herstellen,'”

maakt Maryah bekend.

Jeremiah 50.

50:1 Het woord dat Maryah sprak betreffende Babel,

het land van de Kaldean,

door Jeremiah de profeet:

50:2 “Maak bekend en verkondigt onder de naties.

Verkondig het en hef een vaandel op.

Verberg het niet maar zeg,

‘Babel is gevangen genomen,

Bel is te schande gemaakt,

Marduk is verbrijzeld geworden;

Haar beelden zijn te schande gemaakt,

haar afgoden zijn verbrijzeld geworden.’

50:3 “Want een volk is tegen haar opgekomen vanuit het noorden;

het zal haar land een voorwerp van afschuw maken,

en er zal geen inwoner daarin zijn.

Beide,

mens en beest zwerven (vandaar) uit,

ze zijn weggegaan!

50:4 “In die dagen en op dat moment,”

maakt Maryah bekend,

“De zonen van Israël zullen komen,

zowel – zij – als – ook de zonen van Judah;

zij zullen tezamen- huilend – gaan – wanneer ze gaan,

en het zal Maryah zijn

hun Aloha

die zij zullen zoeken.

50:5 “Ze zullen om de weg naar Zion vragen,

hun aangezichten in haar richting draaien;

ze zullen komen

op dat ze zich mogen aansluiten bij Maryah

in een eeuwigdurend verbond

dat niet vergeten zal worden.

50:6 “Mijn volk is als verloren schapen geworden;

Hun herders hebben hun op een dwaalspoor gebracht.

Ze hebben hen op de bergen doen afwijken;

Ze zijn van berg tot heuvel verder gegaan,

En hebben hun rustplaats vergeten.

50:7 “Allen die bij hun zijn gekomen hebben hun verslonden;

En hun tegenstanders hebben gezegd,

‘We zijn niet schuldig,

daar zij gezondigd hebben tegen Maryah

die de woning van gerechtigheid is,

Zelfs Maryah,

de hoop van hun vaders.’

50:8 “Trek weg uit het midden van Babel

En ga voort uit het land van de Kaldean;

Wees ook als mannelijke geiten aan het hoofd van de kudde.

50:9 “Want zie,

Een horde van grote volken

uit het land van het noorden

ga Ik opwekken

en opbrengen tegen Babel,

En zij zullen hun gevechtslinies tegen haar optrekken;

Van daaruit zal zij gevangengenomen worden.

Hun pijlen zullen zijn als van een bedreven krijger-

Niet één zal tevergeefs terugkeren.

50:10 “Chaldea zal een plundering worden;

Allen die haar plunderen zullen genoeg hebben,”

maakt Maryah bekend.

50:11 “Omdat gij blij zijt,

Omdat gij jubelend zijt,

O gij die Mijn erfenis plundert,

Omdat gij in ‘t rond springt

gelijk een vaars in het weiland

En gelijk snuivende hengsten,

50:12 Uw moeder zal zeer beschaamd zijn,

Zij die u geboorte gaf zal vernederd worden.

Zie,

zij zal de geringste van de naties worden,

Een wildernis,

een verdord land

en een woestijn.

50:13 “Vanwege de verontwaardiging van Maryah

zal zij niet bewoond worden,

Maar zij zal compleet verlaten zijn;

Iedereen die Babel voorbij trekt zal geschokt zijn

en zal haar uitfluiten vanwege alle kwetsuren.

50:14 “Trek van alle kanten uw gevechtslinies op tegen Babel;

Gij allen die de boog spant;

Shiet naar haar,

Wees niet spaarzaam met uw pijlen,

Want zij heeft gezondigd tegen Maryah.

50:15 “Verhef van alle kanten uw strijdkreet tegen haar!

Zij heeft zichzelf overgegeven,

haar steunpilaren zijn gevallen,

Haar muren zijn afgebroken.

Want dit is de wraak van Maryah:

Neemt wraak op haar;

Gelijk zij aan anderen heeft gedaan,

doe zo aan haar.

50:16 “Snijd de zaaier af van Babel

En degene die de sikkel hanteert ten tijde van de oogst;

Vanwege het zwaard van de onderdrukker

Zullen ze terugkeren

ieder naar zijn eigen volk

En zullen ze vluchten

ieder naar zijn eigen land.

50:17 “Israël is een verstrooide kudde,

de leeuwen hebben hen verdreven.

De eerste die hem verslond

was de koning van Assyria,

en deze die zijn botten heeft gebroken

als laatste

is Nebuchadnezzar

koning van Babel.

50:18 “Daarom dus zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël:

‘Zie,

Ik ga de koning van Babel en zijn land straffen,

gelijk als Ik de koning van Assyria heb gestraft.

50:19 ‘En Ik zal Israël terugbrengen naar zijn weide

en hij zal laten grazen op Carmel en Bashan,

en zijn verlangen zal bevredigd worden

in het heuvelland van Ephraim en Gilead.

50:20 ‘In die dagen en op dat moment,’

maakt Maryah bekend,

‘Er zal onderzoek worden gemaakt

naar de ongerechtigheid van Israël,

maar er zal er geen zijn;

en naar de zonden van Judah,

maar ze zullen niet worden gevonden;

want Ik zal degenen die Ik als overblijfsel overlaat vergiffenis schenken.’

50:21 “Trek op tegen het land van Merathaim,

zelfs tegen haar,

en tegen de inwoners van Pekod.

Dood en vernietig ze volkomen,’

maakt Maryah bekend,

“En doe volgens alles wat Ik u geboden heb.

50:22 “Het geluid van de strijd is in het land,

En grote vernietiging.

50:23 “Hoe is de hamer van de hele aarde

Afgesneden en verbroken geweest!

Hoe is Babel geworden

Tot een voorwerp van afschuw onder de naties!

50:24 “Ik legde een strik voor u

en gij werd ook gevangen,

O Babel,

Terwijl gij zelf niet bewust waart;

Gij zijt gevonden geworden en ook gegrepen

Omdat gij in een conflict verwikkeld zijt met Maryah.”

50:25 Maryah heeft Zijn wapenkamer geopend

En heeft de wapens van Zijn verbolgenheid voortgebracht,

Want het is een werk van Maryah Aloha van de heirscharen

in het land van de Kaldean.

50:26 Kom naar haar toe van de verste grens;

Open haar schuren,

Stapel haar op als hopen

En vernietig haar geheel en al,

Laat niets aan haar worden overgelaten.

50:27 Steek al haar jonge stieren aan het zwaard;

Laat hen ter slachting afgaan!

Wee is over hen,

Want hun dag is gekomen,

De tijd van hun bestraffing.

50:28 Er is een geluid van gevluchten en ontsnapten

uit het land van Babel,

Om in Zion de wraak van Maryah onze Aloha te verkondigen,

Wraakneming om Zijn tempel.

50:29 “Roep velen op tegen Babel,

Al degenen die de boog krommen;

Kampeer tegen haar aan alle kanten,

Laat er geen ontsnapping zijn.

Compenseer haar volgens haar werk:

Volgens alles wat ze heeft gedaan,

doe zo aan haar;

Want zij is arrogant geworden tegen Maryah,

Tegen de heilige van Israël.

50:30 “Dat is (de reden) waarom-

haar jonge mannen zullen vallen

in haar straten,

En al haar mannen van de oorlog

zullen op die dag het zwijgen worden opgelegd,

maakt Maryah bekend.

50:31 “Zie,

Ik ben tegen u,

O gij meest arrogante,”

maakt Maryah Aloha van de heirscharen bekend,

“Want uw dag is gekomen,

Het moment waarop Ik u zal straffen.

50:32 “De meest arrogante zal struikelen en vallen

Met niet één om hem te doen opstaan;

En Ik zal vuur ontsteken in zijn steden

En het zal heel zijn omgeving verteren.”

50:33 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“De zonen van Israël zijn verdrukt,

En ook de zonen van Judah;

En allen die hen gevangen namen hielden hen vast,

Ze hebben geweigerd om hen te laten gaan.

50:34 “Hun Verlosser is sterk,

Maryah van de heirscharen is Zijn naam;

Hij zal hun zaak krachtig bepleiten-

Opdat Hij rust moge brengen op de aarde,

Maar onrust aan de inwoners van Babel.

50:35 “Een zwaard tegen de kaldean,”

maakt Maryah bekend,

“En tegen de inwoners van Babel

En tegen haar ambtenaren en haar wijze mannen!

50:36 “Een zwaard tegen de orakel priesters,

en zij zullen dwazen worden!

Een zwaard tegen haar machtige mannen,

en zij zullen vermorzeld worden!

50:37 “Een zwaard tegen hun paarden

en tegen hun strijdwagens

En tegen al de buitenlanders

die in het midden van haar zijn,

En zij zullen vrouwen worden!

Een zwaard tegen haar schatten,

en ze zullen geplunderd worden!

50:38 “Een droogte op haar wateren,

en zij zullen verdord worden!

Want het is een land van afgoden,

En ze zijn gek op angstaanjagende afgoden.

50:39 “Daarom zullen de woestijnwezens-

daar samen met de jakhalzen leven;

Ook de struisvogels zullen er in leven,

En het zal niet meer bewoond worden-

Of bewoond van geslacht tot geslacht.

50:40 “Gelijk Aloha Sodom ten val bracht-

En Gomorrah met haar naburige steden,”

maakt Maryah bekend,

“Zo zal geen mens daar leven,

Noch zal een zoon van mensen erin verblijven.

50:41 “Ziet,

een volk komt vanuit het noorden,

En een grote natie –

en vele koningen –

zullen worden gewekt

vanuit de verst afgelegen delen van de aarde.

50:42 “Ze grijpen hun boog en werpspeer;

Ze zijn wreed en hebben geen genade.

Hun stem brult als de zee;

En ze rijden op paarden,

Als één man opgesteld tot de strijd

Tegen u,

O dochter van Babel.

50:43 “De koning van Babel heeft het gerucht over hun gehoord;

En zijn handen hangen slap;

Angst heeft hem aangegrepen,

Ondraaglijke pijn als van een barende vrouw.

50:44 “Ziet,

één zal opkomen als een leeuw

uit het struikgewas van de Jordaan

naar een meerjarig bewaterd weiland;

want in een oogwenk zal Ik hen ervan doen wegrennen,

en wie ook is gekozen zal Ik erover aanstellen.

Want wie is gelijk Mij,

en wie zal Mij voor de rechtbank dagen?

En wie dan is de herder die voor Mij kan staan?”

50:45 Daarom,

hoort het plan van Maryah

die Hij tegen Babel heeft gepland

en Zijn bedoelingen

die Hij tegen het land van de Kaldean heeft voorgenomen:

ze zullen hen ongetwijfeld wegslepen,

zelfs de kleintjes van de kudde;

Hij zal hun weiland ongetwijfeld verlaten maken vanwege hen.

50:46 Bij de schreeuw,

“Babel wordt in bezit genomen!”

de aarde wordt geschud

en een geschreeuw wordt gehoord onder de volken.

Jeremiah 51.

51:1 Zo zegt Maryah:

“Ziet,

Ik ga opwekken tegen Babel

En tegen de inwoners van Leb-kamai-

De geest van een verwoester.

51:2 “Ik zal vreemdelingen naar Babel sturen

opdat zij haar mogen wannen

En haar land mogen verwoesten;

Want van alle kanten zullen zij zich tegen haar verzetten

op de dag van haar rampspoed.

51:3 “Laat hij die zijn boog spant

hem niet spannen,

Laat hem evenmin opstaan in zijn schubben-bepantsering;

Dus spaar haar jonge mannen niet;

Geef haar hele leger over aan vernietiging.

51:4 “Ze zullen neervallen gedood in het land van de Kaldean,

En doorstoken op hun straten.”

51:5 Want noch Israël noch Judah is verlaten geworden

Door zijn Aloha,

Maryah van de heirscharen,

Hoewel hun land vol van schuld is

Vóór de Heilige Ene van Israël.

51:6 Vlucht uit het midden van Babel,

En ieder van u red zijn leven!

Wordt niet vernietigd in haar bestraffing,

Want het is Maryah’s tijd van wraakneming;

Hij gaat aan haar vergelding geven.

51:7 Babel is een gouden beker in de hand van Maryah geweest,

Die de hele aarde bedwelmde.

De volken hebben van haar wijn gedronken;

Daarom zijn de volken waanzinnig geworden.

51:8 Babel is plotseling gevallen en verwoest geworden;

Jammert om haar!

Brengt balsem voor haar pijn;

Misschien kan ze genezen worden.

51:9 We brachten genezing naar Babel,

maar ze werd niet genezen;

Verlaat haar en laat ons elk naar zijn eigen land gaan,

Want haar oordeel heeft de hemel bereikt

En torent hoog op naar de hemel.

51:10 Maryah heeft onze rechtvaardiging teweeggebracht;

Kom en laat ons in Zion verhalen

Het werk van Maryah onze Aloha!

51:11 Punt de pijlen aan,

vult de pijlkokers!

Maryah heeft de geest van de koningen der Meden opgewekt,

Omdat Zijn voornemen tegen Babel is om het te vernietigen;

Want het is de wraakneming van Maryah,

de wraakneming voor Zijn tempel.

51:12 Verhef een signaal tegen de muren van Babel;

Plaats een sterke bewaker,

Stationeer schildwachten,

zet mannen in een hinderlaag!

Want Maryah heeft zowel voorgenomen als uitgevoerd

Wat Hij gesproken heeft betreffende de bewoners van Babel.

51:13 O gij die woont bij vele wateren,

Overvloedig in schatten,

Uw einde is gekomen,

De maat van uw begeerte.

51:14 Maryah van de heirscharen heeft bij Zichzelf gezworen:

“Ik zal u zeker vullen met een bevolking gelijk sprinkhanen,

En zij zullen het uit schreeuwen met kreten van overwinning over u heen.”

51:15 Het is Hij die de aarde maakte door Zijn kracht,

Die de wereld vestigde door Zijn wijsheid,

En door Zijn begrip

Strekte Hij de hemelen uit.

51:16 Wanneer Hij zijn stem doet horen,

is er een tumult van wateren aan de hemelen,

En Hij doet de nevels opstijgen van het einde van de aarde;

Hij maakt bliksem ten tijde van de regen

En brengt de wind voort uit Zijn pakhuizen.

51:17 De hele mensheid is onnozel,

verstoken van kennis;

Elke goudsmid wordt ten schande gesteld door zijn afgoden,

Want zijn gesmolten beelden zijn bedrieglijk,

En er is geen adem in hen.

51:18 Ze zijn waardeloos,

een werk van spotternij;

Ten tijde van hun bestraffing zullen zij vergaan.

51:19 Het deel van Jacob is niet zoals deze;

Want de Vormer van alles is Hij,

En (Israël) is de stam van Zijn erfdeel;

Maryah van de heirscharen is Zijn naam.

51:20 Hij zegt,

“Gij zijt Mijn strijd-knots,

Mijn strijd-wapen;

En met u verbrijzel Ik volken,

En met u vernietig Ik koninkrijken.

51:21 “Met u verbrijzel Ik het paard en zijn berijder,

En met u verbrijzel Ik de strijdwagen en zijn berijder,

51:22 En met u verbrijzel ik man en vrouw,

En met u verbrijzel Ik de oude man en de jeugdige,

En met u verbrijzel Ik de jongeling en de maagd,

51:23 En met u verbrijzel Ik de herder en zijn kudde,

En met u verbrijzel Ik de landman en zijn span,

En met u verbrijzel Ik landvoogden en prefecten.

51:24 “Maar Ik zal Babel

en al de inwoners van Chaldea

vergoeden voor al hun kwaad

dat ze in Zion

voor uw ogen hebben gedaan,”

maakt Maryah bekend.

51:25 “Zie,

Ik ben tegen u,

O vernietigende berg,

Die de hele aarde vernietigt,”

maakt Maryah bekend,

“En Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken,

En u van de steile rotsen naar beneden rollen,

En Ik zal u tot een afgebrande berg maken.

51:26 “Ze zullen uit u zelfs geen steen voor een hoek wegnemen

evenmin een steen voor fundamenten,

Maar gij zult voor eeuwig troosteloos zijn,”

maakt Maryah bekend.

51:27 Zet een teken op in het land,

Blaast een bazuin onder de naties!

Heiligt de naties tegen haar,

Roep de koninkrijken van Ararat tegen haar bijeen,

Minni en Ashkenaz;

Stel een maarschalk aan tegen haar,

Breng de paarden opwaarts gelijk borstelige sprinkhanen.

51:28 Heiligt de naties tegen haar,

De koningen van de Meden,

Hun landvoogden en al hun prefecten,

En elk land van hun heerschappij.

51:29 Zo siddert en kronkelt zich het land,

Want de voornemens van Maryah

staan vast tegen Babel,

Om het land van Babel te maken

Tot een verlatenheid zonder inwoners.

51:30 De machtige mannen van Babel hebben het vechten gestaakt,

Ze blijven in hun bolwerken;

Hun kracht is uitgeput,

Ze zijn als vrouwen geworden;

Hun woonplaatsen worden in vuur en vlam gezet,

De tralies van haar poorten zijn verbroken.

51:31 Een koerier rent om een andere te ontmoeten,

En een boodschapper om een andere te ontmoeten,

Om de koning van Babel te vertellen

Dat zijn stad van punt tot punt veroverd is geweest;

51:32 De doorwaadbare plaatsen zijn ook in bezit genomen,

En ze hebben de draslanden met vuur verbrand,

En de krijgslieden zijn doodsbang.

51:33 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël:

“De dochter van Babel is als een dorsvloer

Op het moment dat zij stevig vertreden wordt,

Toch zal over een korte tijd de oogsttijd voor haar komen.”

51:34 “Nebuchadnezzar

koning van Babel

heeft mij verslonden

en mij verpletterd,

Hij heeft mij neergezet als een leeg vat;

Hij heeft mij doorgeslikt als een monster,

Hij heeft zijn muil gevuld met mijn delicatessen;

Hij heeft mij weggespoeld.

51:35 “Moge het geweld

(dat) aan mij en aan mijn vlees (is) aangedaan

op Babel zijn,”

Zal de inwoner van Zion zeggen;

En,

“Moge mijn bloed op de inwoners van Chaldea zijn,”

Zal Jeruzalem zeggen.

51:36 Daarom dus zegt Maryah,

“Zie,

Ik ga uw zaak pleiten

En volledige wraak voor u eisen;

En Ik zal haar zee opdrogen

En haar springbron droog maken.

51:37 “Babel zal een hoop ruïnes worden,

een hol van jakhalzen,

Een voorwerp van afschuw en uitfluiting,

zonder inwoners.

51:38 “Ze zullen brullen als jonge leeuwen bij elkaar,

Ze zullen grommen als leeuwen welpjes.

51:39 “Wanneer ze verhit worden,

Zal Ik hen hun feestmaal serveren

En hun dronken maken,

opdat zij uitbundig blij mogen worden

En een eeuwigdurende slaap mogen slapen

En niet wakker worden,”

maakt Maryah bekend.

51:40 “Ik zal ze afvoeren als lammetjes naar de slachtbank,

Gelijk rammen tegelijk met mannelijke geiten.

51:41 “Hoe is Sheshak ingenomen geweest,

En de lof van de hele aarde gegrepen geweest!

Hoe is Babel tot een voorwerp van afschuw onder de naties geworden!

51:42 “De zee is opgekomen over Babel;

Ze is overspoeld geweest door haar onstuimige golven.

51:43 “Haar steden zijn tot een voorwerp van afschuw geworden,

Een verdord land en een woestijn,

Een land waarin geen mens leeft

En waardoor geen mensenzoon passeert.

51:44 “Ik zal Bel bestraffen in Babel,

En Ik zal van zijn mond doen uitkomen wat hij heeft verzwolgen;

En de naties zullen niet meer naar hem toestromen.

Zelfs de muur van Babel is neergevallen!

51:45 Komt uit haar midden naar buiten,

Mijn volk,

En ieder van u redt uzelf

Vanwege de felle toorn van Maryah.

51:46 “Zodat uw hart thans niet verzwakt wordt,

En gij niet bang wordt voor het gerucht dat in het land zal gehoord worden

-Want het gerucht zal (in) één jaar komen,

En daarna een ander gerucht in een ander jaar,

En geweld zal in het land zijn

Met heerser tegen heerser-

51:47 Daarom, zie,

dagen zijn komende

wanneer Ik de afgoden van Babel zal bestraffen;

En haar hele land zal zal tot schande worden gezet

En al haar verslagenen zullen in haar midden vallen.

51:48 “Vervolgens,

Hemel en aarde en alles wat daarin is

Zal schreeuwen van vreugde over Babel,

Want de verwoesters zullen naar haar toekomen vanuit het noorden,”

maakt Maryah bekend.

51:49 Gelijk Babel

de verslagenen van Israël heeft doen vallen,

Zo zullen de verslagenen van de gehele aarde

te Babel vallen.

51:50 Gij die (aan) het zwaard zijt ontsnapt,

Vertrek!

Blijft niet!

Gedenkt Maryah van verre,

En laat Jeruzalem in uw gedachten opkomen.

51:51 We zijn beschaamd omdat wij smaad hebben gehoord;

Schande heeft onze gezichten bedekt,

Want buitenlanders hebben betreden-

De heilige plaatsen van het huis van Maryah.

51:52 “Daarom zie,

de dagen zijn komende,”

maakt Maryah bekend,

“Wanneer Ik haar afgoden zal bestraffen,

En de dodelijk verwonde zal kreunen doorheen heel haar land.

51:53 “Al zou Babel naar de hemel opklimmen,

En al zou zij haar torenhoge vesting versterken,

Verwoesters van Mij zullen naar haar toe komen,”

maakt Maryah bekend.

51:54 Hoort!

Het geluid van een geschreeuw uit Babel,

En van grote vernietiging uit het land van de Kaldean!

51:55 Want Maryah gaat Babel vernietigen,

En Hij zal haar harde lawaai van haar doen verdwijnen.

En hun golven zullen brullen als vele wateren;

Het tumult van hun stemmen klinkt voort.

51:56 Want de verwoester is tegen haar komende,

tegen Babel,

En haar machtige mannen zullen worden gevangen,

Hun bogen zijn verbrijzeld;

Want Maryah is een Aloha van vergelding,

Hij zal ten volle vergelden.

51:57 “Ik zal haar prinsen en haar wijze mannen dronken maken,

Haar landvoogden,

haar prefecten en haar machtige mannen,

Opdat zij een eeuwigdurende slaap mogen slapen

en niet wakker worden,”

Maakt de Koning bekend,

Wiens naam is

Maryah van de heirscharen.

51:58 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“De brede muur van Babel zal compleet worden gesloopt

En haar hoge poorten zullen in vuur en vlam worden gezet;

Dus zullen de volken om niets zwoegen,

En de naties raken enkel uitgeput om vuur .”

51:59 De boodschap die Jeremiah de profeet beval aan Seraiah

de zoon van Neriah,

de kleinzoon van Mahseiah,

Toen hij met Zedekiah

de koning van Judah

naar Babel ging

in het vierde jaar van zijn regering.

Nu was Seraiah kwartiermeester.

51:60 Dus schreef Jeremiah in één enkele rol

al de rampspoed dat over Babel zou komen,

dat wil zeggen,

Al deze woorden

die geschreven zijn geweest

betreffende Babel.

51:61 Vervolgens,

Jeremiah zei tegen Seraiah,

“Zodra gij te Babel komt,

zie toch dat gij al deze woorden leest,

hardop,

51:62 en zegt,

‘U,

O Maryah,

hebt betreffende deze plaats beloofd om haar af te snijden,

zodat niets daarin zal blijven wonen,

hetzij mens of beest,

maar het een eeuwigdurende verwoesting zal zijn.’

51:63 En zodra gij klaar zijt met het lezen van deze rol,

zult gij er een steen aan vastbinden

en het in het midden van de Eufraat gooien,

51:64 en zeggen,

‘Even- zo zal Babel ondergaan en niet meer opstaan

vanwege de rampspoed dat Ik over haar ga brengen;

en zij zullen uitgeput raken. ‘”

Tot zo verre de woorden van Jeremiah.

Jeremiah 52.

52:1 Zedekiah was één-en-twintig jaren oud toen hij koning werd,

en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem;

en zijn moeders naam was Hamutal

de dochter van Jeremiah van Libnah.

52:2 Hij deed het kwade in de ogen van Maryah

alles gelijk dat Jehoiakim gedaan had.

52:3 Want door de toorn van Maryah

kwam dit overal in Jeruzalem en Judah

totdat Hij hen uit Zijn tegenwoordigheid heeft uitgeworpen.

En Zedekiah kwam tegen de koning van Babel in opstand.

52:4 Nu kwam het zowat in het negende jaar van zijn regering,

op de tiende dag van de tiende maand,

dat Nebuchadnezzar koning van Babel kwam,

hij en heel zijn leger,

tegen Jeruzalem,

belegerden ertegen

en bouwden een belegeringsmuur helemaal om haar heen.

52:5 Zo was de stad onder belegering

tot het elfde jaar van koning Zedekiah.

52:6 Op de negende dag van de vierde maand

was de hongersnood in de stad zo zwaar

dat er geen voedsel voor het volk van het land was.

52:7 Vervolgens,

werd in de stad ingebroken,

en al de krijgslieden vluchtten

en vertrokken s’nachts uit de stad

langs de weg van de poort

tussen de twee muren

welke bij de Konings Tuin waren,

alhoewel de Kaldean overal in de stad waren.

En zij gingen langs de weg van de Arabah.

52:8 Maar het leger van de kaldean achtervolgde de koning

en haalde Zedekiah in

in de vlaktes van Jericho,

en gans zijn legermacht

werd uiteengedreven

van (bij) hem (vandaan).

52:9 Vervolgens,

zij namen de koning gevangen

en brachten hem opwaarts

naar de koning van Babel te Riblah

in het land van Hamath,

en hij velde oordeel over hem.

52:10 De koning van Babel

slachtte de zonen van Zedekiah af voor zijn ogen,

en hij slachtte ook al de prinsen van Judah af te Riblah.

52:11 Vervolgens,

hij verblindde de ogen van Zedekiah;

en de koning van Babel bond hem met bronzen boeien

en bracht hem naar Babel

en zette hem in de gevangenis

tot de dag van zijn dood.

52:12 Thans op de tiende dag

van de vijfde maand,

dat het negentiende jaar van koning Nebuchadnezzar was,

Koning van Babel,

Nebuzaradan de kapitein van de lijfwacht,

die in de dienst van de koning van Babel was,

kwam naar Jeruzalem.

52:13 Hij verbrandde het huis van Maryah,

het huis van de koning

en al de huizen van Jeruzalem;

zelfs elk omvangrijk huis verbrandde hij met vuur.

52:14 Zo heeft het ganse leger van de Kaldean

die bij de kapitein van de wacht waren

al de muren rondom Jeruzalem verwoest.

52:15 Vervolgens,

Nebuzaradan de kapitein van de wacht

voerde enkele van de armsten van het volk

in ballingschap weg,

de rest van het volk die in de stad was achtergelaten,

de deserteurs die hadden gedeserteerd tot de koning van Babel

en de rest van de ambachtslieden.

52:16 Maar Nebuzaradan de kapitein van de wacht

liet (daar) enkele van de armsten van het land

om wijngaardeniers en ploegers te zijn.

52:17 Nu,

de Kaldean sloegen de bronzen pilaren in stukken

welke toebehoorden aan het huis van Maryah

en de stellingen en de bronzen zee

welke in het huis van Maryah waren;

en al hun brons droegen ze naar Babel.

52:18 Ze namen ook de potten weg,

de schoppen,

de gaffels,

de bekkens,

de schalen en al de bronzen vaten

welke bij de tempeldienst werden gebruikt.

52:19 De kapitein van de wacht

nam ook de schalen weg,

de vuurpannen,

de bekkens,

de potten,

de kandelaars,

de pannen en de drank-offer-kommen,

al wat zuiver goud was

en al wat zuiver zilver was.

52:20 De twee pilaren,

de ene zee,

en de twaalf bronzen stieren

die onder de zee waren,

en de stellingen,

welke koning Solomon had gemaakt voor het huis van Maryah

– het brons van al die vaten was boven gewicht.

52:21 Wat de pilaren betrof,

de hoogte van elke pilaar was achttien elleboogslengtes,

en een snoer van twaalf elleboogslengtes omgorde het

en de dikte ervan was vier vingers ,

het was hol.

52:22 Nu een kroonstuk van brons was erop;

en de hoogte van elk kroonstuk was vijf elleboogslengtes,

met een netwerk en granaatappels

rondom op het kroonstuk,

allemaal van brons.

En de tweede pilaar was als deze,

inclusief de granaatappels.

52:23 Er waren negentig-en-zes onthulde granaatappels;

al de granaatappels telden

één honderd

over het netwerk rondom.

52:24 Vervolgens,

de kapitein van de wacht nam Seraiah de hoofdpriester

en Zephaniah de tweede priester,

met de drie officieren van de tempel.

52:25 Hij nam ook uit de stad één ambtenaar

die opziener was van de krijgslieden,

en zeven raadsmannen van de koning

die in de stad werden gevonden,

en de schrijver van de bevelhebber van het leger

die het volk van het land bijeenbracht,

en zestig mannen van het volk van het land

die werden gevonden in het midden van de stad.

52:26 Nebuzaradan de kapitein van de wacht

nam ze en bracht ze naar de koning van Babel te Riblah.

52:27 Vervolgens,

de koning van Babel sloeg hun neer

en bracht hun ter dood te Riblah

in het land van Hamath.

Zo werd Judah uit zijn eigen land in ballingschap weggevoerd.

52:28 Dit zijn de mensen

die Nebuchadnezzar in ballingschap wegvoerde:

in het zevende jaar 3.023 Joden;

52:29 in het achttiende jaar van Nebuchadnezzar

832 lieden uit Jeruzalem;

52:30 in het twintigste-en-derde jaar van Nebuchadnezzar,

Nebuzaradan de kapitein van de wacht

voerde 745 Joodse mensen in ballingschap;

er waren in totaal 4600 lieden.

52:31 Het kwam nu zowat in het dertigste-en-zeven jaar

van de ballingschap van Jehoiachin koning van Judah,

in de twaalfde maand,

op de twintigste-en-vijf van de maand,

dat Evil-merodach koning van Babel,

in het eerste jaar van zijn regering,

gunst toonde aan Jehoiachin koning van Judah

en hem vanuit de gevangenis uitbracht.

52:32 Vervolgens,

sprak hij vriendschappelijk tot hem

en zette zijn troon boven de tronen van de koningen

die bij hem te Babel waren.

52:33 Dus veranderde Jehoiachin zijn gevangenis kleren,

en had zijn maaltijden regelmatig in de aanwezigheid van de koning,

al de dagen van zijn leven.

52:34 Wat betreft zijn tegemoetkoming,

een regelmatige tegemoetkoming werd hem gegeven

door de koning van Babel,

een dagelijkse deel

al de dagen van zijn leven

tot op de dag van zijn dood.



Tishbekhat Tishbekhata

Hooglied Posted on Wed, September 19, 2018 13:02:09

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Tishbekhat Tishbekhata

Lied der liederen.

1:1 Het lied der liederen,

welk’s Salomon’s is.

1:2 Moge hij mij kussen met de kussen van zijn mond!

want jouw liefde is beter dan wijn.

1:3 Uw oliën hebben een aangename geur,

Uw naam is als gezuiverde olie;

daarom houden de maagden van jou.

1:4 Trek mij achter u en laat ons samen lopen!

de koning heeft mij in zijn kamers gebracht.

We zullen in u verheugen en blij zijn;

we zullen uw liefde roemen meer dan wijn,

terecht houd men van u.

1:5 Ik ben zwart maar liefelijk,

O dochters van Jeruzalem,

gelijk de tenten van Kedar,

gelijk de gordijnen van Salomon.

1:6 Staar niet naar mij omdat ik donker ben,

want de zon heeft mij gebrand.

Mijn moeders zonen waren vertoornd op mij;

ze maakten mij verzorgster van de wijngaarden,

maar ik heb geen zorg gedragen voor mijn eigen wijngaard.

1:7 Vertel mij,

O gij die mijn ziel liefhebt,

waar laat gij uw kudde grazen,

waar doet gij haar neerliggen op de middag?

Want waarom moet ik zijn gelijk één die zichzelf sluiert

bij de kudden van uw metgezellen?

1:8 Indien gij het zelf niet weet,

mooiste onder de vrouwen,

ga voort op het spoor van de kudde

en laat uw jonge geiten grazen

bij de tenten van de herders.

1:9 Voor mij,

mijn lieveling,

zijt gij zoals mijn merrie onder de wagens van Farao.

1:10 Uw wangen zijn liefelijk met versiersels,

uw nek met snoeren van parels.

1:11 Wij zullen voor u versiersels maken van goud

met kralen van zilver.

1:12 Terwijl de koning aan zijn tafel was,

gaf mijn parfum zijn reuk weer.

1:13 Mijn geliefde is voor mij een zakje van mirre

die de hele nacht tussen mijn borsten rust.

1:14 Mijn geliefde is voor mij een tros van henna bloesems

in de wijngaarden van En-gedi.

1:15 Hoe mooi zijt gij,

mijn lieveling,

hoe mooi zijt gij !

uw ogen zijn gelijk duifjes.

1:16 Hoe schoon zijt gij,

mijn geliefde,

en zo aangenaam !

inderdaad,

onze rust bank is weelderig !

1:17 De balken van onze huizen zijn ceders,

onze spanten,

cipressen.

2:1 Ik ben de roos van Sharon,

de lelie van de valleien.

2:2 Gelijk een lelie onder de doornen,

zo is mijn lieveling onder de meisjes.

2:3 Als een appelboom onder de bomen van het woud,

zo is mijn geliefde onder de jonge mannen.

In zijn schaduw heb ik grote verrukking en zat eronder,

en zijn vrucht was naar mijn smaak zoet.

2:4 Hij heeft mij naar zijn banketzaal gebracht,

en liefde is zijn banier over mij.

2:5 Ondersteun mij met rozijnen koeken,

vernieuw mij met appels,

want ik ben ziek van de liefde.

2:6 Laat zijn linker hand onder mijn hoofd zijn

en zijn rechterhand mij omhelzen.

2:7 Ik bezweer u,

O dochters van Jeruzalem,

bij de gazellen of bij de hinden van het veld,

dat gij mijn liefde

niet opwekt noch wakker maakt

totdat ze behaagt.

2:8 Luister!

mijn geliefde,

zie!

hij komt,

klimmende op de bergen

springende op de heuvels!

2:9 Mijn geliefde is als een gazelle of een jong hert.

Zie!

hij staat achter onze muur,

hij kijkt door de vensters,

hij tuurt door het traliewerk.

2:10 Mijn geliefde reageerde en zei tot mij,

‘Sta op,

mijn lieveling,

mijn schone,

en kom langs.

2:11 Want zie,

de winter is voorbij,

de regen is over en weggegaan.

2:12 De bloemen zijn reeds verschenen in het land;

de tijd is aangebroken voor het snoeien van de wijnstokken,

en de stem van de tortelduif is gehoord geworden in ons land.

2:13 De vijgenboom heeft zijn vijgen gerijpt,

en de wijnstokken in bloei hebben hun geur afgegeven.

Sta op,

mijn lieveling,

mijn schone,

en kom langs!

2:14 O mijn duif,

in de kloven van de rots,

in de geheime plaats van de steile weg,

laat me uw gestalte zien,

laat me uw stem horen;

Want uw stem is zoet,

en uw gestalte is prachtig.

2:15 Vang de vossen voor ons,

de kleine vosjes die de wijngaarden verpesten,

terwijl onze wijngaarden in bloei zijn.

2:16 Mijn geliefde is de mijne,

en ik ben de zijne;

hij graast zijn kudde onder de lelies.

2:17 Tot de koelte van de dag wanneer de schaduwen wegvluchten,

draai om,

mijn geliefde,

en zijt als een gazelle of een jong hert op de bergen van Bether.

3:1 Op mijn bed nacht na nacht zocht ik hem die mijn ziel liefheeft;

ik keek naar hem uit maar vond hem niet.

3:2 Ik moet nu opstaan en in de stad in t’rond lopen;

in de straten en op de pleinen moet ik hem zoeken die mijn ziel liefheeft.

Ik keek naar hem uit maar vond hem niet.

3:3 De wachters die de rondes doen in de stad vonden mij,

en ik zei, hebt gij hem gezien die mijn ziel liefheeft?

3:4 Nauwelijks had ik hen verlaten toen ik hem vond die mijn ziel liefheeft;

ik liet hem niet los en wilde hem niet laten gaan

totdat ik hem naar mijn moeders huis had gebracht,

en in de kamer van haar die mij baarde.

3:5 Ik bezweer u,

O dochters van Jeruzalem,

bij de gazellen of bij de hinden van het veld,

dat gij mijn liefde niet zult opwekken noch wakker maken totdat zij behaagt.

3:6 Wat is dit opkomende uit de woestijn gelijk kolommen van rook,

geparfumeerd met mirre en wierook,

met alle geurende poeders van de handelaar?

3:7 Zie!

het is de reizende ligbank van Salomo;

zestig machtige mannen zijn eromheen,

van de machtige mannen van Israel.

3:8 Allen van hen zijn zwaaiers van het zwaard,

experten op gebied van oorlog;

elke man heeft zijn zwaard aan zijn zijde,

bewakende tegen de verschrikkingen van de nacht.

3:9 Koning Salomo heeft voor zichzelf een draagstoel gemaakt

van het hout van Libanon.

3:10 Hij maakte haar stijlen van zilver,

haar rug van goud en haar zitting van paars weefsel,

met haar interieur liefdevol ingericht door de dochters van Jerusalem.

3:11 Ga uit,

O dochters van Zion,

en staar naar Koning Salomo

met de kroon waarmee zijn moeder hem gekroond heeft

op de dag van zijn bruiloft,

en op de dag van zijn blijdschap van hart.

4:1 Hoe schoon zijt gij,

mijn lieveling,

hoe schoon zijt gij!

uw ogen zijn gelijk duiven achter uw sluier;

uw haar is als een kudde geiten die van de berg Gilead zijn afgedaald.

4:2 Uw tanden zijn als een kudde van pas geschoren ooien

die opgekomen zijn van hun wasbeurt,

welke allen tweelingen dragen,

en niet één onder hen heeft haar jong verloren.

4:3 Uw lippen zijn als dieprode wol,

en uw mond is liefelijk.

Uw slapen zijn als een partje van een granaatappel achter uw sluier.

4:4 Uw hals is gelijk de toren van David,

gebouwd met rijen van stenen

op welke één duizend schilden zijn gehangen,

al de ronde schilden van de machtige mannen.

4:5 Uw twee borsten zijn gelijk twee reekalveren,

tweelingen van een gazelle die onder de lelies grazen.

4:6 Totdat de koelte van de dag wanneer de schaduwen wegvluchten,

zal ik mijn weg gaan naar de berg van mirre

en naar de heuvel van wierook.

4:7 Gij zijt geheel schoon,

mijn lieveling,

en er is niets dat u ontsiert.

4:8 Kom met mij uit Libanon,

mijn bruid,

moge gij met mij meekomen uit Libanon.

Reis af van de top van Amana,

van de top van Senir en Hermon,

van de holen van leeuwen,

van de bergen van luipaarden.

4:9 Gij hebt mijn hart doen sneller slaan,

mijn zuster,

mijn bruid;

gij hebt mijn hart doen sneller slaan

met een enkel blik van uw ogen,

met een enkele streng van uw halssnoer.

4:10 Hoe schoon is uw liefde,

mijn zuster,

mijn bruid!

Hoeveel beter is uw liefde dan wijn,

en de geur van uw oliën dan alle soorten specerijen!

4:11 Uw lippen,

mijn bruid,

druipen van honing;

honing en melk zijn onder uw tong,

en de geur van uw gewaden is gelijk de geur van Libanon.

4:12 Een afgesloten tuin is mijn zuster,

mijn bruid,

een afgesloten rotstuin,

een verzegelde bron.

4:13 Uw scheuten zijn een tuin van granaatappel met keurvruchten,

henna met nardus planten,

4:14 nardus en saffraan,

kalmoes en kaneel,

met alle bomen van wierook,

mirre en aloë,

samen met al de fijnste specerijen.

4:15 Gij zijt een tuinfontein,

een put van fris water,

en stromen vloeiende van Libanon.

4:16 Ontwaakt,

O noordenwind,

en kom,

wind van het zuiden;

doe mijn tuin geurig ruiken,

laat zijn specerijen naar alle kanten zweven.

Moge mijn geliefde in zijn tuin komen,

en zijn keurvruchten eten!

5:1 Ik ben in mijn tuin gekomen,

mijn zuster,

mijn bruid,

ik heb mijn mirre samen met mijn balsam verzameld.

Ik heb mijn honingraat en mijn honing gegeten;

ik heb mijn wijn en mijn melk gedronken.

Eet,

vrienden;

drink en slurp het diep in,

gij minnaars.

5:2 Ik sliep maar mijn hart was wakker.

Een stem!

Mijn geliefde klopte:

‘Open voor mij,

mijn zuster,

mijn lieveling,

mijn duif,

mijn volmaakte!

Want mijn hoofd is doorweekt met dauw,

mijn lokken met het vocht van de nacht.’

5:3 Ik heb mijn kleed afgedaan,

hoe kan ik het opnieuw aandoen?

ik heb mijn voeten gewassen,

hoe kan ik hen opnieuw bevuilen?

5:4 Mijn geliefde strekte zijn hand uit door de opening,

en mijn gevoelens voor hem werden gewekt.

5:5 Ik stond op om te openen voor mijn geliefde;

en mijn handen dropen van mirre,

en mijn vingers van vloeibare mirre,

op de handgrepen van de grendel.

5:6 Ik opende aan mijn geliefde,

maar mijn geliefde was omgedraaid en was gegaan!

mijn hart ging naar hem uit terwijl hij sprak.

Ik zocht naar hem maar ik vond hem niet;

ik riep hem maar hij gaf mij geen antwoordt.

5:7 De wachters die de rondes maken in de stad vonden mij,

ze sloegen mij en verwonden mij;

de officier van de bewakers der muren nam mijn omslagdoek van mij weg.

5:8 Ik bezweer u,

O dochters van Jeruzalem,

als ge mijn geliefde vindt,

wat zult gij hem zeggen?

daar ik ziek ben van liefde.

5:9 Welk type van geliefde is uw geliefde,

O meest schone onder de vrouwen?

Welk type van geliefde is uw geliefde,

dat gij ons zo bezweert?

5:10 Mijn geliefde is oogverblindend en rood,

voortreffelijk te midden van tien duizend.

5:11 Zijn hoofd is als goud,

puur goud;

zijn haarlokken zijn als trossen van dadels

en zwart als een raaf.

5:12 Zijn ogen zijn als duiven aan stromen van water,

badend in melk,

en rustende in hun omgeving.

5:13 Zijn wangen zijn als een bedje van balsem,

banken van zoet-geurende kruiden;

zijn lippen zijn lelies druipend van vloeibare mirre.

5:14 Zijn handen zijn staven van goud bezet met beryl;

zijn buik is gesneden ivoor ingelegd met saffieren.

5:15 Zijn benen zijn pilaren van albast

gezet op sokkels van puur goud;

zijn uiterlijk is als Libanon, gekozen als de ceders.

5:16 Zijn mond is vol van zoetheid.

En hij is geheel begeerlijk.

Dit is mijn geliefde en dit is mijn vriend,

o dochters van Jeruzalem.

6:1 Waarheen is uw geliefde gegaan,

O gij meest mooie onder de vrouwen?

Waarheen heeft uw geliefde omgedraaid,

opdat wij hem met u kunnen zoeken?

6:2 Mijn geliefde is naar beneden gegaan naar zijn tuin,

naar de bedden van balsem,

om zijn kudde te weiden in de tuinen

en lelies te verzamelen.

6:3 Ik ben mijn geliefde’s en mijn geliefde is de mijne,

hij die zijn kudde weid onder de lelies.

6:4 Gij zijt zo schoon als Tirza,

mijn lieveling,

zo liefelijk als Jeruzalem,

zo ontzagwekkend als een legermacht met banieren.

6:5 Draai uw ogen van mij weg,

want ze hebben mij verward;

uw haar is als een kudde geiten

welke afgedaald zijn van Gilead.

6:6 Uw tanden zijn als een kudde ooien

die opgekomen zijn van hun wassing,

allen van hen baren tweelingen,

en niet één onder hun heeft haar jong verloren.

6:7 Uw slapen zijn als een stukje van een granaatappel achter uw sluier.

6:8 Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen,

en maagden zonder getal;

6:9 maar mijn duif,

mijn perfecte,

is uniek:

zij is haar moeder’s enige dochter;

zij is het pure kind van degene die haar baarde.

De maagden zagen haar en noemden haar gezegend,

de koninginnen en de bijvrouwen ook,

en zij prezen haar,

zeggende,

6:10 wie is deze die toeneemt als het ochtendgloren,

zo schoon als de volle maan,

zo zuiver als de zon,

zo ontzagwekkend als een legermacht met banieren?

6:11 Ik ging afwaarts naar de boomgaard van notenbomen

om de bloesems van de vallei te zien,

om te zien of de wijnstok was ontsproten

of de granaatappels hadden gebloeid.

6:12 Alvorens ik bewust was,

zette mijn ziel mij op de strijdwagens van mijn edele volk.

6:13 Kom terug,

kom terug,

O Sulammitische;

kom terug,

kom terug,

dat we u kunnen aanstaren!

Waarom zou je de Sulammitische aanstaren,

als naar de dans van de twee gezelschappen?

7:1 Hoe liefelijk zijn uw voeten in sandalen,

O prinsen dochter!

De rondingen van uw heupen zijn als juweeltjes,

het werk van de handen van een kunstenaar.

7:2 Uw navel is als een ronde beker

die nooit gemixte wijn ontbreekt;

uw buik is als een hoop tarwe

rondom omheind met lelies.

7:3 Uw twee borsten zijn als twee jongen,

tweelingen van een gazelle.

7:4 Uw hals is als een toren van ivoor,

uw ogen als de baden in Heshbon bij de poort van Bath-rabbim;

uw neus is als de toren van Libanon,

die gericht is naar Damascus.

7:5 Uw hoofd kroont u als Carmel,

en de golvende lokken van uw hoofd zijn als paarse draden;

de koning is gefascineerd door uw vlechten.

7:6 Hoe schoon en hoe verrukkelijk zijt gij,

mijn liefste,

met al uw charmes!

7:7 Uw gestalte is als een palmboom,

en uw borsten zijn als zijn kronkels.

7:8 Ik zei,

ik zal de palmboom beklimmen,

ik zal vastgrijpen aan zijn vruchtstengels.

Oh,

mochten uw borsten als trossen van de wijnstok zijn,

en de geur van uw adem als appels,

7:9 en uw mond als de beste wijn!

Die soepel neerwaarts gaat tot mijn geliefde,

zachtjes vloeiend door de lippen van deze die in slaap valt.

7:10 Ik ben mijn’s geliefde,

en zijn verlangen is tot mij.

7:11 Kom,

mijn geliefde,

laten ons uitgaan in het open veld,

laten ons de nacht doorbrengen in de dorpen.

7:12 Laat ons vroeg opstaan en naar de wijngaarden gaan;

laat ons eens zien of de wijnstok ontloken is

en zijn bloesems zijn geopend,

en of de granaatappelbomen hebben gebloeid.

Daar zal ik u mijn liefde geven.

7:13 De mandrakes hebben geur afgegeven;

en over onze deuren zijn alle keurvruchten,

beide de nieuwe en de oude,

die ik heb opgespaard voor u,

mijn geliefde.

8:1 Oh dat gij als een broer waart voor mij

die zoogt aan mijn moeders borsten.

Indien ik u buiten vond,

zou ik u kussen;

niet één zou mij verachten,

beide.

8:2 Ik zou u leiden en u brengen in het huis van mijn moeder,

die mij gebruikelijk onderricht;

ik zou u gekruide wijn geven om te drinken

en van het sap van mijn granaatappels.

8:3 Laat zijn linker hand onder mijn hoofd zijn

en zijn rechter hand mij omhelzen.

8:4 IK wil dat gij zweert,

O dochters van Jeruzalem,

wek of ontwaak mijn liefde niet totdat ze behaagt.

8:5 Wie is deze opkomende uit de woestijn leunend op haar geliefde?

Onder de appelboom maak ik u wakker;

daar was uw moeder met u in arbeid,

daar was zij in arbeid en gaf u geboorte.

8:6 Leg mij als een zegel over uw hart,

als een zegel op uw arm.

Want liefde is zo sterk als de dood,

na-ijver is zo hard als sheol;

haar gensters zijn gensters van vuur,

de vlammen van Maryah.

8:7 Vele wateren kunnen liefde niet doven,

noch zullen rivieren haar overstromen;

indien een man al de rijkdommen van zijn huis gaf voor liefde,

het zou volkomen verachtelijk zijn.

8:8 We hebben een kleine zuster,

en ze heeft geen borsten;

wat zullen we doen voor onze zuster

op de dag waarop zij wordt uit gesproken?

8:9 Als ze een muur is,

zullen wij op haar een kanteel van zilver bouwen;

maar als ze een deur is,

zullen wij haar barricaderen met planken van cederhout.

8:10 Ik was een muur,

en mijn borsten waren als torens;

toen werd ik in zijn ogen als iemand die vrede vindt.

8:11 Solomon had een wijngaard op Baal-hamon;

hij vertrouwde de wijngaard aan de huisbewaarders toe.

Elkeen bracht voor zijn vrucht één duizend sikkels van zilver .

8:12 Mijn hoogst eigen wijngaard staat tot mijn beschikking;

de duizend sikkels zijn voor u,

Solomon,

en tweehonderd zijn voor diegenen die zorg dragen voor zijn vrucht.

8:13 O gij die in de tuinen zit,

mijn metgezellen luisteren naar uw stem

laat ze mij horen!



Ketava d’Matle

Spreuken Posted on Wed, September 19, 2018 12:59:04

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Matle

Boek spreuken.

Spreuken van Salomo 1

1:1 De spreuken van Salomo

de zoon van David,

koning van Israël:

1:2 om wijsheid te kennen

en instructie,

om de uitspraken van het verstand te onderscheiden,

1:3 om instructie te ontvangen in verstandig gedrag,

gerechtigheid,

rechtvaardigheid en billijkheid;

1:4 om voorzichtigheid te geven aan de naïeve,

aan de jeugd kennis en discretie,

1:5 een wijs man zal horen

en toenemen in leren,

en een man van begrip

zal wijze raad verwerven,

1:6 om te begrijpen

een spreuk en de verklaring,

de woorden van de wijzen en hun raadsels.

1:7 De vreze van Maryah is het begin van kennis;

dwazen verachten wijsheid en instructie.

1:8 Hoort,

mijn zoon,

uw vaders instructie

en verlaat uw moeders onderwijs niet;

1:9 inderdaad,

ze zijn een sierlijke kroon op uw hoofd

en versiersels rond uw nek.

1:10 Mijn zoon,

wanneer zondaars u verleiden,

stem niet in.

1:11 Als ze zeggen,

“Kom met ons,

laat ons op de loer liggen voor bloed,

laat ons de onschuldigen in een hinderlaag lokken

zonder reden;

1:12 laat ons hen levend opslokken zoals Sheol,

geheel en al zelfs,

als degenen die afdalen naar de put;

1:13 we zullen allerlei soorten van kostbare rijkdom vinden,

we zullen onze huizen vullen met buit;

1:14 gooi uw lot met ons op,

we zullen allen één beurs hebben,”

1:15 mijn zoon,

wandel niet op de weg met hen.

Houd uw voeten af van hun pad,

1:16 want hun voeten rennen naar het kwaad

en zij spoeden zich om bloed te vergieten.

1:17 Inderdaad,

het is nutteloos om het van lokaas voorziene net uit te spreiden

in het zicht van welke vogel dan ook;

1:18 maar ze liggen op de loer voor hun eigen bloed;

ze lokken hun eigen levens in de hinderlaag.

1:19 Zo zijn de wegen van eenieder die door geweld verkrijgt;

het ontneemt het leven van haar bezitters.

1:20 Wijsheid schreeuwt in de straat,

zij verheft haar stem op het plein;

1:21 aan de kop van de woelige straten

schreeuwt zij het uit;

bij de ingang van de poorten

slaakt zij haar gezegden in de stad:

1:22 “Hoe lang,

O naïevelingen,

zal uw liefde zwak-gezind wezen?

en zullen spotters zichzelf verheugen in gespot

en dwazen kennis haten?

1:23 Wendt u naar mijn terechtwijzing,

zie! ik zal van mijn geest over u uitstorten;

ik zal mijn woorden aan u bekend maken.

1:24 Want ik riep

en u weigerde,

ik strekte mijn hand uit

en niet één die opmerkte;

1:25 en gij verwaarloosde al mijn raad

en wilde mijn terechtwijzing niet;

1:26 ik zal ook lachen

om uw ellende;

ik zal spotten

wanneer uw vrees komt,

1:27 wanneer uw vrees komt gelijk een storm

en uw ellende komt gelijk een wervelwind,

wanneer tegenspoed en angst over u komen.

1:28 Dan zullen zij op mij roepen,

maar ik zal niet antwoorden;

zij zullen mij ijverig zoeken

maar ze zullen mij niet vinden,

1:29 omdat zij kennis haatten

en de vreze van Maryah niet verkozen.

1:30 Ze zouden mijn raad niet accepteren,

ze versmaden al mijn terechtwijzingen.

1:31 Dus zullen ze eten van de vrucht van hun eigen weg

en worden verzadigd door hun eigen voornemens.

1:32 Want de ontsporing van de naïevelingen zal hen doden,

en de voldoening van idioten zal hen vernietigen.

1:33 Maar hij die naar mij luistert

zal veilig leven

en zal gerustgesteld zijn

van de vrees van het kwaad.”

Spreuken van Salomo 2

2:1 Mijn zoon,

als gij mijn woorden zult ontvangen

en mijn geboden in uw hart bewaart,

2:2 laat uw oor aandachtig zijn naar wijsheid,

neigt uw hart tot verstand;

2:3 want als je roept voor onderscheidingsvermogen,

uw stem verheft voor verstand;

2:4 zo gij haar zoekt als zilver

en naar haar speurt

als naar verborgen schatten;

2:5 dan zult gij de vreze van Maryah onderscheiden

en de kennis van Aloha ontdekken.

2:6 Want Maryah geeft wijsheid;

kennis en verstand

komen uit Zijn mond.

2:7 Hij bewaart gezonde wijsheid voor de oprechten;

Hij is een schild voor degenen die wandelen in integriteit,

2:8 en de paden van gerechtigheid bewaken,

en Hij behoud de weg van Zijn goddelijken.

2:9 Dan zult gij uw ogen richten,

op gerechtigheid en rechtvaardigheid

en billijkheid en elke goede loop.

2:10 Want wijsheid zal uw hart binnentreden

en kennis zal aangenaam zijn voor uw ziel;

2:11 discretie zal u bewaken,

verstand zal over u waken,

2:12 om u te verlossen van de weg van het kwaad,

van de man die verdorven dingen spreekt;

2:13 van degenen die de paden van oprechtheid achter zich laten

om de wegen van duisternis te bewandelen;

2:14 die zich verblijden in het kwaad doen

en zich verheugen in de verdorvenheid van kwaad;

2:15 wiens paden bochtig zijn,

en die listig zijn in hun wegen;

2:16 om u te verlossen van de vreemde vrouw,

van de overspelige

die met haar praatjes flikflooit;

2:17 die de metgezel van haar jeugdigheid verlaat

en het verbond van haar Aloha vergeet;

2:18 want haar huis daalt af naar de dood

en haar sporen leiden naar de doden;

2:19 niet één die naar haar toe gaat keert terug

evenmin bereiken zij de paden van leven.

2:20 Dus zult ge wandelen op de weg van goede mensen

en u houden aan de paden van de rechtvaardigen.

2:21 Want de oprechten zullen in het land leven

en de onberispelijken zullen daarin blijven;

2:22 maar de goddelozen zullen worden afgesneden van het land

en de trouwelozen zullen daaruit worden ontworteld.

Spreuken van Salomo 3

3:1 Mijn zoon,

vergeet mijn onderwijs niet,

maar laat uw hart mijn geboden houden;

3:2 voor lengte van dagen en jaren van leven

en vrede zullen zij aan u toevoegen.

3:3 Laat goedheid en waarheid u niet verlaten;

bind ze om uw nek,

schrijf ze op de tablet van uw hart.

3:4 Zo zul je gunst en een goede reputatie vinden

in de ogen van Aloha en mensen.

3:5 Geloof in Maryah

met gans uw hart

en leun niet op uw eigen inzicht.

3:6 In al uw wegen

erken Hem,

en Hij zal uw paden recht maken.

3:7 Wees niet wijs in eigen ogen;

vrees Maryah

en draai weg van het kwade.

3:8 Het zal heilzaam zijn voor uw lichaam

en verkwikking voor uw botten.

3:9 Eert Maryah van uw overvloed

en van de eersten van al uw opbrengsten;

3:10 zo zullen uw schuren worden gevuld met overvloed

en uw vaten zullen overlopen van de nieuwe wijn.

3:11 Mijn zoon,

verwerpt de discipline van Maryah niet

of verafschuwt Zijn berisping niet,

3:12 want wie Maryah liefheeft

die berispt Hij,

gelijk als een vader de zoon terecht wijst,

in wie hij behagen schept.

3:13 Hoe gezegend is de mens die wijsheid vindt

en de mens die begrip verwerft.

3:14 Want haar gewin is beter dan het gewin van zilver

en haar verwerven is beter dan fijn goud.

3:15 Zij is kostbaarder dan juwelen;

en niets wat je begeert

kan met haar vergeleken worden.

3:16 Lang leven is in haar rechterhand;

in haar linkerhand is rijkdom en eer.

3:17 Haar wegen zijn aangename wegen

en al haar paden zijn vrede.

3:18 Zij is een levensboom

voor degenen die haar vastgrijpen,

en gelukkig zijn allen

die haar vasthouden.

3:19 Maryah,

door wijsheid stichte Hij de aarde,

door begrip vestigde Hij de hemelen.

3:20 Door Zijn kennis

werden de diepten uit elkaar gehaald

en de hemel drupte van de dauw.

3:21 Mijn zoon,

laat ze niet uit uw gezicht verdwijnen;

houd betrouwbare wijsheid en overleg,

3:22 Zo zullen ze leven zijn

voor uw ziel

en een sieraad

voor uw hals.

3:23 Dan zult gij vast wandelen op uw weg

en uw voet zal niet struikelen.

3:24 Wanneer ge neerligt,

zult ge niet bevreesd zijn;

wanneer ge neerligt,

zal uw slaap zoet zijn.

3:25 Wees niet bevreesd voor plotse schrik

noch voor de woeste aanval van de goddelozen

wanneer het komt;

3:26 want Maryah zal uw hoop zijn

en zal uw voet bewaren

van gevangen te worden.

3:27 Weerhoudt het goede niet van degenen aan wie het verschuldigd is,

wanneer het in uw macht is om het te doen.

3:28 Zeg niet tegen je naaste,

“Ga,

en kom terug,

en morgen zal ik het geven,”

wanneer je het bij u hebt.

3:29 Bedenk geen kwaad tegen uw naaste,

terwijl hij veilig naast je woont.

3:30 Betwist niet met een mens zonder oorzaak,

als hij u geen schade heeft toegebracht.

3:31 Benijd een mens van geweld niet

en kies niet voor één van zijn wegen.

3:32 Want de kronkelaar is een gruwel voor Maryah;

maar met de oprechte is Hij vertrouwelijk.

3:33 De vloek van Maryah

is op het huis van de goddelozen,

maar Hij zegent de woning van de rechtvaardigen.

3:34 Alhoewel Hij de spotters bespot,

toch geeft Hij genade aan de ellendigen.

3:35 De wijzen zullen eer beërven,

maar dwazen tonen schande.

Spreuken van Salomo 4

4:1 Luistert,

o zonen,

naar het onderwijs van een vader,

en geef aandacht

opdat gij begrip moogt verwerven.

4:2 Want ik geef u goede leer;

verlaat mijn onderricht niet.

4:3 Wanneer ik een zoon was van mijn vader,

teder en de enige zoon in de ogen van mijn moeder,

4:4 toen leerde hij mij en zei tot mij,

“Laat uw hart mijn woorden vasthouden;

bewaar mijn geboden en leef;

4:5 “verwerf wijsheid!

verwerf begrip!

vergeet het niet

draai evenmin weg van de woorden van mijn mond.

4:6 ” Verlaat haar niet,

en zij zal u bewaken;

houd van haar,

en zij zal over u waken.

4:7 “Het begin van de wijsheid is:

verkrijg wijsheid;

en door al uw verkrijgen,

verkrijgt begrip.

4:8 “Prijs haar,

en zij zal u verhogen;

zij zal u eren als jij haar omhelst.

4:9 “Zij zal op uw hoofd een slinger van sierlijkheid plaatsen;

zij zal u een kroon van schoonheid voorleggen.”

4:10 Luistert,

mijn zoon,

en accepteer mijn woorden

en de jaren van uw leven zullen vele zijn.

4:11 Ik heb u op de weg van wijsheid gewezen;

ik heb u op rechte paden geleid.

4:12 Wanneer ge wandelt,

zullen uw stappen niet worden belemmerd;

en wanneer ge rent,

zult ge niet struikelen.

4:13 Grijp het onderricht vast:

laat niet los.

Bewaar haar,

want zij is uw leven.

4:14 Ga niet het pad van de goddelozen

en ga niet verder op de weg van boze mensen.

4:15 Vermijd het,

loop er niet langsheen;

wijk er vanaf

en ga voorbij.

4:16 Want ze kunnen niet slapen

tenzij ze kwaad doen;

en ze worden beroofd van de slaap

tenzij ze iemand doen struikelen.

4:17 Want ze vreten het brood van goddeloosheid

en zuipen de wijn van geweld.

4:18 Maar het pad van de rechtvaardigen

is als het licht van de dageraad,

dat helderder en helderder schijnt

tot de volle dag toe.

4:19 De weg van de goddelozen is als duisternis;

ze weten niet over wat ze struikelen.

4:20 Mijn zoon,

schenk aandacht aan mijn woorden,

neig uw oor naar mijn uitspraken.

4:21 Laat ze van uw oog niet weggaan;

behoud ze in het midden van uw hart.

4:22 Want ze zijn leven aan degenen die ze vinden

en heilzaam aan heel hun lichaam.

4:23 Waak over uw hart met alle ijver,

want daaruit stromen de bronnen van leven.

4:24 Doe een bedrieglijke mond van u weg

en doe kronkelende spraak verre van u.

4:25 Laat uw ogen recht vooruit zien

en laat uw blik gefixeerd en recht voor u zijn.

4:26 Bewaak het pad van uw voeten

en al uw wegen zullen vast worden gesteld.

4:27 Draai niet naar rechts

noch naar links;

wendt uw voet af van het kwaad.

Spreuken van Salomo 5

5:1 Mijn zoon,

schenk aandacht aan mijn wijsheid,

neig uw oor naar mijn inzicht;

5:2 opdat gij bedachtzaam zou kunnen observeren

en uw lippen kennis mogen bewaren.

5:3 Want de lippen van een overspelige

druipen van honing

en gladder dan olie is haar spraak;

5:4 maar op het einde

is ze bitter als alsem,

scherp als een tweesnijdend zwaard.

5:5 Haar voeten gaan neerwaarts tot de dood,

haar stappen houden sheol vast.

5:6 Ze overweegt het pad des levens niet;

haar wegen zijn instabiel,

zij weet het niet.

5:7 Nu dan,

mijn zonen,

luister naar mij

en wijk niet af van de woorden van mijn mond.

5:8 Houd uw weg ver-verwijderd van haar

en ga niet nabij de deur van haar huis,

5:9 of ge zult uw kracht aan anderen geven

en uw jaren aan de wrede;

5:10 en vreemden zullen worden gevuld met uw kracht

en uw zuurverdiende goederen

zullen naar het huis van een vreemdeling verdwijnen;

5:11 en gij op je laatste einde kreunt,

wanneer uw vlees en uw lijf worden verteerd;

5:12 en gij zegt,

“Hoe heb ik het onderricht gehaat!

En mijn hart de terechtwijzing veracht!

5:13 “Ik heb niet geluisterd naar de stem van mijn leraren,

noch neigde mijn oor tot mijn onderwijzers!

5:14 “Ik was bijna in totale ondergang

in het midden van de vergadering en de gemeente.”

5:15 Drink water uit uw eigen waterbak

en zoet water uit uw eigen bron.

5:16 Moeten uw bronnen buitenshuis worden verspreid,

de water-stromen in de straten?

5:17 Laat ze alleen de uwe zijn

en niet voor vreemden (die) bij u (zijn).

5:18 Laat uw fontein gezegend zijn,

en verheug u in de vrouw van uw jeugd.

5:19 Als een liefhebbende hinde

en een sierlijk geitje,

laat haar borsten u ten alle tijde tevredenstellen;

wees altijd opgewonden door haar liefde.

5:20 Want waarom zou je,

mijn zoon,

opgewonden raken door een echtbreekster

en de borsten van zo’n vreemde omvatten?

5:21 Want de wegen van een mens

zijn voor de ogen van Maryah,

en Hij waakt over al zijn paden.

5:22 Zijn eigen ongerechtigheden

zal de goddelozen vangen,

en hij zal worden vastgehouden

door de koorden van zijn zonde.

5:23 Hij zal sterven

vanwege gebrek aan onderricht,

en in de grootheid van zijn dwaasheid zal hij op een dwaalspoor gaan.

Spreuken van Salomo 6

6:1 Mijn zoon,

wanneer gij borgstaander zijt geworden voor een naaste,

een gelofte hebt gedaan aan een vreemdeling,

6:2 wanneer je bent gestrikt

door de woorden van uw mond,

zijt gevangen

door de woorden van uw mond,

6:3 Doe dan dit,

mijn zoon,

en bevrijd jezelf;

aangezien je in de hand van uw naaste bent gekomen,

ga,

verootmoedig jezelf,

en dring bij uw naaste aan.

6:4 Geef geen slaap aan uw ogen,

evenmin sluimering aan uw oogleden;

6:5 bevrijd jezelf zoals een gazelle

uit de hand van de jager

en zoals een vogel

uit de hand van de vogelaar.

6:6 Ga naar de mier,

o luiaard,

observeer haar wegen en wees wijs,

6:7 die,

geen leider heeft,

aanvoerder of vorst,

6:8 haar voedsel voorbereidt in de zomer

en haar voorraad bijeenbrengt in de oogsttijd.

6:9 Hoelang zult gij neerliggen

o luiaard?

wanneer zult gij uit uw slaap opstaan?

6:10 “Een beetje slapen,

een beetje sluimeren,

een beetje vouwen van de handen om te rusten”

6:11 Uw armoede zal binnen komen zoals een zwerver

en uw gebrek zoals een gewapende man.

6:12 Een waardeloos persoon,

een goddeloos mens,

is degene die wandelt met een verdorven mond,

6:13 die knipoogt met zijn ogen,

die signaleert met zijn voeten,

die wijst met zijn vingers;

6:14 die met verdorvenheid in zijn hart

voortdurend kwaad bedenkt,

die twist verspreid.

6:15 Daarom zal zijn ellende plotseling komen;

onmiddellijk zal hij verbroken worden

en er zal geen genezing zijn.

6:16 Er zijn zes dingen die Maryah haat,

ja,

zeven die een gruwel voor Hem zijn:

6:17 hooghartige ogen,

een leugenachtige tong,

en handen die onschuldig bloed vergieten,

6:18 een hart die kwade plannen bedenkt,

voeten die snel naar het kwade rennen,

6:19 een valse getuige die leugens uit,

en één die twist verspreidt onder broeders.

6:20 Mijn zoon,

neem het gebod van uw vader in acht

en verzaak het onderwijs van uw moeder niet.

6:21 bindt ze voortdurend op je hart;

knoop ze rondom uw hals.

6:22 Wanneer gij rond wandelt,

zullen ze u geleiden;

wanneer gij slaapt,

zullen ze over u waken;

en wanneer gij ontwaakt,

zullen ze met u praten.

6:23 Want het gebod is een lamp

en het onderricht is licht;

en de berispingen tot tucht

zijn de weg des leven

6:24 om u te bewaren van de kwade vrouw,

van de gladde tong van de echtbreekster.

6:25 Verlang haar schoonheid niet in je hart,

laat haar u evenmin vangen met haar oogleden.

6:26 Want vanwege een hoer

is één verlaagd voor een snede van brood,

en een echtbreekster jaagt op het kostbare leven.

6:27 Kan een mens vuur in zijn boezem nemen

en worden zijn klederen niet verbrand?

6:28 Of kan een mens op hete kolen wandelen

en worden zijn voeten niet verschroeid?

6:29 Zo is degene die ingaat tot zijn naaste zijn vrouw;

wie haar ook aanraakt

zal niet ongestraft heengaan.

6:30 Mensen verachten een dief niet als hij steelt

om zichzelf te stillen

wanneer hij honger heeft;

6:31 maar wanneer hij wordt gevonden,

moet hij zevenvoudig terugbetalen:

hij moet al de goederen van zijn huis geven.

6:32 Degene die overspel pleegt met een vrouw

heeft gebrek aan verstand;

hij die het doet verderft zichzelf.

6:33 Verwondingen en schande zal hij vinden,

en zijn blaam zal niet worden uitgewist.

6:34 Want jaloersheid maak een mens razend,

en hij zal niet ontzien

in de dag van wraakneming.

6:35 Hij zal geen afkoopsom accepteren,

evenmin zal hij voldaan zijn

alhoewel gij vele geschenken geeft.

Spreuken van Salomo 7

7:1 Mijn zoon,

bewaar mijn woorden

en koester mijn geboden binnenin u.

7:2 Bewaar mijn geboden en leef,

en mijn onderwijs als de appel van uw oog.

7:3 Bind ze op je vingers;

schrijf ze op de tafel van uw hart.

7:4 Zeg tegen de wijsheid,

“Gij zijt mijn zuster,”

en noem het inzicht uw intieme vriend;

7:5 opdat zij u mogen behoeden voor een echtbreekster,

voor de vreemdelinge die vleit met haar woorden.

7:6 Want bij het raam van mijn huis

keek ik naar buiten door mijn traliewerk,

7:7 en ik zag onder de lichtgelovigen

en bespeurde onder de jongeren

een jonge man

die het aan verstand ontbrak,

7:8 passerend door de straat nabij haar hoek;

nam hij de weg naar haar huis,

7:9 in de schemering,

in de avond,

in het midden van de nacht

en in het duister.

7:10 En zie!

een vrouw kwam om hem te ontmoeten,

gekleed als een straatmeid

en listig van hart.

7:11 Zij is onstuimig en rebels

haar voeten blijven niet thuis;

7:12 Ze is nu in de straten,

nu op de pleinen,

en loert op elke hoek.

7:13 Dus grijpt ze hem en kust hem

en met een onbeschaamd gezicht zegt ze tegen hem:

7:14 “Ik was verschuldigd om vredesoffers aan te bieden;

vandaag heb ik mijn geloften betaald.

7:15 “Daarom ben ik naar buiten gekomen

om u te ontmoeten,

om uw tegenwoordigheid ernstig te zoeken,

en ik heb u gevonden.

7:16 “Ik heb mijn rustbed gespreid met dekens,

met gekleurd linnen van Egypte.

7:17 “Ik mijn rustbed besprenkeld met mirre,

aloë en kaneel.

7:18 “Kom,

laat ons onze “verzadiging der liefde” nippen tot de ochtend;

laten we onszelf verheugen met liefkozingen.

7:19 “Want mijn man is niet thuis,

hij is op een lange reis gegaan;

7:20 hij heeft een zak geld met hem genomen,

bij de volle maan zal hij thuiskomen.”

7:21 Met haar vele overtuigingen verleidt ze hem;

met haar vleiende lippen verleidt ze hem.

7:22 Plotseling volgt hij haar

zoals een os naar de slacht gaat,

of,

zoals één in boeien

naar de kastijding van een dwaas (gaat),

7:23 totdat een pijl zijn lever doorboort;

zoals een vogel zich naar de strik haast,

zo weet ook hij niet

dat het hem zijn leven zal kosten.

7:24 Daarom nu,

mijn zonen,

hoort naar mij,

en schenk aandacht aan de woorden van mijn mond.

7:25 Laat uw hart niet tot haar wegen afwijken,

dwaal niet op haar paden.

7:26 Want velen zijn de slachtoffers die zij heeft neergeworpen,

en talrijk zijn al haar gedoden.

7:27 Haar huis is de weg naar sheol,

die afdaalt naar de vertrekken des doods.

Spreuken van Salomo 8

8:1 Roept de wijsheid dan niet?

en verheft het inzicht dan niet haar stem?

8:2 Bovenop de hoogten naast de weg,

waar de paden elkaar ontmoeten,

neemt ze haar positie in;

8:3 naast de poorten,

bij de opening naar de stad,

bij de ingang van de deuren,

schreeuwt zij het uit:

8:4 “Tot u,

o mannen,

roep ik,

en mijn stem is tot de zonen der mensen.

8:5 “O onnozelaars,

begrijp voorzichtigheid

en,

o dwazen,

begrijp wijsheid.

8:6 “Luister,

Want ik zal nobele dingen spreken;

en de opening van mijn lippen

zal oprechte dingen onthullen.

8:7 “Want mijn mond zal waarheid uiten;

en goddeloosheid is een gruwel voor mijn lippen.

8:8 ” Alle uitingen van mijn mond zijn in gerechtigheid;

er is niets krom of pervers in hen.

8:9 “Ze zijn allemaal eenvoudig voor hem die begrijpt,

en juist voor degenen die kennis vinden.

8:10 “Neem mijn onderricht aan en geen zilver,

en kennis eerder dan uitgelezen goud.

8:11 “Want wijsheid is beter dan juwelen;

en alle wenselijke dingen

kunnen met haar niet worden vergeleken.

8:12 “Ik,

de wijsheid,

verblijf bij de voorzichtigheid

en ik vind kennis en inzicht.

8:13 “De vreze van Maryah is het kwaad te haten;

trots en arrogantie en de kwade weg

en de perverse mond,

haat ik.

8:14 “Raad en gezonde wijsheid is van mij;

ik ben verstand,

sterkte is van mij.

8:15 “Door mij regeren koningen,

en bepalen vorsten gerechtigheid.

8:16 “Door mij heersen prinsen,

en edelen,

allen die rechtmatig oordelen.

8:17 “Ik hou van degenen die van mij houden;

en degenen die mij ijverig zoeken,

zullen mij vinden.

8:18 “Rijkdom en eer zijn bij mij,

duurzame weelde en gerechtigheid.

8:19 “Mijn vrucht is beter dan goud,

zelfs dan puur goud,

en mijn opbrengst is beter dan uitgelezen zilver.

8:20 “Ik wandel op de weg van gerechtigheid,

in het midden van de paden des rechts,

8:21 om degenen die van mij houden

te begiftigen met rijkdom

opdat ik hun schatkisten zou kunnen vullen.

8:22 “Maryah bezat mij aan het begin van Zijn weg,

vóór Zijn werken vanouds.

8:23 “Van eeuwigheid af was ik gevestigd,

vanaf het begin,

vanaf de vroegste tijden der aarde.

8:24 “Toen er nog geen diepten waren

werd ik voortgebracht,

toen er nog geen bronnen waren

overvloedig van water.

8:25 “Nog voor de bergen werden geplaatst,

nog voor de heuvels,

werd ik voortgebracht;

8:26 terwijl Hij de aarde nog niet had gemaakt

en de velden,

noch het eerste stofje van de wereld.

8:27 “Toen Hij de hemelen vestigde,

was ik daar,

toen HIj een cirkel schreef over het aanzien der diepten,

8:28 toen Hij de luchten daarboven vestigde,

toen de bronnen der diepte werden gemaakt,

8:29 toen Hij voor de zee haar grens bepaalde

zodat het water Zijn bevel niet zou overtreden,

toen Hij de fundamenten der aarde afbakende;

8:30 toen was ik naast Hem,

als een meester-vakman;

en ik was dagelijks Zijn verukking,

altijd verheugende voor Hem,

8:31 verheugende in de wereld,

Zijn aarde,

en mijn vreugde hebbende in de zonen der mensen.

8:32 “Nu dan,

o zonen,

luister naar mij,

want gezegend zijn zij die mijn wegen bewaren.

8:33 “Volg de instructie en wees wijs,

en verzuim het niet.

8:34 “Gezegend is de mens die naar mij luistert,

dagelijks aan mijn poorten waakt,

wachtend aan mijn deurpost.

8:35 “Want hij die mij vindt –

vindt leven

en bekomt gunst van Maryah.

8:36 “Maar hij die tegen mij zondigt

verwondt zichzelf;

al degenen die mij haten

beminnen de dood.”

Spreuken van Salomo 9

9:1 Wijsheid heeft haar huis gebouwd,

zij heeft haar zeven pilaren uitgehouwen;

9:2 zij heeft haar voedsel bereidt,

zij heeft haar wijn gemengd;

zij heeft ook haar tafel gezet;

9:3 zij heeft haar meiden uitgezonden,

zij roept vanaf de toppen

van de hoogten van de stad:

9:4 “Al wie naïef is,

laat hem binnenstappen

hierheen!”

aan hem die gebrek aan inzicht heeft zegt ze,

9:5 “kom,

eet van mijn voedsel

en drink van de wijn die ik heb gemengd.

9:6 “Verlaat uw dwaasheid en leef,

en ga verder op de weg van inzicht.”

9:7 Hij die een spotter corrigeert

behaalt voor zichzelf schande,

en hij die een goddeloos mens terechtwijst

behaalt voor zichzelf belediging.

9:8 Berisp een spotter niet,

of hij zal u haten,

berisp een wijs mens

en hij zal van u houden.

9:9 Geef onderricht aan een wijs mens

en hij zal nog wijzer worden,

onderwijs een rechtvaardig mens

en hij zal zijn kennis vermeerderen.

9:10 De vreze van Maryah

is het begin van wijsheid,

en de kennis van de Heilige

is inzicht.

9:11 Want door mij

worden uw dagen vermenigvuldigd,

en jaren van leven worden toegevoegd

aan u.

9:12 Wanneer gij wijs zijt,

zijt gij wijs voor uzelf,

en wanneer gij spot,

zult gij het alleen dragen.

9:13 Vrouwe dwaasheid is luidruchtig,

ze is naïef en weet niets.

9:14 Ze zit bij de deuropening van haar huis,

in een zetel

op de hoge plaatsen van de stad,

9:15 roepend naar degenen die passeren,

die hun paden recht maken:

9:16 “Al wie naïef is,

laat hem binnenstappen

hierheen!”

aan hem die gebrek aan inzicht heeft zegt ze,

9:17 “Gestolen water is zoet;

en brood gegeten in het geheim is aangenaam.”

9:18 Maar hij weet niet dat de doden daar zijn,

dat haar gasten in de diepten van sheol zijn.

Spreuken van Salomo 10

10:1 De spreuken van Salomo.

Een wijze zoon maakt een vader blij,

maar een dwaze zoon is een bedroefdheid aan zijn moeder.

10:2 Ziekelijk verkregen winsten

maakt geen winst,

maar gerechtigheid verlost van de dood.

10:3 Maryah

zal de rechtvaardige niet toestaan om te hongeren,

maar Hij

zal de begeerte van de goddeloze verwerpen.

10:4 Arm is hij

die werkt met een nalatige hand,

maar de hand van de ijverige

maakt rijk.

10:5 Hij die vergaart in de zomer

is een zoon die wijs handelt,

maar hij die slaapt in de oogsttijd

is een zoon die schandelijk handelt.

10:6 Zegeningen zijn op het hoofd van de rechtvaardige,

maar de mond van de goddeloze

verbergt geweld.

10:7 De herinnering aan de rechtvaardige

is gezegend,

maar de naam van de goddelozen

zal verrotten.

10:8 De wijze van hart

zal geboden ontvangen,

maar een babbelende dwaas

zal ten val worden gebracht.

10:9 Hij die integer wandelt

wandelt verzekerd,

maar hij die zijn wegen verkromt

zal erbuiten worden gevonden.

10:10 Hij die knipoogt

brengt ellende teweeg,

en een babbelende dwaas

zal ten val worden gebracht.

10:11 De mond van de rechtvaardige

is een fontein van leven,

maar de mond van de goddeloze

verbergt geweld.

10:12 Haat wekt tweedracht op,

maar liefde bedekt alle overtredingen.

10:13 Op de lippen van de oordeelkundige,

wordt wijsheid gevonden,

maar een roede

is voor de rug van hem die inzicht mist.

10:14 Wijze mensen slaan kennis op,

maar door de mond van de dwaze

is de ondergang nabij.

10:15 De weelde van de rijke is zijn vesting,

de puinhoop van de armen is hun armoede.

10:16 Het loon van de rechtvaardigen is leven,

het inkomen van de goddelozen,

tuchtiging.

10:17 Hij die op het pad van leven is

volgt onderricht,

maar hij die terechtwijzing negeert

gaat dwalen.

10:18 Hij die haat verbergt

heeft leugenachtige lippen,

en hij die laster verspreidt

is een dwaas.

10:19 Wanneer er veel woorden zijn,

is overtreding onvermijdelijk,

maar hij die zijn lippen bedwingt is wijs.

10:20 De tong van de rechtvaardige is zoals zuiver zilver,

het hart van de goddeloze is echter weinig waard.

10:21 De lippen van de rechtvaardige voeden velen,

maar dwazen sterven bij gebrek aan inzicht.

10:22 Het is de zegen van Maryah

die rijk maakt,

en Hij voegt er geen smart aan toe.

10:23 Goddeloosheid doen

is als een spel voor de dwaas,

en zo is wijsheid

voor een mens van inzicht.

10:24 Wat de goddeloze vreest

zal hem overkomen,

maar het verlangen van de rechtvaardige

zal worden verleend.

10:25 Wanneer de wervelwind passeert,

is de goddeloze er niet meer,

maar de rechtvaardige

die heeft een eeuwigdurend fundament.

10:26 Zoals azijn aan de tanden

en rook in de ogen,

zo is de luiaard

voor degenen die hem uitzenden.

10:27 De vreze van Maryah

verlengt het leven,

maar de jaren van de goddelozen

zullen worden ingekort.

10:28 De hoop van de rechtvaardigen

is blijdschap,

maar de verwachting van de goddelozen vergaat.

10:29 De weg van Maryah

is een vesting voor de oprechte,

maar vernietiging voor de werkers van ongerechtigheid.

10:30 De rechtvaardigen zullen nooit wankelen,

maar de goddelozen zullen het land niet bewonen.

10:31 De mond van de rechtvaardigen

vloeit van wijsheid over,

maar de perverse tong

zal worden uitgesneden.

10:32 De lippen van de rechtvaardigen

brengen voort wat aanvaardbaar is,

maar de mond van de goddelozen

wat verdraaid is.

Spreuken van Salomo 11

11:1 Een valse weegschaal

is een gruwel voor Maryah,

maar,

een rechtvaardig gewicht

is Zijn vreugde.

11:2 Wanneer de hoogmoed komt,

dan komt de schande,

maar bij de nederige is wijsheid.

11:3 De onkreukbaarheid van de oprechten

zal hen leiden,

maar de leugenachtigheid van de trouwelozen

zal hen vernietigen.

11:4 Rijkdom maakt geen winst op de dag van de toorn,

maar gerechtigheid redt van de dood.

11:5 De gerechtigheid van de onberispelijke

zal zijn weg effenen,

maar de goddeloze

zal vallen door zijn eigen goddeloosheid.

11:6 De gerechtigheid van de oprechten zal hen redden,

maar de trouweloze zal door eigen hebzucht worden gevangen.

11:7 Wanneer een goddeloze mens sterft,

zal zijn verwachting verloren gaan,

en de hoop van de sterkste mens vergaat.

11:8 De rechtvaardige wordt van zijn ellende bevrijd,

maar de goddeloze neemt zijn plaats in.

11:9 Met zijn mond

vernietigd de goddeloze mens zijn naaste,

maar door kennis

zal de rechtvaardige verlost worden.

11:10 Wanneer het goed gaat met de rechtvaardigen,

verheugt de stad zich,

en wanneer de goddelozen vergaan,

is er vreugdevol geschreeuw.

11:11 Door de zegen van de oprechten

wordt een stad verheven,

maar door de mond van de goddelozen

wordt zij afgebroken.

11:12 Hij die zijn naaste veracht

mist verstand,

maar een mens met inzicht zwijgt.

11:13 Hij die als een klikspaan rondgaat

onthult geheimen,

maar hij die betrouwbaar is

verbergt een zaak.

11:14 Waar er geen richtsnoer is

valt het volk,

maar in de overvloed van raadgevers

is er overwinning.

11:15 Hij die borgstaander is voor een vreemdeling

zal er zeker voor lijden,

maar hij die het haat om borgstaander te zijn

is veilig.

11:16 Een zachtaardige vrouw verkrijgt eer,

en meedogenloze mannen verkrijgen rijkdom.

11:17 De barmhartige mens doet zichzelf goed,

maar de wrede mens doet zichzelf schade.

11:18 De goddeloze

verdient een bedrieglijk loon,

maar hij die gerechtigheid zaait

krijgt een trouwe beloning.

11:19 Hij die standvastig is in gerechtigheid

zal leven verkrijgen,

en hij die het kwade nastreeft

zal zijn eigen dood teweegbrengen.

11:20 De slechten van hart

zijn een gruwel aan Maryah,

maar zij die onberispelijk zijn in hun wandel

zijn Zijn verrukking.

11:21 Ongetwijfeld,

de kwade mens zal niet ongestraft gaan,

maar het nageslacht van de rechtvaardige

zal verlost worden.

11:22 Zoals een ring in de snuit van een varken

zo is een mooie vrouw

die verstand mist.

11:23 De begeerte van de rechtvaardigen

is alleen het goede,

maar de verwachting van de goddelozen

is toorn.

11:24 Er is één die uitstrooit,

en toch des temeer toeneemt,

en er is er één die weerhoudt wat rechtvaardig is verschuldigd,

en toch resulteert het slechts in gebrek.

11:25 De gulle mens

zal welvarend zijn,

en hij die water geeft

zal zelf worden bewaterd.

11:26 Hij die graan achterhoudt

het volk zal hem vervloeken,

maar zegen zal op het hoofd zijn

van hem die het verkoopt.

11:27 Hij die ijverig het goede zoekt die zoekt gunst,

maar hij die het kwade zoekt,

het kwade zal naar hem toekomen.

11:28 Hij die in zijn rijkdom vertrouwt

zal vallen,

maar de rechtvaardigen

zullen gedijen zoals het groene gebladerte.

11:29 Hij die zijn eigen huis verontrust

zal wind erven,

en de dwaze

zal de dienaar worden van degene die wijs van hart is.

11:30 De vrucht van de rechtvaardige

is een boom van leven,

en hij die wijs is

wint veel zielen.

11:31 Zo de rechtvaardige

zal vergolden worden op aarde,

hoeveel meer dan

de goddeloze en de zondaar!

Spreuken van Salomo 12

12:1 Al wie van discipline houdt

houdt van kennis,

maar hij die berisping verafschuwt

is dwaas.

12:2 Een goed mens

zal gunst bekomen van Maryah,

maar Hij

zal een mens die kwaad bedenkt veroordelen.

12:3 Een mens

zal niet door goddeloosheid worden vast-gesteld,

maar de wortel van de rechtvaardigen

zal niet worden verplaats.

12:4 Een voortreffelijke vrouw

is de kroon over haar man,

maar zij die hem te schande maakt

is als verrotting in zijn botten.

12:5 De gedachten van de rechtvaardigen

zijn rechtvaardig,

maar de raadgevingen van de goddelozen

zijn bedrieglijk.

12:6 De woorden van de goddelozen

liggen op de loer voor bloed,

maar de mond van de oprechten

zal hen bevrijden.

12:7 De goddelozen worden omvergeworpen

en zijn niet meer,

maar het huis van de rechtvaardigen

zal bijven staan.

12:8 Een mens zal geprezen worden

volgens zijn inzicht,

maar iemand met een perverse geest

zal veracht worden.

12:9 Beter is hij die gering wordt geacht

en een dienaar heeft

dan hij die zichzelf eert

en gebrek aan brood heeft.

12:10 Een rechtvaardig mens

heeft aandacht voor het leven van zijn dieren,

maar zelfs de barmhartigheid van de goddelozen

is wreed.

12:11 Hij die zijn land bewerkt

zal veel brood hebben,

maar hij die waardeloze dingen najaagt

mist verstand.

12:12 De goddeloze mens

begeert de buit van slechte mensen,

maar de wortel van de rechtvaardigen

levert vrucht op.

12:13 Een kwaadaardig mens is verstrikt

door de zonde van zijn lippen,

maar de rechtvaardige

zal uit deze kwelling ontsnappen.

12:14 Een mens

zal door de vrucht van zijn woorden

worden voldaan met goed,

en de daden van een mens handen

zullen naar hem terugkeren.

12:15 De weg van een dwaas

is recht in zijn eigen ogen,

maar een wijs mens

is hij die luistert naar raad.

12:16 Een dwaas zijn boosheid

is meteen bekend,

maar een verstandig mens

verzwijgt de schande.

12:17 Hij die de waarheid spreekt

vertelt wat recht is,

maar een valse getuige,

bedrog.

12:18 Er is één die onbezonnen spreekt

gelijk steken van een zwaard,

maar de tong van de wijzen

brengt genezing.

12:19 Waarheid minnende lippen

zullen voor eeuwig worden vast-gesteld,

maar een leugenachtige tong

is slechts voor één moment.

12:20 Bedriegerij is in het hart van zij die kwaad beramen,

maar raadgevers van vrede

hebben blijdschap.

12:21 De rechtvaardige overkomt geen onheil,

maar de goddelozen

worden met ellende bekleed.

12:22 Leugenachtige lippen

zijn een gruwel voor Maryah,

maar degenen die getrouw handelen

zijn Zijn vreugde.

12:23 Een verstandig mens

verzwijgt kennis,

maar het hart van dwazen

roept dwaasheid uit.

12:24 De hand van de ijverige

zal heersen,

maar de slappe hand

zal tot dwangarbeid worden gebracht.

12:25 Benauwdheid maakt een mensen hart zwaarder,

maar een goed woord maakt het blij.

12:26 De rechtvaardige

is een gids voor zijn naaste,

maar de weg van de goddelozen

leidt ze op een dwaalspoor.

12:27 Een luie mens

roostert zijn prooi niet,

maar het kostbare bezit van een mens

is naarstigheid.

12:28 Op de weg van gerechtigheid

is leven,

en op haar spoor

is er geen dood.

Spreuken van Salomo 13

13:1 Een wijze zoon

aanvaard de discipline van zijn vader,

maar een spotter

luistert niet naar terechtwijzing.

13:2 Van de vrucht van de mond van een mens

geniet hij van het goede,

maar de begeerte van de trouweloze

is geweld.

13:3 Degene die zijn mond bewaakt

behoudt zijn leven;

degene die zijn lippen wijd opent

komt tot verderf.

13:4 De ziel van de luiaard hunkert en krijgt niets,

maar de ziel van de vlijtige wordt vet gemaakt.

13:5 Een rechtvaardig mens

verafschuwt de leugen,

maar een goddeloos mens

doet walgelijke en beschamende dingen.

13:6 Gerechtigheid

bewaakt degene wiens weg onberispelijk is,

maar goddeloosheid

ondermijnt de zondaar.

13:7 Er is één die pretendeert rijk te zijn,

maar heeft niets;

een ander pretendeert arm te zijn,

maar heeft grote rijkdom.

13:8 Het losgeld van een mens zijn leven

is zijn rijkdom,

maar de arme

hoort geen schelden.

13:9 Het licht van de rechtvaardige

verheugt zich,

maar de lamp van de goddelozen

gaat uit.

13:10 Door brutaliteit

komt er niets dan tweedracht,

maar wijsheid is bij degenen die raad aannemen.

13:11 Rijkdom verkregen door fraude verdwijnt,

maar degene die arbeidt verzamelt

vermeerdert het.

13:12 Uitgestelde hoop maakt het hart ziek,

maar vervuld verlangen is een boom van leven.

13:13 Degene die het woord veracht

zal er schuldig voor zijn,

maar degene die het gebod vreest

zal worden beloond.

13:14 Het leer van de wijze

is een bron van leven,

om af te wijken van de strikken des doods.

13:15 Goed inzicht levert gunst op,

maar de weg van de trouweloze is zwaar.

13:16 Elk verstandig mens

handelt met kennis,

maar een dwaas toont dwaasheid.

13:17 Een goddeloze boodschapper

valt in tegenspoed,

maar een trouwe gezant

brengt genezing.

13:18 Armoede en schaamte

zal tot hem komen die discipline verwaarloost,

maar hij die terechtwijzing aanziet

zal worden geëerd.

13:19 Gerealiseerd verlangen

is zoet voor de ziel,

maar het is een gruwel voor dwazen

om zich van het kwaad af te wenden .

13:20 Hij die met wijze mensen wandelt

zal wijs worden,

maar de metgezel van dwazen

zal schade leiden.

13:21 Tegenspoed achtervolgt zondaars,

maar de rechtvaardige

zal worden beloond met welvaart.

13:22 Een goed mens laat een erfdeel na

voor de kinderen van zijn kinderen,

en de rijkdom van de zondaar

wordt voor de rechtvaardige opgeslagen .

13:23 Overvloedige spijs

is in de braakliggende grond van de armen,

maar het wordt door onrecht weggevaagd .

13:24 Hij die zijn roede achterhoudt

haat zijn zoon,

maar hij die hem liefheeft

disciplineert hem ijverig.

13:25 De rechtvaardige

heeft genoeg om zijn eetlust te bevredigen,

maar de maag van de goddeloze

is in nood.

Spreuken van Salomo 14

14:1 De wijze vrouw bouwt haar huis,

maar de dwaze breekt het af met haar eigen handen.

14:2 Hij die in zijn oprechtheid wandelt

vreest Maryah,

maar hij die in zijn wegen afwijkend is

veracht Hem.

14:3 In de mond van de dwaze

is een roede voor zijn rug,

maar de lippen van de wijzen

zullen hen behoeden.

14:4 Waar geen ossen zijn

is de kribbe wel schoon,

maar veel inkomsten komen door de kracht van de os.

14:5 Een betrouwbare getuige

zal niet liegen,

maar een bedrieglijk getuige

spreekt leugen.

14:6 Een spotter zoekt wijsheid

en vindt er geen,

maar kennis

is voor iemand die inzicht heeft eenvoudig.

14:7 Verlaat de tegenwoordigheid van een dwaas,

of gij zult geen woorden van kennis waarnemen.

14:8 De wijsheid van de verstandige is

om zijn weg te begrijpen,

de dwaasheid van dwazen

is slechts bedriegerij.

14:9 Dwazen drijven de spot bij zonde,

maar onder de oprechten is er welwillendheid.

14:10 Het hart

kent zijn eigen bitterheid,

en een vreemdeling

deelt zijn vreugde niet.

14:11 Het huis van de goddelozen

zal worden vernietigd,

maar de tent van de oprechten

zal voorspoed hebben.

14:12 Er is een weg

die recht lijkt voor een mens,

maar zijn einde is de weg des doods.

14:13 Zelfs in gelach

kan het hart pijn lijden,

en het einde van vreugde

kan droefheid worden.

14:14 De afvallige van hart

zal zijn buik vol hebben van zijn eigen wegen,

maar een goed mens

zal tevreden zijn met de zijne.

14:15 De naïeve gelooft alles,

maar de verstandige mens

overweegt zijn stappen.

14:16 Een wijze mens is bedachtzaam

en keert zich af van het kwade,

maar een dwaas is verwaand

en achteloos.

14:17 Een opvliegend mens

handelt dwaas,

en een mens met schandelijke verzinsels

wordt gehaat.

14:18 De naïeve erven dwaasheid,

maar de verstandigen

worden gekroond met kennis.

14:19 Het kwaad zal zich neerbuigen

vóór het goede,

en de goddelozen bij de poorten van de rechtvaardigen.

14:20 De arme

wordt zelfs door zijn naaste gehaat,

maar zij die de rijken beminnen

zijn velen.

14:21 Hij die zijn medemens veracht,

die zondigt,

maar die barmhartig is voor de behoeftige

hij is gelukzalig.

14:22 Zullen zij niet dwalen die het kwade bedenken?

maar goedheid en waarheid

zullen voor degenen zijn die goede bedenken.

14:23 In elke inspanning

is er winst,

maar alleen maar praten

leidt tot gebrek.

14:24 De kroon van de wijzen

is hun rijkdom,

maar de onzin van de zotten

is dwaasheid

14:25 Een getrouw getuige

redt levens,

maar hij die leugens uitbrengt

is verraderlijk.

14:26 In de vreze van Maryah

is er sterk vertrouwen,

en Zijn kinderen

zullen een schuilplaats hebben.

14:27 De vreze van Maryah

is een fontein van leven,

opdat men de strikken des doods zou kunnen mijden.

14:28 In een menigte van mensen

is een koning zijn heerlijkheid,

maar in het gebrek aan mensen

is een vorst zijn ondergang.

14:29 Hij die niet vlug boos wordt

heeft groot inzicht,

maar hij die opvliegend is

verheft de dwaasheid.

14:30 Een rustig hart

is leven voor je lichaam,

maar lust

is verrotting voor je botten.

14:31 Hij die de armen verdrukt

beledigt zijn Shepper,

maar hij die barmhartig is voor de behoeftigen

betoont Hem eer.

14:32 De goddeloze

wordt neergeworpen door zijn wangedrag,

maar de rechtvaardige

heeft een schuilplaats wanneer hij sterft.

14:33 Wijsheid

rust in het hart van iemand die verstand heeft,

maar in de harten van dwazen

wordt zij bekend gemaakt.

14:34 Gerechtigheid

verheft een volk,

maar zonde

is een schandvlek voor alle mensen.

14:35 De gunst van de koning

gaat naar een dienaar die wijselijk handelt,

maar zijn toorn

gaat naar hem die schandelijk handelt.

Spreuken van Salomo 15

15:1 Een vriendelijk antwoord

wendt de toorn af,

maar een wreed woord

wekt de woede op.

15:2 De tong van de wijzen

maakt de kennis aanvaardbaar,

maar de mond van de dwazen

brabbelt dwaasheid.

15:3 De ogen van Maryah zijn in elke plaats,

kijkende over,

het kwade en het goede.

15:4 Een rustgevende tong

is een boom van leven,

maar verdorvenheid daarin

verpletterd de geest.

15:5 Een dwaas

verwerpt de discipline van zijn vader,

maar hij die terechtwijzing overweegt

is verstandig.

15:6 Grote rijkdom

is in het huis van de rechtvaardigen,

maar in de opbrengst van de goddelozen

is ellende.

15:7 De lippen van de wijze

verspreiden kennis,

maar de harten van dwazen

zijn niet zo.

15:8 Het offer van de goddelozen

is een gruwel voor Maryah,

maar het gebed van de oprechten

is Zijn vreugde.

15:9 De weg van de goddelozen

is een gruwel voor Maryah,

maar één die gerechtigheid nastreeft

heeft Hij lief.

15:10 Pijnlijke straf

is voor hem die de weg verzaakt;

hij die terechtwijzing haat

zal sterven.

15:11 Sheol en Abaddon

liggen open voor Maryah,

hoeveel te meer dan de harten van mensen!

15:12 Een spotter

houdt niet van iemand die hem terechtwijst,

hij zal nooit naar de wijzen gaan.

15:13 Een vreugdevol hart

maakt een vrolijk gezicht,

maar als het hart verdrietig is,

is de geest gebroken.

15:14 De geest van de intiligente

zoekt kennis,

maar de mond van dwazen

voed zich met dwaasheid.

15:15 Al de dagen van de ellendigen

zijn slecht,

maar een vrolijk hart

heeft een voortdurend feestmaal.

15:16 Beter is

een beetje te hebben

met de vreze van Maryah

dan een grote schat

en onrust ermee.

15:17 Beter is

een schotel van groenten

waar liefde is

dan een vetgemeste os

met haat geserveerd.

15:18 Een opvliegende mens

wekt de onenigheid op,

maar wie niet vlug boos wordt

kalmeert het geschil.

15:19 De weg van de luie

is als een haag van doornen,

maar het pad van de oprechten

is een verharde weg.

15:20 Een wijze zoon

maakt een vader blij,

maar een dwaze mens

veracht zijn moeder.

15:21 Dwaasheid

is vreugde voor hem die geen verstand heeft,

maar een mens met inzicht

wandelt rechtdoor.

15:22 Zonder overleg,

zijn plannen frustrerend,

maar door veel raadgevers

slagen ze.

15:23 Een mens heeft vreugde in een passend antwoord,

en hoe heerlijk is een woord op de juiste tijd!

15:24 Het pad van leven

leidt voor de verstandige

omhoog

opdat hij moge wegblijven van Sheol

beneden.

15:25 Maryah

zal het huis van de hoogmoedige uiteenrukken

maar Hij

zal de landpaal van de weduwe vaststellen.

15:26 Kwade plannen

zijn een gruwel voor Maryah,

maar aangename woorden

zijn puur.

15:27 Hij die illegaal winst maakt

kwelt zijn eigen huis,

maar hij die steekpenningen haat

zal leven.

15:28 Het hart van de rechtvaardigen

denkt na hoe te antwoorden,

maar de mond van de goddelozen

stort kwade dingen uit.

15:29 Maryah

is ver-verwijderd van de goddelozen

maar Hij

hoort het gebed van de rechtvaardigen.

15:30 Heldere ogen

verblijden het hart;

goed nieuws

legt vet op de botten.

15:31 Hij wiens oor luistert naar de leven gevende terechtwijzing

zal wonen onder de wijzen.

15:32 Hij die discipline verwaarloost

veracht zichzelf,

maar hij die luistert naar terechtwijzing

verwerft inzicht.

15:33 De vreze van Maryah

is de instructie voor wijsheid,

En vóór eer

komt de nederigheid.

Spreuken van Salomo 16

16:1 De voornemens van het hart

behoren aan de mens,

maar het antwoord van de tong

is van Maryah.

16:2 Al de wegen van een mens

zijn zuiver naar zijn eigen aanblik,

maar Maryah

weegt de motieven.

16:3 Vertrouw uw werken toe aan Maryah

en uw voornemens zullen vast worden gesteld.

16:4 Maryah

heeft alles voor Zijn eigen doel gemaakt,

zelfs de goddelozen

voor de dag van het kwaad.

16:5 Ieder die hoogmoedig van hart is

is een gruwel voor Maryah;

ongetwijfeld,

zal hij niet ongestraft zijn.

16:6 Door liefdevolle vriendelijkheid en waarheid

wordt ongerechtigheid verzoend,

en door de vreze van Maryah

blijft men weg van het kwaad.

16:7 Wanneer een mens zijn wegen

behaaglijk zijn voor Maryah,

maakt Hij zelfs dat zijn vijanden

in vrede met Hem zijn.

16:8 Beter is een beetje door gerechtigheid

dan een groot inkomen door onrechtvaardigheid.

16:9 De geest van de mens

plant zijn weg,

maar Maryah

richt zijn stappen.

16:10 Een goddelijke uitspraak

is op de lippen van de koning;

zijn mond

behoort niet te dwalen in oordeel.

16:11 Een precieze balans en schalen

behoren Maryah toe;

al de gewichten van de zak

zijn Zijn aangelegenheid.

16:12 Het is een gruwel voor koningen

om goddeloze daden te plegen,

want een troon

wordt gevestigd door gerechtigheid.

16:13 Rechtvaardige lippen

zijn de vreugde van koningen,

en hij die recht spreekt

is geliefd.

16:14 De woede van een koning

is gelijk boden van de dood,

maar een wijs mens

zal ze sussen.

16:15 In het licht van een koning zijn aangezicht

is leven,

en zijn gunst

is gelijk een wolk met de lenteregen.

16:16 Hoe veel beter is het

om wijsheid te verkrijgen

dan goud !

En inzicht verkrijgen

moet boven zilver worden gekozen .

16:17 De verharde weg van de oprechten

is om af te wijken van het kwaad;

hij die zijn weg gadeslaat

beshermt zijn leven.

16:18 Trots

gaat voor vernietiging,

en een hooghartige geest

voor struikelen.

16:19 Het is beter

om nederig te zijn in de geest met de nederige

dan de buit te verdelen met de hoogmoedigen.

16:20 Hij die aandacht schenkt aan het woord

zal het goede vinden,

en gezegend is hij

die op Maryah vertrouwt.

16:21 De wijze in hart

zal verstandig worden genoemd,

en de zoetheid van de spraak

verhoogt de overtuigingskracht.

16:22 Inzicht

is een levensfontein voor iemand die het heeft,

maar de discipline van dwazen

is dwaasheid.

16:23 Het hart van de wijze

onderricht zijn mond

en voegt overtuigingkracht toe

aan zijn lippen.

16:24 Aangename woorden

zijn een honingraat,

zoetheid voor de ziel

en genezing voor de botten.

16:25 Er is een weg

die juist lijkt voor een mens,

maar het einde (ervan)

is de weg des doods.

16:26 De eetlust van een arbeider

arbeid voor hem,

want zijn honger

spoort hem ertoe aan.

16:27 Een waardeloze mens

graaft het kwaad op,

terwijl zijn woorden

als verschroeiend vuur zijn.

16:28 Een pervers mens

verspreidt tweedracht,

en een lasteraar

scheidt vertrouwelijke vrienden.

16:29 Een mens van geweld

verlokt zijn naaste

en leidt hem op een weg die niet goed is.

16:30 Hij die met zijn oog wenkt

doet dit om verkeerde dingen te bedenken;

hij die zijn lippen samenperst

brengt voorbijgaande het kwaad.

16:31 Een grijs geworden hoofd

is een kroon van heerlijkheid;

het wordt gevonden in de weg van gerechtigheid.

16:32 Hij die niet vlug boos wordt

is beter dan de machtige,

en hij die zijn geest regeert,

dan hij die een stad inneemt.

16:33 Het lot wordt in de schoot geworpen,

maar ieder zijn uitkomst

is van Maryah.

Spreuken van Salomo 17

17:1 Beter is

een droge hap en rust ermee

dan een huis vol van feesten met twisten.

17:2 Een dienaar die wijselijk handelt

zal heersen over een zoon die schandelijk handelt,

en zal delen in de erfenis onder de broers.

17:3 De verfijn-pot is voor zilver

en de oven voor goud,

maar Maryah toetst de harten.

17:4 Een boosdoener

luistert naar goddeloze lippen,

een leugenaar

besteedt aandacht aan een destructieve tong.

17:5 Hij die de arme bespot

smaad zijn Maker;

hij die zich verheugt in ellende

zal niet ongestraft gaan.

17:6 Kleinkinderen

zijn de kroon voor grootouders,

en de lof van kinderen

is voor hun voorouders.

17:7 Uitstekende toespraak

is niet passend voor een dwaas,

leugenachtige lippen

des te minder bij een prins.

17:8 Een steekpenning

is een betovering in de ogen van zijn eigenaar;

overal waar het wordt uitgewisseld

brengt het voorspoed.

17:9 Hij die een zonde geheimhoudt

zoekt liefde,

maar hij die de zaak navertelt

scheidt vertrouwelijke vrienden.

17:10 Een terechtwijzing

gaat dieper in iemand die verstand heeft

dan honderd slagen in een dwaas.

17:11 Een rebelse mens

zoekt enkel het kwade,

dus zal er een wrede boodschapper worden gezonden

tegen hem.

17:12 Laat een mens een berin ontmoeten

beroofd van haar jongen,

in plaats van een dwaas in al zijn dwaasheid.

17:13 Hij die kwaad voor goed terug geeft,

het kwaad zal vanuit zijn huis niet wijken.

17:14 Het begin van ruzie

is zoals water uitlaten,

dus verlaat de onenigheid

voordat het uitbreekt.

17:15 Hij die de goddeloze rechtvaardigt

en hij die de rechtvaardige schuldig verklaart,

beide zijn gelijk,

een gruwel voor Maryah.

17:16 Waarom is er in de hand van een dwaas

een prijs om wijsheid te kopen,

wanneer hij geen verstand heeft?

17:17 Een vriend

houdt ten alle tijde van je,

en een broer is geboren

(om van je te houden) in tijden van tegenspoed.

17:18 Een mens wie het aan verstand ontbreekt

zegt toe en wordt borgstaander

in de aanwezigheid van zijn naaste.

17:19 Hij die van overtreding houdt

houdt van twist;

hij die zijn deur verhoogt

zoekt zijn ondergang.

17:20 Hij die een kromme geest heeft

vindt niets goeds,

en hij die verdorven is in zijn taal

vervalt in het kwade.

17:21 Hij die een dwaas verwekt

doet dit tot zijn verdriet,

en de vader van een dwaas heeft geen vreugde.

17:22 Een vreugdevol hart

is een goed medicijn,

maar een gebroken geest

droogt de botten uit.

17:23 Een goddeloos mens

neemt een steekpenning aan uit de schoot,

om de paden van rechtvaardigheid te verdraaien.

17:24 Wijsheid

is in het bijzijn van degene die inzicht heeft,

maar de ogen van een dwaas

zijn in de uiterste delen van de aarde.

17:25 Een dwaze zoon

is een verdriet voor zijn vader

en bitterheid

voor haar die hem baarde.

17:26 Het is niet goed om de rechtvaardige ook te doen boeten,

evenmin om de edele te slaan voor hun oprechtheid.

17:27 Hij die zijn woord bedwingt heeft kennis,

en hij die een kalme geest heeft is een mens van verstand.

17:28 Een dwaas zelfs,

wanneer hij stil blijft wordt als wijs beschouwd;

wanneer hij zijn lippen sluit wordt hij als verstandig beschouwd.

Spreuken van Salomo 18

18:1 Hij die zichzelf afzondert

streeft naar zijn eigen begeerte,

hij strijd tegen alle betrouwbare wijsheid.

18:2 Een dwaas

is niet blij met inzicht,

hij wil enkel zijn eigen mening bekendmaken.

18:3 Wanneer een goddeloos mens komt,

komt verachting ook,

en met schande komt versmaading.

18:4 De woorden van een mens zijn mond

zijn diepe wateren;

de fontein van wijsheid

is een bruisende beek.

18:5 De goddeloze partijdigheid bewijzen is niet goed,

de rechtvaardige opzij duwen in het gericht

evenmin.

18:6 Een dwaas zijn lippen brengen tweedracht,

en zijn mond roept om slagen.

18:7 De mond van een dwaas is zijn verderf,

en zijn lippen zijn de valstrik van zijn ziel.

18:8 De woorden van een fluisteraar

zijn als lekkere hapjes,

en ze dalen

tot in de binnenste delen van het lichaam.

18:9 Ook hij die verslapt in zijn werk

is de juk-genoot van hem die ten val brengt.

18:10 De naam van Maryah is

‘Sterke Toren’;

de rechtvaardige rent erin

en is veilig.

18:11 Een rijke mens zijn rijkdom

is zijn sterke stad,

en als een hoge muur

in zijn eigen verbeelding.

18:12 Vóór de vernietiging,

is het hart van de mens hoogmoedig,

maar bescheidenheid komt vóór de eer.

18:13 Hij die antwoord geeft

voordat hij luistert,

het is dwaasheid en schande voor hem.

18:14 De geest van een mens

kan zijn ziekte ondersteunen,

maar wat betreft een gebroken geest

wie kan dat dragen?

18:15 De geest van de verstandige

verwerft kennis,

en het oor van de wijze

zoekt kennis.

18:16 Een mens zijn gift

maakt ruimte voor hem

en brengt hem in het bijzijn van voorname mensen.

18:17 De eerste om zijn zaak te bepleiten

schijnt rechtvaardig,

tot een ander komt

en hem onderzoekt.

18:18 Het lot werpen maakt een einde aan geschillen

en doet uitspraak tussen de machtigen.

18:19 Een beledigde broer

is moeilijker te winnen dan een sterke stad,

en twisten

zijn als de tralies van een citadel.

18:20 Met de vrucht van een mens zijn mond

zal zijn maag verzadigd worden;

hij zal verzadigd worden

met het voortbrengsel van zijn lippen.

18:21 Dood en leven

zijn in de macht van de tong,

en degenen die haar liefhebben

zullen haar vrucht eten

18:22 Hij die een vrouw vindt

vindt een goede zaak

en verkrijgt gunst van Maryah.

18:23 De arme mens smeekt smekingen,

maar de rijke mens antwoordt grofweg.

18:24 Een mens met teveel vrienden

kom ten val

maar er is een vriend

die dichterbij blijft dan een broer.

Spreuken van Salomo 19

19:1 Beter is een arme mens

die wandelt in zijn integriteit

dan hij die verdorven is in spraak

en een dwaas is.

19:2 Ook is het niet goed voor een mens

om zonder kennis te zijn,

en hij die zijn voetstappen verhaast

dwaalt af.

19:3 De dwaasheid van de mens

ruïneert zijn weg,

en zijn hart

woedt tegen Maryah.

19:4 Rijkdom voegt veel vrienden toe,

maar een arme mens

wordt van zijn vriend gescheiden.

19:5 Een valselijke getuige

zal niet ongestraft blijven,

en hij die leugens vertelt

zal niet ontvluchten.

19:6 Velen

zullen de gunst zoeken van een gulle mens,

en elke mens

is een vriend aan hem die geschenken geeft.

19:7 Al de broers van een arme mens haten hem;

hoeveel meer laten zijn vrienden hem achter!

hij achtervervolgt hen met woorden,

maar ze zijn weg.

19:8 Hij die wijsheid verkrijgt

heeft zijn eigen ziel lief;

hij die het inzicht behoudt

zal het goede vinden.

19:9 Een valselijke getuige

zal niet ongestraft blijven,

en hij die leugens vertelt

zal verloren gaan.

19:10 Weelderigheid

is voor een dwaas ongepast;

voor een slaaf nog veel minder

om over vorsten te heersen.

19:11 Een mens zijn discretie

doet hem tot toorn vertragen,

en het is zijn glorie

om de overtreding voorbij te gaan.

19:12 De toorn van de koning

is zoals het gebrul van een leeuw,

maar zijn gunst

is zoals de dauw op het gras.

19:13 Een dwaze zoon

is verwoesting voor zijn vader,

en de twisten van een vrouw

is een aanhoudend gedruppel.

19:14 Huis en rijkdom

zijn een erfenis der vaderen,

maar een verstandige vrouw

is van Maryah.

19:15 Luiheid

werpt in een diepe slaap,

en een nutteloze mens

zal honger lijden.

19:16 Hij die het gebod onderhoudt

bewaart zijn ziel,

maar hij die nalatig is in de weg

zal sterven.

19:17 Iemand die barmhartig is voor een arme mens

leent aan Maryah,

en Hij zal hem vergoeden

voor zijn goede daad.

19:18 Disciplineer uw zoon

terwijl er hoop is,

en verlang zijn dood niet.

19:19 Een mens met grote woede

zal de sanctie dragen,

want telkens je hem zult redden,

zal je het weer opnieuw moeten doen.

19:20 Luister naar raad

en accepteer discipline

opdat je verstandig zult zijn

de rest van je dagen.

19:21 Veel plannen

zijn in het hart van een mens,

maar de raad van Maryah

zal standhouden.

19:22 Wat wenselijk is in een mens

is zijn goedheid,

en het is veel beter om een arme mens te zijn

dan een leugenaar.

19:23 De vreze voor Maryah

leidt tot leven,

zodat men tevreden kan slapen,

onaangetast door het kwaad.

19:24 De luiaard

verbergt zijn hand in de shotel,

maar zal die zelfs naar zijn mond niet terugbrengen.

19:25 Sla een spotter

en die naïeveling zal sluw worden,

maar berisp iemand die inzicht heeft

en hij zal kennis opdoen.

19:26 Hij die zijn vader geweld aandoet

en zijn moeder wegjaagt

is een beschamende en schandelijke zoon.

19:27 Stop met luisteren,

mijn zoon,

naar de discipline,

en je zal afdwalen

van de woorden van kennis.

19:28 Een wrede getuige

maakt een bespotting van gerechtigheid,

en de mond van de goddelozen

leurt met ongerechtigheid.

19:29 Oordelen

zijn voor de spotters bereidt,

en slagen

voor de rug van dwazen.

Spreuken van Salomo 20

20:1 Wijn is een spotter,

sterke drank een schreeuwer,

en al wie er door bewelmd wordt

is niet verstandig.

20:2 De verschrikking van een koning

is als het gegrom van een leeuw;

hij die hem tot woede uitlokt

verbeurt zijn eigen leven.

20:3 Wegblijven van twist

is een eer voor een mens,

maar elke dwaas zal ruzie maken.

20:4 De luilak

ploegt niet na de herfst,

zo smeekt hij tijdens de oogst

en heeft niets.

20:5 Een plan in het hart van een mens

is als diep water,

maar een mens met inzicht

trekt het eruit.

20:6 Menig mens verkondigt zijn eigen loyaliteit,

maar wie kan een betrouwbare mens vinden?

20:7 Een rechtvaardig mens

die in zijn oprechtheid wandelt;

hoe gezegend zijn zijn zonen na hem.

20:8 Een koning

die op de troon van rechtvaardigheid is gezeten

verjaagt met zijn ogen alle kwaad .

20:9 Wie kan zeggen,

“Ik heb mijn hart gereinigd,

ik ben rein van mijn zonde”?

20:10 Verschillende gewichten

en verschillende maten,

beiden van hun

zijn walgelijk voor Maryah.

20:11 Het is door zijn daden

dat een jongeman zich onderscheidt

of zijn gedrag zuiver en oprecht is.

20:12 Het horende oor

en het ziende oog,

heeft Maryah gemaakt

beide van hun .

20:13 Hou niet van sluimeren

of ge zult arm worden;

open uw ogen,

en ge zult verzadigd worden met voedsel.

20:14 “Slecht, slecht,”

Zegt de koper,

maar wanneer hij zijn weg opgaat,

dan schept hij op.

20:15 Er is goud

en een overvloed aan juwelen;

maar de lippen der kennis

zijn een kostbaarder ding.

20:16 Neemt zijn kleed

wanneer hij borg wordt voor een vreemde;

en houd het in onderpand voor buitenlanders.

20:17 Brood verkregen door de leugen

is zoet voor een mens,

maar daarna zal zijn mond

worden gevuld met steengruis.

20:18 Maak plannen klaar door overleg,

en voer oorlog door wijs toezicht.

20:19 Hij die in t’rond gaat als een lasteraar

onthult geheimen,

associeer u daarom niet met een babbelaar.

20:20 Hij die zijn vader of zijn moeder vervloekt,

zijn lamp zal uitgaan

in de tijd der duisterheid.

20:21 Een erfenis

die in het begin te haastig wordt verworven

zal op het einde niet worden gezegend.

20:22 Zeg niet,

“Ik zal dat kwaad vergelden”;

wacht op Maryah,

en Hij zal u redden.

20:23 Verschillende gewichten

zijn een walging voor Maryah,

en een bedrieglijke weegschaal is niet goed.

20:24 De voetstappen van de mens

worden door Maryah bepaald,

hoe kan de mens dus zijn weg begrijpen?

20:25 Het is een valstrik voor een mens

om onbezonnen te zeggen

“Het is heilig!”

en om onderzoek te doen

na de geloften .

20:26 Een wijs koning

zift de goddelozen uit,

en drijft het dorswiel over hen heen.

20:27 De geest van de mens

is als de lamp van Maryah,

doordringende al de innerlijke delen van zijn wezen.

20:28 Getrouwheid en waarheid

bewaren de koning,

en hij handhaaft zijn troon

door gerechtigheid.

20:29 De glorie van jonge mensen is-

hun kracht,

en de eer van oude mensen is-

hun grijs geworden haar

20:30 Striemen die verwonden

shuren het kwaad weg,

en strelingen

bereiken de diepste delen.

Spreuken van Salomo 21

21:1 Het hart van de koning is als

-kanalen van water-

in de hand van Maryah;

Hij laat het draaien waarheen Hij wil.

21:2 Ieder mens zijn weg is recht

in zijn eigen ogen,

maar Maryah weegt de harten.

21:3 Eerlijk en rechtvaardig handelen

is door Maryah meer gewenst

dan het brengen van offer.

21:4 Hoogmoedige ogen

en een trots hart,

de lamp van de goddelozen

is zonde.

21:5 De plannen van de ijverige

leiden zeker tot voordeel,

maar iedereen die gehaast is

komt zeker tot gebrek.

21:6 De verwerving van schatten

door een leugenachtige tong

is als een vluchtige damp,

het najagen van de dood.

21:7 Het geweld van de goddelozen

zal hen wegsleuren,

omdat zij weigeren

om met rechtvaardigheid te handelen.

21:8 De weg van een misdadig mens

is krom,

maar wat de pure betreft

zijn gedrag is oprecht.

21:9 Het is beter

om in een hoekje van het dak te leven,

dan in een huis

gedeeld met een twistzieke vrouw.

21:10 De ziel van de goddeloze

verlangt naar het kwaad;

zijn naaste

vindt geen genade in zijn ogen.

21:11 Wanneer de spotter wordt terechtgewezen,

wordt die onnozele wijs,

maar wanneer de wijze wordt onderricht

ontvangt hij kennis.

21:12 De rechtvaardige Ene

overziet het huis van de goddelozen,

en stort die ellendigen in de ondergang.

21:13 Hij die zijn oor toestopt

voor het geschrei van de behoeftige,

zal ook zelf roepen

maar niet verhoord worden.

21:14 Een geschenk in het geheim

onderdrukt de woede,

en een steekpenning uit de boezem,

sterke toorn

21:15 De uitoefening van gerechtigheid

is vreugde voor de rechtvaardige,

maar is verschrikking

voor de werkers der ongerechtigheid.

21:16 Een mens

die afdwaalt van de weg van inzicht

zal rusten

in de samenkomst der gestorvenen.

21:17 Hij die van teveel vermaak houdt

zal een arme mens worden;

hij die van teveel wijn en olie houdt

zal niet rijk worden.

21:18 De goddeloze

is een losprijs voor de rechtvaardigen,

en die trouweloze

is in de plaats van die oprechten.

21:19 Het is beter

om te wonen in een woestijnland

dan met een twistzieke en irritante vrouw.

21:20 Er is een kostbare schat aan olie

in de woning van de wijze,

maar een dwaze mens slurpt die op.

21:21 Hij die gerechtigheid en getrouwheid nastreeft

vindt leven,

gerechtigheid en eer.

21:22 Een wijze mens

beklimt de stad van de machtigen

en haalt het bolwerk neder

waarop zij vertrouwen.

21:23 Hij die zijn mond en zijn tong bewaakt,

behoed zijn ziel voor kwellingen.

21:24 “Hoogmoedige,”

“Verwaande,”

“Spotter,”

zijn zijn namen,

die met brutale arrogantie te werk gaat.

21:25 De begeerte van de luiaard

brengt hem ter dood,

want zijn handen weigeren te werken.

21:26 De hele dag lang begeert hij

terwijl de rechtvaardige geeft

en niet terug grijpt.

21:27 Het offer van de goddeloze

is een gruwel,

hoeveel te meer

wanneer hij het met kwade bedoelingen brengt!

21:28 Een bedrieglijk getuige zal vergaan,

maar de mens die de waarheid aanhoort

zal voor altijd spreken.

21:29 Een goddeloos mens

vertoont een brutaal aangezicht,

maar wat betreft de oprechte,

hij maakt zijn weg vast.

21:30 Er is geen wijsheid

en geen inzicht

en geen raad

tegen Maryah.

21:31 Het paard wordt voorbereidt

voor de dag van de strijd,

maar de victorie behoort toe aan Maryah.

Spreuken van Salomo 22

22:1 Een goede naam is meer gewenst

dan grote rijkdom,

gunst is beter

dan zilver en goud.

22:2 De rijken en de armen

hebben een gemeenschappelijke band,

Maryah

is de Maker van hen allemaal.

22:3 De verstandige

ziet het kwaad en verschuilt zichzelf,

maar de naïeven gaan door,

en worden ervoor gestraft.

22:4 De beloning

van nederigheid en de vreze van Maryah

zijn rijkdom eer en leven.

22:5 Doornen en valstrikken

zijn op de weg van de perverse;

hij die zichzelf bewaakt

zal ver weg van hen zijn.

22:6 Voed een kind op

naar de Weg waarop het gaan moet,

zelfs als het oud is

zal het ervan niet afwijken.

22:7 De rijke

regeert over de armen,

en de ontlener

wordt de slaaf van de geldschieter.

22:8 Hij die ongerechtigheid zaait

zal ijdelheid oogsten,

en de roede van zijn razernij

zal vergaan.

22:9 De gulle gever

zal worden gezegend,

want hij geeft heel wat van zijn voedsel

aan de misdeelden.

22:10 Jaag de spotter weg,

en ruzie zal weg gaan,

zelfs gekijf en schande zal stoppen.

22:11 Hij

die de zuiverheid van het hart liefheeft

en wiens spraak genadig is,

de koning is zijn vriend.

22:12 De ogen van Maryah

bewaren de kennis,

maar Hij

keert de woorden van de trouweloze mens om.

22:13 De luilak zegt,

“Daarbuiten is er een leeuw,

in de straten zal ik worden afgeslacht!”

22:14 De mond van een overspelige

is een diepe put;

hij die door Maryah is vervloekt

zal erin vallen.

22:15 Dwaasheid

is in het hart van een kind verweven;

de tuchtiging der discipline

zal het er verre-van-verwijderen

22:16 Hij die de armen onderdrukt

om meer voor zichzelf te verdienen

of wie geeft aan de rijken,

zal alleen maar tot armoede komen.

22:17 Neig uw oor

en hoor de woorden van de wijzen,

en past mijn kennis toe

op jouw geest;

22:18 want het zal je aangenaam zijn

als je ze bewaart binnenin u,

opdat ze bereidwillig op je lippen mogen zijn.

22:19 Opdat uw vertrouwen op Maryah moge zijn,

heb ik u ze vandaag onderwezen,

(onderwijst) gij (ze) op dezelfde wijze.

22:20 Heb ik u geen uitstekende dingen geschreven

van raadgevingen en kennis,

22:21 om u de zekerheid bekend te maken

van die woorden van waarheid

zodat gij aan hem die u zond correct kunt beantwoorden?

22:22 Beroof de arme niet

omdat hij arm is,

of verbrijzel de gekwelde (niet) bij de poort;

22:23 want Maryah

zal hun zaak bepleiten

en het leven benemen

van degenen die hen beroven.

22:24 Verenigt u niet met een aan woede verslaafde mens;

of ga (niet) om met een opvliegende mens,

22:25 of ge zult zijn wegen leren

en een valstrik voor uzelf vinden.

22:26 Wees niet onder degenen die beloftes geven,

onder degenen die borg worden voor schulden.

22:27 Indien je niets hebt om mee te betalen,

waarom zouden zij uw bed van onder u wegnemen?

22:28 Verplaats de oude grens niet

welke uw vaderen hebben vastgesteld.

22:29 Ziet ge een mens bekwaam in zijn werk?

Hij zal voor koningen staan;

hij zal niet voor duistere mensen staan.

Spreuken van Salomo 23

23:1 Wanneer gij neerzit om te eten

met een heerser,

denk dan goed na

hetgeen er voor u is.

23:2 En zet een mes tegen je keel

indien je een mens bent met grote eetlust.

23:3 Verlang niet naar zijn lekkernijen,

want het is bedrieglijk voedsel.

23:4 Vermoei jezelf niet

om rijkdom te winnen,

houd uw gedachten ervan af.

23:5 Wanneer gij er uw ogen op richt,

is het verdwenen.

Want rijkdom maakt zich zeker vleugels

net als een adelaar die naar de hemelen vliegt.

23:6 Eet het brood niet van een egoïstische mens,

of begeer zijn lekkernijen niet;

23:7 want gelijk hij in zichzelf bedenkt,

zo is hij.

Hij zegt tegen u,

“Eet en drinkt!”

maar zijn hart is niet met u.

23:8 Ge zult het hapje die je hebt gegeten uitbraken,

en ge zult uw complimenten verspillen.

23:9 Spreek niet in het gehoor van een dwaas,

want hij zal de wijsheid van uw woorden verachten.

23:10 Verplaats de oude grens niet

of trek de akkers van de vaderlozen niet binnen,

23:11 Want hun Verlosser is sterk;

Hij zal hun zaak tegen u verdedigen.

23:12 Breng uw hart tot discipline

en uw oren tot woorden van kennis.

23:13 Onthoudt het kind niet van discipline,

alhoewel gij het met die tuchtiging treft,

zal het niet sterven.

23:14 Ge zult het met die tuchtiging treffen

en zijn ziel redden van Sheol.

23:15 Mijn zoon,

wanneer uw hart wijs is,

dan wil mijn eigen hart ook blij zijn.

23:16 En mijn diepste wezen zal zich verheugen

wanneer uw lippen spreken wat juist is.

23:17 Laat uw hart de zondaars niet benijden,

maar leef

in de vrees van Maryah

altijd.

23:18 Zeker!

er is een toekomst,

en uw hoop

zal niet worden afgebroken.

23:19 Aanhoort,

mijn zoon,

en wees wijs,

en richt uw hart op De Weg.

23:20 Lig niet aan met zware drinkers van wijn,

of met vraatzuchtige eters van vlees;

23:21 Want de zware drinker

en de gulzigaard

zal tot gebrek komen,

en soezerigheid

zal dezelfden met lompen omkleden.

23:22 Hoort naar uw vader

die u heeft verwekt,

en veracht uw moeder niet

wanneer ze oud is.

23:23 Koopt de waarheid,

en verkoopt haar niet,

krijg wijsheid

en onderricht

en inzicht.

23:24 De vader van de rechtvaardigen

zal zich zeer verheugen,

en hij die een wijze zoon verwekte

zal zich over hem verblijden.

23:25 Laat uw vader

en uw moeder blij zijn,

en laat haar verheugd zijn

die u heeft gebaard.

23:26 Geef mij uw hart,

mijn zoon,

en laat uw ogen zich verheugen

in mijn wegen.

23:27 Want een hoer

is een diepe kuil

en een overspelige vrouw

is een enge put.

23:28 Zij ligt immers op de loer

net als een rover,

en de trouwelozen

doet ze toenemen onder de mensen.

23:29 Wie heeft er ellende?

Wie heeft er leed?

Wie heeft er ruzie?

Wie heeft er te klagen?

Wie heeft er wonden zonder reden?

Wie heeft er roodheid der ogen?

23:30 Degenen die lang blijven hangen

boven de wijn,

degenen die steeds verdwijnen

om gemengde wijn te proeven.

23:31 Ziet niet uit naar de wijn

als hij dieprood is,

als hij fonkelt in de beker,

als hij vlotjes naar beneden glijdt;

23:32 op het laatste bijt hij als een slang

en steekt hij als een adder.

23:33 Uw ogen

zullen vreemde dingen zien

en uw geest

zal verdorven dingen verklaren.

23:34 En gij zult zijn als iemand die slaapt

midddenin de zee,

of als iemand die slaapt

in de top van een mast.

23:35 ‘Men sloeg me,

maar ik werd niet ziek;

men sloeg me,

maar ik wist het niet.

Wanneer zal ik opstaan?

zal ik nog één drankje zoeken.’

Spreuken van Salomo 24

24:1 Wees niet afgunstig op kwade mensen,

en begeer niet om bij hen te zijn;

24:2 Want hun geest bedenkt geweld,

en hun lippen spreken van ellende.

24:3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd,

en het wordt vast-gesteld door inzicht;

24:4 en door kennis zijn de kamers gevuld

met alle kostbare en aangename rijkdommen.

24:5 Een wijs mens

is krachtig,

en een mens van inzicht

neemt toe in kracht.

24:6 Want door wijze leiding

zult ge strijd voeren,

en in overvloed van raadgevers

is er victorie.

24:7 Wijsheid

is voor een dwaas te hoog,

in de poort

doet hij zijn mond niet open.

24:8 Degene die van plan is om het kwade te doen,

die zal men een achterbakse intrigant noemen.

24:9 Het beramen van dwaasheid

is zondig,

en spotterij

is een gruweldaad voor mensen.

24:10 Wanneer je slap bent

op de dag van nood,

is uw kracht beperkt.

24:11 Bevrijd degenen

die tot de dood worden weggenomen,

en degenen

die tot de slachting wankelen,

oh houdt ze tegen.

24:12 Wanneer gij zegt,

“Zie,

we wisten dit niet,”

Overweegt Hij het niet die de harten weegt?

En weet Hij het niet die uw ziel bewaart?

En zal Hij niet aan een mens vergelden naar zijn werk?

24:13 Mijn zoon,

eet honing,

want hij is goed,

ja,

de honing van de raat is zoet naar uw smaak;

24:14 Weet dus dat wijsheid voor uw ziel is;

als je ze vindt,

dan zal er een toekomst zijn,

en uw hoop zal niet worden afgesneden.

24:15 Lig niet op de loer,

O goddeloze mens,

bij de woning van de rechtvaardige;

vernietig zijn rustplaats niet;

24:16 want een rechtvaardige mens valt zevenmaal,

en gaat weer staan,

maar de goddelozen struikelen in tijden van rampspoed.

24:17 Verheug u niet

wanneer uw vijand valt,

en laat uw hart niet verblijd zijn

wanneer hij struikelt;

24:18 of Maryah zal het zien

en misnoegd zijn,

en Zijn woede van hem afkeren.

24:19 Erger je niet

vanwege boosdoeners

of wees niet jaloers op de goddelozen;

24:20 want er zal geen toekomst zijn

voor de kwade mens;

de lamp van de goddelozen

zal worden uitgeblust.

24:21 Mijn zoon,

vreest Maryah

en de koning;

verbindt u niet

met degenen die tot verandering zijn geknecht,

24:22 want hun rampspoed zal plotseling opkomen,

en wie kent het verderf dat komt

van beide van hun?

24:23 Ook deze zijn spreuken van de wijzen.

Partijdigheid tonen in oordeel is niet goed.

24:24 Hij die zegt tot de goddeloze,

“Gij zijt rechtvaardig,”

volkeren zullen hem vervloeken,

naties zullen hem verafschuwen;

24:25 maar voor degenen die de goddeloze berispen

zal verukking zijn,

en een goede zegen

zal over hen komen.

24:26 Wie een recht antwoord geeft

kust men de lippen.

24:27 Bereid uw werk voor daarbuiten

en maak het voor uzelf gereed in de akker;

daarna,

dan,

bouw uw huis.

24:28 Wees zonder oorzaak

geen getuige tegen uw naaste,

en bedrieg met je lippen niet.

24:29 Zeg niet,

“Zo zal ik hem aandoen

gelijk hij mij heeft aangedaan;

ik zal die mens naar zijn werk teruggeven.”

24:30 Ik ging door het veld

van de luiaard

en door de wijngaard

van de mens die geen verstand heeft,

24:31 en zie!

het was volledig overwoekerd met distels;

het oppervlak was bedekt met netels,

en de stenen muur was afgebroken.

24:32 Toen ik het zag,

heb ik erover nagedacht;

ik keek,

en ontving onderricht.

24:33 “Een beetje slapen,

een beetje sluimeren,

een beetje de handen vouwen om uit te rusten,”

24:34 vervolgens

zal uw armoede komen

als een rover,

en uw gebrek

als een bewapende mens.

Spreuken van Salomo 25

25:1 Ook deze zijn spreuken van Salomo

welke de mannen van Hezekiah,

koning van Judah,

overschreven.

25:2 Het is de heerlijkheid van Aloha

om een zaak te verbergen,

maar de heerlijkheid van koningen is

om een zaak uit te zoeken.

25:3 Zoals de hemelen

wegens de hoogte

en zoals de aarde

wegens de diepte,

zo onpeilbaar is het hart der koningen.

25:4 Neemt het schuim van het zilver weg,

en er komt een vat uit voor de smid;

25:5 neemt de goddelozen van voor de koning weg,

en zijn troon zal worden bevestigd

in gerechtigheid .

25:6 Eis geen eer op

in de aanwezigheid van de koning,

en ga niet staan

op de plaats van voorname mannen;

25:7 want het is beter dat er tegen u wordt gezegd,

“Komt hier boven,”

dan dat je lager wordt geplaatst in aanwezigheid van de prins,

welke uw ogen hebben gezien.

25:8 Ga niet te haastig uit

om uw zaak te betwisten;

anders,

wat wilt ge uiteindelijk doen,

wanneer uw naaste u vernedert?

25:9 Betwist uw zaak

met uw naaste,

en onthul het geheim van een ander niet,

25:10 of hij die het hoort

zal u verwijten,

en het kwade gerucht over u

zal niet voorbijgaan.

25:11 Als appels van goud

in zettingen van zilver,

is een woord

in de juiste omstandigheden gesproken.

25:12 Als een oorring van goud

en een sieraad van fijn goud

is een verstandig vermaner tot een luisterend oor.

25:13 Als de koelte van de sneeuw

in de tijd van de oogst

is een getrouwe boodschapper

aan degenen die hem zenden,

want hij verfrist de ziel van zijn meesters.

25:14 Als wolken en wind

zonder regen

is een mens die opschept

over zijn denkbeeldige geschenken.

25:15 Door verdraagzaamheid

kan een heerser worden overtuigd,

en een zachte tong breekt het bot.

25:16 Hebt gij honing gevonden?

eet dan alleen wat je nodig hebt,

zodat gij het niet teveel hebt

en het uitbraakt.

25:17 Laat uw voet zelden in het huis van uw naaste zijn,

of hij zal moe van u worden

en u haten.

25:18 Als een knuppel en een zwaard

en een scherpe pijl

is een mens die valse getuigenis draagt

tegen zijn naaste.

25:19 Als een slechte tand

en een verzwakte voet

is het vertrouwen in een trouweloos mens

in tijden van kwelling.

25:20 Als iemand die een kledingstuk uittrekt

op een koude dag,

of als azijn op soda,

is hij die liedjes zingt

voor een verontrust hart.

25:21 Als uw vijand hongerig is,

geef hem voedsel

om te eten;

en als hij dorstig is,

geef hem water

om te drinken;

25:22 want gij zult gloeiende kolen stapelen

op zijn hoofd,

en Maryah zal u belonen.

25:23 De noordenwind brengt regen voort,

en een lasterende tong

een boos gelaat.

25:24 Het is beter

om in een hoek van het dak te wonen

dan in een huis

gedeeld met een twistzieke vrouw.

25:25 Als koel water

voor een vermoeide ziel,

zo is goed nieuws

van een ver land.

25:26 Als een vertrapte bron

en een vervuilde put

is een rechtvaardig mens

die wijkt voor de goddeloze.

25:27 Het is niet goed

om teveel honing te eten,

het is geen eer

om de eigen glorie te zoeken.

25:28 Als een stad

die opengebroken is

en zonder muren

zo is een mens

die geen controle heeft over zijn geest.

Spreuken van Salomo 26

26:1 Als sneeuw in de zomer

en als regen in de oogst,

zo is eer niet passend voor een dwaas.

26:2 Zoals een mus in zijn gefladder is,

zoals een zwaluw in zijn vliegen is,

zo strijkt ook een vloek niet zonder oorzaak neer.

26:3 Een zweep is voor het paard,

een teugel voor de ezel,

en een roede voor de rug van dwazen.

26:4 Antwoordt een dwaas niet

volgens zijn dwaasheid,

of ge zult ook gelijk hem worden.

26:5 Antwoord een dwaas

zoals zijn dwaasheid verdient,

opdat hij niet wijs wordt

in zijn eigen ogen.

26:6 Hij hakt zijn eigen voet af

en drinkt geweld

die een bericht stuurt

door de hand van een dwaas.

26:7 zoals de benen

voor de kreupele nutteloos zijn,

zo is een spreuk

in de mond van dwazen.

26:8 Als iemand die een edelsteen in een slinger bindt,

zo is hij die eer geeft aan een dwaas.

26:9 Als een doorn

die in de hand van een dronkaard neervalt

zo is een spreuk

in de mond van dwazen.

26:10 Als een boogschutter

die iedereen verwondt,

zo is hij die een dwaas inhuurt

of die degenen inhuurt die voorbijkomen.

26:11 Als een hond

die terugkomt naar zijn braaksel

is een dwaas die zijn dwaasheid herhaalt.

26:12 Ziet gij een mens

in zijn eigen ogen wijs?

er is meer hoop voor een dwaas dan voor hem.

26:13 De luiaard zegt,

“Er is een leeuw op de weg!

op het openbaar plein is een leeuw!”

26:14 Zoals de deur op haar scharnieren draait,

zo doet de luiaard ook op zijn rustbed.

26:15 De luiaard

verbergt zijn hand bij de schotel,

hij is te moe

om het terug naar zijn mond te brengen.

26:16 De luiaard

is in zijn eigen ogen wijzer

dan zeven bescheiden mensen

die een antwoord kunnen aangeven.

26:17 Als iemand die een hond bij de oren grijpt

is hij die voorbijgaat

en zich bemoeit met geruzie

die hem niet aangaat.

26:18 Als een dolleman

die met brandende stukken hout gooit,

pijlen en dodelijke dingen,

26:19 zo is de mens die zijn naaste bedriegt,

en zegt,

“Was ik niet schertsend?”

26:20 Bij gebrek aan hout

gaat het vuur uit,

en waar geen fluisteraar is,

stopt de onenigheid.

26:21 Zoals houtskool voor hete sintels

en hout voor vuur,

zo is een twistzieke mens

om de strijd te onsteken.

26:22 De woorden van een fluisteraar

zijn als lekkere hapjes,

en zij dalen af

tot in de binnenste delen van het lichaam.

26:23 Als een aarden vat

bedekt met zilver schuim

zijn brandende lippen

en een goddeloos hart.

26:24 Hij die haat

vermomt het met zijn lippen,

maar hij legt bedrog neer in zijn hart.

26:25 Wanneer hij genadige goedheid spreekt,

gelooft hem niet,

want er zijn zeven gruwelen in zijn hart.

26:26 Alhoewel zijn haat

zich met bedrog bedekt,

zal zijn zondigheid worden onthuld

voor de vergadering.

26:27 Hij die een put graaft

zal erin vallen,

en hij die een steen wegslingert

hij zal op hem wederkeren.

26:28 Een leugenachtige tong

haat degenen die ze verplettert,

en een vleiende mond

bewerkt hun ondergang.

Spreuken van Salomo 27

27:1 Schep niet op over morgen,

want gij weet niet

wat de dag moge brengen.

27:2 Laat een andere u prijzen,

en niet uw eigen mond;

een vreemde,

en niet uw eigen lippen.

27:3 Een steen is zwaar

en het zand gewichtig,

maar de terging van een dwaas

is zwaarder dan beide van hen.

27:4 Toorn is wreed

en woede is een overstroming,

maar wie kan standhouden voor jaloersheid?

27:5 Openlijke terechtwijzing is beter

dan liefde die verborgen is.

27:6 Getrouw

zijn de verwondingen van een vriend,

maar bedrieglijk

zijn de kussen van een vijand.

27:7 Een verzadigd mens

walgt van honing,

maar voor een hongerig mens

is elk bitter ding zoet.

27:8 Als een vogel

die van tak tot tak springt,

zo is de mens

die vanuit zijn huis rondzwerft.

27:9 Olie en reukwerk

maken het hart blij,

zo is de raad van een mens

zoetheid voor zijn vriend.

27:10 Laat uw eigen vriend

of de vriend van uw vader niet in de steek,

en ga niet naar uw broer zijn huis

op de dag van uw rampspoed;

een naaste die dichtbij is,

is beter dan een broer (die) ver weg (is).

27:11 Wees wijs,

mijn zoon,

en maak mijn hart blij,

zodat ik hem die mij verwijten maakt

weder-antwoorden kan.

27:12 Een verstandig mens

ziet het kwaad en verbergt zichzelf,

de naïeve gaat verder

en betaalt de straf.

27:13 Neemt zijn kleed

wanneer hij voor een vreemde borg wordt ;

en houdt hem in pand

voor een overspelige vrouw.

27:14 Hij die zijn vriend zegent

met een luide stem

vroeg in de ochtend,

het zal hem tot een vloek worden gerekend.

27:15 Een aanhoudend druppelen

op een dag van stevige regen

en een twistzieke vrouw zijn precies gelijk;

27:16 hij die haar zou beperken

beperkt de wind,

en grijpt naar olie met zijn rechterhand.

27:17 IJzer scherpt ijzer,

zo scherpt de ene mens de andere.

27:18 Hij die de vijgenboom verzorgt

zal zijn vruchten eten,

en hij die voor zijn meester zorgt

zal worden geëerd.

27:19 Zoals het gelaat

het gelaat in het water weerspiegelt ,

zo weerspiegelt het hart van de mens de mens.

27:20 Sheol en Abaddon zijn nooit tevreden,

ook de ogen van de mens zijn nooit tevreden.

27:21 De smeltkroes is de test voor zilver

en de oven voor goud,

en elk wordt getest

door de hem verleende lof.

27:22 Al zou je een dwaas

met een stamper fijnstampen in een vijzel

samen met geplet graan,

toch zal zijn dwaasheid niet van hem afwijken.

27:23 Ken de toestand van uw kudde met schapen goed,

en let op uw kudde runderen;

27:24 want rijkdom is niet voor altijd,

ook een kroon gaat niet over op alle geslachten.

27:25 Wanneer het gras verdwijnt,

de nieuwe groei gezien wordt,

en de kruiden van de bergen worden ingezameld,

27:26 zullen de lammeren tot uw kleding zijn,

en de bokken zullen de prijs van een veld opbrengen,

27:27 en er zal voldoende geitenmelk zijn tot uw spijs,

voor de spijs van uw huishouden

en het levensonderhoud voor uw maagden.

Spreuken van Salomo 28

28:1 De goddelozen vluchten

wanneer niet één achtervolgt,

maar de rechtvaardigen zijn onverschrokken

als een leeuw.

28:2 Door de overtreding van een land

zijn velen haar vorsten,

maar door een mens van inzicht en kennis,

zo blijft het bestaan.

28:3 Een arme mens

die de nederige onderdrukt

is als een heftige regen

die geen voedsel achterlaat.

28:4 Degenen die de wet verlaten

prijzen de goddelozen,

maar degenen die de wet houden

strijden tegen hen.

28:5 Kwaadaardige mensen

begrijpen de gerechtigheid niet,

maar diegenen die Maryah zoeken

begrijpen alle dingen.

28:6 Beter is de arme

die in zijn oprechtheid wandelt

dan hij die onoprecht is

hoewel hij gefortuneerd is.

28:7 Hij die de wet houdt

is een zoon met helder inzicht,

maar hij die een metgezel is van vreters

die vernedert zijn vader.

28:8 Hij die zijn rijkdom verhoogt

door rente en woeker

vergaart het voor hem

die voor de armen genadig is.

28:9 Hij die zijn oor afwendt

van het luisteren naar de wet,

zelfs zijn gebed is een gruwel.

28:10 Hij die de oprechte doet dwalen

in een kwade weg

zal zelf in zijn eigen put vallen,

maar die onberispelijke zal het goede beërven.

28:11 De rijke mens

is wijs in zijn eigen ogen,

maar de arme die inzicht heeft

doorziet hem.

28:12 Wanneer de rechtvaardige triomfeert,

is er grote heerlijkheid,

maar wanneer de goddeloze opstaat,

verbergt de mens zichzelf.

28:13 Hij die zijn overtredingen verbergt

zal geen voorspoed hebben,

maar hij die ze belijdt en verzaakt

zal mededogen vinden.

28:14 Hoe gezegend

is de mens die altijd vreest,

maar hij die zijn hart verhardt

zal in ellende vallen.

28:15 Als een brullende leeuw

en een onbevreesde beer

is een goddeloze heerser

over een arm volk.

28:16 Een leider die een grote onderdrukker is

heeft gebrek aan inzicht,

maar hij die onrechtvaardige winst haat

zal zijn dagen verlengen.

28:17 Een mens

die is beladen met schuld van menselijk bloed

zal een voortvluchtige zijn tot de dood;

laat niet één hem ondersteunen.

28:18 Hij die onberispelijk wandelt

zal verlost worden,

maar wie onoprecht is

zal op-eens vallen.

28:19 Hij die zijn land bewerkt

zal overvloedig te eten hebben,

maar hij die lege bezigheden navolgt

zal in overvloed armoede hebben.

28:20 Een getrouw mens

zal overvloedig zijn door zegeningen,

maar hij die haast maakt om rijk te worden

zal niet ongestraft blijven.

28:21 Partijdigheid tonen is niet goed,

want voor een stuk brood

zal een mens overtreden.

28:22 Een mens met een boos oog

haast zich naar rijkdom

en weet niet dat gebrek over hem zal komen.

28:23 Hij die een mens terechtwijst

zal nadien meer gunst vinden

dan hij die flikflooit

met de tong.

28:24 Hij die zijn vader

of zijn moeder plundert

en zegt,

“Een overtreding is het niet,”

is de gezel van een verwoestende mens.

28:25 Een verwaande mens wakkert het krakeel aan,

maar hij die op Maryah vertrouwt

zal welvaren.

28:26 Hij die op zijn eigen hart vertrouwt

is een dwaas,

maar hij die wijselijk wandelt

zal worden gered.

28:27 Hij die aan de armen geeft

zal nooit gebrek lijden,

maar hij die zijn ogen dichtknijpt

zal vele vervloekingen hebben.

28:28 Wanneer de goddelozen opkomen,

verbergt de mens zich;

maar wanneer zij ten-onder-gaan,

vermeerderen de rechtvaardigen.

Spreuken van Salomo 29

29:1 Een mens die zijn nek verhardt

na veel terechtwijzing,

zal plots verbroken worden

zonder remedie.

29:2 Wanneer de rechtvaardigen toenemen,

jubelt het volk,

maar wanneer een goddeloos mens regeert,

zucht het volk.

29:3 Een man die van wijsheid houdt

maakt zijn vader blij,

maar hij die gezelschap houdt met straatmeiden

verkwist zijn rijkdom.

29:4 De koning geeft het land standvastigheid door gerechtigheid,

maar een mens die steekpenningen aanneemt

brengt het ten val.

29:5 Een mens die zijn naaste vleit

is een net aan het spreiden voor zijn stappen.

29:6 Door overtreding wordt een slechte mens in de val gelokt,

maar de rechtvaardige zingt en verheugt zich.

29:7 De rechtvaardige is bezorgd om de rechten van de armen,

de goddeloze begrijpt zo’n bezorgdheid niet.

29:8 Minachters zetten een stad in vuur en vlam,

maar wijzen keren de toorn af.

29:9 Wanneer een wijze mens

een geschil heeft met een dwaze mens,

dan begint de dwaze mens ofwel te raaskallen of te lachen,

één van beide,

en rust is er niet.

29:10 Mannen die bloedvergieten

haten de onberispelijke,

maar de oprechten

zijn bezorgd om zijn leven.

29:11 Een dwaas verliest altijd zijn humeur,

maar een wijze mens laat het niet los.

29:12 Als een vorst aandacht besteedt aan leugens,

worden al zijn dienaars goddeloos.

29:13 De arme mens en de verdrukker hebben dit gemeen:

Maryah geeft hen beiden het licht in de ogen.

29:14 Wanneer een koning de armen naar waarheid oordeelt,

zal zijn troon voor altijd gevestigd zijn.

29:15 De roede en terechtwijzing geven wijsheid,

maar een kind dat zijn zin krijgt

brengt schande aan zijn moeder.

29:16 Wanneer de goddelozen toenemen,

neemt de overtreding toe,

maar de rechtvaardigen zullen hun val zien.

29:17 Corrigeer uw zoon,

en hij zal u troost geven;

hij zal ook uw ziel verukking geven.

29:18 Waar er geen visie is,

is het volk teugelloos,

maar hij die de wet houdt

is gelukkig.

29:19 Een slaaf

zal niet alleen door woorden geïnstrueerd worden ,

want hoewel hij u begrijpt,

zal er geen reactie zijn.

29:20 Ziet gij een mens

die onbezonnen in zijn woorden is?

er is meer hoop voor een dwaas dan voor hem.

29:21 Hij die zijn slaaf van kinds af aan verwent

zal hem vinden

om uiteindelijk een zoon te zijn.

29:22 Een nijdig mens wakkert krakeel aan,

en een opvliegend mens is vol van overtreding.

29:23 De mens zijn hoogmoed

brengt hem diep,

maar een bescheiden geest

zal eer verkrijgen.

29:24 Hij die partner is van een zwendelaar

verafschuwt zijn eigen leven,

hij hoort de vervloeking wel

maar hij zegt niets!

29:25 De angst voor mensen

zet een val op,

maar hij die op Maryah vertrouwt

zal worden verhoogd.

29:26 Velen zoeken de gunst van de heerser,

maar gerechtigheid voor de mens komt van Maryah.

29:27 Een onrechtvaardige mens

is walgelijk voor de rechtvaardige,

en hij die oprecht is in de weg

is walgelijk voor de goddeloze.

Spreuken van Salomo 30

30:1 De woorden van Agur

de zoon van Jakeh,

het orakel.

De man verkondigd aan Ithiel,

aan Ithiel en Ucal:

30:2 ongetwijfeld,

ben ik dommer dan welke man dan ook,

en heb ik niet het inzicht van een man.

30:3 Wijsheid heb ik ook niet geleerd,

de kennis van de Heilige Ene heb ik ook niet.

30:4 Wie is in de hemel opgestegen en afgedaald?

Wie heeft de wind in Zijn vuisten verzameld?

Wie heeft de wateren in Zijn kleed gewikkeld?

Wie heeft alle einden van de aarde gevestigd?

Wat is Zijn naam of de naam van Zijn Zoon?

Gij weet het zeker wel!

30:5 Elk woord van Aloha wordt getoetst;

Hij is een schild

voor degenen die bij Hem hun toevlucht zoeken.

30:6 Voeg niets aan Zijn woorden toe

of Hij zal u terechtwijzen,

en gij zult een leugenaar blijken te zijn.

30:7 Twee dingen vroeg ik van U,

weiger mij niet voordat ik sterf:

30:8 houdt bedrog en leugens verre van mij,

geef me noch armoede noch rijkdom;

voed me met het voedsel dat mijn deel is,

30:9 opdat ik niet verzadigd ben

en U ontken en zeg,

“Wie is Maryah?”

of dat ik niet in gebreke ben en steel,

en de Naam van mijn Aloha ontheilig.

30:10 Spreek van een slaaf geen kwaad tegen zijn meester,

of hij zal je vervloeken

en gij zult schuldig worden bevonden.

30:11 Er is een geslacht van mensen

die zijn vader vervloekt

en zijn moeder niet zegent.

30:12 Er is een geslacht die rein is in zijn eigen ogen,

doch niet schoon is gewassen van zijn vuilheid.

30:13 Er is een geslacht

Oh hoe hoogmoedig zijn zijn ogen!

En zijn oogleden worden in arrogantie opgetild.

30:14 Er is een geslacht van mensen

wiens tanden als zwaarden zijn

en zijn kiestanden zoals messen,

om de ellendigen van de aarde

en de behoeftigen van onder de mensen

te verslinden.

30:15 De bloedzuiger heeft twee dochters,

“Geef,” en “Geef.”

Er zijn drie dingen die niet verzadigd zullen worden,

vier die niet zullen zeggen,

“Genoeg”:

30:16 Sheol,

en de onvruchtbare baarmoeder,

de aarde die nooit verzadigd wordt met water,

en vuur die nooit zegt,

“Genoeg.”

30:17 Het oog dat een vader bespot

en een moeder veracht,

de raven van de vallei zullen het uitpikken,

en de jonge arenden zullen het opvreten.

30:18 Er zijn drie dingen die te wonderlijk voor mij zijn,

vier die ik niet begrijp:

30:19 De weg van een arend in de lucht,

de weg van een serpent op een rots,

de weg van een schip in het midden van de zee,

en de weg van een man bij een maagd.

30:20 Dit is de weg van een overspelige vrouw:

ze eet en veegt haar mond af,

en zegt,

” Iets verkeerds heb ik niet gedaan!”

30:21 Onder drie dingen siddert de aarde,

en onder vier,

kan zij niet verdragen:

30:22 onder een slaaf wanneer hij koning wordt,

en een dwaas wanneer hij voldaan is door eten,

30:23 onder een liefdeloze vrouw wanneer ze een echtgenoot krijgt,

en een dienstmeid wanneer ze haar meesteres verdringt.

30:24 Vier dingen zijn klein op de aarde,

maar ze zijn buitengewoon wijs:

30:25 de mieren zijn geen sterk volk,

maar reeds in de zomer bereiden ze hun voedsel;

30:26 de (shephanim) klip-dassen zijn geen machtig volk,

toch maken ze hun huizen in de rotsen;

30:27 de sprinkhanen hebben geen koning,

toch gaan ze allemaal in gelederen;

30:28 de hagedis kan je grijpen met de handen,

toch is zij in de paleizen van de koningen.

30:29 Er zijn drie dingen

die statig zijn in hun opmars,

zelfs vier

die statig zijn als ze stappen:

30:30 de leeuw

die machtig is onder de beesten

en (zich) niet voor één terugtrekt,

30:31 de trots stappende haan,

ook de mannelijke geit,

en een koning wanneer zijn leger bij hem is.

30:31 Als je dwaas bent geweest

om jezelf te verhogen

of als je kwaad hebt beraamt,

leg dan uw hand op uw mond.

30:32 Want het karnen van melk

levert boter op,

en het stoten van de neus

brengt bloed voort;

en het opstoken van boosheid

veroorzaakt alzo strijd.

Spreuken van Salomo 31

31:1 De woorden van koning Lemuel,

de godspraak

welke zijn moeder hem onderwees:

31:2 Wat,

O mijn zoon?

En wat,

O zoon van mijn baarmoeder?

En wat,

O zoon van mijn geloften?

31:3 Geef uw kracht niet aan vrouwen,

of uw wegen aan dat die koningen vernietigd.

31:4 Het is niet voor koningen,

O Lemuel,

het is niet voor koningen om wijn te drinken,

of voor heersers om sterke drank te verlangen,

31:5 want zij zullen drinken en vergeten wat is verordend,

en de rechten van alle beroofden verdraaien.

31:6 Geef sterke drank aan hem die verloren gaat,

en wijn aan hem wiens leven bitter is.

31:7 Laat hem drinken

en zijn armoede vergeten

en zijn last niet meer gedenken.

31:8 Open uw mond voor de stomme,

voor de rechten van alle ongelukkigen.

31:9 Open uw mond,

oordeel rechtvaardig,

en verdedig de rechten van de beroofden en de behoeftigen.

31:10 Een uitstekende echtgenote,

wie kan (haar) vinden?

want haar waarde is ver boven juwelen.

31:11 Het hart van haar echtgenoot vertrouwt op haar,

en hij zal geen gebrek hebben aan winst.

31:12 Zij brengt hem heil en geen onheil

al de dagen van haar leven.

31:13 Zij zoekt naar wol en vlas,

en ze werkt in verukking met haar handen.

31:14 Zij is als koopmans-schepen;

ze haalt haar voedsel van verre.

31:15 Zij staat ook op terwijl het nog steeds duister is

en geeft eten aan haar huishouden

en porties aan haar dienstmeisjes.

31:16 Ze kijkt naar een veld en koopt die;

van haar winsten plant zij een wijngaard.

31:17 Zij omgordt haarzelf met kracht

en maakt haar armen sterk.

31:18 Zij merkt dat haar winst goed is,

haar lamp gaat niet uit bij duisternis.

31:19 Zij strekt haar handen uit naar de spin-staf,

en haar handen grijpen de spoel.

31:20 Zij breidt haar hand uit naar de armen,

en ze strekt haar handen uit naar de behoeftigen.

31:21 Zij is niet bevreesd voor haar huishouden

vanwege de sneeuw,

want haar ganse huishouden

is met scharlaken gekleed.

31:22 Zij maakt ook bedekkingen voor zichzelf;

haar kleding is fijn linnen

en een purperen mantel.

31:23 Haar echtgenoot is bekend in de poorten,

wanneer hij zitting houdt

tussen de oudsten van het land.

31:24 Zij maakt linnen kleding

en verkoopt het,

en ze levert riemen

aan de handelaren.

31:25 Sterkte en waardigheid

zijn haar omkleding,

en ze glimlacht naar de toekomst!

31:26 Zij opent haar mond in wijsheid,

en de leer van goedheid is op haar tong.

31:27 Ze kijkt goed naar de wegen van haar huishouden,

en eet het brood der luiheid niet.

31:28 Haar kinderen staan op en zegenen haar;

haar echtgenoot ook,

en hij prijst haar,

zeggende:

31:29 “Vele dochters hebben nobel gedaan,

maar gij overtreft ze allemaal.”

31:30 Charme is bedrieglijk

en schoonheid is ijdelheid,

maar een vrouw die Maryah vreest,

zij zal geprezen worden.

31:31 Geef haar de vrucht van haar handen,

en laat haar werken

haar in de poorten prijzen.



Ketava d’Mazmore d’David 67-150

Psalmen Posted on Wed, September 19, 2018 12:51:27

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Mazmore d’David

Boek psalmen van David

Psalmen 67-150

Tehelim 67

67:1 Voor de koor leider;

met besnaarde instrumenten.

Een psalm.

Een lied.

67:2 Aloha is genadig aan ons

en zegent ons,

en doet Zijn aangezicht op ons schijnen

Selah.

67:3 Opdat Uw weg moge bekend zijn op de aarde,

Uw heil onder alle naties.

67:4 Laat de volken U loven,

O Aloha;

laat de volken,

allen,

U loven.

67:5 Laat de naties verblijd zijn

en zingen van vreugde;

want Gij zult de volken richten in oprechtheid

en de naties op de aarde leiden.

Selah.

67:6 Laat de volken U loven,

O Aloha,

laat de volken,

allen,

U loven.

67:7 De aarde heeft haar opbrengst opgebracht;

Aloha,

onze Aloha,

zegent ons.

67:8 Aloha zegen ons,

dat al de einden van de aarde Hem mogen vrezen.

Tehelim 68

68:1 Voor de koor leider

een psalm van David.

Een lied.

68:2 Laat Aloha opstaan,

laat Zijn vijanden verstrooid worden,

en laat degenen die Hem haten voor Hem vluchten

68:3 Gelijk de rook wordt weggedreven,

drijft hen alzo weg;

gelijk was voor het vuur smelt,

laat de goddelozen alzo vergaan voor Aloha.

68:4 Maar laat de rechtvaardigen blij zijn;

laat hen juichen voor Aloha;

ja,

laat hen met blijdschap vreugde-betonen.

68:5 Zing tot Aloha,

zingt lof-prijs tot Zijn naam;

heft een lied aan voor Hem die door de woestijn rijd,

wiens naam Maryah is,

en juicht voor Hem.

68:6 Een Vader voor de vaderloze

en een Rechter voor de weduwe,

is Aloha in Zijn heilige bewoning.

68:7 Aloha maakt een thuis voor de eenzame;

Hij leidt de gevangene uit tot in welvaart,

slechts de opstandige woont in een verdord land.

68:8 O Aloha,

terwijl Gij uitging voor Uw volk,

terwijl Gij marcheerde door de woestijn,

Selah.

68:9 Beefde de aarde;

ook de hemelen dropen regen bij de aanwezigheid van Aloha;

Sinai zelve beefde bij de aanwezigheid van Aloha,

de Aloha van Israel.

68:10 Gij stort alom een overvloedige regen,

O Aloha;

Gij bevestigde Uw erfdeel

toen het verdord was.

68:11 Uw schepselen vestigden daarin;

Gij voorzag in Uw goedheid voor de armen,

O Aloha.

68:12 Maryah gaf de opdracht;

de vrouwen,

welke de goede tijdingen verkondigen zijn een grote menigte:

68:13 “Koningen van legers vluchten,

ze vluchten,

en zij die thuis blijft

zal de buit verdelen!”

68:14 Wanneer ge neerligt te-midden-van de schaapskooien,

zijt ge gelijk de vleugels van een duif bedekt met zilver,

en haar slagpennen met glinsterend goud.

68:15 Toen de Almachtige de koningen daar verstrooide,

was het in Zalmon aan het sneeuwen.

68:16 Een berg van Aloha

is de berg van Bashan;

een berg van vele pieken

is de berg van Bashan.

68:17 Waarom kijken jullie met afgunst,

o bergen met vele pieken,

naar de berg die Aloha heeft verkozen tot Zijn woonplaats?

Maryah zal er immers voor eeuwig en altijd wonen.

68:18 De strijdwagens van Aloha zijn ontelbare,

duizenden bij duizenden;

Maryah is onder hen -zoals bij- Sinai,

in heiligheid.

68:19 Gij zijt opgevaren in de hoogte,

Gij hebt Uw gevangenen in gevangenschap geleid;

Gij hebt gaven ontvangen onder mensen,

ook zelfs onder de weerspannige,

opdat Maryah Aloha daar moge wonen.

68:20 Gezegend is Maryah,

die dagelijks onze last draagt,

de Aloha die onze zaligheid is.

Selah.

68:21 Aloha is voor ons een Aloha van verlossingen;

en bij Aloha Maryah behoren ontsnappingen uit de dood.

68:22 Aloha zal immers het hoofd verbrijzelen van Zijn vijanden,

de harige kruin van hem die in zijn schuldige daden verdergaat.

68:23 Maryah zei,

“Ik zal hen terugbrengen vanuit Bashan.

Ik zal hen terugbrengen vanuit de diepten van de zee;

68:24 opdat uw voet hen moge verpletteren tot bloedens toe,

de tongen van uw honden hun deel van uw vijanden moge hebben.”

68:25 Zij hebben Uw processie gezien,

O Aloha,

de processie van mijn Aloha,

mijn koning,

in het heiligdom.

68:26 De zangers gaande voorop,

de muzikanten na hen,

in het midden van hen

op tamboerijnen trommelende maagden.

68:27 Lovende Aloha in de gemeenten,

Maryah,

gij die uit de fontein van Israel zijt.

68:28 Daar is Benjamin,

de jongste,

heersend over hun,

de prinsen van Judah in hun drommen,

de prinsen van Zebulon,

de prinsen van Naphtali.

68:29 Uw Aloha heeft uw kracht bevolen;

toon Uzelf krachtig,

O Aloha,

die gehandeld heeft namens ons.

68:30 Vanwege Uw tempel te Jeruzalem

zullen koningen geschenken tot U brengen.

68:31 Berisp de beesten in het riet,

de kudde van stieren met de kalveren van de volken,

de stukken van zilver onder de voet vertrappelende;

Hij heeft de volkeren verstrooid die zich in oorlog verheugen.

68:32 Gezanten zullen uit Egypte komen;

Ethiopië zal snel haar handen uitstrekken naar Aloha.

68:33 Zingt tot Aloha,

O koninkrijken der aarde,

zingt lof-prijs tot Maryah,

Selah.

68:34 Aan Hem die rijdt op de hoogste hemelen,

welke van oude tijden zijn;

Zie,

Hij spreekt met Zijn stem uit,

een machtige stem.

68:35 Schrijft aan Aloha sterkte toe;

Zijn majesteit is over Israel

en Zijn sterkte is in de lucht.

68:36 O Aloha,

Gij zijt ontzagwekkend vanuit Uw heiligdom.

De Aloha van Israel Hemzelf

geeft sterkte en kracht aan het volk.

Gezegend is Aloha!

Tehelim 69

69:1 Voor de koor leider;

volgens Shoshannim.

Een psalm van David.

69:2 Red mij,

O Aloha,

want de wateren hebben mijn leven bedreigt.

69:3 Ik ben in een diepe modderpoel gezonken,

en daar is geen vaste voet;

ik ben in diepe wateren gekomen,

en een vloed overstroomt mij.

69:4 Ik ben vermoeid van mijn schreeuwen;

mijn keel is opgedroogd;

mijn ogen falen

terwijl ik wacht op mijn Aloha.

69:5 Degenen die mij zonder reden haten

zijn meer dan de haren op mijn hoofd;

Degenen die mij willen vernietigen zijn machtig,

zijn ten onrechte mijn vijanden;

wat ik nooit heb geplunderd,

heb ik vervolgens terug te brengen.

69:6 O Aloha,

het is U die mijn dwaasheid kent,

en mijn kwade (daden) zijn voor U niet verborgen.

69:7 Mogen degenen die op U wachten

door mij niet beschaamd worden,

O Maryah Aloha der heerscharen;

mogen degenen die U zoeken

door mij niet te schande worden gemaakt,

O Aloha van Israel,

69:8 Omdat ik om uwentwil smaad heb gebaard;

heeft oneer mijn aangezicht bedekt.

69:9 Ik ben vervreemd geworden van mijn broers

en een vreemdeling aan mijn moeders zonen.

69:19 Want ijver voor Uw huis heeft mij geconsumeerd,

en de smaad van degenen die U smaden

zijn op mij gevallen.

69:11 Wanneer ik met vasten weende in mijn ziel,

werd het m’n smaad.

69:12 Toen ik een geitenharen zak tot m’n kleding maakte,

werd ik een spotnaam voor hen.

69:13 Degenen die in de poort zitten praten over mij,

en ik ben het lied van de dronkaards.

69:14 Maar wat mijzelf betreft,

mijn gebed is tot U,

O Maryah,

op een aanvaardbaar tijdstip;

O Aloha,

in de grootheid van Uw liefdevolle vriendelijkheid,

antwoordt mij met Uw reddende waarheid.

69:15 Verlos mij uit het slijk

en laat mij niet zinken;

moge ik worden verlost van mijn vijanden

en vanuit diepe wateren.

69:16 Moge de vloed van water mij niet overstromen

noch de diepte mij opslokken,

noch de put zijn mond over mij toesluiten”

69:17 Antwoord mij,

O Maryah,

want Uw liefdevolle vriendelijkheid is goed;

volgens de grootheid van Uw mededogen,

keer U tot mij,

69:18 en verbergt Uw aangezicht niet voor Uw dienaar,

want ik ben in nood;

antwoordt me snel.

69:19 Oh nader dicht tot mijn ziel

en verlos haar;

koop mij vrij omwille van m’n vijanden!

69:20 Gij kent mijn smaad en mijn schaamte en mijn oneer;

al mijn tegenstanders zijn voor U.

69:21 Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zo ziek.

En ik zag uit naar sympathie,

maar er was geen,

en naar troosters,

maar ik vond niet één.

69:22 Ook gaven ze mij gal

tot mijn spijs

en voor mijn dorst

gaven ze mij azijn te drinken.

69:23 Moge hun tafel voor hen een hinderlaag worden;

en wanneer zij in rust zijn,

moge het een valstrik worden.

69:24 Moge hun ogen verduisterd worden

zodat zij niet kunnen zien,

en doe hun lendenen voortdurend wankelen.

69:25 Stort Uw gramschap op hen uit,

en moge Uw brandende woede hen inhalen.

69:26 Moge hun kamp verlaten zijn,

moge niet één in hun tenten wonen.

69:27 Want ze hebben hem vervolgd

die Gij zelf hebt geslagen,

en ze vertellen van de smart

van degenen die Gij hebt verwond.

69:28 Voeg ongerechtigheid toe aan hun ongerechtigheid,

en moge zij niet in Uw gerechtigheid komen.

69:29 Moge zij worden uitgewist uit het boek van leven

en moge zij niet worden opgeschreven met de rechtvaardigen.

69:30 Maar ik ben gekweld en in smart;

moge Uw heil,

O Aloha,

mij veilig stellen op hoogten.

69:31 Ik zal de naam van Aloha met een lied prijzen,

en Hem groot maken met dankzegging.

69:32 En het zal Maryah behagen

beter dan een os

of een jonge stier met horens en hoeven.

69:33 De ootmoedige heeft het gezien en is verblijd;

Gij die Aloha zoekt

laat uw hart nieuw leven geven.

69:34 Want Maryah hoort de behoeftigen

en veracht niet de Zijnen

die gevangenen zijn.

69:35 Laat de hemel en aarde Hem prijzen,

de zeeën en elk ding dat in hen beweegt.

69:36 Want Aloha wil Zion verlossen

en de steden van Judah bouwen,

opdat zij daarin mogen wonen en het bezitten.

69:37 De nakomelingen van Zijn dienaren zullen het beërven,

en degenen die Zijn naam liefhebben

zullen daarin wonen.

Tehelim 70

70:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David;

voor een herdenking.

70:2 O Aloha,

verhaast om mij te verlossen;

O Maryah,

verhaast tot mijn hulp!

70:3 Laat degenen beschaamd en vernederd worden

die mijn leven zoeken;

laat degenen omgedraaid en onteerd worden

die behagen scheppen in mijn kwaad.

70:4 Laat degenen omgedraaid worden

omwille van hun schaamte

die zeggen,

“Aha, aha!”

70:5 Laat allen die U zoeken zich verheugen

en blij zijn in U;

en laat degenen die Uw zaligheid liefhebben voortdurend zeggen,

“Laat Aloha groot gemaakt worden.”

70:6 Maar ik ben gekweld en behoeftig;

verhaast tot mij,

O Aloha!

Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder;

O Maryah,

vertraag niet.

Tehelim 71

71:1 In U,

O Maryah,

heb ik toevlucht genomen;

laat mij nooit beschaamd worden.

71:2 Bevrijd mij en red mij

in Uw gerechtigheid;

neig Uw oor tot mij

en verlos mij.

71:3 Wees tot mij een steenrots van bewoning

tot welke ik voortdurend moge komen;

Gij hebt opdracht gegeven om mij te verlossen,

want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting.

71:4 Bevrijd mij,

O mijn Aloha,

uit de hand van de goddelozen,

uit de greep van de kwaad doener

en meedogenloze mens,

71:5 Want Gij zijt mijn hoop;

O Maryah Aloha,

Gij zijt mijn vertrouwen vanuit mijn jeugd.

71:6 Door U ben ik ondersteund geweest vanaf mijn geboorte:

Gij zijt Hem die mij uit mijn moeder’s baarmoeder heeft genomen;

mijn lof-prijs is voortdurend voor U.

71:7 Ik ben een wonder geworden tot velen,

want Gij zijt mijn sterk toevluchtsoord.

71:8 Mijn mond is gevuld met Uw lof-prijs

en met Uw heerlijkheid de hele dag lang.

71:9 Werp mij niet weg in de tijd van ouderdom;

verlaat mij niet wanneer mij kracht ontbreekt.

71:10 Want mijn vijanden hebben tegen mij gesproken;

en degenen die bespieden op mijn leven

hebben samen beraadslaagd,

71:11 Zeggende;

“Aloha heeft hem verlaten;

vervolgt en grijpt hem,

want er is geen één om te verlossen.”

71:12 O Aloha,

Wees niet verre van mij;

O mijn Aloha,

verhaast tot mijn hulp!

71:13 Laat degenen die tegenstanders zijn van mijn ziel

beschaamd en verteerd worden;

laat hen bedekt worden met blaam en oneer

die mij zoeken te kwetsen.

71:14 Maar wat mij betreft,

ik zal voortdurend hopen,

en zal U nog meer-en-meer lof-prijzen.

71:15 Mijn mond zal vertellen van Uw gerechtigheid

en van Uw redding de hele dag lang;

alhoewel ik de hoeveelheid van hen niet weet.

71:16 Ik zal komen met de machtige daden van Maryah Aloha;

ik zal melding maken van Uw gerechtigheid,

d’uwe alleen.

71:17 O Aloha,

Gij hebt mij geleerd vanaf mijn jeugd,

en nog altijd

maak ik Uw wonderbaarlijke daden bekend.

71:18 En zelfs wanneer ik oud en grijs ben,

O Aloha,

verlaat mij niet,

totdat ik Uw kracht bekend maak aan deze generatie,

en Uw macht aan allen die zullen komen.

71:19 Want Uw gerechtigheid,

O Aloha,

reikt tot aan de hemelen,

Gij die grote dingen hebt gedaan;

O Aloha,

wie is U gelijk?

71:20 Gij die mij vele moeite’s en kwellingen hebt laten zien

zult mij opnieuw doen herleven,

en zult mij opnieuw omhoog brengen

uit de diepten van de aarde.

71:21 Gij zult mijn grootheid vermeerderen

en mij omtrekkend troosten.

71:22 Ook zal ik U loven met een harp,

zelfs Uw waarheid,

O mijn Aloha;

tot U zal ik lof-zingen met de lier,

O Heilige ene van Israël.

71:23 Mijn lippen zullen van vreugde juichen

wanneer ik tot U lof-zing;

en mijn ziel,

die Gij verlost hebt.

71:24 Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid uiten

de hele dag lang;

want zij zijn beschaamd,

want zij zijn vernederd

die mijn kwaad zoeken.

Tehelim 72

72:1 Een psalm van Solomon.

Geef de koning Uw gerichten,

O Aloha,

en Uw gerechtigheid aan de koning’s zoon.

72:2 Moge hij Uw volk richten met gerechtigheid

en Uw gekwelden met rechtvaardigheid.

72:3 Laat de bergen aan het volk vrede brengen,

en de heuvels,

in gerechtigheid.

72:4 Moge hij de ellendigen van het volk verdedigen,

de kinderen van de behoeftigen redden

en de onderdrukker verpletteren.

72:5 Laten ze U vrezen

zolang de zon en zo lang als de maan voortduurt,

dwars doorheen alle generaties.

72:6 Moge hij neerkomen als regen op het gemaaid gras,

zoals plensbuien die de aarde bewateren.

72:7 Moge in zijn dagen de rechtvaardige bloeien,

en de overvloed van vrede

tot de maan niet meer is.

72:8 Moge hij ook regeren van zee tot zee

en van de rivier tot aan de uiteinden van de aarde.

72:9 Laat de nomaden van de woestijn voor hem buigen,

en zijn vijanden het stof likken.

72:10 Laat de koningen van Tarshish

en van de eilanden geschenken meebrengen;

de koningen van Sheba en Seba giften aanbieden.

72:11 En laat alle koningen neerbuigen voor hem,

alle naties hem dienen.

72:12 Want hij zal de behoeftige verlossen wanneer hij om hulp schreeuwt,

alsook de gekwelde,

en hem die geen helper heeft.

72:13 Hij zal medelijden hebben

met de armen en behoeftigen,

en de levens van de behoeftigen

zal hij redden.

72:14 Hij zal hun leven redden

van onderdrukking en geweld,

en hun bloed

dat zal kostbaar zijn in zijn ogen;

72:15 Dus moge hij leven,

en moge het goud van Sheba aan hem worden gegeven;

en laat ze voortdurend voor hem bidden;

laat ze hem zegenen de hele dag lang.

72:16 Moge er overvloed van graan zijn

in het land op de top der bergen;

haar vrucht zal wuiven als de ceders van Libanon;

en moge die van de stad bloeien zoals de vegetatie van de aarde.

72:17 Moge zijn naam eeuwig voortduren;

moge zijn naam toenemen zolang als de zon schijnt;

en laat mannen zichzelf zegenen door hem;

laat alle naties hem gezegend noemen.

72:18 Gezegend is Maryah Aloha,

de Aloha van Israël,

die alleen wonderen werkt.

72:19 En gezegend is Zijn glorierijke naam voor altijd;

en moge de gehele aarde worden gevuld met Zijn heerlijkheid.

Amen, en amen.

72:20 De gebeden van David

zoon van Isaï

zijn beëindigd.

Tehelim 73

73:1 Een psalm van Asaph.

Zeker,

Aloha is goed voor Israël,

aan degenen die rein zijn van hart!

73:2 Maar wat mijzelf betreft,

kwamen mijn voeten dichtbij struikelen,

mijn stappen waren bijna uitgegleden.

73:3 Want ik was jaloers op de verwaanden

en ik zag de welvaart van de goddelozen.

73:4 Want er zijn geen pijnen tot hun dood,

en hun lichaam is vet.

73:5 Ze zijn niet in moeite

zoals andere mensen,

evenmin worden zij geplaagd

zoals andere mensen.

73:6 Daarom is hoogmoed hun halssnoer;

het gewaad van geweld bedekt hun.

73:7 Hun oog puilt uit van vetheid;

de verbeeldingen van hun hart voeren een oproer.

73:8 Ze bespotten

en spreken goddeloos van onderdrukking;

ze spreken vanuit de hoogte.

73:9 Ze hebben hun mond tegen de hemel gezet,

en hun tong paradeert over de aarde.

73:10 Daarom keert zijn volk terug naar deze plek,

en wateren van overvloed worden door hen dronken.

73:11 Ze zeggen,

“Hoe weet Aloha het?

en is er kennis bij de Meest Hoge?”

73:12 Zie!

deze zijn de goddelozen,

en immer in rust,

zijn zij in rijkdom toegenomen.

73:13 Immers,

tevergeefs heb ik mijn hart zuiver gehouden

en waste mijn handen in onschuld;

73:14 Want ik ben de hele dag lang zwaar beproefd

en elke morgen gekastijd.

73:15 Indien ik had gezegd,

“Ik zal op deze wijze spreken,”

zie,

ik zou het geslacht van Uw kinderen hebben verraden.

73:16 Toen ik nadacht om dit te verstaan,

was het lastig in mijn ogen

73:17 totdat ik in het heiligdom van Aloha kwam;

vervolgens bemerkte ik hun einde.

73:18 Immers,

Gij zet hun op glibberige plaatsen;

Gij werpt hun neer tot verwoesting.

73:19 Hoe worden zij als in een oogwenk verwoest!

zij worden geheel en al weggevaagd

door plotselinge verschrikkingen!

73:20 Zoals een droom wanneer iemand ontwaakt,

O Maryah,

wanneer ontwaakt,

zult Gij hun gedaante verachten.

73:21 Wanneer mijn hart verbitterd was

en ik vanbinnen werd doorboord,

73:22 toen was ik redeloos en onwetend;

ik was als een beest voor U.

73:23 Niettemin ben ik voortdurend bij U;

Gij hebt mij vastgehouden bij mijn rechterhand.

73:24 Met Uw raad zult Gij mij leiden,

en mij daarna in heerlijkheid opnemen.

73:25 Wie heb ik in de hemel behalve U?

en behalve U;

verlang ik niets op aarde.

73:26 Mijn vlees en mijn hart kunnen falen,

maar Aloha is de sterkte van mijn hart

en voor eeuwig mijn deel.

73:27 Want,

zie!

degenen die verre van U zijn zullen vergaan;

Gij hebt al degenen vernietigd die ontrouw aan U zijn.

73:28 Maar wat mij betreft,

de nabijheid van Aloha is m’n goed;

ik heb Maryah Aloha mijn toevlucht gemaakt,

opdat ik moge vertellen van al Uw werken.

Tehelim 74

74:1 Een maskil van Asaph.

O Aloha,

waarom hebt Gij ons voor eeuwig verworpen?

Waarom rookt Uw toorn tegen de schapen van Uw weiland?

74:2 Herinner Uw congregatie,

die Gij hebt verworven vanouds,

die Gij hebt verlost om het geslacht te zijn van Uw erfdeel;

en deze Berg Zion,

waar Gij hebt gewoond.

74:3 Keer Uw voetstappen naar de eeuwigdurende verwoestingen;

de vijand heeft alles beschadigd in het heiligdom.

74:4 Uw tegenstanders hebben gebruld

in het midden van Uw ontmoetingsplaats;

ze hebben hun eigen vaandels opgericht als tekens.

74:5 Het leek alsof één zijn bijl had opgetild in een woud van bomen.

74:6 En nu

al haar gesneden werk sloegen ze stuk

met hakmessen en hamers.

74:7 Ze hebben Uw heiligdom tot op de grond afgebrand;

ze hebben de woonplaats van Uw naam ontheiligd.

74:8 Ze zeiden in hun hart,

“Laat ons hen volledig onderwerpen.”

Zij hebben alle ontmoetingsplaatsen van Aloha in het land verbrand.

74:9 Wij zien onze tekenen niet;

er is niet langer een profeet,

noch is er iemand onder ons die weet hoe lang nog.

74:10 Hoe lang nog,

O Aloha,

zal de tegenstander smaden,

en de vijand Uw naam eeuwig verachten?

74:11 Waarom trekt Gij Uw hand af,

zelfs Uw rechter hand?

Van binnen Uw boezem,

vernietig hen!

74:12 Toch is Aloha mijn koning vanouds,

die daden van verlossing werkt

in het midden van de aarde.

74:13 U verdeelde de zee door Uw sterkte;

U verbrak de koppen van de zeemonsters in de wateren.

74:14 U verpletterde de koppen van Leviathan;

U gaf hem als spijs voor de schepsels der woestijn.

74:15 U brak springbronnen en bergstromen open;

U droogde altijd stromende beken op.

74:16 De Uwe is de dag,

de nacht is ook de Uwe;

Gij hebt het licht en de zon bereid.

74:17 Gij hebt al de grenzen van de aarde gevestigd,

Gij hebt zomer en winter gemaakt.

74:18 Herinner dit,

O Aloha,

dat de vijand heeft beschimpt,

en een dwaas volk Uw naam heeft versmaad.

74:19 Lever de ziel van Uw tortelduif niet over aan het wild beest;

vergeet niet het leven van Uw voor altijd gekwelde.

74:20 Aanzie het verbond;

want de donkere plaatsen van het land

zijn vol van de woningen van geweld.

74:21 Laat de onderdrukte niet onteerd terugkeren;

laat de gekwelde en behoeftige Uw naam lof-prijzen.

74:22 Sta op,

O Aloha,

en bepleit Uw eigen zaak;

herinner hoe de dwaze mens U smaad

de hele dag lang.

74:23 Vergeet niet de stem van Uw tegenstanders,

het tumult van degenen die tegen U opstaan

welke voortdurend opstijgt.

Tehelim 75

75:1 Voor de koor leider;

ingesteld voor Al-tashheth.

Een psalm van Asaph,

een lied.

75:2 Wij geven dank aan U,

O Aloha,

wij geven dank,

want Uw naam is nabij;

mensen maken Uw wonderlijke werken bekend.

75:3 “Wanneer ik een bestemden tijd kies,

is het ik die met billijkheid richt.

75:4 De aarde en allen die daarin wonen smelten;

het is ik die haar pilaren stevig heb gezet.

Selah.

75:5 Ik zei tot de bluffers,

‘ Bluf niet’

en tot de goddelozen,

‘Hef de hoorn niet op.

75:6 Hef uw hoorn niet op in de hoogte,

spreekt niet met brutale hoogmoed.'”

75:7 Want niet vanuit het oosten,

noch vanuit het westen,

noch vanuit de woestijn komt verhoging;

75:8 Enkel Aloha is de rechter;

Hij werpt de één neer

en verhoogt een ander.

75:9 Want een beker is in de hand van Maryah,

en de wijn schuimt;

het is goed vermengd,

en Hij giet daarvan uit;

doch,

al de goddelozen van de aarde

moeten de droesems onderaan opzuigen en drinken.

75:10 Maar wat mijzelf betreft,

ik zal het bekend maken voor eeuwig;

ik zal lof-prijs zingen tot de Aloha van Jakob.

75:11 En al de hoornen van de goddelozen zal Hij afbreken,

maar de hoornen van de rechtvaardigen zullen omhoog worden getild.

Tehelim 76

76:1 Voor de koor leider;

op besnaarde instrumenten.

Een psalm van Asaph,

een lied.

76:2 Aloha is gekend in Judah;

Zijn naam is groot in Israël.

76:3 Zijn tabernakel is in Salem;

tegelijkertijd is Zijn woning in Zion.

76:4 Daar verbrak Hij de vlammende pijlen,

het schild en het zwaard

en de wapenen der oorlog.

Selah.

76:5 Gij zijt grandiozer,

en majestueuzer dan de “Bergen van prooi.”

76:6 De stout-moedigen van hart werden geplunderd,

ze zonken in slaap;

en niet één van de strijders kon de handen gebruiken.

76:7 Op Uw berisping,

O Aloha van Jakob,

werden zowel ruiter en paard

in een diepe slaap geworpen.

76:8 Gij,

zelfs Gij,

zijt te vrezen;

en wie kan in Uw aanwezigheid gaan staan

wanneer Gij bij een gelegenheid toornig wordt?

76:9 Gij deed oordeel om gehoord te worden uit de hemel;

de aarde vreesde en was stil-

76:10 toen Aloha opstond tot oordeel,

om allen die nederig zijn op de aarde te verlossen.

Selah.

76:11 Want de boosheid van de mens

zal U lof-prijzen;

met een overblijfsel van boosheid

zult Gij uzelf omgorden.

76:12 Maak geloften aan Maryah uw Aloha en vervul hen;

laat allen die rondom Hem zijn geschenken brengen

aan Hem die te vrezen is.

76:13 Hij zal de geest van heersers afsnijden;

Hij wordt door de koningen van de aarde gevreesd.

Tehelim 77

77:1 Voor de koor leider;

volgens Jeduthun.

Een psalm van Asaph.

77:2 Mijn stem stijgt op tot Aloha,

en ik zal luid schreeuwen;

Mijn stem stijgt op tot Aloha,

en Hij zal mij horen.

77:3 Op de dag van mijn kwellingen

zocht ik Maryah;

in de nacht was mijn hand uitgestrekt zonder moe te worden;

mijn ziel weigerde om te worden vertroost.

77:4 Wanneer ik Aloha gedenk,

dan ben ik verontrust;

wanneer ik zucht,

dan wordt mijn geest zwak.

Selah.

77:5 Gij hebt mijn oogleden open gehouden;

ik ben zo verontrust dat ik niet kan spreken.

77:6 Ik heb de dagen van weleer overwogen,

de jaren van lang geleden.

77:7 Ik zal mijn lied gedenken in de nacht;

ik zal mediteren met mijn hart,

en mijn geest overweegt:

77:8 zal Maryah voor altijd verwerpen?

en zal Hij nooit meer opnieuw gunstig zijn?

77:9 Is Zijn liefdevolle vriendelijkheid voor altijd opgehouden?

Is Zijn belofte voor altijd tot een einde gekomen?

77:10 Is Aloha vergeten om genadig te zijn,

of heeft Hij in toorn zijn mededogen teruggetrokken?

77:11 Vervolgens zei ik,

“Het is mijn droefheid,

dat de rechterhand van de Meest Hoge is veranderd.”

77:12 Ik zal de daden van Maryah niet vergeten;

ik zal immers Uw wonderen van weleer onthouden.

77:13 Ik zal over al Uw werk mediteren

en over Uw daden mijmeren.

77:14 Uw weg,

O Aloha,

is heilig;

welke god is ontzagwekkend,

gelijk onze Aloha?

77:15 Gij zijt de Aloha die wonderen werkt;

Gij hebt Uw sterkte kenbaar gemaakt

onder de volken.

77:16 Gij hebt door Uw kracht Uw volk verlost,

de zonen van Jakob en Jozef.

Selah.

77:17 De wateren hebben U gezien,

O Aloha;

de wateren hebben U gezien,

ze waren in angst;

ook de diepten beefden.

77:18 De wolken goten water uit;

het uitspansel gaf een geluid weer;

Uw pijlen flitsten hier en daar.

77:19 Het geluid van Uw donderslagen was in de wervelwind;

de bliksemschichten verlichtten de wereld;

de aarde beefde en schudde.

77:20 Uw weg was in de zee

en Uw paden in de machtige wateren,

en Uw voetafdrukken

mochten niet geweten zijn.

77:21 Gij leidde Uw volk als een kudde

door de hand van Mozes en Aaron.

Tehelim 78

78:1 Een maskil van Asaph.

Luistert,

O mijn volk,

naar mijn instructie;

neig uw oren tot het woord van mijn mond.

78:2 Ik zal mijn mond openen in een gelijkenis;

ik zal verborgen gezegden uitbrengen van weleer,

78:3 Die wij hebben gehoord en gekend,

en onze vaders ons hebben verteld.

78:4 We zullen ze niet verstoppen voor hun kinderen,

maar aan de komende generatie de lof van Maryah vertellen,

en Zijn sterkte

en Zijn wonderlijke werken die Hij heeft verricht.

78:5 Want Hij richtte een getuigenis op in Jakob

en bestemde een wet in Israël,

die Hij onze vaders gebood

dat zij ze aan hun kinderen moeten leren,

78:6 opdat zelfs de komende generatie moge weten;

de kinderen die nog geboren worden,

dat zij mogen opstaan

en zij ze aan hun kinderen vertellen,

78:7 opdat zij hun vertrouwen in Aloha zouden stellen

en de werken van Aloha niet vergeten,

maar Zijn geboden houden,

78:8 en niet zijn zoals hun vaders,

een koppig en rebellerende generatie,

een generatie die haar hart niet bereidde

en wiens geest niet trouw was aan Aloha.

78:9 De zonen van Ephraim waren boogschutters

uitgerust met bogen,

toch keerden zij terug op de dag van de strijd.

78:10 Zij hielden het verbond van Aloha niet

en weigerden om in Zijn wet te wandelen;

78:11 zij vergaten Zijn daden

en Zijn wonderen

die Hij hun getoond had.

78:12 Hij werkte wonderen voor hun vaders in het land van Egypte,

in het veld van Zoan.

78:13 Hij verdeelde de zee

en deed hen doorgaan,

en Hij deed de wateren opstaan

als een massa.

78:14 Vervolgens leidde Hij hen met de wolk

overdag

en heel de nacht

met een licht van vuur.

78:15 Hij spleet de rotsen in de woestijn

en gaf hen overvloedig drinken

als de oceaan diepten.

78:16 Hij bracht ook stromen voort vanuit de rotsteen

en deed wateren afwaarts lopen als rivieren.

78:17 Toch gingen zij nog steeds door om te zondigen tegen Hem;

om te rebelleren tegen de Meest Hoogste

in de woestijn.

78:18 En in hun hart stelden ze Aloha op de proef

door voedsel te vragen

naar hun begeerte.

78:19 Toen spraken zij tegen Aloha;

ze zeiden,

“Kan Aloha een tafel bereiden in de woestijn?

78:20 Zie!

Hij sloeg de rots zodat wateren uit gutsten,

en stromen overvloeiende waren;

kan Hij ook brood geven?

zal Hij vlees voorzien voor Zijn volk?”

78:21 Dus hoorde Maryah en was vol van toorn;

en een vuur werd ontstoken tegen Jakob

en boosheid klom ook op tegen Israël,

78:22 omdat zij niet in Aloha geloofden

en niet vertrouwden op Zijn zaligheid.

78:23 Toch gebood Hij de wolken van hierboven

en opende de deuren van de hemel;

78:24 Hij regende het manna op hun neer om te eten

en gaf hun eten uit de hemel.

78:25 De mens at het brood van engelen;

Hij zond hen eten in overvloed.

78:26 Hij maakte dat de Oosten-wind blies uit de hemelen

en door Zijn sterkte regisseerde Hij de Zuiden-wind.

78:27 Wanneer Hij op hen vlees regende

als het stof,

zoals gevleugeld gevogelte

als het zand van de zeeën,

78:28 vervolgens liet Hij het vallen in het midden van hun kamp,

rondom hun woningen.

78:29 Dus aten zij,

en waren goed gevuld,

en hun begeerte gaf Hij aan hen.

78:30 Voordat zij hun begeerte hadden bevredigd,

terwijl hun voedsel nog in hun monden was,

78:31 de toorn van Aloha stond tegen hen op

en doodde sommigen van hun zwaarlijvigen,

en onderwierp de uitgelezen mannen van Israël.

78:32 Ondanks dit alles

zondigden zij nog steeds

en geloofden niet in Zijn wonderlijke werken.

78:33 Dus bracht Hij een einde aan hun dagen in nutteloosheid

en aan hun jaren in plotselinge verschrikking.

78:34 Toen Hij hen doodde,

vervolgens zochten zij Hem,

en keerden terug en zochten ijverig naar Aloha;

78:35 en zij herinnerden zich

dat Aloha hun rots was,

en de Meest Hoge Aloha

hun Verlosser.

78:36 Maar zij bedrogen Hem met hun mond

en logen tegen Hem met hun tong.

78:37 Want hun hart was Hem niet standvastig gewillig,

noch waren zij getrouw in Zijn verbond.

78:38 Maar Hij,

medelevend zijnde,

vergaf hun ongerechtigheid en vernietigde hen niet;

en menigmaal hield Hij Zijn boosheid in

en wekte niet gans Zijn gramschap op.

78:39 Dus herinnerde Hij zich

dat zij maar vlees waren,

een wind die voorbij en niet terugkomt.

78:40 Hoe dikwijls rebelleerden zij tegen Hem in de woestijn

en bedroefden zij Hem in de woestenij!

78:41 Opnieuw en opnieuw verzochten zij Aloha,

en pijnigden de Heilige Ene van Israël.

78:42 Zij dachten niet aan Zijn macht,

de dag wanneer Hij hen verloste van de tegenstander,

78:43 wanneer Hij Zijn tekenen verrichte in Egypte

en Zijn wonder-dingen in het veld van Zoan,

78:44 en hun rivieren tot bloed veranderde,

en hun beken,

konden ze niet drinken.

78:45 Hij zond zwermen van vliegen onder hen

die hen verslonden,

en kikkers die hen vernietigden.

78:46 Ook gaf Hij hun gewassen aan de sprinkhaan

en de vrucht van hun arbeid aan de treksprinkhaan.

78:47 Hij vernietigde hun wijnstokken met hagelstenen

en hun esdoorn bomen met vorst.

78:48 Hij gaf hun vee ook over aan de hagelstenen

en hun kuddes aan het rollen van de bliksem.

78:49 Hij zond Zijn brandende toorn op hun,

woede en verontwaardiging en ellende,

een schare van verwoestende boodschappers.

78:50 Hij nivelleerde een pad voor Zijn toorn,

Hij spaarde hun ziel niet van de dood,

maar gaf hun leven aan de pest over,

78:51 En sloeg al de eerstgeborenen in Egypte,

de eerste opbrengst van hun mannelijkheid

in de tenten van Ham.

78:52 Maar Hij wees Zijn eigen volk de weg als schapen

en gidste hun in de woestijn als een kudde;

78:53 Hij wees hen veilig de weg,

zodat zij niet vreesden;

maar de zee verzwolg hun vijanden.

78:54 Zo bracht Hij hen naar Zijn heilig land,

naar dit heuvelland

die Zijn rechterhand had verkregen.

78:55 Ook dreef Hij de naties voor hun aangezicht uit

en wees hen een erfenis toe door meting,

en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.

78:56 Toch verzochten zij

en rebelleerden tegen de Meest Hoge Aloha

en bewaarden Zijn getuigenissen niet,

78:57 maar keerden om

en handelden trouweloos zoals hun vaders;

zij draaiden zijwaarts als een verraderlijke boog.

78:58 En zij tergden Hem met hun hoge plaatsen

en wekten Zijn jaloersheid met hun gesneden beelden.

78:59 Wanneer Aloha het hoorde,

werd Hij gevuld met toorn

en verafschuwde Israël sterk;

78:60 zodat Hij de woon-plaats bij Shiloh verliet,

de tent die Hij onder de mensen had geplaatst,

78:61 en Zijn sterkte op-gaf tot gevangenschap

en Zijn heerlijkheid in de hand van de tegenstander.

78:62 Ook leverde Hij Zijn volk over aan het zwaard,

en werd gevuld met toorn tegen Zijn erfdeel.

78:63 Vuur verslond Zijn jonge mannen,

en Zijn maagden kregen geen bruiloft-liedjes.

78:64 Zijn priesters vielen door het zwaard,

en Zijn weduwen konden niet schreien.

78:65 Vervolgens ontwaakte Maryah gelijk als uit de slaap,

zoals een krijger door de wijn overwonnen.

78:66 Hij dromde Zijn tegenstanders achteruit;

Hij legde een eeuwigdurend verwijt op hen.

78:67 Hij verwierp ook de tent van Jozef,

en Hij verkoos de stam van Ephraim niet,

78:68 maar verkoos de stam van Judah,

berg Zion,

welke Hij liefhad.

78:69 En Hij bouwde Zijn heiligdom zoals de hoogten,

zoals de aarde welke Hij heeft gegrondvest

voor eeuwig.

78:70 Hij verkoos ook David

Zijn dienaar

en nam hem van uit de schaapskooien;

78:71 van uit de verzorging van de ooien met zuigende lammeren

bracht Hij hem om Jacob te weiden Zijn volk,

en Israël Zijn erfdeel.

78:72 Zo loodste hij hen volgens de integriteit van zijn hart,

en gidste hen met zijn bekwame handen.

Tehelim 79

79:1 Een psalm van Asaph.

O Aloha,

de naties zijn Uw erfdeel binnengedrongen;

ze hebben Uw heilige tempel verontreinigd;

ze hebben Jeruzalem in puin gelegd.

79:2 Ze hebben de dode lichamen van Uw dienaren

als voedsel gegeven

aan het gevogelte van het uitspansel,

en het vlees van Uw vromen

aan de beesten der aarde.

79:3 Ze hebben hun bloed uitgegoten

als water rondom Jeruzalem;

en er was niet één om hen te begraven.

79:4 We zijn tot een schande geworden

voor onze naasten,

een beschimping en bespotting

voor degenen rondom ons.

79:5 Hoe lang,

O Maryah?

zult Gij toornig zijn,

voor eeuwig?

zal Uw na-ijver als vuur branden?

79:6 Giet Uw gramschap uit

over de naties die U niet kennen,

en over de koninkrijken

die Uw naam niet aanroepen

79:7 Want ze hebben Jacob verslonden

en zijn woning in puin gelegd.

79:8 Gedenk de ongerechtigheden van onze voorouders niet tegen ons;

laat ons Uw mededogen snel tegemoet komen,

want we zijn zeer laag gebracht.

79:9 Help ons,

O Aloha van onze zaligheid,

vanwege de heerlijkheid van Uw naam;

en verlos ons

en vergeef onze zonden

om Uw naam’s wil.

79:10 Waarom zouden de naties zeggen,

“Waar is hun Aloha?”

laat daarginds onder de naties,

voor onze ogen bekend worden ,

de wraak voor het bloed van Uw dienaren

dat vergoten is geweest.

79:11 Laat het kermen van de gevangene voor U komen;

volgens de grootheid van Uw sterkte

bewaar diegenen die gedoemd zijn om te sterven.

79:12 En geef tot onze naasten zevenvoudig terug in hun schoot

de smaad waarmede ze U hebben gesmaad,

O Maryah.

79:13 Zo zullen wij Uw volk

en de schapen van uw grasland

eeuwig dank geven aan U;

aan alle generaties

zullen wij vertellen van Uw roem.

Tehelim 80

80:1 Voor de koor leider;

ingesteld op El Shoshannim; Eduth.

Een psalm van Asaph.

80:2 Oh,

geef gehoor,

Herder Israëls,

Gij die Joseph leidde als een kudde;

Gij die zijt getroond boven de cherubim,

weerschijn!

80:3 Voor Ephraim

en Benjamin

en Manasseh,

aanwakker Uw macht

en kom om ons te redden!

80:4 O Aloha,

herstel ons

en doe Uw aangezicht over ons schitteren,

en wij zullen worden gered.

80:5 O Maryah Aloha van heerscharen,

hoe lang zult Gij verbolgen zijn

door het gebed van Uw volk?

80:6 Gij hebt hen gevoed met het brood van tranen,

en Gij hebt hen tranen laten drinken

in vrijgevige mate.

80:7 Gij maakt ons tot een mikpunt van twist bij onze buren,

en onze vijanden lachen onder elkaar.

80:8 O Aloha van heerscharen,

herstel ons

en doe uw aangezicht over ons schitteren,

en wij zullen worden gered.

80:9 U haalde een wijnstok weg uit Egypte;

U dreef de naties uit en plantte haar.

80:10 U maakte de grond vrij voor haar,

en zij kreeg diepe wortel

en vulde het land.

80:11 De bergen waren bedekt

met haar schaduw,

en de ceders van Aloha

met haar takken.

80:12 Zij zond haar takken uit naar de zee,

en haar scheuten naar de rivier.

80:13 Waarom hebt Gij haar hagen afgebroken,

zo dat allen die de weg passeren

haar vrucht plukken?

80:14 Een mannelijk zwijn uit het woud wroet haar uit

en wat er ook beweegt in het veld

vreet haar af.

80:15 O Aloha van de heerscharen,

keer nu terug,

wij smeken U;

kijk naar beneden vanuit de hemel en zie!

en draag zorg voor deze wijnstok,

80:16 gelijk voor de scheut die Uw rechterhand heeft geplant,

en over de zoon die Gij hebt gesterkt voor Uzelf.

80:17 verbrand met vuur is zij,

zij is neer gehakt;

zij vergaan door de tuchtiging van Uw aanschijn.

80:18 Laat Uw hand op die man van Uw rechterhand zijn,

op de zoon des mensen

die Gij sterk maakte voor Uzelf.

80:19 Dan zullen wij van U niet achterwaarts omdraaien;

doe ons herleven,

en wij zullen Uw naam aanroepen.

80:20 O Maryah Aloha van heerscharen,

herstel ons;

laat Uw aangezicht op ons schijnen,

en we zullen worden gered.

Tehelim 81

81:1 Voor de koor leider;

op de Gittith.

Een psalm van Asaph.

81:2 Zingt van vreugde

tot Aloha onze sterkte;

juicht vreugdevol

tot de Aloha van Jacob.

81:3 Hef een lied aan,

slaat op de tamboerijn,

klinkt de liefelijke harp samen met de lier.

81:4 Blaas de bazuin bij nieuwe maan,

bij volle maan,

op onze feestdag.

81:5 Want het is een instructie voor Israël,

een voorschrift van de Aloha van Jacob.

81:6 Hij vestigde het tot een getuigenis in Joseph

wanneer hij dwars door het land van Egypte ging.

Ik hoorde een taal die ik niet kende:

81:7 “Ik heb zijn schouder verlicht van de last,

zijn handen werden van de mand bevrijd.

81:8 In moeite’s riep je en Ik redde u uit;

Ik antwoordde u uit de schuilplaats van donder;

Ik beproefde u bij de wateren van Meribah.

Selah.

81:9 Hoort,

O Mijn volk,

en Ik zal u vermanen;

O Israël,

indien gij naar Mij zou willen luisteren!

81:10 Laat er geen vreemde aloha onder u zijn;

ook zult gij geen uitheemse aloha aanbidden.

81:11 Ik,

Maryah,

ben uw Aloha,

die u opbracht uit het land van Egypte;

open uw mond wijd-open

en Ik zal hem vullen.

81:12 Maar Mijn volk luisterde niet naar Mijn stem,

en Israël gehoorzaamde Mij niet.

81:13 Dus gaf Ik hen over aan de koppigheid van hun hart,

om in hun eigen plannen te wandelen.

81:14 Oh dat Mijn volk naar Mij zou willen luisteren,

dat Israël in mijn wegen zou wandelen!

81:15 Ik zou hun vijanden snel onderwerpen

en Mijn hand tegen hun tegenstanders keren.

81:16 Diegenen die Maryah haten

zouden gehoorzaamheid aan Hem voorwenden,

en hun tijd van bestraffing zou voor eeuwig zijn.

81:17 Maar u zou Ik voeden

met het zuiverste van de tarwe,

en met honing van de rots

zou ik u verzadigen.”

Tehelim 82

82:1 Een psalm van Asaph.

Aloha neemt Zijn positie in

in Zijn eigen congregatie;

Hij oordeelt in het midden van de heersers.

82:2 Hoelang zullen jullie onrechtvaardig oordelen

en voorkeur betonen aan de goddelozen?

Selah.

82:3 Rechtvaardigt de zwakke en vaderloze;

doe recht aan de gekwelde en berooide.

82:4 Red de zwakken en behoeftigen;

bevrijd hen vanuit de hand van de goddelozen.

82:5 Zij weten niet

noch begrijpen zij;

zij wandelen in’t rond in de duisternis;

al de fundamenten van de aarde worden geschud.

82:6 Ik zei,

” Gij zijt machtigen,

en allen van u zijn kinderen van de Meest Hoge.

82:7 Toch zullen jullie sterven als mensen

en gelijk iemand van de prinsen neervallen .”

82:8 Sta op,

O Aloha,

oordeelt de aarde!

Want het is aan U die alle naties bezit.

Tehelim 83

83:1 Een lied,

een psalm van Asaph.

83:2 O Aloha,

blijft niet in stilte;

zijt niet sprakeloos en,

O Aloha,

zijt niet stil.

83:3 Want zie,

U vijanden maken een kabaal,

en degenen die U haten hebben zichzelf verhoogd.

83:4 Zij maken sluwe plannen tegen Uw volk,

en spannen tezamen

tegen Uw gekoesterden.

83:5 Zij hebben gezegd,

“Komt,

en laat ons hen als een volk uitvegen,

opdat de naam van Israël niet meer wordt herinnerd.”

83:6 Want zij hebben samengespannen

één van geest;

tegen U maken zij een verbond:

83:7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten,

Moab en de Hagarenen;

83:8 Gebal en Ammon en Amalek,

Philistia met de inwoners van Tyrus;

83:9 Assyrië heeft zich ook met hen samengevoegd;

zij zijn een hulp aan de kinderen van Lot geworden.

Selah.

83:10 Handel met hen als met Midian,

als met Sisera en Jabin aan de bergstroom van Kishon,

83:11 die werden vernietigd te En-dor,

die als bemesting voor de grond werden.

83:12 Maak hun edelen als Oreb en Zeeb

en al hun prinsen als Zebah en Zalmunna,

83:13 die zeiden,

“Laten we voor onszelf bezit nemen van de weilanden van Aloha.”

83:14 O mijn Aloha,

maak hen als het wervelende stof,

als kaf voor de wind.

83:15 Als vuur

die het bos afbrandt

en als een vlam

die de bergen in vuur zet,

83:16 dus vervolg hen met Uw orkaan

en verschrik hen met Uw wervelstorm.

83:17 Bekleed hun aangezichten met schande,

opdat zij Uw naam zouden zoeken,

O Maryah.

83:18 Laat hen beschaamd worden en eeuwig verschrikt,

en laat hen vernederd worden en verloren gaan,

83:19 opdat zij mogen weten dat Gij alleen,

wiens naam Maryah is,

de Meest Hoogste zijt over de ganse aarde.

Tehelim 84

84:1 Voor de koor leider;

op de gittith.

Een psalm van de zonen van Korah.

84:2 Hoe prachtig zijn Uw woonplaatsen,

O Maryah der heerscharen!

84:3 Mijn ziel verlangde en hunkerde zelfs

naar de hoven van Maryah;

mijn hart en mijn vlees zingen van vreugde

tot de levende Aloha.

84:4 De vogel heeft ook een huis gevonden,

en de zwaluw een nest voor haarzelf,

waar zij haar jongen kan leggen,

bij Uw altaren,

O Maryah der heerscharen,

mijn koning en mijn Aloha.

84:5 Hoe gezegend zijn degenen die in Uw huis wonen!

immer prijzen zij U.

Selah.

84:6 Hoe gezegend is de mens wiens sterkte in U is,

in wiens hart de verharde wegen zijn

naar Zion!

84:7 De vallei van Baca doortrekkende

maakt Hij hen een springbron;

ook de vroege regen bedekt hen met zegeningen.

84:8 Zij gaan van sterkte tot sterkte,

elk één van hen verschijnt voor Aloha in Zion.

84:9 O Maryah Aloha der heerscharen,

hoort mijn gebed;

geef gehoor,

O Aloha van Jacob!

Selah.

84:10 Zie ons schild,

O Aloha,

en aanzie het aangezicht van Uw gezalfde.

84:11 Want één dag in uw hoven is beter dan duizend dagen daarbuiten

liever zou ik op de drempel staan van het huis van mijn Aloha

dan in de tenten der goddeloosheid te wonen.

84:12 Want Maryah Aloha is een zon en schild;

Maryah geeft genade en heerlijkheid;

Hij weerhoud geen goed ding

van degenen die oprecht wandelen.

84:13 O Maryah der heerscharen,

hoe gezegend is de mens

die in U vertrouwen stelt!

Tehelim 85

85:1 Voor de koor leider.

Een psalm van de zonen van Korah.

85:2 O Maryah,

U betoonde gunst aan Uw land;

de gevangenschap van Jacob heeft U omgewend.

85:3 U vergaf de ongerechtigheid van Uw volk;

U bedekte al hun zonden.

Selah.

85:4 U trok al Uw woede terug;

U wendde af van Uw brandende toorn.

85:5 Breng ons terug,

O Aloha van onze zaligheid,

en doe Uw verontwaardiging naar ons toe ophouden.

85:6 Zult Gij door ons eeuwig vertoornd zijn?

zult Gij Uw toorn naar alle generaties verlengen?

85:7 Zult Gij ons niet zelf weer doen herleven,

opdat Uw volk in U moge verheugen?

85:8 Toon ons Uw liefdevolle vriendelijkheid,

O Maryah,

en schenkt ons Uw heil.

85:9 Ik zal horen wat Aloha Maryah zal zeggen;

want Hij zal vrede spreken tot Zijn volk,

tot degenen die god-vrezen;

maar laat hen niet terugkeren naar dwaasheid.

85:10 Zijn heil is immers dichtbij

voor degenen die Hem vrezen,

opdat heerlijkheid in ons land moge wonen.

85:11 Liefdevolle goedheid en waarheid

hebben elkaar ontmoet;

gerechtigheid en vrede

hebben elkaar gekust.

85:12 Waarheid ontspringt uit de aarde,

en gerechtigheid kijkt uit de hemel naar beneden.

85:13 Inderdaad zal Maryah geven wat goed is,

en ons land zal haar voortbrengsel voortbrengen.

85:14 Gerechtigheid zal voor Hem uitgaan

en zal een weg maken

voor Zijn voetstappen.

Tehelim 86

86:1 Een gebed van David.

Neig Uw oor,

O Maryah,

en antwoord mij;

want ik ben gekweld en behoeftig.

86:2 Behoud mijn ziel,

want ik ben een godvruchtig mens;

O Gij mijn Aloha,

verlos Uw dienaar die in U vertrouwt.

86:3 Wees genadig tot mij,

O Maryah,

want ik aanroep U

de hele dag lang.

86:4 Maak de ziel van Uw dienaar blij,

want tot U,

O Maryah,

verhef ik mijn ziel.

86:5 Want Gij,

Maryah,

zijt goed,

en klaar om te vergeven,

en overvloedig aan liefdevolle goedheid

voor allen die U aanroepen.

86:6 Geef gehoor,

O Maryah,

aan mijn gebed;

en sla acht op de stem van mijn smeekbeden!

86:7 Op de dag van mijn moeite

zal ik U aanroepen,

want Gij zult mij verhoren.

86:8 Er is niet één onder de machtigen

zoals U ,

O Maryah,

er zijn ook geen werken

zoals de Uwe.

86:9 Alle naties die Gij hebt gemaak

zullen komen en aanbidden voor U,

O Maryah,

en zij zullen Uw naam verheerlijken.

86:10 Want U bent groot

en doet wonderbaarlijke daden;

U alleen bent Aloha.

86:11 Leer mij Uw weg,

O Maryah;

ik zal wandelen in Uw waarheid;

verenigd mijn hart

om Uw naam te eerbiedigen.

86:12 Ik zal aan U dankzegging geven,

O Maryah mijn Aloha,

met geheel mijn hart,

en zal Uw naam eeuwig prijzen.

86:13 Want Uw liefdevolle goedheid naar mij toe

is kostbaar,

en Gij hebt mijn ziel verlost

vanuit de diepten van Sheol.

86:14 O Aloha,

verwaande mannen zijn opgestaan tegen mij,

en een bende van gewelddadige mannen hebben mijn leven gezocht,

en zij hebben U niet vóór hun gesteld.

86:15 Maar Gij,

O Maryah,

zijt een Aloha barmhartig en genadig,

traag tot toorn

en royaal in liefdevolle goedheid en waarheid.

86:16 Wend naar mij,

en wees genadig tot mij;

oh verleen Uw sterkte aan Uw dienaar,

en verlos de zoon van Uw dienstmaagd.

86:17 Toon mij een teken ten goede,

opdat degenen die mij haten

het mogen zien

en beschaamd worden,

want Gij,

O Maryah,

hebt mij geholpen

en mij getroost.

Tehelim 87

87:1 Een psalm van de zonen van Korah.

Een lied.

Zijn fundament is op de heilige bergen.

87:2 Maryah heeft de poorten van Zion lief

meer dan al de andere woonplaatsen van Jakob.

87:3 Glorieuze dingen worden over u gesproken,

O stad van Aloha.

Selah.

87:4 “Ik zal gewag maken van Rahab en Babylon

te midden van degenen die mij kennen;

Aanschouw!

Philistia en Tyrus samen met Ethiopia:

‘Deze is daarginds geboren.'”

87:5 Maar van Zion zal worden gezegd,

“Deze hier en die daar zijn in haar geboren”;

en de Meest Hoge zelf zal haar vestigen.

87:6 Maryah zal hen tellen wanneer Hij de volken registreert,

“Deze is daarginds geboren.”

87:7 Dan zullen degenen die zingen

zowel als degenen die de fluit spelen zeggen,

“Al mijn bronnen van vreugde zijn in u.”

Tehelim 88

88:1 Een lied.

Een psalm van de zonen van Korah.

Voor de koor leider;

volgens Mahalath Leannoth.

een maskil van Heman de Ezrahite.

88:2 O Maryah,

Aloha van mijn heil,

bij dag en bij nacht

aanriep ik vóór U.

88:3 Laat mijn gebed vóór U komen;

neigt Uw oor naar mijn gejammer!

88:4 Want mijn ziel heeft genoeg kwellingen gehad,

en mijn leven is nabij Sheol getrokken.

88:5 Ik ben gerekend onder diegenen die naar de put afdalen;

ik ben als een man zonder kracht geworden,

88:6 Verlaten te-midden-van de doden,

zoals de gedoden die in het graf liggen,

die Gij niet meer gedenkt,

en zij zijn van Uw hand afgesneden.

88:7 En Gij hebt mij in de onderste put gelegd,

in duistere plaatsen,

in kolken.

88:8 Uw toorn rustte op mij,

en met al Uw golven hebt Gij mij gekweld.

Selah.

88:9 Gij hebt mijn kennissen verre van mij verwijderd;

Gij hebt mij voor hen een object van afkeer gemaakt;

ik ben opgesloten

en kan niet uitgaan.

88:10 Mijn oog heeft verspild

vanwege smart;

ik heb U elke dag aangeroepen,

O Maryah;

ik heb mijn handen naar U uitgespreid.

88:11 Zult Gij mirakels doen voor de doden?

zullen de vertrokken geesten opstaan en U prijzen?

Selah.

88:12 Zal Uw liefdevolle goedheid worden bekend gemaakt in het graf,

Uw trouw in Abaddon?

88:13 Zullen uw mirakels bekend gemaakt worden in de duisternis?

en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?

88:14 Maar ik,

O Maryah,

riep tot U uit om hulp,

en in de morgen komt mijn gebed voor U.

88:15 O Maryah,

waarom verwerpt Gij mijn ziel?

waarom verbergt Gij Uw aangezicht voor mij?

88:16 Ik was gekweld en zowat stervende van mijn jeugd af aan;

ik draag Uw verschrikkingen;

ik ben overweldigd.

88:17 Uw gloeierige toorn is over mij gegaan;

Uw verschrikkingen hebben mij vernietigd.

88:18 Ze hebben mij omringd als water

de hele dag lang;

ze hebben mij te samen omgeven.

88:19 Gij hebt geliefde en vriend verwijderd

verre van mij;

mijn kennissen zijn in duisternis.

Tehelim 89

89:1 Een Maskil van Ethan de Ezrahite.

89:2 Ik zal zingen van de liefdevolle goedheid van Maryah

voor eeuwig;

aan alle generaties zal ik Uw trouw bekend maken

met mijn mond.

89:3 Want Ik heb gezegd,

“Liefdevolle goedheid zal voor eeuwig worden opgebouwd

in de hemelen zult Gij uw trouw vestigen.”

89:4 “Ik heb een verbond gemaakt met Mijn gekozene;

ik heb gezworen aan David Mijn dienaar,

89:5 Ik zal uw zaad vestigen

voor eeuwig

en uw troon opbouwen tot alle generaties.”

Selah.

89:6 De hemelen zullen Uw wonderwerken loven,

O Maryah;

evenals Uw trouw

in de samenkomst van de heiligen.

89:7 Want wie in de hemelen

is vergelijkbaar aan Maryah?

wie onder de zonen van de machtige

is gelijk Maryah,

89:8 de Aloha zeer gevreesd in de raad van de heiligen,

en ontzagwekkend boven al degenen die rondom Hem zijn?

89:9 O Maryah Aloha der heerscharen,

wie is gelijk U,

O machtige Maryah?

ook Uw trouw omringt U.

89:10 Gij bestuurt de zwelling van de zee;

wanneer haar golven oprijzen,

kalmeert Gij hen.

89:11 Gij zelf,

Gij verpletterde Rahab als iemand die gedood is;

Gij verstrooide Uw vijanden met Uw machtige arm.

89:12 De hemelen zijn de uwe,

ook de aarde is de uwe;

de wereld en alles daarin,

Gij hebt hen gegrond.

89:13 Het noorden en het zuiden,

Gij hebt hen geschapen;

Tabor en Hermon juichen van vreugde in Uw naam.

89:14 Gij hebt een sterke arm;

Uw hand is machtig,

Uw rechterhand is verheven.

89:15 Gerechtigheid en rechtvaardigheid

zijn de basis van Uw troon;

liefdevolle goedheid en waarheid

gaan voor U heen.

89:16 Hoe gezegend is het volk

die de heugelijke klank kent!

O Maryah,

zij wandelen in het licht van Uw aangezicht.

89:17 In Uw naam verheugen zij zich de gehele dag,

en door Uw gerechtigheid worden zij verhoogd.

89:18 Want Gij zijt de heerlijkheid van hun sterkte,

en door Uw gunst is onze hoorn verhoogd.

89:19 Want ons schild behoort aan Maryah toe,

en onze koning aan de Heilige Ene van Israël.

89:20 Op een keer sprak U in een visioen tot Uw vromen,

en zei,

“Ik heb hulp verleent aan iemand die machtig is;

ik heb iemand verhoogd

gekozen uit het volk.

89:21 “Ik heb David gevonden

mijn dienaar;

met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd,

89:22 die zal worden vastgesteld door Mijn hand;

ook zal Mijn arm hem versterken.

89:23 “De vijand zal hem niet misleiden,

evenmin zal de zoon der goddeloosheid hem kwellen

89:24 “Maar Ik zal zijn tegenstanders verpletteren voor zijn aangezicht,

en diegenen treffen die hem haten.

89:25 “Mijn trouw en Mijn liefdevolle goedheid zullen met hem zijn,

en in Mijn naam zal zijn hoorn worden verhoogd.

89:26 Ook zal Ik zijn hand over de zee stellen

en zijn rechterhand over de rivieren.

89:27 “Hij zal tot Mij roepen,

‘Gij zijt mijn vader,

Mijn Aloha,

en de rotssteen van mijn heil.’

89:28 “Ook zal ik hem Mijn eerstgeborene maken,

de hoogste der koningen van de aarde?

89:29 “Mijn liefdevolle goedheid zal ik aan hem voor altijd nakomen,

en Mijn verbond zal aan hem worden bevestigd.

89:30 “Zo zal ik zijn nazaten voor eeuwig vestigen

en zijn troon

als de dagen des hemel.

89:31 “Indien zijn zonen Mijn wet verzaken

en niet wandelen naar Mijn zienswijzen,

89:32 indien zij Mijn inzettingen geweld aandoen

en Mijn geboden niet houden,

89:33 dan zal Ik hun overtredingen bestraffen met de roede

en hun ongerechtigheid met strepen.

89:34 “Maar Ik zal Mijn liefdevolle goedheid naar hem niet verbreken,

evenmin valselijk handelen

in Mijn getrouwheid.

89:35 “Mijn verbond zal Ik geen geweld aandoen,

evenmin zal Ik de uiting van Mijn lippen veranderen.

89:36 “Eens heb ik gezworen bij Mijn heiligheid;

Ik zal niet liegen tegen David.

89:37 “Zijn nazaten zullen voor eeuwig voortbestaan

en zijn troon voor Mij gelijk de zon.

89:38 “Het zal voor eeuwig worden vastgesteld

gelijk de maan,

en in de hemel is de getuige getrouw.”

Selah.

89:39 Maar Gij hebt afgestoten en verworpen,

Gij zijt vol van toorn geweest

tegen Uw gezalfde.

89:40 Gij hebt het verbond van Uw dienaar met verachting afgewezen;

Gij hebt zijn kroon

in het stof ontwijd.

89:41 Gij hebt al zijn muren afgebroken;

Gij hebt zijn bolwerken tot val gebracht.

89:42 Allen die langs de weg passeren plunderen hem;

hij is een schande geworden tot zijn naasten.

89:43 Gij hebt de rechterhand van zijn tegenstanders verhoogd;

Gij hebt al zijn vijanden verheugd gemaakt.

89:44 Ook wendde U de snede van zijn zwaard af

en hebt hem niet doen opstaan in de strijd.

89:45 Gij hebt zijn pracht doen ophouden

en zijn troon ten gronde geworpen.

89:46 Gij hebt de dagen van zijn jeugd verkort;

Gij hebt hem bedekt met schaamte.

Selah.

89:47 Hoelang,

O Maryah?

Zult Gij uzelf altijd verbergen?

Zal Uw toorn branden als vuur?

89:48 Bedenk welke mijn tijdspanne van leven is;

nietigheid

voor welke Gij al de zonen der mensen hebt geschapen!

89:49 Welk mens kan leven en de dood niet zien?

kan hij zijn ziel bevrijden van de macht van Sheol.

Selah.

89:50 Waar zijn Uw eerste liefdevolle goedheden,

O Maryah,

die Gij aan David hebt gezworen bij Uw getrouwheid?

89:51 Bedenk,

O Maryah,

de smaad over Uw dienaren;

hoe ik de smaad draag in mijn boezem

van alle vele volkeren,

89:52 Met welke Uw vijanden hebben gesmaad,

O Maryah,

met welke zij de voetstappen van Uw gezalfde hebben gesmaad.

89:53 Gezegend is Maryah voor eeuwig!

Amen en Amen.

Tehelim 90

90:1 Een gebed van Mozes,

de man van Aloha.

Maryah,

Gij zijt onze woning plaats geweest

in alle generaties.

90:2 Voor de bergen geboren waren

en Gij geboorte hebt gegeven aan de aarde en de wereld,

zelfs van eeuwigheid tot eeuwigheid,

zijt Gij Aloha.

90:3 Gij doet mensen wederkeren tot stof en zegt,

“keert weder, O kinderen der mensen.”

90:4 Want één duizend jaren voor Uw aanblik

zijn als de dag van gisteren

zo die verstreken is,

of als een wake in de nacht.

90:5 Gij hebt hen weggevaagd als een overstroming,

zij vallen in slaap;

in de morgen zijn ze als gras die opnieuw ontspruit.

90:6 In de morgen bloeit het en ontspruit opnieuw;

naar de avond toe verwelkt het en kwijnt weg

90:7 Want we zijn verteerd geweest door Uw woede

en door Uw toorn zijn we verschrikt geweest.

90:8 Gij hebt onze ongerechtigheden voor U geplaatst,

onze geheime zonden in het licht van Uw tegenwoordigheid.

90:9 Want al onze dagen zijn afgenomen

in Uw grimmigheid;

we hebben onze jaren beëindigd

als een zucht.

90:10 Wat betreft de dagen van ons leven,

ze bevatten zeventig jaren,

of als gevolg van sterkte,

tachtig jaren,

toch is hun trots maar arbeid en smart;

want snel is het vervlogen

en we vliegen heen.

90:11 Wie begrijpt de kracht van Uw boosheid

en Uw woede,

volgens het ontzag dat U verschuldigd is?

90:12 Leer ons dus om onze dagen te tellen,

opdat wij U een hart van wijsheid mogen aanbieden.

90:13 Keer terug,

O Maryah,

hoe lang zal het zijn?

en heb spijt om Uw dienaars.

90:14 O kom ons tegemoet in de ochtend

met uw liefdevolle goedheid,

dat wij van vreugde mogen zingen

en verblijd zijn al onze dagen.

90:15 Maak ons blij

naar de dagen Gij ons hebt getroffen,

en de jaren wij kwaad hebben gezien.

90:16 Laat Uw werk aan Uw dienaren verschijnen

en Uw majesteit aan hun kinderen.

90:17 Laat de gunst van Maryah onze Aloha op ons zijn;

en bevestigt het werk van onze handen aan ons;

ja,

bevestigt het werk van onze handen.

Tehelim 91

91:1 Hij die in de schuilplaats van de Meest Hoge woont

zal in de schaduw van de Almachtige verblijven.

91:2 Ik zal tot Maryah zeggen,

“Mijn toevlucht en mijn vesting,

mijn Aloha,

op wie ik vertrouw!”

91:3 Want het is Hij die U verlost

uit de valstrik van de strikkenzetter

en van de dodelijke pest.

91:4 Hij zal u bedekken met Zijn vlerken,

en onder Zijn vleugels moogt ge toevlucht zoeken;

Zijn getrouwheid is een schild en een bolwerk.

91:5 Gij zult niet bevreesd zijn

van de verschrikking in de nacht,

of van de pijl die bij daglicht vliegt;

91:6 van de pest die besluipt in duisternis,

of van de vernieling die verwoesting aanricht op de middag.

91:7 Aan uw zijde kunnen er één duizend vallen

en tienduizend aan uw rechterhand;

maar het zal u niet naderen.

91:8 Gij zult het alleen met uw ogen aanschouwen

en de vergelding van de goddelozen zien.

91:9 Want gij hebt Maryah,

mijn toevlucht,

de Meest Hoge zelf,

tot uw woningplaats gemaakt.

91:10 Geen kwaad zal u overkomen,

noch zal enige plaag nabij uw tent komen.

91:11 Want Hij zal Zijn engelen opdracht geven aangaande u,

om u te beschermen in al uw wegen.

91:12 Zij zullen u op hun handen dragen,

opdat gij uw voet niet tegen een steen stoot.

91:13 Op de leeuw en cobra zult gij treden

de jonge leeuw en het serpent zult gij vertrappen

91:14 “Omdat hij Mij heeft liefgehad,

daarom zal Ik hem verlossen;

Ik zal hem veilig stellen op hoogten,

omdat hij Mijn naam heeft gekend.

91:15 “Hij zal Mij aanroepen,

en Ik zal hem antwoorden;

Ik zal met hem zijn in moeite;

Ik zal hem verlossen en hem eren.

91:16 “Met een lang levensduur zal Ik hem verzadigen

en hem Mijn heil laten zien.”

Tehelim 92

92:1 Een psalm,

een lied voor de sabbatdag.

92:2 Het is goed om dank te geven aan Maryah

en om lof-prijs te zingen tot Uw naam,

O Meest Hoge;

92:3 om Uw liefdevolle goedheid te verkondigen in de morgen

en Uw getrouwheid in de nacht,

92:4 met de tien snarige luit en met de harp,

met weergalmende muziek op de lier.

92:5 Want Gij,

O Maryah,

hebt mij blij gemaakt

door wat Gij hebt gedaan,

ik zal van vreugde zingen

over de werken van Uw handen.

92:6 Hoe groot zijn Uw werken,

O Maryah!

uitermate diep zijn Uw gedachten.

92:7 Een onverstandig mens heeft er geen kennis van,

ook een dwaze mens verstaat dit niet:

92:8 dat wanneer de goddelozen opgroeien als gras

en allen die ongerechtigheid doen floreren,

het is enkel dat zij zouden worden vernietigd

voor immer en altijd.

92:9 Maar Gij,

O Maryah,

zijt in den hoge

voor eeuwig.

92:10 Want,

zie!

Uw vijanden,

O Maryah,

want,

zie!

Uw vijanden zullen omkomen;

allen die ongerechtigheid doen zullen worden verstrooid.

92:11 Maar Gij hebt mijn hoorn verhoogd

als die van de wilde os;

ik ben gezalfd geweest

met verse olie.

92:12 En mijn oog heeft juichend toegekeken op mijn vijanden,

mijn oren horen van de boosdoeners die opstaan tegen mij.

92:13 De rechtschapen mens zal floreren als de palmboom,

als een ceder in Libanon zal hij groeien.

92:14 Geplant in het huis van Maryah,

zal men floreren in de hoven van onze Aloha.

92:15 Ze zullen nog steeds vrucht opbrengen op oude leeftijd;

ze zullen vol van sap zijn

en zeer groen,

92:16 om bekend te maken dat Maryah oprecht is;

Hij is mijn rotsteen,

en er is geen onrechtvaardigheid in Hem.

Tehelim 93

93:1 Maryah regeert,

Hij is bekleed met majesteit;

Maryah heeft zichzelf bekleed en omgord

met sterkte;

jazeker,

de wereld is krachtig gevestigd,

zij zal niet worden bewogen.

93:2 Uw troon is vanaf vanouds gevestigd;

Gij zijt vanaf de eeuwigheid.

93:3 De stormvloeden hebben verheft,

O Maryah,

de stormvloeden hebben hun geluid verheft,

de stormvloeden verheffen hun beukende golven.

93:4 Meer dan de geluiden van de vele wateren,

dan de machtige branding van de zee,

is Maryah in den hoge machtig.

93:5 Uw getuigenissen worden ten-volle bevestigd;

heiligheid past bij Uw huis,

O Maryah,

voor immer en altijd.

Tehelim 94

94:1 O Maryah,

Aloha van de wraak,

Aloha van de wraak,

verschijn glinsterend!

94:2 Sta op,

O Rechter der aarde,

geef aan de trotsen beloning.

94:3 Hoelang zullen de goddelozen,

O Maryah,

hoelang zullen de goddelozen jubelen?

94:4 Ze gieten praatjes uit,

ze spreken arrogant;

allen die goddeloos handelen roemen over zichzelf.

94:5 Ze verpletteren Uw volk,

O Maryah,

en teisteren Uw erfdeel.

94:6 Ze slaan de weduwe en de vreemdeling dood

en vermoorden de wezen.

94:7 Ze hebben gezegd,

“Maryah ziet het niet,

evenmin besteed de Aloha van Jakob aandacht.”

94:8 Weest aandachtig,

gij redelozen onder het volk;

en wanneer zult ge verstaan,

dwazen?

94:9 Hij die het oor plante,

hoort Hij niet?

Hij die het oog vormde,

ziet Hij niet?

94:10 Hij die de naties kastijdt,

zal Hij niet terechtwijzen,

Hij die zelfs de mens kennis onderwijst?

94:11 Maryah weet de gedachten van de mensen,

dat zij slechts een zuchtje zijn.

94:12 Gezegend is de man die Gij kastijdt,

O Maryah,

en die Gij leert vanuit Uw wet;

94:13 opdat Gij hem ontlasting moge schenken

vanaf de dagen van tegenspoed,

totdat een put is gegraven voor de goddelozen.

94:14 Want Maryah zal Zijn volk niet opgeven,

noch zal Hij Zijn erfdeel in de steek laten.

94:15 Want het oordeel zal wederom rechtvaardig zijn,

en al de oprechten van hart zullen het navolgen.

94:16 Wie zal voor mij opkomen tegen de boosdoeners?

wie zal zijn standplaats innemen voor mij tegen degenen die goddeloosheid doen?

94:17 Zo Maryah mijn hulp niet was geweest,

mijn ziel zou spoedig hebben gewoond

in de verblijfplaats van stilte.

94:18 Zo ik zeggen zou,

“Mijn voet is uitgegleden,”

Uw liefdevolle goedheid,

O Maryah,

zal mij vasthouden.

94:19 Wanneer mijn angstige gedachten

zich in mij vermenigvuldigen,

maken Uw vertroostingen mijn ziel blij.

94:20 Kan een troon van verderf met U worden verbonden,

één die ellende bedenkt door besluit?

94:21 Ze horden zich samen

tegen het leven van de rechtvaardigen

en veroordelen de onschuldigen ter dood.

94:22 Maar Maryah is mijn burcht geweest,

en mijn Aloha de steenrots van mijn toevlucht.

94:23 Hij heeft hun goddeloosheid op hen teruggebracht

en zal hen vernietigen in hun kwaad;

Maryah onze Aloha zal hen vernietigen.

Tehelim 95

95:1 O kom,

laat ons zingen van vreugde

tot Maryah,

laat ons vreugdevol juichen

tot de rotssteen van onze zaligheid.

95:2 Laat ons voor Zijn aanschijns verschijnen

met dankzegging,

laat ons vreugdevol juichen

tot Hem

met psalmen.

95:3 Want Maryah is een groot Aloha

en een groot koning

boven alle machtigen,

95:4 in wiens hand

de diepten van de aarde zijn,

ook de pieken van de bergen

zijn de Zijne.

95:5 De zee is de Zijne;

want het was Hij die haar maakte,

en Zijn handen vormden het droge land.

95:6 Komt,

laat ons aanbidden en neerwaarts buigen,

laat ons knielen voor Maryah onze Maker.

95:7 Want onze Aloha is Hij;

en het volk van Zijn weide zijn wij

en de schapen van Zijn hand.

Vandaag,

indien gij Zijn stem zou horen,

95:8 verhardt uw harten niet,

als in Meribah,

als op de dagen van Massah

in de woestijn,

95:9 “Wanneer uw vaders Mij beproefden,

probeerden ze Mij uit,

hoewel ze Mijn werk hadden gezien.

95:10 “Want veertig jaren walgde Ik van die generatie,

en Ik zei,

ze zijn een volk die dwalen in hun hart,

en ze kennen Mijn wegen niet.

95:11 “Dus zwoer Ik in Mijn toorn,

zij zullen echt niet in Mijn rust binnentreden.”

Tehelim 96

96:1 Zingt tot Maryah een nieuw lied;

zingt tot Maryah,

heel de aarde.

96:2 Zingt tot Maryah,

zegent Zijn naam;

verkondigd goede tijdingen

van Zijn zaligheid

van dag tot dag.

96:3 Vertel van Zijn heerlijkheid onder de naties,

Zijn wonderlijke daden onder al de volken.

96:4 Want Maryah is groot en krachtig

om te worden geprezen;

Hij is te duchten

boven alle goden.

96:5 Want al de goden van de volken zijn afgoden,

maar Maryah maakte de hemelen.

96:6 Pracht en majesteit zijn voor Hem,

sterkte en schoonheid zijn in Zijn heiligdom.

96:7 Geeft aan Maryah,

O families van de volken,

geeft heerlijkheid en sterkte aan Maryah.

96:8 Geeft aan Maryah de heerlijkheid van Zijn naam;

brengt een offer en kom in Zijn hoven.

96:9 Aanbidt Maryah in heilige tooi;

siddert voor Hem,

geheel de aarde.

96:10 Zeg onder de naties,

“Maryah regeert;

jazeker,

de wereld is sterk gevestigd,

zij zal niet worden verplaatst;

Hij zal de volken oordelen door rechtvaardigheid.”

96:11 Laat de hemelen verblijd zijn,

en laat de aarde verheugen;

laat de zee razen,

en alles daarin;

96:12 Laat het veld jubelen,

en alles wat daarin is.

Vervolgens zullen al de bomen van het woud zingen van vreugde-

96:13 voor Maryah,

want Hij is komende,

want Hij is komende om de aarde te oordelen.

Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid

en de volken in Zijn getrouwheid.

Tehelim 97

97:1 Maryah regeert,

laat de aarde zich verheugen,

laat de vele eilanden verblijd zijn.

97:2 Wolken en dichte donkerheid omringen Hem;

gerechtigheid en rechtvaardigheid zijn het fondement van Zijn troon.

97:3 Vuur gaat voor Hem uit

en verschroeit Zijn tegenstanders rondom.

97:4 Zijn hemelvuur verlicht de wereld;

de aarde zag het en zij sidderde.

97:5 De bergen smolten als was voor het aangezicht van Maryah

voor het aangezicht van Maryah der ganse aarde.

97:6 De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid,

en al de volken hebben Zijn heerlijkheid gezien.

97:7 Laat al diegenen beschaamd zijn

die gebeitelde beelden dienen,

die zich beroemen op afgoden;

aanbidt Hem

al gij goden.

97:8 Zion hoorde dit en was verblijd,

en de dochters van Judah hebben zich verheugd

vanwege Uw oordelen,

O Aloha.

97:9 Want Gij zijt Maryah

de Meest Hoge over geheel de aarde;

Gij zijt verheven

verre boven alle goden.

97:10 Haat het kwaad,

gij die houdt van Maryah,

Die de zielen behoudt van Zijn godvruchtigen;

Hij bevrijd hen uit de hand van de goddelozen.

97:11 Licht wordt gezaaid als zaad

voor de rechtvaardigen

en blijdschap

voor de oprechten van hart.

97:12 Weest verheugd in Maryah,

gij rechtvaardigen,

en geef dankzegging aan Zijn heilige naam.

Tehelim 98

98:1 Een psalm.

O zingt Maryah een nieuw lied,

want Hij heeft wonderlijke dingen gedaan,

Zijn rechterhand en Zijn heilige arm

hebben voor Hem de victorie verworven.

98:2 Maryah heeft Zijn heil kenbaar gemaakt;

Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard

voor het oog van de naties.

98:3 Hij is Zijn liefdevolle goedheid niet vergeten

en Zijn getrouwheid

aan het huis van Israël;

al de einden van de aarde

hebben het heil van onze Aloha gezien.

98:4 Juicht tot Maryah,

vreugdevol,

gij ganse aarde;

breekt uit en zingt van vreugde

en zingt lof-prijs.

98:5 Zingt lof-prijs tot Maryah met de lier,

met de lier en de klank van de melodie.

98:6 Met de bazuinen en het geluid van de ramshoorn

juicht vreugdevol voor de koning,

Maryah.

98:7 Laat de zee razen

en al wat het bevat,

de wereld

en degenen die daarin wonen.

98:8 Laat de rivieren in hun handen klappen,

laat de bergen met elkaar van vreugde zingen

98:9 voor Maryah,

want Hij is komende om de aarde te oordelen;

Hij zal de wereld oordelen met gerechtigheid

en de volken met rechtvaardigheid.

Tehelim 99

99:1 Maryah regeert,

laat de volken sidderen;

Hij is boven de cherubim getroond,

laat de aarde schudden!

99:2 Maryah is groot in Zion,

en Hij is verheven boven al de volken.

99:3 Laat hen Uw grote en ontzagwekkende naam prijzen;

heilig is Hij.

99:4 De sterkte van de koning is gerechtigheid liefhebben;

Gij hebt billijkheid gegrondvest;

Gij hebt rechtvaardigheid en gerechtigheid verricht in Jakob.

99:5 Verheerlijkt Maryah onze Aloha

en aanbidt voor Zijn voetbank;

heilig is Hij.

99:6 Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,

en Samuel was onder degenen die Zijn naam aanriepen;

zij aanriepen Maryah

en Hij antwoordde hun.

99:7 Hij sprak tot hen in de wolkpilaar;

zij hielden Zijn getuigenissen

en de verordening die Hij hen gaf.

99:8 O Maryah onze Aloha,

Gij antwoordde hun;

Gij waart een vergevende Aloha tot hen,

en toch een wreker van hun kwade daden.

99:9 Verheerlijkt Maryah onze Aloha

en aanbidt voor Zijn heilige heuvel,

want heilig is Maryah onze Aloha.

Tehelim 100

100:1 Een psalm van dankzegging.

Jubelt vreugdevol tot Maryah,

gans de aarde.

100:2 Dient Maryah met blijdschap;

komt voor Hem met vreugdevol gezang.

100:3 Weet dat Maryah zelf Aloha is;

het is Hij die ons heeft gemaakt,

en niet wij onszelf;

wij zijn Zijn volk

en de schapen van Zijn weide.

100:4 Ga Zijn poorten binnen met dankzegging

en Zijn hoven met lof.

Geef dank aan Hem,

zegent Zijn naam.

100:5 Want Maryah is goed;

Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend

en Zijn getrouwheid

(is) aan alle generaties.

Tehelim 101

101:1 Een psalm van David.

Ik zal zingen van liefdevolle goedheid en rechtvaardigheid,

tot U,

O Maryah,

zal ik lof zingen.

101:2 Ik zal aandacht geven op de onberispelijke weg.

Wanneer zult Gij tot mij komen?

ik zal wandelen

binnenin mijn huis

in de integriteit van mijn hart.

101:3 Ik zal geen waardeloos ding voor mijn ogen stellen;

ik haat het gedrag van degenen die afvallen;

het zal zijn greep op mij niet vasthouden.

101:4 Een verdorven hart zal van mij wijken;

ik zal geen kwaad kennen.

101:5 Al wie heimelijk zijn naaste belastert,

die zal ik vernietigen;

al die een hooghartige uiterlijk heeft

en een verwaand hart

die zal ik niet verdragen.

101:6 Mijn ogen zullen op de getrouwen van het land zijn,

opdat zij met mij mogen verblijven;

hij die op een onberispelijke weg wandelt

is degene die mij zal dienen.

101:7 Hij die bedrog beoefent

zal binnen mijn huis niet verblijven;

hij die leugen spreekt

zal zijn positie voor mij niet behouden.

101:8 Elke morgen zal ik al de goddelozen van het land vernietigen,

teneinde uit de stad van Maryah

allen die ongerechtigheid doen

uit te snijden.

Tehelim 102

102:1 Een gebed van de ellendige

wanneer hij zwak is

en zijn klacht uitgiet voor Maryah.

102:2 Hoort mijn gebed,

O Maryah!

en laat mijn schreeuw om hulp tot U komen.

102:3 Verbergt Uw aangezicht niet voor mij

op de dag van mijn nood;

neig Uw oor tot mij;

op de dag wanneer ik roep

antwoord mij haastig.

102:4 Want mijn dagen

zijn verbruikt geweest in rook,

en mijn botten

zijn verschroeid geweest als een vuurhaard.

102:5 Mijn hart is geslagen geweest als gras

en is verdord,

jazeker,

ik vergat om mijn brood te eten.

102:6 Vanwege het volume van mijn gekerm

kleven mijn botten aan mijn vlees.

102:7 Ik gelijk op een pelikaan van de woestijn;

ik ben als een uil van de woeste plaatsen geworden.

102:8 Ik lig wakker,

ik ben als een eenzame vogel geworden

bovenop een huis.

102:9 Mijn vijanden hebben mij de hele dag lang verweten;

degenen die mij bespotten

hebben mijn naam gebruikt als een vloek.

102:10 Want ik heb as gegeten als brood

en mijn drankje vermengd met geschrei –

102:11 vanwege Uw verontwaardiging en Uw toorn,

want Gij hebt mij opgetild en weggeworpen.

102:12 Mijn dagen zijn als een langgerekte schaduw,

en ik verdor als gras.

102:13 Maar Gij ,

O Maryah,

verblijft voor eeuwig,

en Uw naam is tot alle generaties.

102:14 Gij zult opstaan en compassie hebben met Zion;

want het is tijd om genadig te zijn aan haar,

want de bestemde tijd is gekomen.

102:15 Jazeker Uw dienaren vinden welbehagen in haar stenen

en hebben medelijden vanwege haar stof.

102:16 Zo zullen de naties de naam van Maryah vrezen

en al de koningen van de aarde Uw heerlijkheid.

102:17 Want Maryah heeft Zion opgebouwd;

Hij is verschenen in Zijn heerlijkheid.

102:18 Hij heeft het gebed aanschouwd van de behoeftige

en heeft hun bidden niet veracht.

102:19 Dit zal worden geschreven voor de generatie die komt,

opdat een nog te creëren volk

Maryah moge loven.

102:20 Want Hij keek neer vanuit Zijn heilige hoogte;

vanuit de hemel aanschouwde Maryah op de aarde,

102:21 om het gekreun te horen van de gevangenen,

om diegenen te bevrijden

die gedoemd waren tot de dood,

102:22 opdat mensen zouden vertellen

van de naam van Maryah

in Zion

en van Zijn lof in Jeruzalem,

102:23 wanneer de volken bij elkaar worden verzameld,

en de koninkrijken,

om Maryah te dienen.

102:24 Hij heeft mijn sterkte verzwakt op de weg;

Hij heeft mijn dagen verkort.

102:25 Ik zeg,

“O mijn Aloha,

neem mij niet weg te-midden van mijn dagen,

Uw jaren zijn doorheen alle generaties.

102:26 “Vanouds fundeerde U de aarde,

en de hemelen zijn het werk van Uw handen.

102:27 “Ze zullen zelfs vergaan,

maar Gij zult voortbestaan;

en allen van hen zullen afslijten als een kleed;

als kleding zult U hen verwisselen

en zij zullen worden veranderd.

102:28 “Maar Gij zijt dezelfde,

en Uw jaren zullen niet tot een einde komen.

102:29 “De kinderen van Uw dienaren zullen verdergaan,

en hun nazaten zullen voor Uw aangezicht worden gevestigd.”

Tehelim 103

103:1 Een psalm van David.

Zegen Maryah,

O mijn ziel,

en al wat binnen in mij is,

zegen Zijn heilige naam.

103:2 Zegen Maryah,

O mijn ziel,

en vergeet geen van Zijn goedheden;

103:3 die al uw ongerechtigheden vergeeft,

die al uw ziekten geneest;

103:4 die uw leven verlost

vanuit de put,

die u kroont

met liefdevolle goedheid en mededogen;

103:5 die uw jaren verzadigt

met goede dingen,

zodat uw jeugd wordt vernieuwd

zoals de adelaar.

103:6 Maryah voert rechtvaardige handelingen en oordelen uit

voor allen die onderdrukt worden.

103:7 Hij maakte Zijn wegen bekend aan Mozes,

Zijn handelingen aan de zonen van Israël.

103:8 Maryah is barmhartig en genadig,

traag tot toorn

en overvloedig in liefdevolle goedheid.

103:9 Hij zal niet steeds met ons twisten,

noch zal Hij Zijn toorn voor altijd behouden.

103:10 Hij heeft niet met ons gehandeld

volgens onze zonden,

noch ons vergolden

volgens onze ongerechtigheden.

103:11 Want zo hoog als de hemelen boven de aarde zijn,

zo groot is Zijn liefdevolle goedheid

naar diegenen toe die Hem vrezen.

103:12 Zover als het oosten is van het westen,

zover heeft Hij onze overtredingen van ons verwijderd.

103:13 Net zo als een vader compassie heeft met zijn kinderen,

zo heeft Maryah compassie met degenen die Hem vrezen.

103:14 Want Hij zelf kent onze vorming;

Hij is indachtig dat wij maar stof zijn.

103:15 Wat betreft de mens,

zijn dagen zijn als gras;

als een bloem van het veld,

zo bloeit hij.

103:16 Wanneer de wind er overheen gegaan is,

is zij niet meer,

en haar plaats accepteert haar niet langer.

103:17 Maar de liefdevolle goedheid van Maryah

is van eeuwigheid tot eeuwigheid

over degenen die Hem vrezen,

en Zijn gerechtigheid over de kinder’s kinderen,

103:18 aan degenen die Zijn verbond houden

en aan Zijn voorschriften denken

om ze te doen.

103:19 Maryah heeft Zijn troon gevestigd in de hemelen,

en Zijn soevereiniteit regeert over alles.

103:20 zegent Maryah,

gij Zijn engelen,

machtigen in sterkte,

die Zijn woord uitvoert,

gehoor gevende aan de stem van Zijn woord!

103:21 zegent Maryah,

gij allen Zijn heerscharen,

gij die Hem dient,

doende Zijn wil.

103:22 zegent Maryah,

al gij werken van Hem,

in alle plaatsen van Zijn heerschappij;

zegent Maryah,

O mijn ziel!

Tehelim 104

104:1 Zegent Maryah,

O mijn ziel!

O Maryah mijn Aloha,

Gij zijt zeer groot;

Gij zijt gekleed met glorie en majesteit,

104:2 Uzelf bedekkende met licht

als met een mantel,

de hemel uitrekkende als een tentgordijn.

104:3 Hij legt de balken van Zijn opper-kamers in de wateren;

Hij maakt de wolken tot Zijn strijdwagen;

Hij wandelt op de vleugels van de wind;

104:4 Hij maakt de winden tot Zijn boodschappers,

vlammend vuur tot Zijn dienaars.

104:5 Hij vestigde de aarde op Zijn grondvesten,

zo dat zij niet voor eeuwig en altijd zal wankelen.

104:6 Gij overdekte haar met de diepte

als met een kleed;

de wateren stonden boven de bergen.

104:7 Op Uw berisping ontvluchtten zij,

op het klinken van Uw donder

haasten zij zich weg.

104:8 De bergen stonden op;

de valleien zonken neer

naar de plaats die Gij voor hen gevestigd hebt.

104:9 Gij stelde een grenspaal

opdat zij die niet zouden kunnen passeren,

zodat zij niet zullen terugkeren

om de aarde te bedekken.

104:10 Hij zend bronnen vooruit in de valleien;

zij stromen tussen de bergen;

104:11 Ze geven drinken aan elk beest van het veld;

de wilde ezels lessen hun dorst.

104:12 Naast hen verblijven de vogels van de hemelen;

zij verheffen hun stemmen te-midden van de takken.

104:13 Hij bewatert de bergen vanuit Zijn opperkamers;

de aarde is voldaan met de vrucht van Zijn werken.

104:14 Hij laat het gras groeien voor het vee,

en vegetatie voor de arbeid van de mens,

zo dat hij voedsel moge voortbrengen vanuit de aarde,

104:15 en wijn die het hart van de mens verheugd maakt,

zo dat hij zijn aangezicht blinkend kan maken met olie,

en voedsel dat het hart van de mens ondersteund.

104:16 De bomen van Maryah drinken hun verzadiging,

de ceders van Libanon die Hij plantte,

104:17 alwaar de vogels hun nesten bouwen,

en de ooievaar,

wiens huis de sparren-bomen zijn.

104:18 De hoge bergen zijn voor de wilde geiten;

de kliffen zijn een toevluchtsoord voor de shephanim.

104:19 Hij maakte de maan voor de seizoenen;

de zon weet de plaats van haar omgeving.

104:20 Gij benoemt duisternis en het word nacht,

in dewelke al de beesten van het woud rondsluipen.

104:21 De jonge leeuwen brullen naar hun prooi

en zoeken hun voedsel van Aloha.

104:22 Wanneer de zon opkomt trekken zij zich terug

en liggen neer in hun holen.

104:23 De mens gaat dan uit tot zijn arbeid

en naar zijn gezwoeg tot aan de avond.

104:24 O Maryah,

hoe vele zijn Uw werken!

in wijsheid hebt Gij hen allemaal gemaakt;

de aarde is vol van Uw bezittingen.

104:25 Er is de zee,

groot en breed,

in welke gewriemel is zonder aantal,

beide kleine en grote dieren.

104:26 Daar bewegen de schepen langs,

en Leviathan,

die Gij hebt geformeerd om daarin te spelen.

104:27 Zij wachten allen op U

om hen hun voedsel te geven op de gepaste tijd.

104:28 Gij geeft aan hen,

zij verzamelen het;

Gij opent Uw hand,

zij worden met goed voldaan.

104:29 Gij verbergt Uw aangezicht,

zij zijn verbijsterd;

Gij neemt hun levenskracht weg,

zij blazen de laatste adem uit

en keren terug naar het stof dat ze waren.

104:30 Gij zend Uw geest uit,

zij worden geschapen;

en Gij vernieuwt het aangezicht van de grond.

104:31 Laat de heerlijkheid van Maryah voor eeuwig duren;

laat Maryah verheugd zijn in Zijn werken;

104:32 Hij kijkt naar de aarde,

en zij beeft;

Hij raakt de bergen aan,

en ze roken.

104:33 Ik zal zingen van Maryah

zo lang als ik leef;

ik zal lof zingen tot mijn Aloha

terwijl ik mijn bestaan heb.

104:34 Laat mijn meditatie aan Hem welgevallig zijn;

wat mij betreft,

ik zal verblijd zijn in Maryah.

104:35 Laat zondaren worden verteerd door de aarde

en laat de goddelozen niet meer zijn.

Zegent Maryah,

O mijn ziel.

prijst Maryah.

Tehelim 105

105:1 Oh geef dank aan Maryah,

roep Zijn naam aan;

maak Zijn daden bekend onder de volkeren.

105:2 Zingt tot Hem;

zingt lof tot Hem;

spreekt van al Zijn wonderen.

105:3 Glorie in Zijn heilige naam;

laat het hart van degenen die Maryah zoeken verblijd zijn.

105:4 Zoekt Maryah en Zijn sterkte;

zoekt voortdurend Zijn aangezicht.

105:5 Gedenk Zijn wonderen

die Hij heeft gedaan,

Zijn verwonderingen

en Zijn oordelen door Zijn mond geuit,

105:6 O zaad van Abraham,

Zijn dienaar,

O zonen van Jakob,

Zijn uitverkorenen!

105:7 Hij is Maryah onze Aloha;

Zijn oordelen zijn over de ganse aarde.

105:8 Hij heeft Zijn verbond voor eeuwig herinnerd,

het woord die Hij gebood aan één duizend generaties,

105:9 het verbond dat Hij met Abraham maakte,

en Zijn eed aan Isaac.

105:10 Vervolgens bevestigde Hij het aan Jakob tot een verordening,

aan Israël als een eeuwigdurend verbond,

105:11 zeggende,

“Aan u zal ik het land van Kanaän geven

als het deel van uw erfenis,”

105:12 wanneer zij enkel met een weinig mensen in aantal waren,

heel weinig,

en vreemdelingen daarin.

105:13 En ze liepen rond van volk naar volk,

van één koninkrijk

naar een andere gemeenschap.

105:14 Hij stond geen mens toe om hun te onderdrukken,

en Hij berispte koningen om hunnentwil:

105:15 “Raak Mijn gezalfden niet aan,

en doe Mijn profeten geen kwaad.”

105:16 En Hij riep een hongersnood over het land;

Hij verbrak de hele staf des brood.

105:17 Hij zond één man vóór hen,

Joseph,

die verkocht werd als slaaf.

105:18 Ze kwelden zijn voeten

met belemmeringen,

hijzelf werd in boeien geslagen;

105:19 tot het moment dat zijn woord geschiedde,

beproefde het woord van Maryah hem.

105:20 De koning zond en gaf hem vrij,

de heerser der volkeren,

en stelde hem vrij.

105:21 Hij maakte hem Mar van zijn huis

en heerser over al zijn bezittingen,

105:22 om zijn prinsen gevangen te nemen naar zijn wil,

dat hij zijn ouderlingen wijsheid zou onderwijzen.

105:23 Ook Israël kwam naar Egypte;

alzo verbleef Jacob in het land van Ham.

105:24 En Hij maakte Zijn volk zeer vruchtbaar,

en maakte hun sterker dan hun tegenstanders.

105:25 Hij keerde hun hart om,

om Zijn volk te haten,

om listig om te gaan met Zijn dienaren.

105:26 Hij zond Mozes Zijn dienaar,

en Aaron,

die Hij had uitverkoren.

105:27 Zij droegen onder hen Zijn wonderlijke daden uit,

en de wonderen in het land van Ham.

105:28 Hij zond duisternis en maakte het donker;

en zij rebelleerden niet tegen Zijn woord.

105:29 Hij veranderde hun wateren in bloed

en maakte dat hun vis stierf.

105:30 Hun land krioelde van de kikkers

zelfs in de kamers van hun koningen.

105:31 Hij sprak,

en er kwam een zwerm van vliegen en steekmuggen

in geheel hun grondgebied.

105:32 Hij gaf hen hagel voor regen,

en vlammend vuur in hun land.

105:33 Hij sloeg ook hun wijnstokken neer

en hun vijgenbomen,

en verbrijzelde de bomen van hun grondgebied.

105:34 Hij sprak,

en sprinkhanen kwamen,

en jonge sprinkhanen,

zelfs zonder getal,

105:35 en aten alle vegetatie op in hun land,

en aten de vrucht op van hun grond.

105:36 Hij sloeg ook alle eerstgeborenen neer in hun land,

de eerstelingen van al hun kracht.

105:37 Vervolgens bracht Hij hun uit

met zilver en goud,

en onder Zijn stammen

was er niet één die struikelde.

105:38 Egypte was blij toen zij vertrokken,

want de schrik van hun

was op hen gevallen.

105:39 Hij spreidde een wolk tot een bedekking,

en vuur om bij nacht te verlichten.

105:40 Zij vroegen,

en Hij bracht kwakkels,

en voldeed hen met het brood des hemels.

105:41 Hij opende de rots

en water stroomde eruit;

het liep in de droge plaatsen

als een rivier.

105:42 Want Hij gedacht Zijn heilig woord met Abraham Zijn dienaar;

105:43 En Hij bracht Zijn volk uit met vreugde,

Zijn uitverkorenen met een vreugdevolle schreeuw.

105:44 Hij gaf hen ook de landen van de naties,

zodat zij bezit zouden kunnen nemen

van de vrucht van de arbeid van de volkeren,

105:45 opdat zij Zijn inzettingen mogen houden

en Zijn wetten in acht nemen,

Prijst Maryah!

Tehelim 106

106:1 Prijst Maryah!

Oh geef dank aan Maryah,

want Hij is goed;

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

106:2 Wie kan de machtige daden van Maryah uitspreken,

of kan al Zijn lof laten zien?

106:3 Hoe gezegend zijn zij die de rechtvaardigheid behouden,

die gerechtigheid beoefenen

ten allen tijde!

106:4 Gedenk mij,

O Maryah,

naar Uw gunst tot Uw volk;

bezoek mij met Uw heil,

106:5 dat ik moge zien de welvaart van Uw uitverkorenen,

dat ik moge verheugen in de blijdschap van Uw volk,

dat ik moge roemen met uw erfdeel.

106:6 We hebben gezondigd zoals onze vaders,

we hebben ongerechtigheid begaan,

we hebben ons goddeloos gedragen.

106:7 Onze vaders in Egypte hebben Uw wonderen niet begrepen;

zij herinnerden zich Uw overvloedige vriendelijkheid niet,

maar rebelleerden bij de zee,

aan de rode zee.

106:8 Toch verloste Hij hen

omwille van Zijn naam,

opdat Hij Zijn kracht bekend zou kunnen maken.

106:9 Dus berispte Hij de rode zee en droogde haar op,

en Hij leidde hen door de diepten,

als door de woestijn.

106:10 Zo redde Hij hen

vanuit de hand van degene die hen haatte,

en verloste hen

vanuit de hand van de vijand.

106:11 De wateren bedekten hun tegenstanders;

niet één van hen bleef over.

106:12 Toen geloofden zij Zijn woorden;

ze zongen Zijn lof.

106:13 Ze vergaten snel Zijn werken;

ze hebben niet op Zijn raad gewacht,

106:14 maar begeerden intens

in de woestijn,

en verzochten Aloha

in die woestenij.

106:15 Dus gaf Hij hen hun verzoek,

maar zond een verwoestende ziekte onder hen.

106:16 Toen zij jaloers werden van Mozes in het kamp,

en van Aaron,

de heilige van Maryah,

106:17 opende de aarde en slokte Dathan op,

en verzwolg het gezelschap van Abiram.

106:18 En een vuur laaide op in hun gezelschap;

de hitte verteerde de goddelozen.

106:19 Ze maakten een kalf bij Horeb

en aanbaden het gesmolten beeld.

106:20 Zij wisselden alzo hun heerlijkheid

voor het beeld van een os die gras eet.

106:21 Ze vergaten Aloha hun redder,

die grote dingen had gedaan in Egypte,

106:22 wonderen in het land van Ham

en ontzagwekkende dingen bij de rode zee.

106:23 Daarom zei Hij dat Hij hun zou vernietigen,

had Mozes

Zijn uitverkorene

niet in de bres gestaan voor Hem,

om Zijn toorn af te wenden

van hun vernietiging.

106:24 Vervolgens smaalden zij het aangename land;

ze geloofden niet in Zijn woord,

106:25 maar mopperden in hun tenten;

ze luisterden niet naar de stem van Maryah.

106:26 Daarom zwoer Hij aan hen

dat Hij hen zou neerwerpen in de woestijn,

106:27 en dat Hij hun zaad zou werpen onder de naties

en hen verstrooien in de landen.

106:28 Ze sloten zichzelf ook aan bij Baal-peor,

en aten de aangeboden offers aan de doden.

106:29 Dus tergden zij Hem tot toorn met hun daden,

en de plaag brak uit onder hen.

106:30 Vervolgens,

stond Pinehas op en stapte tussenbeide,

en zo werd de plaag gestopt.

106:31 En het werd hem aangerekend als gerechtigheid,

tot alle geslachten

voor eeuwig.

106:32 Ze tergden Hem ook tot toorn

bij de wateren van Meribah,

zo dat het op hun rekening

met Mozes zwaar ging;

106:33 omdat zij rebels waren tegen Zijn geest,

sprak hij onbezonnen met zijn lippen.

106:34 Ze vernietigden de volken niet,

zoals Maryah hen gebood,

106:35 maar ze vermengden met de naties

en ze leerden hun praktijken,

106:36 en dienden hun afgodsbeelden,

welke een valstrik voor hun werden.

106:37 Ze offerden zelfs hun zonen en dochters aan de demonen,

106:38 en vergoten onschuldig bloed,

het bloed van hun zonen en hun dochters,

die zij offerden aan de afgoden van Canaan;

en het land werd met het bloed bevlekt.

106:39 Zo werden zij onrein door hun praktijken,

en speelden de hoer door hun handelingen.

106:40 Daarom was de toorn van Maryah ontstoken

tegen Zijn volk

en Hij gruwde van Zijn erfdeel.

106:41 Vervolgens gaf Hij hun in de hand van de naties,

en degenen die hun haten

heersten over hen.

106:42 Hun vijanden onderdrukten hen ook,

en zij werden onderworpen onder hun macht.

106:43 Vele malen zou Hij hen redden;

zij,

echter,

waren rebels in hun raad,

en zonken zo dieper in hun ongerechtigheid.

106:44 Niettemin,

aanschouwde Hij hun nood

toen Hij hun gejammer hoorde;

106:45 En Hij herinnerde Zijn verbond voor hun bestwil,

en liet zich vermurwen

naar de grootheid van Zijn liefdevolle goedheid.

106:46 Hij maakte hen ook tot voorwerp van compassie

in het bijzijn van al hun gevangen-nemers.

106:47 Red ons,

O Maryah onze Aloha,

en verzamel ons vanonder de naties,

om aan Uw heilige naam dankzegging te geven

en roemen in Uw lof.

106:48 Gezegend is Maryah,

de Aloha van Israël,

van eeuwigheid

tot eeuwigheid zelfs.

En laat al de mensen zeggen,

“Amien.”

Prijst Maryah!

Tehelim 107

107:1 Oh geef dankzegging aan Maryah,

want Hij is goed,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

107:2 Laat de verlosten van Maryah zo zeggen,

die Hij heeft verlost

uit de hand van de tegenstander –

107:3 en verzameld uit de landen,

uit het oosten en vanuit het westen,

uit het noorden en vanuit het zuiden.

107:4 Ze dwaalden in de woestijn

in een onbewoonde streek;

ze vonden geen weg

naar een bewoonde stad.

107:5 Ze waren hongerig en dorstig;

hun ziel bezwijmde in hen.

107:6 Vervolgens,

schreeuwden ze het uit naar Maryah in hun kwelling;

Hij verloste hen vanuit hun ellende.

107:7 Hij leidde hen ook door een rechte weg,

om naar een bewoonde stad te gaan.

107:8 Laat hen dankzegging geven aan Maryah

voor Zijn liefdevolle goedheid,

en voor Zijn wonderen aan de zonen der mensen!

107:9 Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd,

en Hij heeft de hongerige ziel gevuld met wat goed is.

107:10 Daar waren degenen die in duisternis leefden

en in de schaduw des doods,

gevangenen in ellende en kettingen,

107:11 Omdat zij hadden gerebelleerd tegen de woorden van Aloha

en de raad van de Meest Hoge verwierpen.

107:12 Daarom verootmoedigde Hij hun hart door moeite;

zij struikelden en er was niet één om te helpen.

107:13 Vervolgens,

schreeuwden zij het uit naar Maryah in hun kwelling;

Hij verloste hen vanuit hun ellende.

107:14 Hij haalde hen uit de duisternis en de schaduw des doods

en brak hun banden uit elkaar.

107:15 Laat hen dankzegging geven aan Maryah

voor Zijn liefdevolle goedheid,

en voor Zijn wonderen aan de zonen der mensen!

107:16 Want Hij verbrijzelde poorten van brons

en brak de tralies van ijzer in stukken.

107:17 Dwazen,

vanwege hun rebels pad,

en vanwege hun ongerechtigheden,

werden zij gekweld.

107:18 Hun ziel verafschuwde alle soorten van voedsel,

en zij kwamen tot dichtbij de poorten des doods.

107:19 Vervolgens schreeuwden zij het uit naar Maryah in hun kwelling;

Hij verloste hen vanuit hun ellende.

107:20 Hij zond Zijn woord en genas hen,

en bevrijdde hen van hun verwoestingen.

107:21 Laat hen dankzegging geven aan Maryah

voor Zijn liefdevolle goedheid,

en voor Zijn wonderen aan de zonen der mensen!

107:22 Laat hen ook offers van dankzegging aanbieden,

en van Zijn werken vertellen

met vreugdevol gezang.

107:23 Degenen die in schepen ter zee afvaren,

die zaken doen op de grote wateren;

107:24 zij hebben de werken van Maryah gezien,

en Zijn wonderen in de diepte.

107:25 Want Hij sprak en wekte een stormachtige wind op,

die de golven van de zee optilde.

107:26 Ze stegen op naar de hemelen,

ze gingen neerwaarts naar de diepten;

hun ziel smolt weg in hun miserie.

107:27 Ze waggelden en wankelden als een dronken man,

en waren aan het einde van hun verstand.

107:28 Vervolgens schreeuwden zij het uit naar Maryah in hun kwelling,

en Hij haalde hen uit hun ellende.

107:29 Hij zorgde ervoor dat de storm stil was,

zodat de golven van de zee werden gesust.

107:30 Toen waren ze blij omdat ze stil waren,

zo leidde Hij hen naar hun verlangde haven.

107:31 Laat hen dankzegging geven aan Maryah

voor Zijn liefdevolle goedheid,

en voor Zijn wonderen aan de zonen der mensen!

107:32 Laten zij Hem ook verhogen

in de samenkomst van het volk,

en Hem roemen

in de stoel van de oudsten.

107:33 Hij verandert rivieren in een woestijn

en wellen van water in een dorstige grond;

107:34 een vruchtbaar land in een zoute leegte,

vanwege de goddeloosheid van degenen die daarin wonen.

107:35 Hij verandert een woestijn in een poel van water

en een dor land in wellen van water;

107:36 en daar doet Hij de hongerigen wonen,

zodat zij een bewoonde stad zouden stichten,

107:37 en velden zaaien en wijngaarden aanplanten,

en een vruchtbare oogst vergaren.

107:38 Ook zegent Hij hen

en ze vermenigvuldigen veel,

en hun vee laat Hij niet verminderen.

107:39 Als zij worden verminderd

en neer buigen door onderdrukking,

miserie en leed,

107:40 giet Hij verachting uit over prinsen

en doet hen verdwalen

in een woestenij zonder paden.

107:41 Maar Hij stelt de behoeftige veilig in hoogten

weg uit de kwelling,

en maakt zijn families als een kudde.

107:42 De oprechten zien het en zijn verblijd;

maar alle ongerechtigheid sluit haar mond.

107:43 Wie is verstandig?

laat hem aandacht schenken aan deze dingen,

en de liefdevolle goedheid overwegen van Maryah.

Tehelim 108

108:1 Een lied,

een psalm van David.

108:2 Mijn hart is standvastig,

O Aloha;

ik zal zingen,

ik zal lof zingen,

zelfs met mijn ziel.

108:3 Ontwaakt,

harp en lier;

ik zal het morgenrood wekken!

108:4 Ik zal aan U dankzegging geven,

O Maryah,

te midden van de volken,

en ik zal tot U lof zingen,

te midden van de naties.

108:5 Want Uw liefdevolle goedheid

is tot hoog boven de hemelen gesteld,

en Uw waarheid reikt tot het uitspansel.

108:6 Wees verheerlijkt,

O Aloha,

boven de hemelen,

en Uw heerlijkheid over de ganse aarde.

108:7 Opdat Uw geliefden bevrijd mogen worden,

verlos met Uw rechter hand,

en antwoord mij!

108:8 Aloha heeft gesproken in Zijn heiligheid:

“Ik zal juichen,

ik zal Schehem verdelen

en de vallei van Sukkot uitmeten.

108:9 Gilead is de Mijne,

Manasseh is de Mijne;

Ephraim is bovendien de helm van Mijn hoofd;

Judah is Mijn scepter.

108:10 Moab is Mijn waskom;

over Edom zal ik Mijn schoen gooien;

over Philistia zal Ik hardop juichen.”

108:11 Wie zal mij in de belegerde stad brengen?

wie zal mij naar Edom leiden?

108:12 Hebt Gij niet zelf,

O Aloha,

ons verworpen?

En zult Gij niet uitgaan met onze heerscharen,

O Aloha?

108:13 Oh geef ons hulp tegen de tegenstander,

want bevrijding door mensen is tevergeefs.

108:14 Door Aloha zullen we dapper handelen,

en het is Hij

die zal vertreden

onze tegenstanders.

Tehelim 109

109:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

O Aloha van mijn lof,

wees niet stil!

109:2 Want zij hebben de goddeloze en bedrieglijke mond tegen mij geopend;

zij hebben tegen mij gesproken met een leugenachtige tong.

109:3 Ze hebben mij ook omringd

met woorden van haat,

en streden tegen mij zonder reden.

109:4 In ruil voor mijn liefde

handelden ze als mijn aanklagers;

maar ik ben in gebed.

109:5 Dus hebben ze mij kwaad voor goed terugbetaald

en haat voor mijn liefde.

109:6 Stel een goddeloos man over hem aan,

en laat een aanklager aan zijn rechterhand gaan staan.

109:7 Wanneer hij is geoordeeld,

laat hem schuldig naar buiten komen,

en laat zijn gebed zonde worden.

109:8 Laat zijn dagen weinig zijn;

laat een ander zijn ambt nemen.

109:9 Laat zijn kinderen vaderloos worden

en zijn vrouw een weduwe.

109:10 Laat zijn kinderen rondzwerven en bedelen;

en laat ze voeding zoeken

verre van hun verwoeste huizen.

109:11 Laat de schuldeiser alles grijpen wat hij heeft,

en laat vreemdelingen het voortbrengsel van zijn arbeid plunderen.

109:12 Laat er niet één zijn

om liefdevolle goedheid over hem uit te strekken,

noch één

om genadig te zijn aan zijn vaderloze kinderen.

109:13 Laat zijn nageslacht worden neergemaaid;

in een volgende generatie

laat hun namen worden uitgewist.

109:14 Laat de ongerechtigheid van zijn vaders

herinnerd worden voor het aangezicht van Maryah,

en laat de zonde van zijn moeder niet uitgewist worden.

109:15 Laat hun voortdurend voor het aangezicht van Maryah zijn,

dat Hij hun herinnering moge wegmaaien van de aarde;

109:16 omdat hij niet heeft gedacht

om liefdevolle goedheid te tonen,

maar de gekwelde en behoeftige man vervolgde,

en de wanhopige van hart,

om ze ter dood te brengen.

109:17 Hij hield ook van vervloeking,

dus kwam het tot hem;

en hij had geen behagen in zegen,

dus was het verre van hem.

109:18 Maar hij kleedde zichzelf met vervloeking

als met zijn kleed,

en het drong in zijn lichaam binnen

als water

en als olie in zijn botten.

109:19 Laat het aan hem als een kleed zijn

met welke hij zichzelf bedekt,

en tot een gordel

met welke hij zichzelf altijd omgordt.

109:20 Laat dit de beloning voor mijn aanklagers zijn

van Maryah,

en van degenen die kwaad spreken tegen mijn ziel.

109:21 Maar Gij,

O Aloha,

Maryah,

handelt goedaardig met mij omwille van Uw naam;

want Uw liefdevolle vriendelijkheid is goed,

verlos mij;

109:22 want ik ben gekweld

en behoeftig,

en mijn hart is verwond

binnenin mij.

109:23 Ik ben voorbij gegaan

als een schaduw

wanneer zij langer wordt;

ik ben afgeschud als sprinkhaan.

109:24 Mijn knieën zijn krachteloos van het vasten,

en mijn vlees is mager geworden,

zonder vetheid.

109:25 Ik ben ook een schande tot hen geworden;

wanneer zij mij zien,

schudden zij met hun hoofd.

109:26 Help mij,

O Maryah mijn Aloha;

verlos mij volgens Uw liefdevolle vriendelijkheid.

109:27 En laat hen weten dat dit Uw hand is;

Gij,

Maryah,

hebt het gedaan.

109:28 Laat hen vervloeken,

maar Gij zegent;

wanneer zij opstaan,

zullen zij beschaamd worden,

maar Uw dienstknecht zal verheugd zijn.

109:29 Laat mijn aanklagers worden bekleed met oneer,

en laat ze zich met hun eigen schaamte bedekken

als met een mantel.

109:30 Met mijn mond zal ik overvloedig dankzegging geven aan Maryah;

en te-midden-van velen zal ik Hem loven.

109:31 Want Hij staat aan de rechter hand van de behoeftige,

om hem te redden van degenen die zijn ziel oordelen.

Tehelim 110

110:1 Een psalm van David.

Maryah zegt tot mijn Heer (*’imarya’ naam die verwijst naar Yeshu):

“Zit aan Mijn rechterhand

tot ik Uw vijanden een voetbankje maak

voor Uw voeten.”

110:2 Maryah zal Uw krachtige scepter uitstrekken uit Zion,

zeggende,

“Heers te-midden-van Uw vijanden.”

110:3 Uw mensen zullen zich vrijwillig melden op de dag van Uw macht;

in heilige uitdossing,

vanuit de schoot van het morgenrood,

zijn Uw jongeren als de dauw voor U.

110:4 Maryah heeft gezworen

en zal Zijn gedachten niet veranderen,

“Gij zijt een priester voor altijd

volgens de orde van Melchizedek.”

110:5 Maryah is aan Uw rechter-hand;

Hij zal Koningen verpletteren

op de dag van Zijn toorn.

110:6 Hij zal oordelen onder de naties,

Hij zal ze vullen met lijken,

de hoofdman over een uitgestrekt land

zal Hij verpletteren.

110:7 Hij zal drinken uit de beek aan de kant van de weg;

daarom zal Hij Zijn hoofd opheffen.

Tehelim 111

111:1 Prijst Maryah!

Ik zal dankzegging geven aan Maryah met heel mijn hart,

in het gezelschap van de oprechten

en in de samenkomst.

111:2 Groot zijn de werken van Maryah;

ze worden bestudeerd door allen die behagen in hen scheppen.

111:3 Prachtig en majestueus is Zijn werk,

en Zijn gerechtigheid duurt voor eeuwig.

111:4 Hij heeft Zijn wonderen gemaakt om herinnerd te worden;

Maryah is genadig en barmhartig.

111:5 Hij heeft voedsel gegeven

aan degenen die Hem vrezen;

Hij zal Zijn verbond voor eeuwig gedenken.

111:6 Hij heeft aan Zijn volk de kracht van Zijn werken bekend gemaakt,

hun gevende het erfdeel van de naties.

111:7 De werken van Zijn handen zijn waarachtigheid en gerechtigheid;

al Zijn voorschriften zijn betrouwbaar.

111:8 Ze worden nageleefd

voor eeuwig en altijd;

ze worden uitgevoerd

in waarheid en oprechtheid.

111:9 Hij heeft verlossing gezonden aan Zijn volk;

Hij heeft Zijn verbond verordend voor eeuwig;

heilig en ontzagwekkend is Zijn naam.

111:10 Het ontzag voor Maryah

is het begin van wijsheid;

een goed inzicht hebben al degenen die Zijn geboden doen;

Zijn lof voor eeuwig blijvende.

Tehelim 112

112:1 Prijst Maryah!

hoe gezegend is de man die ontzag heeft voor Maryah,

die buitengewoon behagen schept in Zijn geboden.

112:2 Zijn nakomelingen zullen bekwaam worden op aarde;

de generatie van de oprechten zal worden gezegend.

112:3 Welvaart en rijkdom zijn in zijn huis,

en zijn gerechtigheid voor eeuwig blijvende.

112:4 Licht rijst op in de duisternis voor de oprechten;

hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig.

112:5 Het gaat goed met de man die genadig is en uitleent;

hij zal zijn aangelegenheden naar recht onderhouden.

112:6 Want hij zal nimmer wankelen;

de rechtvaardige zal voor altijd worden herinnerd.

112:7 Hij zal kwade tijdingen niet vrezen;

zijn hart is standvastig,

vertrouwende op Maryah.

112:8 Zijn hart wordt gekoesterd,

hij zal niet vrezen,

totdat hij met tevredenheid ziet op zijn tegenstanders.

112:9 Hij heeft vrijelijk gegeven aan de armen,

zijn gerechtigheid blijft voor eeuwig;

zijn hoorn zal in ere worden verhoogd.

112:10 De goddeloze zal het zien en verontwaardigd zijn,

hij zal zijn tanden knarsen en wegsmelten;

de wens van de goddeloze zal vergaan.

Tehelim 113

113:1 Prijst Maryah!

Prijst,

O dienaren van Maryah,

prijst de naam van Maryah.

113:2 Gezegend zij de naam van Maryah

vanaf deze tijd

en voor eeuwig.

113:3 Vanaf de opstijging van de zon,

tot haar ondergang

de naam van Maryah is om te worden geprezen.

113:4 Maryah is hoog boven alle naties;

Zijn heerlijkheid is boven de hemelen.

113:5 Wie is als Maryah onze Aloha,

die in de hoogte troont,

113:6 wie verlaagt zichzelf

om de dingen te zien

die in de hemel zijn

en op de aarde?

113:7 Hij doet de armen opstaan uit het stof

en tilt de behoeftigen op uit de ashoop,

113:8 om hen te laten zitten bij prinsen,

bij de prinsen van Zijn volk.

113:9 Hij laat de onvruchtbare vrouw in het huis vertoeven

als een vreugdevolle moeder van kinderen.

Prijst Maryah!

Tehelim 114

114:1 Toen Israël uitging van Egypte,

het huis van Jakob

van een volk vreemd ter taal,

114:2 werd Judah Zijn heiligdom,

Israël,

Zijn heerschappij.

114:3 De zee keek en vluchtte;

de Jordaan keerde achterwaarts om.

114:4 De bergen sprongen op als rammen,

de heuvels,

als lammeren.

114:5 Wat scheelde u,

O zee,

dat gij vluchtte?

O Jordaan,

dat gij achterwaarts omkeerde?

114:6 O bergen,

dat gij opsprong als rammen?

O heuvels,

als lammeren?

114:7 Beef,

O aarde,

voor het aangezicht van Maryah,

voor het aangezicht van de Aloha van Jakob,

114:8 Die de rotssteen veranderde in een poel van water,

de kiezelsteen in een fontein van water.

Tehelim 115

115:1 Niet aan ons,

O Maryah,

niet aan ons,

maar aan Uw naam

geef glorie vanwege Uw liefdevolle goedheid,

vanwege Uw waarheid.

115:2 Waarom zouden de naties zeggen,

“Waar, nu, is hun Aloha?”

115:3 Maar onze Aloha is in de hemelen;

Hij doet wat Hij wil.

115:4 Hun afgoden zijn zilver en goud,

het werk van s’mensen handen.

115:5 Zij hebben monden,

maar spreken kunnen ze niet;

zij hebben ogen,

maar zien kunnen ze niet;

115:6 ze hebben oren,

maar horen kunnen ze niet;

ze hebben neuzen,

maar ruiken kunnen ze niet;

115:7 Zij hebben handen,

maar voelen kunnen ze niet;

zij hebben voeten,

maar wandelen kunnen ze niet;

ze kunnen niet één geluid vormen door hun keelgat.

115:8 Degenen die hen maken

zullen worden als hun,

iedereen die op hen vertrouwt.

115:9 O Israël,

vertrouwt op Maryah;

hun helper en hun beschermer is Hij.

115:10 O huis van Aaron,

vertrouwt op Maryah;

hun helper en hun beschermer is Hij.

115:11 Gij die Maryah vreest,

vertrouwt op Maryah;

hun helper en hun beschermer is Hij.

115:12 Maryah is ons indachtig geweest;

Hij zal ons zegenen;

Hij zal het huis van Israël zegenen;

Hij zal het huis van Aaron zegenen.

115:13 Hij zal diegenen zegenen die Maryah vrezen,

de kleinen samen met de groten.

115:14 Moge Maryah u vermeerdering geven,

u en uw kinderen.

115:15 Moge gij worden gezegend van Maryah,

Schepper van hemel en aarde.

115:16 De hemelen zijn de hemelen van Maryah,

maar de aarde

heeft Hij gegeven aan de zonen der mensen.

115:17 De doden prijzen Maryah niet,

eenieder die in de stilte afdaalt evenmin;

115:18 Maar wat ons betreft,

wij zullen Maryah zegenen

vanaf dit moment en voor altijd.

Prijst Maryah!

Tehelim 116

116:1 Ik heb Maryah lief,

want Hij hoort mijn stem

en mijn smeekbeden.

116:2 Want Hij heeft Zijn oor naar mij geneigd,

daarom zal ik Hem aanroepen

zolang als ik leef.

116:3 De koorden des doods omvatten mij

en de verschrikkingen van sheol kwamen over mij;

ik ondervond ellende en verdriet.

116:4 Vervolgens riep ik op de naam van Maryah:

” O Maryah,

ik smeek U,

red mijn leven!”

116:5 Genadig is Maryah,

en rechtvaardig;

ja,

onze Aloha is medelijdend.

116:6 Maryah bewaart de eenvoudige;

ik werd laag gebracht,

en Hij redde mij.

116:7 Keer terug tot uw rust,

O mijn ziel,

want Maryah heeft weldadig met u gehandeld.

116:8 Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood,

mijn ogen van tranen,

mijn voeten van struikelen.

116:9 Ik zal wandelen voor het aanschijn van Maryah

in het land van de levenden.

116:10 Ik geloofde terwijl ik zei,

“Ik ben zeer geintimideert.”

116:11 Ik zei in mijn alarmering,

“Alle mensen zijn leugenaars.”

116:12 Wat zal ik terug geven aan Maryah

voor al Zijn gunsten naar mij toe?

116:13 Ik zal de beker van verlossing optillen

en aanroepen de naam van Maryah.

116:14 Ik zal mijn geloften betalen aan Maryah,

Oh,

moge het zijn in het bijzijn van al zijn volk.

116:15 Onschatbaar,

in de ogen van Maryah,

is de dood van Zijn goddelijken.

116:16 O Maryah,

ongetwijfeld ik ben Uw dienaar,

ik ben Uw dienaar,

de zoon van Uw dienstmaagd,

Gij hebt mijn banden losgemaakt.

116:17 Aan U

zal ik een offer van dankzegging aanbieden,

en de naam van Maryah aanroepen.

116:18 Ik zal mijn geloften betalen aan Maryah,

oh moge het zijn in het bijzijn van al Zijn volk,

116:19 in de hoven van het huis van Maryah,

in het midden van u,

O Jeruzalem.

Prijst Maryah!

Tehelim 117

117:1 Prijst Maryah,

alle naties;

looft Hem,

alle volken!

117:2 Want Zijn liefdevolle goedheid is geweldig jegens ons,

en de waarheid van Maryah is eeuwigdurend.

Prijst Maryah!

Tehelim 118

118:1 Geef dank aan Maryah,

want Hij is goed;

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.!

118:2 Oh laat Israël zeggen,

“Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.”

118:3 Oh laat het huis van Aaron zeggen,

“Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.”

118:4 Oh laat degenen die Maryah vrezen zeggen,

“Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.”

118:5 Uit mijn ellende riep ik Maryah aan;

Maryah antwoordde mij

en stelde mij in een grote ruimte.

118:6 Maryah is voor mij;

ik zal niet vrezen;

wat kan kan de mens aan mij doen?

118:7 Maryah is voor mij onder degenen die mij helpen;

daarom zal ik met voldoening zien

op hen die mij haten.

118:8 Het is beter om toevlucht te nemen in Maryah

dan om op de mens te vertrouwen.

118:9 Het is beter om toevlucht te nemen in Maryah

dan om op prinsen te vertrouwen.

118:10 Alle naties omringden mij;

in de naam van Maryah

zal ik hen zeker doorsteken.

118:11 Ze omringden mij,

ja,

ze omringden mij;

in de naam van Maryah

ik zal hen zeker doorsteken.

118:12 Ze omringden mij als bijen;

ze werden uitgeblust als een vuur van doornen;

in de naam van Maryah

zal ik hen zeker doorsteken.

118:13 Je stootte mij gewelddadig

zodat ik viel,

maar Maryah hielp me.

118:14 Maryah is mijn kracht en gezang,

en Hij is mijn heil geworden.

118:15 Het geluid van vreugdevol gejuich en heil

is in de tenten van de rechtvaardigen;

de rechterhand van Maryah doet dapperheid.

118:16 De rechterhand van Maryah is verhoogd;

de rechterhand van Maryah doet dapperheid.

118:17 Ik zal niet sterven,

maar leven,

en van de werken van Maryah vertellen.

118:18 Maryah heeft mij zwaar gedisciplineerd,

maar Hij heeft mij aan de dood niet overgegeven.

118:19 Open voor mij de poorten van gerechtigheid;

ik zal ingaan door hen,

ik zal dankzegging geven aan Maryah.

118:20 Dit is de poort van Maryah;

de rechtvaardigen zullen erdoorheen gaan.

118:21 Ik zal dankzegging geven aan U,

want Gij hebt mij geantwoord,

en Gij zijt mijn heil geworden.

118:22 De steen die de bouwers verwierpen

is de hoofd hoeksteen geworden.

118:23 Dit is Maryah zijn doen;

het is wonderbaar in onze ogen.

118:24 Dit is de dag die Maryah heeft gemaakt;

laat ons daarop verheugen

en verblijd zijn.

118:25 O Maryah,

breng redding,

wij smeken U;

O Maryah,

wij smeken U,

zendt voorspoed!

118:26 Gezegend is degene

die komt in de naam van Maryah;

we hebben u gezegend

uit het huis van Maryah.

118:27 Maryah is Aloha,

en Hij heeft ons licht gegeven;

bind het feestoffer met koorden aan de hoornen van het altaar.

118:28 Gij zijt mijn Aloha,

en ik geef dankzegging aan U;

Gij zijt mijn Aloha,

ik verheerlijk U.

118:29 Geef dankzegging aan Maryah,

want Hij is goed;

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

Tehelim 119

119:1 Alef.

Hoe gezegend zijn zij

wiens weg onberispelijk is,

die wandelen in de wet van Maryah.

119:2 Hoe gezegend zijn zij

die Zijn getuigenis in acht nemen,

die Hem zoeken

met gans hun hart.

119:3 Ook doen ze geen ongerechtigheid;

ze wandelen in Zijn wegen.

119:4 Gij hebt Uw voorschriften bevolen,

dat we ze vol overgave moeten houden.

119:5 Oh dat mijn wegen vast mochten worden

om Uw verordeningen te behouden!

119:6 Dan zal ik niet beschaamd worden

wanneer ik zie op al Uw geboden.

119:7 Ik geef dankzegging aan U met oprechtheid van hart,

wanneer ik Uw rechtvaardige oordelen leer.

119:8 Ik zal Uw verordeningen behouden;

verlaat mij niet geheel en al!

Beth.

119:9 Hoe kan een jonge man zijn pad zuiver houden?

door het te bewaken volgens Uw woord.

119:10 Met heel mijn hart heb ik U gezocht;

laat mij niet afdwalen van Uw geboden.

119:11 Uw woord heb ik gekoesterd in mijn hart,

opdat ik niet zou zondigen tegen U.

119:12 Gezegend zijt Gij,

O Maryah;

leer mij Uw verordeningen.

119:13 Met mijn lippen heb ik verteld

van alle verordeningen van Uw mond.

119:14 Ik ben verheugder

in de weg van Uw getuigenissen,

dan over alle rijkdom.

119:15 Uw voorschriften

zal ik overpeinzen

en acht geven

op Uw paden.

119:16 Ik zal verheugen in Uw verordeningen;

ik zal Uw woord niet vergeten.

Gamal.

119:17 Handel gul met Uw dienaar,

dat ik moge leven

en Uw woord bewaren.

119:18 Open mijn ogen,

dat ik wondermooie dingen moge zien vanuit Uw wet.

119:19 Ik ben een vreemde op aarde;

verberg Uw geboden niet voor mij.

119:20 Mijn ziel wordt verpletterd

door het verlangen naar Uw verordeningen

te alle tijden.

119:21 Gij tuchtigt de arroganten,

de vervloekten,

die van Uw geboden afdwalen.

119:22 Neem smaad en verachting van mij weg,

want ik heb Uw getuigenissen in acht genomen.

119:23 Zelfs als prinsen zitten

en tegen mij praten,

Uw dienaar mediteert over Uw inzettingen.

119:24 Uw getuigenissen zijn ook mijn vreugde;

ze zijn mijn raadgevers.

Dalat.

119:25 Mijn ziel kleeft aan het stof;

doe mij herleven naar Uw woord.

119:26 Ik vertelde van mijn wegen,

en Gij hebt mij geantwoord;

leer mij Uw inzettingen.

119:27 Doe mij verstaan

de weg van Uw voorschriften,

zo zal ik mediteren over Uw wonderen.

119:28 Mijn ziel huilt van droefheid;

versterk mij naar Uw woord.

119:29 Haal mij van de valse weg af,

en verleen mij genadig Uw wet.

119:30 Ik heb gekozen voor de getrouwe weg;

ik heb Uw verordeningen voor mij geplaatst.

119:31 Ik klamp vast aan Uw getuigenissen;

O Maryah,

zet mij niet te schande!

119:32 Ik zal de weg van Uw geboden lopen,

want Gij zult mijn hart verruimen

Hey.

119:33 Leer mij,

O Maryah,

de weg van Uw verordeningen,

en ik zal die in acht nemen

tot het einde.

119:34 Geef me begrip,

opdat ik Uw wet moge in acht nemen

en die houden met heel mijn hart.

119:35 Doe mij stappen op het pad van Uw geboden,

want daarin schep ik behagen.

119:36 Buig mijn hart naar Uw getuigenissen

en niet naar oneerlijke voordeel.

119:37 Wend mijn ogen af

van het kijken naar ijdelheid,

en doe mij herleven op Uw wegen.

119:38 Bevestig Uw woord aan Uw dienaar,

daar dat ontzag voor U teweegbrengt.

119:39 Wend mijn blaam af die ik vrees,

want Uw verordeningen zijn goed.

119:40 Zie!

ik verlang naar Uw voorschriften;

doe mij herleven

door Uw gerechtigheid.

Waw.

119:41 Moge Uw liefdevolle goedheid ook over mij komen,

O Maryah,

Uw redding volgens Uw woord;

119:42 Zo zal ik een antwoord hebben

voor hem die mij smaad,

want ik vertrouw op Uw woord.

119:43 En neem het woord van waarheid niet geheel en al uit mijn mond,

want ik wacht op Uw verordeningen.

119:44 Zo zal ik Uw wet voortdurend houden,

voor eeuwig en altijd.

119:45 En ik zal wandelen in de weidsheid,

want ik zoek Uw voorschriften.

119:46 Ik zal ook van Uw getuigenissen spreken voor koningen

en zal niet beschaamd worden.

119:47 Ik zal behagen scheppen in Uw geboden,

die ik liefheb.

119:48 En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden,

die ik liefheb;

en ik zal Uw verordeningen overpeinzen.

Zayn.

119:49 Gedenk het woord aan Uw dienaar,

op welke Gij mij hoop hebt doen stellen.

119:50 Dit is mijn troost in mijn ellende,

dat Uw woord mij heeft doen herleven.

119:51 De verwaande bespotte mij geheel en al,

toch wijk ik niet af van Uw wet.

119:52 Ik heb Uw verordeningen herinnerd

sedert vanouds,

O Maryah,

en troostte mezelf.

119:53 Gloeiende verontwaardiging heeft mij aangegrepen

vanwege de goddelozen,

die Uw wet verlaten.

119:54 Uw verordeningen zijn m’n gezangen

in het huis van mijn pelgrimstocht.

119:55 O Maryah,

ik herinnerde me Uw naam in de nacht,

en bewaarde Uw wet.

119:56 Dit is het mijne geworden,

omdat ik Uw voorschriften in acht genomen heb.

Het.

119:57 Maryah is mijn deel;

ik heb beloofd om Uw woorden te houden.

119:58 Ik zocht Uw gunst met heel mijn hart;

wees genadig tot mij naar Uw woord.

119:59 Ik overdacht mijn wegen

en keerde mijn voeten naar Uw getuigenissen.

119:60 Ik verhaastte en talmde niet

om Uw geboden te houden.

119:61 De koorden van de goddelozen hebben mij omsloten,

maar ik heb Uw wet niet vergeten.

119:62 Om middernacht zal ik opstaan

om dankzegging aan U te geven

vanwege Uw rechtvaardige verordeningen.

119:63 Ik ben een metgezel

van al degenen die U vrezen,

en van degenen die Uw voorschriften houden.

119:64 De aarde is vol van Uw liefdevolle goedheid,

O Maryah;

leer mij Uw verordeningen.

Tet.

119:65 Gij hebt goed gehandeld met Uw dienaar,

O Maryah,

volgens Uw woord.

119:66 Leer mij goed onderscheiden

en kennis,

want ik geloof in Uw geboden.

119:67 Ik werd gekweld tevoren

ik dwaalde af,

maar nu houd ik Uw woord.

119:68 Gij zijt goed

en doet goed;

leer mij Uw verordeningen.

119:69 De hoogmoedigen

hebben een leugen tegen mij verzonnen;

met geheel mijn hart

zal ik Uw voorschriften in acht nemen.

119:70 Hun hart is bedekt met vettigheid,

maar ik schep behagen in Uw wet.

119:71 Het is goed voor mij

dat ik gekweld werd,

opdat ik Uw verordeningen moge leren.

119:72 De wet van Uw mond is beter voor mij

dan duizenden van goud

en zilver stukken.

Yod.

119:73 Uw handen maakten mij

en vormden mij;

geef mij begrip,

opdat ik Uw geboden moge leren

119:74 Moge degenen die U vrezen

mij zien

en blij zijn,

omdat ik op Uw woord wachtte.

119:75 Ik weet,

O Maryah,

dat Uw oordelen rechtvaardig zijn,

en dat Gij mij in getrouwheid hebt gekweld.

119:76 O moge Uw liefdevolle goedheid mij troosten,

volgens Uw woord aan Uw dienaar.

119:77 Moge Uw compassie tot mij komen

dat ik moge leven,

want Uw wet is mijn vreugde.

119:78 Moge de hoogmoedigen beschaamd zijn,

want zij brengen mij ten val door een leugen;

maar ik zal mediteren over Uw voorschriften.

119:79 Moge degenen die U vrezen

tot mij keren,

Zelfs degenen die Uw getuigenissen kennen.

119:80 Moge mijn hart onberispelijk zijn in Uw verordeningen;

zo dat ik niet zal beschaamd worden.

Kaf.

119:81 Mijn ziel smacht naar Uw heil;

ik wacht op Uw woord.

119:82 Mijn ogen falen van verlangen naar Uw woord,

terwijl ik zeg,

“Wanneer zult Gij mij vertroosten?”

119:83 Hoewel ik ben geworden

als een wijnzak in de rook,

ik vergeet Uw verordeningen niet.

119:84 Hoe velen zijn de dagen van Uw dienaar?

wanneer zult Gij oordeel uitvoeren

over degenen die mij vervolgen?

119:85 De hoogmoedigen hebben kuilen gegraven voor mij,

mannen die niet in overeenstemming zijn met Uw wet.

119:86 Al Uw geboden zijn getrouw;

zij hebben mij vervolgd met een leugen;

help me!

119:87 Ze vernietigden mij bijna op aarde,

maar wat mij betreft,

k’heb Uw voorschriften niet verlaten.

119:88 Doe mij herleven

volgens Uw liefdevolle goedheid,

zo dat ik de getuigenis van Uw mond moge houden.

Lamad.

119:89 Voor altijd,

O Maryah,

is Uw woord gevestigd in de hemel.

119:90 Uw getrouwheid blijft

doorheen alle generaties;

Gij bracht de aarde tot stand,

en zij staat.

119:91 Zij staan deze dag

naar Uw verordeningen,

want alle dingen zijn Uw dienaren.

119:92 Als Uw wet mijn vreugde niet had geweest,

dan zou ik zijn omgekomen

in mijn ellende.

119:93 Ik zal nooit Uw voorschriften vergeten,

want door hen hebt Gij mij doen herleven.

119:94 Ik ben de Uwe,

red mij;

want ik heb Uw voorschriften gezocht.

119:95 De goddelozen wachten op mij

om me te vernietigen;

ik zal zorgvuldig overdenken

Uw getuigenissen.

119:96 Ik heb een limiet gezien aan alle perfectie;

Uw gebod is buitengewoon ruim.

Mim.

119:97 O hoe hou ik van Uw wet !

zij is mijn overdenking gans de dag.

119:98 Uw geboden maken mij wijzer dan mijn vijanden,

want zij zijn steeds de mijne.

119:99 Ik heb meer inzicht dan al mijn leraars,

want Uw getuigenissen zijn mijn meditatie.

119:100 Ik begrijp meer dan de ouden,

omdat ik Uw voorschriften heb nageleefd.

119:101 Ik heb mijn voeten weerhouden

van elke kwade weg,

opdat ik Uw woord moge houden.

119:102 Ik heb niet afgeweken van Uw verordeningen,

want Gij

Gij-zelf hebt mij geleerd.

119:103 Hoe zoet zijn Uw woorden naar mijn smaak!

Ja,

zoeter dan honing naar mijn mond!

119:104 Vanuit Uw voorschriften verkrijg ik begrip;

daarom haat ik elk bedrieglijk pad.

Nun.

119:105 Uw woord is een lamp voor mijn voet

en een licht op mijn pad.

119:106 Ik heb gezworen en zal het bevestigen,

dat ik Uw rechtvaardige verordeningen zal houden.

119:107 Ik ben buitengewoon gekweld;

doe mij herleven,

O Maryah,

volgens Uw woord.

119:108 O accepteer de vrijwillige offers van mijn mond,

O Maryah,

en leer mij Uw verordeningen.

119:109 Mijn leven is permanent in mijn hand,

toch vergeet ik Uw wet niet.

119:110 De goddelozen hebben een valstrik voor mij gelegd,

toch heb ik niet afgedwaald van Uw voorschriften.

119:111 Ik heb Uw getuigenissen voor eeuwig geërfd,

want zij zijn de blijdschap van mijn hart.

119:112 Ik heb mijn hart geneigd

om Uw verordeningen

voor altijd te doen,

zelfs tot het einde.

Sim kath.

119:113 Ik haat degenen die besluiteloos zijn,

maar ik hou van Uw wet.

119:114 Gij zijt mijn schuilplaats

en mijn schild;

ik wacht op Uw woord.

119:115 Wijk van mij,

kwaaddoeners,

dat ik moge handelen

volgens de geboden van mijn Aloha.

119:116 Ondersteun mij

volgens Uw woord,

opdat ik moge leven;

en laat mij niet beschaamd worden over mijn hoop.

119:117 Ondersteun mij

dat ik veilig moge zijn,

opdat ik aandacht moge hebben

voor Uw verordeningen

voortdurend.

119:118 Gij hebt verworpen

al diegenen die afdwalen van Uw verordeningen,

want hun bedrieglijkheid is nutteloos.

119:119 Gij hebt verwijderd

al de goddelozen van de aarde

als droesem;

daarom heb ik Uw getuigenissen lief.

119:120 Mijn vlees beeft van schrik voor U,

en ik ben bevreesd voor Uw oordelen.

Ayn.

119:121 Ik heb recht gedaan

en gerechtigheid;

laat mij niet over aan mijn onderdrukkers.

119:122 Wees een onderpand ten goede

voor Uw dienaar;

laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.

119:123 Mijn ogen zijn verzwakt van verlangen naar Uw heil

en naar Uw rechtvaardig woord.

119:124 Handel met Uw dienaar

volgens Uw liefdevolle goedheid

en leer mij Uw verordeningen.

119:125 Ik ben Uw dienaar;

geef mij begrip

zodat ik kan begrijpen

Uw getuigenissen.

119:126 Het is tijd voor Maryah

om handelend op te treden,

want zij hebben verbroken

Uw wet.

119:127 Daarom bemin ik Uw geboden boven goud,

ja,

boven fijn goudwerk.

119:128 Daarom acht ik al Uw voorschriften correct

betreffende alles,

ik haat ieder bedrieglijk pad.

Peh.

119:129 Uw getuigenissen zijn wonderlijk;

daarom volgt mijn ziel hen op.

119:130 De ontplooiing van Uw woorden geeft licht;

het geeft inzicht aan de eenvoudige.

119:131 Ik opende mijn mond wijd en snakte,

want ik verlangde naar Uw geboden.

119:132 Draai naar mij en wees genadig aan mij,

naar Uw wijze met degenen die Uw naam liefhebben.

119:133 Stel mijn voetstappen vast

in Uw woord,

en laat niet om het even welke ongerechtigheid

heerschappij over mij hebben.

119:134 Verlos mij van de onderdrukking van de mens,

opdat ik Uw voorschriften moge houden.

119:135 Doe Uw aangezicht stralen op Uw dienaar,

en leer mij Uw verordeningen.

119:136 Mijn ogen plengen stromen van water,

omdat zij Uw wet niet houden.

Sadhe.

119:137 Rechtvaardig zijt Gij,

O Maryah,

en oprecht zijn Uw oordelen.

119:138 Gij hebt Uw getuigenissen geboden

in gerechtigheid

en overtreffende getrouwheid.

119:139 Mijn ijver heeft mij verteerd,

omdat mijn tegenstanders Uw woorden hebben vergeten.

119:140 Uw woord is zeer zuiver,

daarom houdt Uw dienaar ervan.

119:141 Ik ben gering en geminacht,

toch vergeet ik Uw voorschriften niet.

119:142 Uw gerechtigheid is een eeuwigdurende gerechtigheid,

en Uw wet is waarheid.

119:143 Kwelling en angst is op mij gekomen,

maar,

Uw geboden zijn mijn blijdschap.

119:144 Uw getuigenissen zijn rechtvaardig voor altijd;

geef mij inzicht

opdat ik moge leven.

Qof.

119:145 Ik riep met gans mijn hart;

antwoord mij,

O Maryah!

ik zal Uw verordeningen in acht nemen.

119:146 Ik riep tot U;

red mij,

en ik zal Uw getuigenissen houden.

119:147 Ik sta op voor de dageraad

en schrei om hulp;

want ik verwacht Uw woorden.

119:148 Mijn ogen voorzien de nacht waken,

zodat ik Uw woord kan overdenken.

119:149 Hoor mijn stem

volgens Uw liefdevolle goedheid;

doe mij herleven,

O Maryah,

volgens Uw verordeningen.

119:150 Zij die goddeloosheid nalopen

trekken nabij;

zij zijn verre van Uw wet.

119:151 Gij zijt nabij,

O Maryah,

en al Uw geboden zijn waarheid.

119:152 Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen

dat Gij hen hebt gegrondvest

voor altijd.

Resh.

119:153 Aanzie mijn ellende

en bevrijd mij,

want Uw wet vergeet ik niet.

119:154 Bepleit mijn zaak

en verlos mij;

doe mij herleven

volgens Uw woord.

119:155 Redding is verre van de goddelozen,

want naar Uw verordeningen zijn ze niet op zoek .

119:156 Groot zijn Uw barmhartigheden,

O Maryah;

doe mij herleven

volgens Uw verordeningen.

119:157 Vele zijn mijn vervolgers

en mijn tegenstanders,

nochtans,

wijk ik van Uw getuigenissen niet af.

119:158 Ik aanschouw degenen die dubbelhartig zijn

en verafschuw hen,

omdat ze Uw woord niet houden.

119:159 Overweeg hoe ik van Uw voorschriften hou;

doe mij herleven,

O Maryah,

volgens Uw liefdevolle goedheid.

119:160 De uitkomst van Uw woord is waarheid,

en elkeen van Uw rechtvaardige verordeningen

is eeuwigdurend.

Shin.

119:161 Prinsen vervolgen mij zonder reden,

maar mijn hart staat in ontzag voor Uw woorden.

119:162 Ik verheug me op Uw woord,

gelijk één die een grote verwennerij vindt.

119:163 Ik haat en veracht onwaarheid,

maar ik hou van Uw wet.

119:164 Zeven maal per dag loof ik U,

vanwege Uw rechtvaardige verordeningen.

119:165 Zij die Uw wet liefhebben

hebben grootste vrede,

en niets doet hun struikelen.

119:166 Ik hoop op Uw redding,

O Maryah,

en doe Uw geboden.

119:167 Mijn ziel behoud Uw getuigenissen,

en ik hou zeer veel van hen.

119:168 Ik behoud Uw voorschriften

en Uw getuigenissen,

want al mijn wegen zijn voor U.

Taw.

119:169 Laat mijn geroep voor U naderen,

O Maryah;

geef mij begrip volgens Uw woord.

119:170 Laat mijn smeekbede voor U naderen;

verlos mij volgens Uw woord.

119:171 Laat mijn lippen lof uiten,

want Gij leert mij Uw verordeningen.

119:172 Laat mijn tong Uw woord bezingen,

want al Uw geboden zijn gerechtigheid.

119:173 Laat Uw hand klaar zijn om mij te helpen,

want Uw geboden heb ik verkozen.

119:174 Ik verlang naar Uw heil,

O Maryah,

en Uw wet is mijn verukking.

119:175 Laat mijn ziel leven

opdat zij U moge prijzen,

en laat Uw verordeningen mij helpen.

119:176 Ik ben op een dwaalspoor gegaan

als een verloren schaap;

zoek Uw dienaar,

want ik vergeet Uw geboden niet.

Tehelim 120

120:1 Een lied van opklimming.

In mijn ellende riep ik tot Maryah,

en Hij antwoordde mij.

120:2 Verlos mijn ziel,

O Maryah,

van leugenachtige lippen,

van een bedrieglijke tong.

120:3 Wat zal worden gegeven

aan u,

en wat zal meer worden gedaan

aan u,

gij bedrieglijke tong?

120:4 Scherpe pijlen van de krijger,

met de gloeiende kolen van de bremboom.

120:5 Wee is mij,

want ik vertoef in Meshech,

want ik woon onder de tenten van Kedar!

120:6 Te lang reeds heeft mijn ziel haar woning gehad

met degenen die vrede haten.

120:7 Ik ben voor de vrede,

maar wanneer ik spreek,

zijn zij voor de strijd.

Tehelim 121

121:1 Een lied van opklimming.

Ik zal mijn ogen opheffen naar de bergen;

vanwaar zal mijn hulp komen?

121:2 Mijn hulp komt van Maryah,

die hemel en aarde maakte.

121:3 Hij zal uw voet niet toestaan om te slippen;

Hij,

uw bewaarder

zal niet sluimeren.

121:4 Zie!

Hij die Israël bewaart

zal niet sluimeren

noch slapen.

121:5 Maryah is uw bewaarder,

Maryah is uw schaduw

aan uw rechterhand.

121:6 De zon zal u niet treffen overdag,

noch de maan s’nachts.

121:7 Maryah zal u beschermen tegen alle kwaad;

Hij zal uw ziel bewaren.

121:8 Maryah zal bewaken

uw uitgaan en uw inkomen

van deze tijd aan en tot eeuwig.

Tehelim 122

122:1 Een lied van opklimming,

van David.

Ik was blij toen ze zeiden tegen mij,

“Laat ons gaan naar het huis van Maryah.”

122:2 Onze voeten staan binnen uw poorten,

O Jeruzalem,

122:3 Jeruzalem,

dat is gebouwd

als een stad die opeen-gedrongen is;

122:4 tot welke de stammen opgaan,

zelfs de stammen van Maryah

een verordening voor Israël

om dankzegging te geven aan de naam van Maryah.

122:5 Want daar waren tronen des oordeel’s gezet,

de tronen van het huis van David.

122:6 Bid voor de vrede van Jeruzalem:

“Mogen ze welvaren deze die u beminnen.

122:7 Moge vrede binnen uw muren zijn,

en welvaart binnen uw paleizen.”

122:8 Omwille van mijn broeders en mijn vrienden,

zal ik nu zeggen,

“Moge vrede binnen u zijn.”

122:9 Omwille van het huis van Maryah onze Aloha,

zal ik uw goed betrachten.

Tehelim 123

123:1 Een lied van opklimming.

Tot U hef ik mijn ogen op,

O Gij die gezeten zijt op een troon in de hemelen!

123:2 Zie,

gelijk de ogen van dienstknechten naar de hand van hun meester kijken,

gelijk de ogen van een meid naar de hand van haar meesteres,

zo kijken onze ogen naar Maryah onze Aloha,

totdat Hij genadig aan ons is.

123:3 Wees genadig aan ons,

O Maryah,

wees genadig aan ons,

want wij zijn zwaar opgevuld met verachting.

123:4 Onze ziel is zwaar opgevuld

met het gespot van zij die op hun gemak zijn,

en met de verachting van de hovaardige.

Tehelim 124

124:1 Een lied van opklimming,

van David.

“Was het niet Maryah geweest die aan onze kant was,”

laat Israël nu zeggen,

124:2 was het niet Maryah geweest

die aan onze kant was

toen mannen tegen ons opstonden!

124:3 Dan zouden zij ons levend hebben verslonden,

wanneer hun toorn was ontstoken tegen ons;

124:4 dan zouden de wateren ons hebben overspoeld,

de stroom zou over onze ziel zijn gejaagd;

124:5 dan zouden de razende wateren over onze ziel zijn gejaagd.”

124:6 Gezegend is Maryah,

die ons niet heeft overgegeven

om te worden verscheurd door hun tanden.

124:7 Onze ziel is ontsnapt

als een vogel uit de valstrik van de strikkenzetter;

de strik is gebroken

en wij zijn ontsnapt.

124:8 Onze hulp is in de naam van Maryah,

die hemel en aarde maakte.

Tehelim 125

125:1 Een lied van opklimming.

Zij die vertrouwen in Maryah

zijn als Berg Sion,

welke niet kan worden bewogen

maar voor eeuwig blijft.

125:2 Zoals de bergen Jeruzalem omringen,

zo omringt Maryah Zijn volk

van deze tijd aan

en voor altijd.

125:3 Want de scepter van goddeloosheid

zal niet rusten op het land van de rechtvaardigen,

zo dat de rechtvaardigen hun handen niet zullen uitsteken

om onrecht te doen.

125:4 Doe goed,

O Maryah,

aan degenen die goed zijn

en aan degenen die oprecht zijn in hun harten.

125:5 Maar wat betreft degenen

die zijwaarts afwenden

naar hun kromme wegen,

Maryah zal hen weg leiden

met de doeners van ongerechtigheid.

Vrede zij op Israël.

Tehelim 126

126:1 Een lied van opklimming.

Wanneer Maryah terug bracht

de gevangenen van Sion;

we waren gelijk degenen die dromen.

126:2 Vervolgens was onze mond gevuld met gelach

en onze tong met vreugdevol geschreeuw;

toen zeiden ze onder de naties,

“Maryah heeft grote dingen voor hen gedaan.”

126:3 Maryah heeft grote dingen voor ons gedaan;

we zijn verblijd.

126:4 Herstel onze gevangenschap,

O Maryah,

als de stromen in het zuiden.

126:5 Degenen die in tranen zaaien

zullen met vreugdevol gejuich maaien.

126:6 Hij die heen en weer gaat,

wenend zijn draagtas met zaad dragende,

zal inderdaad wederkomen met een gejuich van vreugde,

zijn schoven met hem brengende.

Tehelim 127

127:1 Een lied van opklimming,

van Solomon.

Tenzij Maryah het huis bouwt,

tevergeefs zwoegen zij die het bouwen;

tenzij Maryah de stad bewaart,

tevergeefs blijft de wachter wakker.

127:2 Het is tevergeefs voor u om vroeg op te staan,

om u laat terug te trekken,

het brood te eten van pijnlijke arbeid;

want Hij geeft het immers aan Zijn beminden in den slaap

127:3 Zie!

kinderen zijn een gave van Maryah,

de vrucht van de schoot is een beloning.

127:4 Als pijlen in de hand van een krijger,

zo zijn de kinderen van iemands jeugd.

127:5 Hoe gezegend is de man

wiens pijlkoker met hen is gevuld;

zij zullen niet beschaamd worden

wanneer zij met hun vijanden spreken in de poort.

Tehelim 128

128:1 Een lied van opklimming.

Hoe gezegend is eenieder die Maryah vreest,

die in Zijn wegen wandelt.

128:2 Wanneer gij zult eten van de vrucht van uw handen,

zult gij gelukkig zijn

en het zal wel met u zijn.

128:3 Uw vrouw zal als een vruchtbare wijnstok zijn binnen uw huis,

uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.

128:4 Zie!

want alzo zal de mens gezegend worden

die Maryah vreest.

128:5 Moge Maryah u zegenen uit Sion,

dat gij de voorspoed van Jeruzalem moogt zien,

al de dagen van uw leven.

128:6 Jazeker,

dat gij uw kinder’s kinderen moogt zien.

Vrede zij op Israël!

Tehelim 129

129:1 Een lied van opklimming.

“Vele malen hebben zij me vervolgd vanaf mijn jeugd,”

Laat Israël nu zeggen,

129:2 “Vele malen hebben zij me vervolgd vanaf mijn jeugd;

nochtans hebben zij tegen mij niet overheerst.

129:3 De ploegers ploegden op mijn rug;

zij verlengden hun groeven.”

129:4 Maryah is rechtvaardig;

de koorden van de goddelozen

heeft Hij in tweeën gesneden.

129:5 Moge allen die Sion haten

tot schaamte worden gebracht

en achterwaarts worden gekeerd;

129:6 laat hen als gras worden

op de toppen der huizen,

die verdort voordat het opgroeit;

129:7 met welke de maaier zijn hand niet vult,

of de binder van schoven zijn schoot;

129:8 noch zeggen zij die voorbijgaan,

“De zegen van Maryah zij bij u;

in de naam van Maryah

zegenen we u.”

Tehelim 130

130:1 Een lied van opklimming.

Vanuit de diepten heb ik tot U geschreeuwd,

O Maryah.

130:2 Maryah,

hoor mijn stem!

Laat Uw oren attent zijn

op de stem van mijn smeekbeden.

130:3 Zo Gij,

Maryah,

ongerechtigheden moet markeren,

O Maryah,

wie kan bestaan?

130:4 Maar er is vergeving bij U,

dat Gij moge gevreesd worden.

130:5 Ik wacht op Maryah,

mijn ziel wacht,

en op Zijn woord hoop ik.

130:6 Mijn ziel wacht op Maryah

meer dan de wachters op de morgen;

ja,

meer dan de wachters op de morgen.

130:7 O Israël,

hoop op Maryah;

want bij Maryah is er liefdevolle goedheid,

en bij Hem is overvloedige verlossing.

130:8 En Hij zal Israël verlossen

van al zijn ongerechtigheden.

Tehelim 131

131:1 Een lied van opklimming,

van David.

O Maryah,

mijn hart is niet hoogmoedig,

noch mijn ogen trots;

noch betrek ik mezelf in grote zaken,

of in ingewikkelde dingen voor mij.

131:2 Zeer zeker heb ik mijn ziel bedaard en gekalmeerd;

als een gespeend kind die tegen zijn moeder rust,

mijn ziel is als een gespeend kind in mij.

131:3 O Israël,

hoop op Maryah

vanaf deze tijd en voor eeuwig.

Tehelim 132

132:1 Een lied van opklimming.

Gedenk,

O Maryah,

namens David,

al zijn ellende;

132:2 Hoe hij zwoer aan Maryah

en aan de Machtige Ene van Jakob beloofde,

132:3 “Zeer zeker zal ik mijn huis niet ingaan,

noch neerliggen op mijn bed;

132:4 ik zal geen slaap geven aan mijn ogen

of sluimering aan mijn oogleden,

132:5 totdat ik een plaats ontdek voor Maryah,

een woonplaats voor de Machtige Ene van Jakob.”

132:6 Zie!

we hoorden ervan in Ephrathah,

we vonden het in het veld van Jaar.

132:7 Laat ons ingaan in Zijn woonplaats;

laat ons aanbidden aan Zijn voetbankje.

132:8 Sta op,

O Maryah,

naar Uw rustplaats,

Gij en de ark van Uw sterkte.

132:9 Laat Uw priesters worden bekleed met gerechtigheid,

en laat Uw goddelijken zingen van blijdschap.

132:10 Ter wille van David

Uw dienaar,

wend het aangezicht niet af van Uw gezalfde.

132:11 Maryah heeft gezworen aan David

een waarheid van welke Hij niet zal terugkeren:

“Van de vrucht van uw lichaam

zal Ik op uw troon zetten.

132:12 Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden

en Mijn getuigenis die Ik hun zal leren,

ook hun zonen zullen op uw troon zitten

voor altijd.”

132:13 Want Maryah heeft Sion verkoren;

Hij heeft het begeerd tot Zijn bewoning.

132:14 “Dit is Mijn rustplaats voor eeuwig;

hier zal Ik wonen,

want Ik heb het begeerd.

132:15 Ik zal haar proviand overvloedig zegenen;

Ik zal haar behoeftigen met brood verzadigen.

132:16 Ook haar priesters zal ik bekleden met heil,

en haar goddelijken zullen luid zingen van vreugde.

132:17 Daar zal Ik de hoorn van David doen ontspringen;

Ik heb een lamp bereid voor Mijn gezalfde.

132:18 Met schaamte zal Ik zijn vijanden bekleden,

maar zijn kroon zal op hem schitteren.”

Tehelim 133

133:1 Een lied van opklimming,

van David.

Zie!

hoe goed en hoe aangenaam is het

voor broeders om tezamen in eenheid te verblijven!

133:2 Het is gelijk de kostbare olie op het hoofd,

neerkomende op de baard,

gelijk Aaron zijn baard,

neerkomende op de zoom van zijn kleden.

133:3 Het is gelijk de dauw van Hermon

neerkomende op de bergen van Zion;

want daar gebied Maryah de zegen

voor eeuwig leven.

Tehelim 134

134:1 Een lied van opklimming.

Zie!

Prijst Maryah,

alle dienaren van Maryah,

die dienen bij nacht in het huis van Maryah!

134:2 Heft uw handen op naar het heiligdom

en prijst Maryah.

134:3 Moge Maryah u zegenen uit Zion,

Hij die hemel en aarde maakte.

Tehelim 135

135:1 Prijst Maryah!

prijst de naam van Maryah;

prijst Hem,

O dienaars van Maryah,

135:2 gij die staat in het huis van Maryah,

in de hoven van het huis van onze Aloha!

135:3 Prijst Maryah,

want Maryah is goed;

zingt lofprijzingen tot Zijn naam,

want die is liefelijk.

135:4 Want Maryah heeft Jakob voor Hemzelf uitgekozen,

Israël tot Zijn eigen bezit.

135:5 Want ik weet dat Maryah groot is

en dat onze Maryah boven alle goden is.

135:6 Al wat Maryah behaagt,

doet Hij,

in de hemel en op de aarde,

in de zeeën en in alle diepten.

135:7 Hij zorgt ervoor dat de dampen opstijgen

van de einden van de aarde;

die bliksemschichten maakt bij de regen,

die de wind voortbrengt uit Zijn schatkisten.

135:8 Hij sloeg de eerstgeborenen van Egypte,

beide,

van mens en dier.

135:9 Hij zond tekenen en wonderen in uw midden,

O Egypte,

aan Farao en al zijn dienaren.

135:10 Hij sloeg vele naties

en doodde machtige koningen,

135:11 Sihon,

koning van de Amorieten,

en Og,

koning van Bashan,

en al de koninkrijken van Kanaän;

135:12 En hun land gaf Hij als een erfdeel,

een erfdeel aan Israël

Zijn volk.

135:13 Uw naam,

O Maryah,

is eeuwigdurend,

Uw nagedachtenis,

O Maryah,

door alle generaties.

135:14 Want Maryah zal Zijn volk rechtspreken

en zal medelijden hebben over Zijn dienaren.

135:15 De afgoden van de naties zijn maar zilver en goud,

het werk van s’mensen-handen

135:16 Zij hebben monden,

maar zij spreken niet;

zij hebben ogen,

maar zij zien niet;

135:17 zij hebben oren,

maar zij horen niet,

ook is er helemaal geen adem in hun monden.

135:18 Degenen die ze maken

zullen zoals hun zijn,

ja,

iedereen die op hen vertrouwt.

135:19 O huis van Israël,

prijst Maryah;

O huis van Aaron,

prijst Maryah;

135:20 O huis van Levi,

prijst Maryah;

gij die Maryah vereert,

prijst Maryah.

135:21 Gezegend is Maryah van Zion,

die woont in Jeruzalem.

Prijst Maryah!

Tehelim 136

136:1 Geef dankzegging aan Maryah,

want Hij is goed,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:2 Geef dankzegging aan de Aloha over de goddelijken,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:3 Geef dankzegging aan Maryah over heren,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:4 Aan Hem die grote wonderen doet alleen,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:5 aan Hem die de hemelen met vaardigheid maakte,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:6 aan Hem die de aarde boven de wateren uitspreidde,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:7 aan Hem die de grote lichten maakte,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend:

136:8 de zon om te heersen over de dag,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:9 de maan en sterren om te heersen over de nacht,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:10 Aan Hem die de Egyptenaren sloeg in hun eerstgeborenen,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:11 en Israël vanuit hun midden bracht,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:12 met een sterke hand en een uitgestrekte arm,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:13 Aan Hem die de Rode Zee splijtend deelde,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:14 en Israël deed passeren door het midden ervan,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:15 maar Farao en zijn leger versloeg Hij aan de Rode Zee,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:16 Aan Hem die Zijn volk door de woestijn leidde,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:17 aan Hem die grote koningen sloeg,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:18 en machtige koningen doodde,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend:

136:19 Sihon,

koning van de Amorieten,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:20 en Og,

koning van Bashan,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:21 en gaf hun land als een erfdeel,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:22 een erfdeel zelfs aan Israël Zijn dienaar,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:23 Die ons gedacht in onze lage staat,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:24 en ons van onze tegenstanders terugnam,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:25 die spijs geeft aan alle vlees,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:26 Geef dankzegging aan Aloha van de hemel,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

Tehelim 137

137:1 Bij de rivieren van Babel,

daar zaten wij neer en weenden,

wanneer wij Zion gedachten.

137:2 Aan de wilgen,

in het midden ervan,

hingen wij onze harpen.

137:3 Want daar verlangden onze vangers liedjes van ons,

en onze kwellers vrolijkheid,

zeggende,

“Zing ons één van de liedjes van Zion.”

137:4 Hoe kunnen we het lied van Maryah zingen,

in een vreemd land?

137:5 Als ik u vergeet,

O Jeruzalem,

moge mijn rechterhand haar vaardigheid vergeten.

137:6 Moge mijn tong aan het gewelf van mijn mond kleven

als ik u niet gedenk,

als ik Jeruzalem niet verhef

boven mijn hoogste blijdschap.

137:7 Gedenk,

O Maryah,

aan de zonen van Edom –

aan den dag van Jeruzalem,

dewelke zeiden,

“Verwoest ze,

verwoest ze

tot haar laatste fundament.”

137:8 O dochter van Babel,

gij verwoestte,

hoe gezegend zal degene zijn

die u vergeld met die vergelding waarmede gij ons hebt vergeld.

137:9 Hoe gezegend zal degene zijn

die uw kleintjes grijpt

en tegen de steenrots smakt.

Tehelim 138

138:1 Een psalm van David.

Ik zal U dankzegging geven met gans mijn hart;

ik zal voor U lof zingen

in het bijzijn van de goden.

138:2 Ik zal neerbuigen naar Uw heilige tempel

en dankzegging geven tot Uw naam

voor Uw liefdevolle goedheid en Uw waarheid;

want Gij hebt Uw woord vergroot

omwille van Uw ganse naam.

138:3 Op de dag riep ik,

U antwoordde mij;

U maakte mij vrijmoedig met kracht in mijn ziel.

138:4 Al de koningen van de aarde zullen dankzegging aan U geven,

O Maryah,

wanneer zij de woorden gehoord hebben

vanuit Uw mond.

138:5 En zij zullen zingen

van de wegen van Maryah,

want groots is de glorie van Maryah.

138:6 Want hoewel Maryah hoog is,

toch aanziet Hij de lage,

maar de hooghartige

kent Hij van veraf.

138:7 Al wandel ik te midden van ellende,

Gij zult mij doen herleven;

Gij zult Uw hand uitstrekken

tegen de toorn van mijn vijanden

en Uw rechterhand zal mij behouden.

138:8 Maryah zal het volbrengen

wat mij betreft;

Uw liefdevolle goedheid,

O Maryah,

is eeuwigdurend;

verzaak de werken van Uw handen niet.

Tehelim 139

139:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

O Maryah,

Gij hebt mij doorzocht

en kent mij.

139:2 Gij weet wanneer ik ga zitten

en wanneer ik opsta;

Gij begrijpt mijn gedachte

van veraf.

139:3 Gij onderzoekt nauwkeurig mijn pad

en mijn neerliggen,

en zijt innerlijk vertrouwd met al mijn wegen.

139:4 Nog voordat er een woord op mijn tong is,

zie!

O Maryah,

Gij kent het volkomen.

139:5 Gij hebt mij omsloten

achter en voor,

en legde Uw hand op mij.

139:6 Zulke kennis is te wonderlijk voor mij;

zij is te hoog,

ik kan het niet bereiken.

139:7 Waar kan ik heengaan voor Uw geest?

of waar kan ik vluchten voor Uw aanwezigheid?

139:8 Als ik opklim naar de hemel,

Gij zijt daar;

als ik mijn rustplaats maak in She’ol,

zie,

Gij zijt daar.

139:9 Als ik de vleugels van de dageraad neem,

als ik in het meest afgelegen deel van de zee woon,

139:10 zelfs daar zal Uw hand mij geleiden,

en Uw rechterhand zal mij vastgrijpen.

139:11 Als ik zeg,

“Zeker, de duisternis zal mij overweldigen,

en het licht om mij heen zal nacht worden,”

139:12 zelfs de duisternis is niet donker voor U,

en de nacht is zo helder als de dag.

Duisternis en licht zijn gelijk voor U.

139:13 Want Gij vormde mijn inwendige delen;

Gij weefde mij in mijn moeders buik.

139:14 Ik zal dankzegging geven aan U,

want ik ben bangelijk en verbazend mooi gemaakt;

wonderlijk zijn Uw werken,

en mij ziel weet het zeer goed.

139:15 Mijn geraamte was niet verborgen voor U,

toen ik in geheim werd gemaakt,

en behendig gewrocht in de diepten der aarde;

139:16 Uw ogen hebben mijn vormeloze bestaan gezien;

en in Uw boek waren al de dagen geschreven

die voor mij waren bepaald,

toen er nog niet één van hen was.

139:17 Hoe kostbaar ook zijn Uw gedachten aan mij,

O Aloha!

Hoe enorm groot is het totaal van hen!

139:18 Zo ik hen moet tellen,

ze zouden de zandkorrels overtreffen.

Wanneer ik ontwaak,

ben ik nog steeds bij U.

139:19 Oh dat Gij de goddelozen ombrengen zou,

O Aloha;

ga weg van mij,

daarom,

mannen van bloedvergieten.

139:20 Omdat zij goddeloos tegen U spreken,

en Uw vijanden gebruiken Uw naam ijdel.

139:21 Haat ik niet deze

die U haten,

O Maryah?

en verafschuw ik niet deze

die tegen U opstaan?

139:22 Met de grootste haat

haat ik hen;

mijn vijanden

zijn ze geworden.

139:23 Zoek mij,

O Aloha,

en ken mijn hart;

toets mij

en ken mijn ongemakkelijke gedachten;

139:24 en zie of er een verderfelijke weg bij me is,

en leid mij op de eeuwigdurende weg.

Tehelim 140

140:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

140:2 Red mij,

O Maryah,

van boze mensen;

bewaar mij van gewelddadige mannen-

140:3 die kwaadaardige dingen in hun hart beramen;

ze hitsen voortdurend tot oorlogen op.

140:4 Ze scherpen hun tongen

zoals een serpent;

vergif van een adder

is onder hun lippen.

Selah.

140:5 Behoed mij,

O Maryah,

voor de handen van de goddelozen;

bewaar mij voor gewelddadige mannen

die hebben besloten

om mijn voeten te doen struikelen.

140:6 De hoogmoedigen hebben een valstrik voor mij verborgen,

en koorden;

ze hebben een net uitgespreid bij de kant van de weg;

ze hebben valstrikken voor mij uitgezet.

Selah.

140:7 Ik zei tot Maryah,

“Gij zijt mijn Aloha;

geef gehoor,

O Maryah,

aan de stem van mijn smeekbeden.

140:8 O Aloha Maryah,

de sterkte van mijn zaligheid,

Gij hebt mijn hoofd bedekt

op de dag der strijd.

140:9 Willig niet in,

O Maryah,

de verlangens van de goddeloze;

bevorder zijn snood plan niet,

opdat zij niet worden verheven.

Selah.

140:10 Hetzelfde voor het hoofd van degenen die mij omringen,

het onheil van hun lippen moge hen bedekken.

140:11 brandende kolen mogen op hun vallen;

in het vuur mogen zij worden geworpen;

in diepe kuilen

uit welke ze niet kunnen opstaan.

140:12 Moge een lasteraar op de aarde niet worden gevestigd;

moge het kwaad snel de gewelddadige man opjagen.”

140:13 Ik weet dat Maryah de zaak van de ellendige

en de rechtvaardigheid voor de armen

zal verdedigen.

140:14 Ongetwijfeld

de rechtvaardigen

zullen dankzegging geven aan Uw naam;

de oprechten

zullen in Uw aanwezigheid verblijven.

Tehelim 141

141:1 Een psalm van David.

O Maryah,

ik roep U aan;

haast U tot mij!

Geef gehoor aan mijn stem

wanneer ik tot U roep!

141:2 Moge mijn gebed worden gerekend

als wierook voor U:

de opheffing van mijn handen

als het offer van de avond.

141:3 Stel een wachter,

O Maryah

bij mijn mond;

houd de wacht bij de deur van mijn lippen.

141:4 Neig mijn hart niet naar enig kwaad ding,

om daden van goddeloosheid te beoefenen

met mannen die ongerechtigheid doen;

en laat mij niet eten van hun heerlijkheden.

141:5 Laat de rechtvaardigen

mij in liefheid slaan

en mij tuchtigen;

het is olie op het hoofd;

laat mijn hoofd niet weigeren,

want mijn gebed is nog steeds tegen hun boze daden.

141:6 Hun rechters zijn neergeworpen

langs de zijden van de steenrots,

en ze hoorden mijn woorden,

want ze zijn aangenaam.

141:7 Gelijk wanneer men ploegt

en de aarde open-splijt,

zijn onze botten verstrooid geweest

aan de mond van Sheol.

141:8 Want mijn ogen zijn op U,

O Aloha,

Maryah,

in U neem ik toevlucht;

laat mij niet ontbloot achter.

141:9 Houd mij uit de kaken van de val

die ze voor mij hebben gezet,

en uit de strikken

van degenen die ongerechtigheid doen.

141:10 Laat de goddelozen in hun eigen netten vallen,

terwijl ik veilig voorbij ga.

Tehelim 142

142:1 Maskil van David,

toen hij in de grot was.

142:2 Een gebed.

Ik roep hardop met mijn stem tot Maryah;

ik doe smeekbede met mijn stem tot Maryah.

142:3 Ik stort mijn klacht vóór Hem uit;

ik maakte mijn kwelling vóór Hem bekend.

142:4 Wanneer mijn geest in mij werd overmeesterd,

kende u mijn pad.

Op de weg waar ik loop

hebben ze een val voor mij verborgen.

142:5 Uitziende naar rechts, en zie;

er is daar geen één die zich bekommerd om mij;

er is geen ontsnapping voor mij;

niemand geeft om mijn ziel.

142:6 Ik riep tot U uit,

O Maryah,

ik zei,

“Gij zijt mijn toevlucht,

mijn deel in het land van de levenden.

142:7 Schenk aandacht aan mijn noodkreet,

want ik ben zeer laag gebracht;

verlos mij van mijn vervolgers,

want zij zijn te sterk voor mij.

142:8 Breng mijn ziel uit de gevangenis,

zo dat ik dankzegging moge geven tot Uw naam;

de rechtvaardigen zullen mij omringen,

want Gij zult mij gul behandelen.”

Tehelim 143

143:1 Een psalm van David.

Hoor mijn gebed,

O Maryah,

geef gehoor aan mijn smeekbeden!

Antwoord mij naar Uw getrouwheid,

naar Uw gerechtigheid!

143:2 En ga geen gericht aan met Uw dienaar,

want geen levend mens

is voor Uw aangezicht rechtvaardig

143:3 Want de vijand heeft mijn ziel vervolgd;

hij heeft mijn leven verpletterd op de aarde;

hij heeft me doen verblijven op duistere plaatsen,

gelijk degenen die al lang gestorven zijn.

143:4 Daarom is mijn geest in mij overweldigd;

mijn hart is binnenin mij geschrokken.

143:5 Ik gedenk de dagen vanouds;

ik mediteer over al Uw daden;

ik mijmer over het werk van Uw handen.

143:6 Ik strek mijn handen uit naar U;

mijn ziel verlangt naar U,

als een verdord land.

Selah.

143:7 Antwoord me haastig,

O Maryah,

mijn geest faalt;

verberg Uw aangezicht niet voor mij,

of ik zal worden gelijk degenen die afdalen naar de put.

143:8 Laat mij Uw liefdevolle goedheid in de ochtend horen;

want op U vertrouw ik;

leer mij de weg

op welke ik moet stappen;

want tot U hef ik mijn ziel op.

143:9 Verlos me,

O Maryah,

van mijn vijanden;

ik neem toevlucht in U.

143:10 Leer mij om Uw wil te doen,

want Gij zijt mijn Aloha;

laat Uw goede geest mij geleiden op vlakke grond.

143:11 Omwille van Uw naam,

O Maryah,

doe mij herleven.

Breng mijn ziel vanuit ellende

naar Uw gerechtigheid

143:12 En in Uw liefdevolle goedheid,

roei mijn vijanden uit

en vernietig al degenen die mijn ziel kwellen,

want ik ben Uw dienaar.

Tehelim 144

144:1 Een psalm van David.

Gezegend is Maryah,

mijn rots,

die mijn handen opleid voor den strijd,

en mijn vingers voor den slag;

144:2 Mijn liefdevolle goedheid en mijn vesting,

mijn burcht en mijn bevrijder,

mijn schild en Hij in wie ik toevlucht vind,

die mijn volk onder mij onderwerpt.

144:3 O Maryah,

wat is de mens,

dat Gij kennis van hem neemt?

Of de zoon van de mens,

dat Gij denkt aan hem?

144:4 De mens is slechts als een ademtocht;

zijn dagen zijn als een passerende schaduw.

144:5 Buig Uw hemelen,

O Maryah,

en daal af;

raak de bergen aan,

dat zij moge walmen.

144:6 Flits bliksem voort

en verstrooi hen;

zend Uw pijlen uit

en verwar hen.

144:7 Strek Uw hand uit

vanuit den hoge;

red mij

en verlos mij vanuit grote wateren,

vanuit de hand van vreemdelingen-

144:8 wiens monden bedriegerij spreken,

en wiens rechterhand

een rechterhand is van valsheid.

144:9 Ik zal een nieuw lied tot U zingen,

O Maryah,

op een harp van tien snaren

zal ik tot U lofprijs zingen.

144:10 Die heil geeft aan koningen,

die David Zijn dienaar bevrijdt

van het kwaadaardige zwaard.

144:11 Bevrijd mij

en verlos mij vanuit de hand van vreemdelingen,

wiens mond bedriegerij spreekt

en wiens rechterhand

een rechterhand is van valsheid.

144:12 Laat onze zonen

als volwassen planten zijn in hun jeugd,

en onze dochters

als hoekpijlers pasklaar gemaakt als voor een paleis;

144:13 laat onze graanschuren gevuld zijn,

verschaffende elke soort van opbrengst,

en onze kuddes

duizenden en tien duizenden voortbrengen

in onze velden;

144:14 laat onze runderen dragen

zonder tegenslag en zonder verlies,

laat er geen geschreeuw in onze straten zijn!

144:15 Hoe gezegend zijn de mensen die zo zijn gevestigd;

hoe gezegend zijn de mensen

wiens Aloha Maryah is!

Tehelim 145

145:1 Een psalm van lofprijs,

van David.

Ik zal U roemen,

mijn Aloha,

O koning,

en ik zal Uw naam zegenen

voor eeuwig en altijd.

145:2 Elke dag zal ik U zegenen,

en ik zal Uw naam loven

voor eeuwig en altijd.

145:3 Groot is Maryah,

en hoogst om geprezen te worden,

en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.

145:4 Één generatie zal Uw werken roemen

aan de ander,

en zal Uw machtige daden bekend maken.

145:5 Over de roemrijke pracht van Uw majesteit

en over Uw wonderlijke werken,

zal ik mediteren.

145:6 Mensen zullen spreken

van Uw ontzagwekkende handelingen,

en ik zal vertellen van Uw grootheid.

145:7 Ze zullen de nagedachtenis

van Uw overvloedige goedheid verlangend uiten

en zullen vreugdevol juichen over Uw gerechtigheid.

145:8 Maryah is genadig en barmhartig;

traag tot toorn

en groot in liefdevolle goedheid.

145:9 Maryah is voor ieder goed,

en Zijn barmhartigheden

zijn over al Zijn werken.

145:10 Al Uw werken

zullen aan U dankzegging geven,

O Maryah,

en Uw goddelijken zullen U zegenen.

145:11 Zij zullen het over de heerlijkheid van Uw koninkrijk hebben

en spreken over uw oppermacht;

145:12 om bekend te maken

aan de zonen van mensen

Uw machtige daden

en de heerlijkheid

van de majesteit van Uw koninkrijk.

145:13 Uw koninkrijk is een eeuwigdurend koninkrijk,

en Uw heerschappij houd stand doorheen alle generaties.

145:14 Maryah ondersteunt allen die vallen

en doet allen opstaan die neergebogen zijn.

145:15 De ogen van allen zien uit naar U,

en Gij geeft ze hun voedsel

op de gepaste tijd.

145:16 Gij opent Uw hand

en verzadigd het verlangen van elk levend schepsel.

145:17 Maryah is rechtvaardig in al Zijn wegen

en goed in al Zijn daden.

145:18 Maryah is nabij

tot allen die Hem aanroepen,

tot allen die Hem aanroepen

in waarheid.

145:19 Hij zal de wens vervullen

van degenen die Hem vrezen;

ook zal Hij hun geroep horen

en zal hen verlossen.

145:20 Maryah bewaart allen die Hem liefhebben,

maar al de goddelozen zal Hij verdelgen.

145:21 Mijn mond

zal de lof van Maryah spreken,

en alle vlees

zal Zijn heilige naam zegenen

voor eeuwig en altijd.

Tehelim 146

146:1 Prijst Maryah!

Prijst Maryah,

O mijn ziel!

146:2 Ik zal Maryah prijzen

terwijl ik leef;

ik zal lof-prijs zingen aan mijn Aloha

terwijl ik mijn bestaan heb.

146:3 Vertrouw niet op prinsen,

op de sterfelijke mens,

bij wie er geen heil is.

146:4 Zijn geest gaat heen,

hij keert terug naar de aarde;

op die zelfde dag

gaan zijn gedachten ten onder.

146:5 Hoe gezegend is hij

wiens hulp de Aloha van Jakob is,

wiens hoop op Maryah is

zijn Aloha,

146:6 die hemel en aarde maakte,

de zee en alles dat in hen is;

die trouw blijft voor altijd;

146:7 die gerechtigheid uitvoert voor de verdrukten;

die voedsel geeft aan de hongerige.

Maryah zet de gevangenen vrij.

146:8 Maryah opent de ogen van de blinden;

Maryah doet degenen opstaan die neder-gebogen zijn;

Maryah heeft de rechtvaardigen lief;

146:9 Maryah beschermt de vreemdelingen;

Hij ondersteunt de wees en de weduwe,

maar het pad van de goddelozen dwarsboomt Hij.

146:10 Maryah zal eeuwig regeren,

uw Aloha,

O Zion,

van alle generaties.

Prijst Maryah!

Tehelim 147

147:1 Prijst Maryah!

Want het is goed

om lof-prijs te zingen aan onze Aloha;

want het is aangenaam

en lof is betamelijk.

147:2 Maryah bouwt Jeruzalem op;

Hij verzamelt de verdrevenen van Israël.

147:3 Hij geneest de ontroostbaren

en verbind hun wonden.

147:4 Hij telt het sterrenaantal;

Hij geeft namen aan allen van hen.

147:5 Groot is onze Maryah

en overvloedig in sterkte;

oneindig is Zijn begrip.

147:6 Maryah ondersteunt de gekwelden;

Hij haalt de goddelozen omlaag tot op de grond.

147:7 Zingt tot Maryah met dankzegging;

zingt lof-prijs op de lier tot onze Aloha,

147:8 die de hemelen met wolken bedekt,

die voor de aarde regen voorziet,

die op de bergen gras doet groeien.

147:9 Hij geeft aan het beest zijn voeder,

en aan de jonge raven die krijsen.

147:10 Hij heeft geen vreugde in de sterkte van het paard;

Hij heeft geen tevredenheid in de benen van een mens.

147:11 Maryah begunstigd degenen die Hem vrezen,

degenen die op Zijn liefdevolle goedheid wachten.

147:12 Prijst Maryah,

O Jeruzalem!

Prijst uw Aloha,

O Zion!

147:13 Want

Hij heeft de afsluitingen van uw poorten versterkt;

Hij heeft uw zonen te-midden-van u gezegend.

147:14 Hij brengt vrede in uw grensgebieden;

Hij verzadigd u met het fijnste van de tarwe.

147:15 Hij zend Zijn bevel uit tot op de aarde;

Zijn woord rent zeer snel.

147:16 Hij geeft sneeuw gelijk wol;

Hij strooit de rijm gelijk as.

147:17 Hij werpt Zijn ijs uit gelijk brokstukken;

wie is in staat om voor Zijn koude staan?

147:18 Hij zendt Zijn woord uit

en smelt ze;

Hij wekt Zijn wind op om te blazen

en de wateren om te stromen.

147:19 Zijn woorden maakt Hij bekend aan Jakob,

Zijn inzettingen en Zijn verordeningen aan Israël.

147:20 Hij heeft alzo niet gehandeld met enige natie;

en wat betreft Zijn verordeningen,

zij hebben hun niet gekend.

Prijst Maryah!

Tehelim 148

148:1 Prijst Maryah!

Prijst Maryah van de hemelen;

prijst Hem in de hoogten!

148:2 Prijst Hem,

al Zijn engelen:

prijst Hem,

al Zijn heerscharen!

148:3 Prijst Hem,

zon en maan;

prijst Hem,

alle stralende sterren!

148:4 Prijst Hem,

hoogste hemelen,

en de wateren

die boven de hemelen zijn!

148:5 Laat ze de naam van Maryah prijzen,

want Hij gebood en zij werden geschapen.

148:6 Hij heeft hen ook vastgesteld

voor eeuwig en altijd;

Hij heeft een besluit gemaakt

die niet zal voorbijgaan.

148:7 Prijst Maryah van de aarde,

kolossen van de zee en al de diepten;

148:8 vuur en hagel,

sneeuw en wolken;

stormachtige wind,

volbrengende Zijn woord;

148:9 bergen en alle heuvels;

vruchtenbomen en alle ceders;

148:10 beesten en alle vee;

kruiperige dingen en gevleugelde vliegers;

148:11 koningen van de aarde en alle volkeren;

prinsen en alle rechters van de aarde;

148:12 beide,

jonge mannen en maagden;

oude mannen en kinderen.

148:13 Laat ze de naam van Maryah loven,

want Zijn naam alleen is verheven;

Zijn heerlijkheid is boven aarde en hemel.

148:14 En Hij heeft een hoorn opgetild voor Zijn volk,

roem voor al Zijn goddelijken;

zelfs voor de zonen van Israël,

een volk nabij Hem.

Prijst Maryah!

Tehelim 149

149:1 Prijst Maryah!

Zingt aan Maryah een nieuw lied,

en Zijn lof in de samenkomst van de goddelijken.

149:2 Laat Israël zich verblijden in zijn Maker;

laat de zonen van Zion vreugde betonen aan hun koning.

149:3 Laat ze Zijn naam lof prijzen

al springend en dansend;

laat ze lof prijs zingen tot Hem

met tamboerijn en lier.

149:4 Want Maryah vindt genoegen in Zijn volk;

Hij zal de getroffenen verfraaien met heil.

149:5 Laat de goddelijken juichen in heerlijkheid;

laat ze zingen van blijdschap op hun ligbedden.

149:6 Laat de krachtige verheerlijkingen van Aloha in hun mond zijn,

en een tweesnijdend zwaard in hun hand,

149:7 om wraak uit te voeren over de naties

en bestraffing over de volken,

149:8 om hun koningen te binden met kettingen

en hun edelen met kluisters van ijzer,

149:9 om het geschreven vonnis over hun te voltrekken;

dit is een eer voor al Zijn goddelijken.

Prijst Maryah!

Tehelim 150

150:1 Prijst Maryah!

Prijst Aloha in Zijn heiligdom;

prijst Hem in Zijn machtig uitspansel.

150:2 Prijst Hem voor Zijn machtige daden;

prijst Hem volgens Zijn uitmuntende grootheid.

150:3 Prijst Hem met trompet geluid;

prijst Hem met harp en lier.

150:4 Prijst Hem met tamboerijn,

gespring en gedans;

prijst Hem met besnaarde instrumenten en pijpen.

150:5 Prijst Hem met luid klinkende cimbalen;

prijst Hem met weergalmende cimbalen.

150:6 Laat alles wat adem heeft Maryah prijzen.

Prijst Maryah!



Ketava d’Mazmore d’David 1-66

Psalmen Posted on Wed, September 19, 2018 12:38:47

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Mazmore d’David

Boek psalmen van David.

Psalmen 1-66

Tehilim 1

1:1 Hoe gezegend is de man die niet wandelt in de raad van de goddelozen,

noch op de weg van zondaars staat,

noch in de zetel van spotters zit!

1:2 Maar zijn vreugde is in de wet van Maryah,

en in zijn wet mediteert hij dag en nacht.

1:3 Hij zal als een boom zijn,

stevig geplant aan stromen van water,

die zijn vrucht opbrengt in zijn seizoen en zijn blad verdort niet;

en in al wat hij doet,

bloeit hij.

1:4 De goddelozen zijn niet zo,

maar zij zijn als kaf dat de wind wegdrijft.

1:5 Daarom zullen de goddelozen in het gericht niet blijven staan

noch zondaars in de vergadering van de rechtvaardigen.

1:6 Want Maryah kent de weg van de rechtvaardigen,

maar de weg van de goddelozen zal vergaan.

Tehilim 2

2:1 Waarom zijn de naties in opstand,

en bedenken de volken een ijdel ding?

2:2 De koningen van de aarde nemen hun standpunt in,

en de heersers nemen samen beraad

tegen Maryah en tegen Zijn Gezalfde,

zeggende,

2:3 ” Laat ons hun ketenen uiteenrukken

en hun koorden van ons wegwerpen! “

2:4 Hij die in de hemelen zit lacht

Maryah bespot hun.

2:5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn en hen verschrikken in Zijn grimmigheid,

zeggende,

2:6 ” Maar wat Mij betreft,

Ik heb Mijn Koning geïnstalleerd op Zion,

Mijn heilige berg. “

2:7 ” Ik zal zeker vertellen van het besluit van Maryah:

Hij zei tot Mij,

‘ Gij zijt Mijn Zoon,

heden heb Ik U verwekt.

2:8 ‘Vraag van Mij,

en ik zal zeker de naties als Uw erfland geven,

en de uiterste einden van de aarde als Uw bezit.

2:9 ‘Gij zult hen breken met een roede van ijzer,

Gij zult hen verbrijzelen zoals aardewerk.'”

2:10 Daarom nu,

O koningen,

toon onderscheidingsvermogen;

Wees gewaarschuwd,

O rechters van de aarde.

2:11 Aanbid Maryah met eerbied,

en verheugt u met beving.

2:12 Doe eerbetoon aan de Zoon,

opdat Hij niet toornig wordt,

en gij vergaat op de weg,

want Zijn toorn kan snel worden ontstoken.

Hoe gezegend zijn allen die in Hem hun toevlucht nemen!

Tehilim 3

3:1 Een psalm van David,

toen hij vluchtte van Absalom zijn zoon.

3:2 O Maryah,

hoe hebben mijn tegenstanders vermeerdert!

Velen staan tegen mij op.

3:3 Velen zeggen van mijn ziel,

“Er is geen verlossing voor hem bij Aloha.”

Selah.

3:4 Maar Gij,

O Maryah,

zijt een schild over mij,

mijn heerlijkheid,

en de Ene die mijn hoofd opheft.

3:5 Ik riep tot Maryah met mijn stem,

en Hij antwoordde mij van Zijn heilige berg.

Selah.

3:6 Ik lag neer en sliep;

ik werd wakker,

want Maryah schraagde mij.

3:7 Ik zal niet bang zijn van tien duizenden mensen

die zich rondom tegen mij hebben gezet.

3:8 Sta op, O Maryah; red mij, O mijn Aloha!

want Gij hebt al mijn vijanden op de wang geslagen;

Gij hebt de tanden van de goddelozen verbrijzeld.

3:9 Zaligheid behoort tot Maryah;

Uw zegen is op Uw volk!

Selah.

Tehilim 4

4:1 Voor de koor leider;

op snaarinstrumenten.

Een psalm van David.

4:2 Antwoord mij wanneer ik roep,

O Aloha van mijn gerechtigheid!

Gij hebt mij opgelucht in mijn nood;

Wees genadig tot mij en hoor mijn gebed.

4:3 O zonen van mensen,

hoe lang zal mijn eer een verwijt worden?

Hoe lang zult ge liefhebben wat nietswaardig is en streven naar misleiding?

Selah.

4:4 Maar weet dat Maryah de goddelijke mens heeft apart gezet voor Hemzelf;

Maryah hoort wanneer ik tot Hem roep.

4:5 Beef,

en zondigt niet;

Mediteer in uw hart op uw bed,

en wees stil.

Selah.

4:6 Offert de offers van gerechtigheid,

en vertrouwt in Maryah.

4:7 Velen zeggen,

” Wie zal ons enig goed laten zien? “

Verhef het licht van Uw gelaat op ons,

O Maryah!

4:8 Gij hebt vreugde in mijn hart gelegd,

meer dan toen hun graan en hun nieuwe wijn overvloedig aanwezig waren.

4:9 In vrede zal ik zowel liggen en slapen,

want Gij alleen,

O Maryah,

doet mij wonen in veiligheid.

Tehilim 5

5:1 Voor de koor leider;

voor fluit begeleiding.

Een psalm van David.

Geef gehoor aan mijn woorden,

O Maryah, aanzie mijn gekreun.

5:2 Luistert naar het geluid van mijn geschreeuw om hulp,

mijn koning en mijn Aloha,

want tot U bid ik.

5:3 In de morgenstond,

O Maryah,

zult Gij mijn stem horen;

in de morgenstond zal ik mijn gebed tot U richten en ongeduldig wachten.

5:4 Want Gij zijt niet een Aloha die genoegen neemt aan goddeloosheid;

geen kwaad woont bij U.

5:5 De opscheppers zullen niet voor Uw ogen staan;

Gij verafschuwt allen die ongerechtigheid doen.

5:6 Gij vernietigd degenen die de leugen spreken;

Maryah gruwt van de man van bloedvergieten en misleiding.

5:7 Maar wat mij betreft,

door uw overvloedige liefdevolle goedheid zal ik Uw huis ingaan,

bij Uw heilige tempel zal ik in eerbied voor U buigen.

5:8 O Maryah,

leid mij in Uw gerechtigheid omwille van mijn vijanden;

maakt Uw rechte weg voor mijn aangezicht.

5:9 Er is niets betrouwbaar in wat zij zeggen;

hun innerlijk deel is zelf vernietiging.

Hun keel is een geopend graf;

ze vleien met hun tong.

5:10 Houd ze voor schuldig,

O Aloha;

door hun eigen plannen laat hen vallen!

in de veelheid van hun overtredingen werpt hun uit,

want zij zijn opstandig tegen U.

5:11 Maar laat allen die hun toevlucht in U zoeken verblijd zijn,

laat hen altijd zingen van vreugde;

en moge U hen beschutten,

dat degenen die Uw naam liefhebben mogen jubelen in U.

5:12 Want het is U die de rechtvaardige man zegent,

O Maryah,

Gij omringt hem met gunst zoals met een schild.

Tehilim 6

6:1 Voor de koor leider;

met besnaarde instrumenten,

op een acht-snarige lier.

Een psalm van David.

6:2 O Maryah,

tuchtig mij niet in Uw toorn,

kastijd mij ook niet in Uw gramschap.

6:3 Wees genadig aan mij,

O Maryah,

want ik kwijn weg;

Genees mij,

O Maryah,

want mijn botten zijn verschrikt.

6:4 En mijn ziel is zeer verschrikt;

Maar U,

O Maryah,

Hoe lang?

6:5 Keer terug,

O Maryah,

red mijn ziel;

spaar mij omwille van Uw goedertierenheid.

6:6 Want in de dood is er geen vermelding van U ;

wie zal u dankzegging geven in sheol ?

6:7 Ik ben vermoeid van mijn zuchten,

elke nacht doe ik mijn bed zwemmen,

ik doorweek mijn rustbank met mijn tranen.

6:8 Mijn oog heeft verspild van verdriet;

het is oud geworden, vanwege al mijn tegenstanders.

6:9 Ga weg van mij,

gij allen die ongerechtigheid doet,

want Maryah heeft de stem van mijn geween gehoord

6:10 Maryah heeft mijn smeekbede gehoord,

Maryah zal mijn gebed ontvangen.

6:11 Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verschrikt worden;

zij zullen omkeren,

zij zullen eensklaps beschaamd worden.

Tehilim 7

7:1 Een shiggaion van David,

die hij zong tot Maryah over Cush,

een Ben-jamite.

7:2 O Maryah mijn Aloha,

bij U heb ik mijn toevlucht genomen;

verlos mij van al degenen die mij vervolgen,

en bevrijd mij,

7:3 of ze zullen mijn ziel openrijten als een leeuw,

mij weg-sleuren,

terwijl er niemand is om te bevrijden.

7:4 O Maryah mijn Aloha,

als ik dat heb gedaan,

als er onrecht in mijn handen is,

7:5 als ik kwaad heb vergolden aan mijn vriend,

of hem heb berooft die zonder oorzaak mijn tegenstander was,

7:6 Laat de vijand mijn ziel vervolgen en ze achterhalen;

en laat hem mijn leven vertrappen tot op de grond

en mijn heerlijkheid in het stof neerslaan.

Selah.

7:7 Sta op,

O Maryah,

in uw toorn;

verhef Uzelf tegen de woede van mijn tegenstanders,

en wek Uzelf tot mij;

Gij hebt het gericht aangesteld.

7:8 Laat de vergadering van de volkeren U omgeven,

en keer boven haar terug in de hoogte.

7:9 Maryah zal de volkeren rechtspreken;

verdedigt mij,

O Maryah,

volgens mijn gerechtigheid

en mijn integriteit die bij mij is.

7:10 O Laat het kwaad van de goddelozen tot een eind komen,

maar bevestig de rechtvaardigen;

want Aloha de rechtvaardige,

beproeft de harten en gedachten.

7:11 Mijn schild is bij Aloha,

die de oprechten van hart behoudt.

7:12 Aloha is een rechtvaardige rechter,

en een Aloha die elke dag gramschap heeft.

7:13 Indien een mens niet tot inkeer komt,

zal Hij Zijn zwaard scherpen;

Hij heeft Zijn boog gespannen en die klaargemaakt.

7:14 Hij heeft ook voor zichzelf dodelijke wapens klaargemaakt;

Hij maakt Zijn pijlen tot vurige pijlen.

7:15 Zie!

hij is in arbeid van goddeloosheid,

en hij is zwanger van onheil

en brengt onwaarheid voort.

7:16 Hij heeft een kuil gegraven en holde die uit,

en is in het gat gevallen die hij maakte.

7:17 Zijn ellende zal terugkeren op zijn eigen hoofd,

en zijn geweld zal neerdalen op zijn eigen schedel.

7:18 Ik zal dank geven aan Maryah naar Zijn gerechtigheid

en zal lof zingen tot de naam van Maryah de Meest Hoge.

Tehilim 8

8:1 Voor de koor leider;

op de Gittith.

Een psalm van David.

8:2 O Maryah

onze Maryah,

Hoe majestueus is Uw naam op de ganse aarde,

Gij die uw pracht hebt ontplooit boven de hemelen!

8:3 Uit de mond van zuigelingen en kleuters hebt Gij sterkte tot stand gebracht

omwille van Uw tegenstanders,

om de vijand en de wraakzuchtige te doen ophouden.

8:4 Wanneer ik Uw hemelen aanzie,

het werk van uw vingers,

de maan en de sterren,

die Gij hebt geordend;

8:5 wat is de mens

dat Gij gedachte over hem hebt ,

en de zoon des mensen

dat Gij voor hem zorgt?

8:6 Maar Gij hebt hem een beetje lager gemaakt dan Aloha,

en Gij kroont hem met heerlijkheid en majesteit!

8:7 Gij doet hem heersen over de werken van uw handen;

Gij hebt alle dingen onder zijn voeten gezet,

8:8 Alle schapen en ossen,

en ook de beesten van het veld,

8:9 de vogels van de hemelen en de vissen van de zee,

wat er ook door de paden van de zeeën passeert.

8:10 O Maryah,

onze Maryah,

hoe majestueus is Uw naam op de ganse aarde!

Tehilim 9

9:1 Voor de koorleider;

op Muth-labben.

9:2 Een psalm van David.

Ik zal dank geven aan Maryah met geheel mijn hart;

ik zal vertellen van al Uw wonderen.

9:3 Ik zal verblijd zijn en jubelen in U;

Ik zal lof zingen tot Uw naam,

O Meest Hoge.

9:4 Wanneer mijn vijanden achterwaarts keren,

struikelen zij

en komen voor Uw aangezicht om.

9:5 Want Gij hebt mijn rechtvaardige zaak gehandhaafd;

U zat op de troon en oordeelde rechtvaardig.

9:6 Gij hebt de naties berispt,

Gij hebt de goddelozen vernietigd;

Gij hebt hun naam uitgewist

voor eeuwig en altijd.

9:7 De vijand is tot een eind gekomen in eeuwigdurende puinhopen,

en Gij hebt de steden uitgeroeid;

de nagedachtenis van hen is pijnlijk vergaan.

9:8 Maar Maryah blijft voor eeuwig;

Hij heeft Zijn troon gevestigd tot oordeel,

9:9 En Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid;

Hij zal oordeel uitvoeren voor de volkeren met billijkheid.

9:10 Maryah zal ook een bolwerk zijn voor de onderdrukten,

een bolwerk in tijden van tegenslag;

9:11 En degenen die Uw naam kennen zullen hun vertrouwen in U stellen,

want Gij,

O Maryah,

hebt diegenen niet verlaten die U zoeken.

9:12 Zing lof aan Maryah,

die woont in Zion;

maak Zijn daden onder de volkeren bekend.

9:13 Want Hij die bloed eist herinnert hen;

Hij vergeet de schreeuw van de gekwelden niet.

9:14 Wees genadig aan mij,

O Maryah,

zie mijn kwelling van degenen die mij haten,

Gij die mij optilt uit de poorten van de dood,

9:15 Opat ik van al Uw lof mag vertellen,

in de poorten des dochter van Zion

dat ik mag verheugd zijn in Uw zaligheid.

9:16 De naties zijn neer-gevallen in de kuil die zij hebben gemaakt;

in het net dat zij verborgen,

is hun eigen voet gevangen.

9:17 Maryah heeft Zichzelf bekend gemaakt;

Hij heeft oordeel uitgevoerd.

In het werk van zijn eigen handen

is de goddeloze verstrikt.

Higgaion Selah.

9:18 De goddelozen zullen terugkeren naar Sheol,

zelfs alle volken die Aloha vergeten.

9:19 Want de behoeftigen zullen niet altijd vergeten worden,

noch de verwachting van de gekwelden voor eeuwig vergaan.

9:20 Sta op,

O Maryah,

laat de mens niet zegevieren:

laat de naties worden geoordeeld voor U aangezicht.

9:21 Werpt ze neer in vreze,

O Maryah,

Laat de naties weten dat zij maar mensen zijn.

Selah.

Tehilim 10

10:1 Waarom staat Gij verre weg,

O Maryah?

Waarom verbergt Gij Uzelf in tijden van tegenslag?

10:2 In hoogmoed vervolgen de goddelozen fel de gekwelden;

laat hen worden gevangen in de complotten die zij hebben bedacht.

10:3 Want de goddeloze pocht over zijn harts-verlangen,

en de hebzuchtige mens vervloekt en veracht Maryah.

10:4 De goddeloze,

in de overmoed van zijn aanschijns,

zoekt Hem niet.

Al zijn gedachten zijn,

“Er is geen Aloha.”

10:5 Zijn wegen razen ten allen tijde;

Uw oordeel is in de hoge,

buiten zijn zicht;

al zijn tegenstanders,

hij snuift naar hen.

10:6 Hij zegt tegen zichzelf,

” Ik zal niet worden bewogen;

doorheen alle generaties zal ik niet in tegenspoed zijn.”

10:7 Zijn mond is vol van gevloek en bedrog en benauwing;

onder zijn tong is kwaad en boosheid.

10:8 Hij zit in de verscholen plaatsen van de dorpen;

in de schuilplaatsen dood hij de onschuldige;

zijn ogen wachten heimelijk op de onfortuinlijke.

10:9 Hij ligt op de loer in een schuilplaats als een leeuw in zijn hol;

hij ligt op de loer om de ellendige te vangen;

hij vangt de ellendige wanneer hij hem in zijn net trekt.

10:10 Hij duikt ineen,

hij buigt neer,

en de onfortuinlijke valt door zijn machtige poten.

10:11 Hij zegt tegen zichzelf,

” Aloha heeft het vergeten;

Hij heeft Zijn gelaat verborgen;

Hij zal het niet eens zien.

10:12 Sta op,

O Maryah,

O Aloha,

hef Uw hand op.

Vergeet de ellendige niet.

10:13 Waarom heeft de goddeloze Aloha veracht?

Hij heeft gezegd tegen zichzelf,

“Gij zult het niet nodig hebben.”

10:14 Gij hebt het gezien,

want Gij hebt ellende aanschouwt en kwelling om het in Uw hand te nemen.

De onfortuinlijke vertrouwt zichzelf tot U toe;

Gij zijt de helper geweest van de wees.

10:15 Breek de arm van de goddeloze en de boosdoener,

zoek zijn goddeloosheid uit

totdat Gij er geen terugvind.

10:16 Maryah is koning voor eeuwig en altijd;

naties zijn omgekomen uit Zijn land.

10:17 O Maryah,

Gij hebt het verlangen gehoord van de nederige;

Gij zult hun hart versterken,

Gij zult Uw oor neigen.

10:18 Om de wees en de onderdrukte te rechtvaardigen,

zo dat de mens die op de aarde is niet langer verschrikking zal teweegbrengen.

Tehilim 11

11:1 Voor de koorleider.

Een psalm van David.

In Maryah neem ik toevlucht;

hoe kunt jullie zeggen tot mijn ziel,

“Vlucht als een vogel tot uw berg;

11:2 Want,

zie!

de goddelozen krommen de boog,

ze maken hun pijl klaar op de koord

om te schieten in de duisternis naar de oprechten van hart.

11:3 Als de fundamenten zijn vernietigd,

wat kan de rechtvaardige doen?”

11:4 Maryah is in Zijn heilige tempel;

Maryah Zijn troon is in de hemel;

Zijn ogen aanschouwen,

Zijn oogleden beproeven de zonen der mensen.

11:5 Maryah beproeft de rechtvaardigen en de goddelozen,

en degene die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.

11:6 Op de goddelozen zal Hij hinderlagen doen neerkomen;

vuur en zwavel en gloeierige wind zal het deel van hun beker zijn.

11:7 Want Maryah is rechtvaardig,

Hij heeft rechtvaardigheid lief;

de oprechten zullen Zijn gelaat aanschouwen.

Tehilim 12

12:1 Voor de koorleider;

op een acht snarige lier.

Een psalm van David.

12:2 Help,

Maryah,

want de godvruchtige mens houdt op te bestaan,

want de getrouwen verdwijnen van onder de zonen der mensen.

12:3 Zij spreken leugens tot elkaar;

met vleiende lippen en met een dubbel hart spreken zij.

12:4 Moge Maryah alle vleiende lippen afsnijden,

de tong opdat zij grote dingen spreekt;

12:5 die hebben gezegd,

“Met onze tong zullen wij zegevieren;

onze lippen zijn onze eigen;

wie is heer over ons?”

12:6 “Vanwege de verwoesting van de ellendige,

vanwege het kreunen van de behoeftige,

zal Ik nu opstaan,”

zegt Maryah;

“Ik zal hem in de veiligheid zetten naar welke hij verlangt.”

12:7 De woorden van Maryah zijn pure woorden;

als zilver beproeft in een oven op de aarde,

zevenmaal verfijnd.

12:8 Gij,

O Maryah,

zult hun bewaren;

Gij zult hen behoeden voor deze generatie voor eeuwig.

12:9 De goddelozen stappen trots rondom aan alle kanten

wanneer de slechtheid almachtig wordt onder de zonen der mensen.

Tehilim 13

13:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

13:2 Hoe lang nog,

O Maryah?

Zult Gij mij eeuwig vergeten?

Hoe lang nog zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?

13:3 Hoe lang nog zal ik beraad nemen in mijn ziel,

droefenis hebben in mijn ziel heel de dag lang?

hoe lang nog zal mijn vijand boven mij zijn verheven?

13:4 Aanschouw en antwoord mij;

O Maryah mijn Aloha;

Verlicht mijn ogen,

of ik zal de slaap van de dood slapen,

13:5 en mijn vijand zal zeggen,

‘Ik heb hem overwonnen,”

en mijn tegenstanders zullen zich verheugen

wanneer ik wankelende ben.

13:7 Maar ik heb vertrouwd in Uw goedertierenheid;

mijn hart zal zich verheugen in Uw heil.

Tehilim 14

14:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

De dwaas heeft in zijn hart gezegd,

“Er is geen Aloha.”

Ze zijn verdorven,

ze hebben afschuwelijke daden gepleegd;

er is geen één die goed doet.

14:2 Maryah heeft neergekeken uit de hemel

op de zonen van de mensen

om te zien of er enige zijn die verstaan,

die zoeken naar Aloha.

14:3 Zij hebben allen terzijde gedraaid,

samen zijn ze verdorven;

er is niemand die goed doet,

zelfs niet één.

14:4 Al de werkers der goddeloosheid begrijpen niet,

die mijn volk opeten alsof zij brood eten,

en zij aanroepen Maryah niet?

14:5 Ziedaar ze zijn in grote vrees,

want Aloha is met de rechtvaardige generatie.

14:6 U zou de raad van de gekwelde tot schande zetten,

maar Maryah is zijn toevlucht.

14:7 Ach,

dat de zaligheid van Israel vanuit Zion komen zou!

wanneer Maryah Zijn gevangen volk herstelt,

zal Jacob zich verheugen,

zal Israel verblijd zijn.

Tehilim 15

15:1 Een psalm van David.

O Maryah,

wie kan verblijven in Uw tent?

wie kan wonen op Uw heilige berg?

15:2 Hij die samen wandelt met integriteit,

en gerechtigheid werkt,

en waarheid spreekt vanuit zijn hart.

15:3 Hij roddelt niet met zijn tong,

noch kwaad doet aan zijn naaste,

noch een verwijt opneemt tegen zijn makker;

15:4 In wiens ogen een verworpene veracht is,

maar die diegenen eert die Maryah vrezen;

hij zweert tot zijn eigen nadeel maar verandert niet;

15:5 Hij zet zijn geld niet uit op rente,

noch neemt hij een steekpenning aan tegen de onschuldige.

Hij die deze dingen doet,

zal nooit wankelen.

Tehilim 16

16:1 Een gouden juweeltje van David.

Bewaar mij,

O Aloha,

want ik neem toevlucht in U.

16.2 Ik zei tot Maryah,

“Gij zijt mijn Maryah;

ik heb geen goed naast U.”

16:3 Wat betreft de heiligen die op de aarde zijn,

zij zijn de waardigen,

degenen in wie al mijn vreugde is.

16:4 De smarten van degenen die hebben geruild voor een andere god,

zullen worden vermenigvuldigd;

ik zal hun drankoffers van bloed niet uitgieten,

noch zal ik hun namen op mijn lippen nemen.

16:5 Maryah is het deel van mijn erfenis en mijn beker;

Gij ondersteunt mijn lot.

16:6 De regels zijn tot mij gedaald in aangename plaatsen;

inderdaad,

mijn erfdeel is schoon voor mij.

16:7 Ik zal Maryah zegenen die mij heeft geadviseerd;

inderdaad,

mijn geest onderricht mij in de nacht.

16:8 Ik heb Maryah voortdurend voor mijn aangezicht gesteld;

omdat Hij aan mijn rechterhand is,

zal ik niet aan het wankelen worden gebracht.

16:9 Daarom is mijn hart verblijd en mijn heerlijkheid verheugt zich;

ook zal mijn vlees veilig wonen.

16:10 Want Gij zult mijn ziel niet prijsgeven aan Sheol;

ook zult Gij Uw Heilige Ene niet toelaten om verderf te ondergaan.

16:11 Gij zult aan mij het pad van het leven bekend maken;

in Uw aanwezigheid is volheid van vreugde;

in Uw rechterhand zijn er liefelijkheden voor altijd.

Tehilim 17

17:1 Een gebed van David.

Hoor een rechtvaardige zaak,

O Maryah,

geef aandacht aan mijn smeekbede;

geef gehoor aan mijn gebed,

die niet uit bedrieglijke lippen is.

17:2 Laat mijn gericht voortkomen uit Uw tegenwoordigheid;

laat Uw ogen kijken met billijkheid.

17:3 Gij hebt mijn hart beproeft;

Gij hebt mij bezocht door de nacht;

Gij hebt mij getest en Gij vindt niets;

ik heb besloten dat mijn mond niet zal overtreden.

17:4 Wat betreft de handelingen van mensen,

door het woord van Uw lippen heb ik mij bewaard van de paden van de gewelddadige.

17:5 Mijn stappen hebben vastgehouden aan Uw paden,

mijn voeten hebben niet weggegleden.

17:6 Ik heb U aangeroepen,

want Gij zult mij antwoordden,

O Aloha;

neig Uw oor tot mij,

hoort mijn rede.

17:7 Toon wonderlijk Uw goedertierenheid,

O Verlosser van degenen die hun toevlucht nemen aan Uw rechter hand,

van degenen die tegen hen opstaan.

17:8 Bewaar mij,

als de appel van het oog;

verberg mij,

in de schaduw van Uw vleugels –

17:9 van de goddelozen die mij beroven,

mijn dodelijke vijanden die mij omringen.

17:10 Zij hebben hun hardvochtig hart toegesloten,

met hun mond spreken zij hoogmoedig.

17:11 Zij hebben ons nu omringd in onze stappen;

zij zetten hun ogen

om ons neer te werpen op de grond.

17:12 Hij is als een leeuw die belust is om te verscheuren,

en als een jonge leeuw loerende in verborgen plaatsen.

17:13 Sta op,

O Maryah,

Confronteer hem,

breng hem laag;

verlos mijn ziel van de goddeloze met uw zwaard,

17:14 van mannen met Uw hand,

O Maryah,

van mannen van de wereld,

wiens deel in dit leven is,

en wiens buik Gij vult met Uw schat;

zij worden tevreden gesteld met kinderen,

en zij laten hun overvloed na aan hun babies.

17:15 Wat mij betreft,

ik zal Uw aangezicht aanschouwen in gerechtigheid;

ik zal verzadigd worden door Uw uiterlijk wanneer ik ontwaak.

Tehilim 18

18:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David de dienaar van Maryah

die de woorden van dit lied sprak tot Maryah

ten dage dat Maryah hem verloste

uit de hand van al zijn vijanden

en uit de hand van Saul.

18:2 En hij zei,

“Ik heb U lief, O Maryah, mijn kracht.”

18:3 Maryah is mijn rots en mijn vesting en mijn bevrijder,

mijn Aloha,

mijn rots,

in wie ik toevlucht neem;

mijn schild en de hoorn van mijn heil,

mijn bolwerk.

18:4 Ik roep Maryah aan,

die waardig is om geprezen te worden,

en ik ben gered van mijn vijanden.

18:5 De koorden des dood omgaven mij,

en de stortvloed van goddeloosheid verschrikte mij.

18:6 De koorden van sheol omsloten mij;

de valstrikken des doods confronteerden mij.

18:7 In mijn nood riep ik Maryah aan,

en riep tot mijn Aloha voor hulp;

Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn tempel,

en mijn roep om hulp voor Zijn aangezicht kwam tot Zijn oren.

18:8 Vervolgens,

de aarde schudde en schokte;

en de fundamenten van de bergen beefden en werden geschokt,

omdat Hij toornig was.

18:9 Rook ging op van Zijn neusgaten,

en vuur uit Zijn mond verslond;

kolen werden erdoor ontstoken.

18:10 Hij boog ook de hemelen,

en daalde neer met dikke duisternis onder Zijn voeten.

18:11 Hij bereed een cherub,

en vloog;

en Hij versnelde op de vlerken van de wind.

18:12 Hij maakte de duisternis tot Zijn verstop-plaats,

om Hem heen Zijn troonhemel,

donkerheid des wateren,

dichte wolken van het uitspansel.

18:13 Vanuit de schittering boven Hem trokken Zijn dikke wolken voorbij,

hagelstenen en kolen van vuur.

18:14 Maryah donderde ook in de hemelen,

en de Allerhoogste Zijn stem slaakte,

hagelstenen en kolen van vuur.

18:15 Hij zond Zijn pijlen,

en verstrooide hen,

en bliksem flitste in overvloed,

en geleidde hen.

18:16 Vervolgens,

verschenen de kanalen van water,

en de fundamenten van de wereld werden blootgelegd op Uw berisping,

O Maryah,

op de stoot van de adem van uw neusgaten.

18:17 Hij zond uit den hoge,

Hij nam mij,

Hij trok mij uit van vele wateren.

18:18 Hij verloste mij van mijn sterke vijand,

en van diegenen die mij haatten,

want zij waren te machtig voor mij.

18:19 Zij confronteerden mij ten dage van mijn ellende,

maar Maryah was mijn verblijf.

18:20 Hij bracht mij voort als in een brede plaats;

Hij redde mij,

want Hij had lust in mij.

18:21 Maryah heeft mij beloond naar mijn gerechtigheid;

naar de reinheid van mijn handen heeft Hij mij gecompenseerd.

18:22 Want ik heb de wegen van Maryah gehouden,

en heb niet goddeloos heengegaan van mijn Aloha

18:23 Want al zijn verordeningen waren voor mij,

en ik deed Zijn inzettingen niet van mij weg.

18:24 Ik was ook onberispelijk bij Hem,

en ik bewaarde mezelf van mijn ongerechtigheid.

18:25 Daarom heeft Maryah mij gecompenseerd naar mijn gerechtigheid,

naar de reinheid van mijn handen in Zijn ogen.

18:26 Met de vriendelijke

Toont Gij uzelf vriendelijk;

met de onberispelijke

toont Gij uzelf onberispelijk;

18:27 met de pure

toont Gij uzelf puur,

en met de onoprechte

toont Gij uzelf scherpzinnig.

18:28 Want Gij redde een gekweld volk,

maar hooghartige ogen vernedert Gij.

18:29 Want Gij licht mijn lamp op;

Maryah mijn Aloha verlicht mijn duisternis.

18:30 Want door U

kan ik stormlopen

op een bende;

en door mijn Aloha kan ik springen

over een muur.

18:31 Wat betreft Aloha,

Zijn weg is onberispelijk;

het woord van Maryah is beproefd;

Hij is een schild aan allen die in Hem toevlucht nemen.

18:32 Want wie is Aloha,

behalve Maryah?

en wie is een rots,

behalve onze Aloha,

18:33 de Aloha die mij met sterkte omgord

en mijn weg onberispelijk maakt?

18:34 Hij maakt mijn voeten als hinden-poten,

en stelt mij op mijn hoge plaatsen.

18:35 Hij traint mijn handen voor de strijd,

zodat mijn armen een boog van brons kunnen spannen.

18:36 Gij hebt mij alsook het schild van Uw heil gegeven,

en Uw rechterhand verdedigt mij;

en Uw zachtmoedigheid maakt mij groot.

18:37 Gij vergroot mijn stappen onder mij,

en mijn voeten hebben niet uitgegleden.

18:38 Ik vervolgde mijn vijanden en verraste hen,

en ik keerde niet terug

totdat zij waren verteerd.

18:39 Ik verpletterde hen,

zodat zij niet in staat waren op te staan;

zij vielen onder mijn voeten.

18:40 Want Gij hebt mij omgord met kracht voor de strijd;

Gij hebt degenen die tegen mij in opstand kwamen

onder mij onderworpen.

18:41 Gij hebt ook mijn vijanden

de rug doen keren naar mij,

en ik vernietigde diegenen die mij verafschuwden.

18:42 Zij riepen voor hulp,

maar er was geen om te redden,

zelfs naar Maryah,

maar Hij antwoordde hen niet.

18:43 Toen sloeg ik hun fijn als het stof voor de wind;

ik ruimde hen weg als het slijk van de straten.

18:44 Gij hebt mij verlost

van de twisten van het volk;

Gij hebt mij geplaatst als hoofd van de naties;

een volk dat ik niet heb gekend,

om mij te dienen.

18:45 Zo gauw zij (van mij) hoorden,

gehoorzaamden zij mij;

vreemdelingen onderworpen (zich) aan mij.

18:46 Vreemdelingen verdwijnen,

en komen bevend vanuit hun vestigingen.

18:47 Maryah leeft,

en gezegend is mijn rots;

en verheven is de Aloha van mijn heil,

18:48 de Aloha die wraak uitvoert voor mij,

en volkeren onderwerpt aan mij.

18:49 Hij bevrijd mij van mijn vijanden;

Gij tilt mij immers op boven diegenen die tegen mij opstaan;

Gij red mij van de gewelddadige man.

18:50 Daarom zal ik aan U dank geven onder de naties,

O Maryah,

en ik zal lof zingen aan Uw naam.

18:51 Hij geeft grote verlossing aan Zijn koning,

en toont goedertierenheid aan Zijn gezalfde,

aan David en zijn nakomelingen,

voor eeuwig en altijd.

Tehilim 19

19:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

19:2 De hemelen vertellen van de heerlijkheid van Aloha;

en hun uitspansel maakt het werk van Zijn handen bekend.

19:3 De dag bij de dag giet de rede uit,

en de nacht bij de nacht openbaart de kennis.

19:4 Zie, daar is geen rede,

noch zijn er woorden;

(waar) hun stem niet wordt gehoord.

19:5 Hun snoer is uitgegaan door geheel de aarde,

en hun uitingen tot het eind van de wereld.

In haar heeft Hij een tent geplaatst voor de zon,

19:6 Die is als een bruidegom die uit zijn kamer komt;

zij verheugt zich als een sterke man die zijn koers rent.

19:7 Haar opklimmen is van één einde van de hemelen,

en haar omloop tot het andere einde van hen;

en er is niets verborgen voor haar hitte.

19:8 De wet van Maryah is perfect,

herstellende de ziel;

de getuigenis van Maryah is zeker,

de simpele wijs makende.

19:9 De voorschriften van Maryah zijn recht,

verblijdende het hart;

het gebod van Maryah is puur,

verlichtende het oog.

19:10 Het ontzag van Maryah is rein,

blijvende voor eeuwig;

de oordelen van Maryah zijn waar;

zij zijn al tezamen rechtvaardig.

19:11 Zij zijn begeerlijker dan goud,

ja,

dan veel fijn goud;

zoeter ook dan honing en de druppels van de honingraat.

19:12 Bovendien,

door hen wordt Uw dienaar gewaarschuwd;

in het bewaren van hen is er een grote beloning.

19:13 Wie kan zijn afdwalingen onderscheiden?

spreek mij vrij van verborgen gebreken.

19:14 Weerhoud ook Uw dienaar van onbeschaamde zonden;

laat hen over mij niet heersen;

dan zal ik onberispelijk zijn,

en ik zal worden vrijgesproken van grote overtreding.

19:15 Laat de woorden van mijn mond

en de meditatie van mijn hart aanvaardbaar zijn voor uw aangezicht,

O Maryah,

mijn rots en mijn Verlosser.

Tehilim 20

20:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

20:2 Moge Maryah u antwoordden op de dag der benauwdheid!

Moge de naam van de Aloha van Jakob u veiligstellen op de hoogten!

20:3 Moge Hij u hulp sturen uit het heiligdom

en u ondersteunen uit Zion!

20:4 Moge Hij al uw spijsoffers gedenken

en uw brandoffer aanvaardbaar bevinden!

Selah.

20:5 Moge Hij u uw hartverlangens verlenen

en al uw raad vervullen.

20:6 We zullen zingen van vreugde over uw overwinning,

en in de naam van onze Aloha zullen we onze banieren oprichten.

Moge Maryah al uw gebeden vervullen.

20:7 Nu weet ik dat Maryah Zijn gezalfde red;

Hij zal hem antwoordden uit Zijn heilige hemel

met de reddende kracht van Zijn rechterhand.

20:8 Sommigen roemen over strijdwagens en sommigen over paarden,

maar wij zullen roemen op de naam van Maryah,

onze Aloha.

20:9 Zij hebben (zich) neergebogen en (zijn) gevallen,

maar wij hebben opgestaan en stonden rechtop.

20:10 Behoud,

O Maryah,

moge de koning ons antwoordden in den dag dat wij uitroepen.

Tehilim 21

21:1 Voor de koor leider,

Een psalm van David.

21:2 O Maryah,

in Uw kracht zal de koning zich verblijden,

en in Uw zaligheid,

hoe zeer zal hij zich verheugen.

21:3 Gij hebt hem zijn hartverlangen gegeven,

en Gij hebt het verzoek van zijn lippen niet geweigerd.

Selah.

21:4 Want Gij ontmoet hem met zegeningen van goede dingen;

Gij zet een kroon van fijn goud op zijn hoofd.

21:5 Hij vroeg leven van U,

U gaf het aan hem,

lengte van dagen

voor eeuwig en altijd.

21:6 Zijn roem is groot door Uw heil,

pracht en majesteit

plaatste U op hem.

21:7 Want Gij maakte hem zegenrijk voor eeuwig;

Gij maakt hem blijde met blijdschap in Uw tegenwoordigheid.

21:8 Want de koning vertrouwt in Maryah,

en door de goedertierenheid van de Meest Hoge,

zal hij niet worden geschud.

21:9 Uw hand zal al uw vijanden ontdekken;

Uw rechterhand zal degenen die u haten ontdekken.

21:10 Gij zult ze als een vurige oven maken in de tijd van uw boosheid;

Maryah zal hen opslokken in Zijn verbolgenheid,

en vuur zal hen verslinden.

21:11 Hun zaad zult Gij verdelgen van de aarde,

en hun afstammelingen van onder de zonen der mensen.

21:12 Hoewel zij kwaad tegen U van plan waren

en een complot bedachten,

zullen ze niet slagen.

21:13 Want Gij zult hen u de rug doen toekeren;

Gij zult mikken met uw boog-pezen op hun aangezichten.

21:14 Wees verheven,

O Maryah,

in Uw kracht;

we zullen Uw macht

bezingen en loven.

Tehilim 22

22:1 Voor de koor leider;

op de Aijeleth Hashshahar.

Een psalm van David.

22:2 Mijn Aloha,

mijn Aloha,

waarom hebt Gij mij verlaten?

Verre van mijn verlossing

zijn de woorden van mijn gekerm.

22:3 O mijn Aloha,

ik roep bij de dag,

maar Gij geeft geen antwoord;

en bij nacht,

maar ik heb geen rust.

22:4 Doch Gij zijt Heilig,

O Gij die getroond zijt op de lof van Israël.

22:5 In U vertrouwden onze vaders;

zij vertrouwden en Gij hebt hen uitgebracht.

22:6 Tot U riepen zij het uit en werden uitgebracht;

in U vertrouwden ze en werden niet teleurgesteld.

22:7 Maar ik ben een wurm en niet een man,

een schandvlek bij mensen

en veracht door het volk.

22:8 Allen die mij zien lachen spottend naar mij;

ze honen met de lip,

ze bewegen hun hoofd heen en weer,

zeggende,

22:9 “Vertrouw jezelf toe aan Maryah;

laat Hem hem bevrijden;

laat Hem hem redden,

omdat Hij behagen schept in hem.”

22:10 Doch, zijt Gij Hem die mij uitbracht van de baarmoeder;

Gij deed mij toen vertrouwen

aan mijn moeders borsten.

22:11 Op u werd ik geworpen van de geboorte af;

U bent mijn Aloha geweest

vanuit mijn moeders schoot.

22:12 Wees niet verre van mij,

want moeite is nabij;

want er is geen om te helpen.

22:13 Vele stieren hebben mij omsingeld;

sterke stieren van Basan hebben mij omringd.

22:14 Zij openen wijd hun muil naar mij,

als een verscheurende en een brullende leeuw.

22:15 Ik ben uitgestort als water,

en al mijn botten zijn uit hun gewrichten;

mijn hart is als was;

het is gesmolten in mij.

22:16 Mijn kracht is opgedroogd als een potscherf,

en mijn tong kleeft aan mijn kaken;

en Gij legt mij in het stof van de dood.

22:17 Want honden hebben mij omsingeld;

een bende van kwaaddoeners hebben mij omringd;

zij doorstaken mijn handen en mijn voeten.

22:18 Ik kan al mijn botten tellen.

Zij kijken,

zij staren naar mij;

22:19 zij verdelen mijn klederen onder hen,

en voor mijn gewaden werpen zij loten.

22:20 Maar Gij,

O Maryah,

wees niet verre weg;

O Gij mijn hulp,

haast u tot mijn bijstand.

22:21 Verlos mijn ziel

van het zwaard,

mijn enige leven

van de macht van de hond.

22:22 Verlos mij van de leeuwenmuil;

van de hoorns van de wilde ossen

antwoord Gij mij.

22:23 IK zal vertellen van Uw naam aan mijn broeders;

in het midden van de vergadering zal ik U lof-prijzen.

22:24 Gij die Maryah vreest,

lof-prijst Hem;

allen, gij nakomelingen van Jakob,

verheerlijkt Hem,

en sta in ontzag voor Hem,

allen, gij nakomelingen van Israel.

22:25 Want Hij heeft de ellende van de ellendige niet veracht noch verafschuwd;

evenmin heeft Hij Zijn aangezicht voor hem verborgen;

maar toen hij tot hem riep voor hulp,

luisterde Hij.

22:26 Naar U komt mijn lof-prijs in de grote vergadering;

ik zal mijn geloften voldoen voor degenen die Hem vrezen.

22:27 De ellendigen zullen eten en voldaan zijn;

degenen die Hem zoeken zullen Maryah lof-prijzen.

Laat uw hart voor eeuwig en altijd leven!!

22:28 Al de einden der aarde zullen zich herinneren

en zich omdraaien naar Maryah,

en alle families van de naties

zullen aanbidden voor Uw aangezicht.

22:29 Want het koninkrijk is van Maryah

en Hij regeert over de naties.

22:30 Al de welvarende van de aarde

zullen eten en aanbidden,

al degenen die naar het stof afdalen

zullen voor Hem buigen,

zelfs hij die zijn ziel niet in leven kan houden.

22:31 Het nageslacht zal Hem dienen;

er zal worden verteld van Maryah

aan de komende generatie.

22:32 Ze zullen komen

en zullen Zijn gerechtigheid bekendmaken

aan een gemeente die zal worden geboren,

dat Hij het heeft gedaan.

Tehilim 23

23:1 Een psalm van David.

Maryah is mijn herder,

ik zal geen gebrek lijden.

23:2 In groenige weiden

doet Hij mij gaan neerliggen;

naast rustige wateren

leidt Hij mij.

23:3 Mijn ziel herstelt Hij;

in de paden van gerechtigheid

leidt Hij mij,

omwille van Zijn Naam.

23:4 Zelfs al wandel ik door het dal

van ‘de schim des doods’,

ik vrees geen kwaad,

want Gij zijt bij mij;

Uw stok en Uw staf,

zij vertroosten mij.

23:5 Gij bereid een tafel voor mijn aangezicht

in het bijzijn van mijn vijanden;

Gij hebt mijn hoofd gezalfd met olie;

mijn beker loopt over.

23:6 Goedheid en liefdevolle vriendelijkheid

zullen mij zeker volgen

al de dagen van mijn leven,

en ik zal in het huis van Maryah verblijven,

voor eeuwig en altijd.

Tehilim 24

24:1 Een psalm van David.

Van Maryah is de aarde,

en alles wat zij bevat,

de wereld,

en degenen die daarop verblijven.

24:2 Want Hij heeft haar gegrondvest

aan zeeën

en gevestigd

aan rivieren.

24:3 Wie mag naar de heuvel van Maryah opstijgen?

en wie mag in Zijn heilige plaats staan?

24:4 Hij die schone handen heeft

en een puur hart,

die zijn ziel niet opgetild heeft tot valsheid

en niet bedrieglijk gezworen heeft.

24:5 Hij zal een zegen ontvangen van Maryah

en gerechtigheid van de Aloha van zijn redding.

24:6 Dit is de generatie van diegenen die naar Hem uitkijken,

die Uw aangezicht zoeken,

gelijk Jakob.

Selah.

24:7 Heft uw hoofden op,

o poorten,

en wordt opgetild ,

o oude deuren,

zodat de koning der heerlijkheid kan inkomen!

24:8 Wie is de koning der heerlijkheid?

Maryah sterk en machtig,

Maryah machtig in de strijd.

24:9 Heft uw hoofden op,

o poorten,

en heft hen op,

o oude deuren,

zodat de koning der heerlijkheid kan inkomen!

24:10 Wie is deze koning der heerlijkheid?

Maryah van de hemellegers,

Hij is de koning der heerlijkheid.

Selah.

Tehilim 25

25:1 Een psalm van David.

Tot U,

O Maryah,

hef ik mijn ziel op.

25:2 O mijn Aloha,

in U vertrouw ik,

laat mij niet beschaamd worden;

laat mijn vijanden niet over mij jubelen.

25:3 Immers,

geen van degenen die op U wachten

zullen worden beschaamd;

degenen die zonder reden trouweloos handelen

zullen worden beschaamd.

25:4 Maak mij Uw wegen bekend,

O Maryah;

leer mij Uw paden.

25:5 Leid mij in Uw waarheid en leer mij,

want Gij zijt de Aloha van mijn heil;

want ik wacht op U de ganse dag.

25:6 Denk,

O Maryah,

aan Uw barmhartigheid en Uw liefdevolle goedheden,

want zij zijn geweest van vanouds.

25:7 Denk niet aan de zonden van mijn jeugd

of mijn overtredingen;

gedenkt mij naar Uw liefdevolle goedheid,

om Uw goedheid’s wil,

O Maryah.

25:8 Goed en rechtschapen is Maryah;

daarom onderricht Hij zondaars in de weg.

25:9 Hij leidt de nederige in gerechtigheid,

en Hij leert de nederige Zijn weg.

25:10 Al de paden van Maryah zijn liefdevolle goedheid en waarheid

aan degenen die Zijn verbond bewaren

en Zijn getuigenissen.

25:11 Om Uw naam’s wil,

O Maryah,

vergeef mijn ongerechtigheid,

want zij is groot.

25:12 Wie is die man die ontzag heeft voor Maryah?

Hij zal hem onderrichten in de weg die hij moet verkiezen.

25:13 Zijn ziel zal verblijven in voorspoed,

en zijn nakomelingen zullen het land beërven.

25:14 De verborgenheid van Maryah is voor degenen die ontzag voor Hem hebben,

en Hij zal hen Zijn verbond doen kennen.

25:15 Mijn ogen zijn voortdurend naar Maryah toe,

want Hij zal mijn voeten uit het net trekken.

25:16 Keer U naar mij en zijt genadig voor mij,

want ik ben eenzaam en gekweld.

25:17 De moeiten van mijn hart worden vergroot;

breng mij uit mijn noden.

25:18 Zie op mijn ellende en mijn moeiten,

en vergeef al mijn zonden.

25:19 Zie op mijn vijanden,

want zij zijn vele,

en zij haten mij met gewelddadige vijandschap.

25:20 Bewaar mijn ziel en bevrijd mij;

laat mij niet beschaamd worden,

want ik neem toevlucht in U.

25:21 Laat integriteit en oprechtheid mij behoeden,

want ik wacht op U.

25:22 Verlos Israël,

O Aloha,

vanuit al zijn moeiten.

Tehilim 26

26:1 Een psalm van David.

Rechtvaardigt mij,

O Maryah,

want ik heb gewandeld in mijn integriteit,

en ik heb in Maryah vertrouwen gesteld zonder wankeling.

26:2 Onderzoek mij,

O Maryah,

en probeer mij uit;

beproeft mijn geest en mijn hart.

26:3 Want Uw liefdevolle goedheid is voor mijn ogen,

en ik heb in Uw waarheid gewandeld.

26:4 Ik zit niet neer met bedrieglijke mensen,

evenmin zal ik omgaan met huichelaars.

26:5 Ik haat de vergadering van kwaaddoeners,

en ik zal niet neerzitten met de goddelozen.

26:6 Ik zal mijn handen wassen in onschuld,

en ik zal rondom Uw altaar gaan,

O Maryah,

26:7 opdat ik moge bekendmaken

met de stem van dankzegging

en al Uw wonderen verkondigen.

26:8 O Maryah,

ik hou van de woning van uw huis

en de plaats waar Uw heerlijkheid woont.

26:9 Neem mijn ziel niet weg samen met de zondaars,

noch mijn leven met de mannen die bloed vergieten,

26:10 in wiens handen een goddeloze regeling is,

en wiens rechter hand vol is van omkoperij.

26:11 Maar wat mij betreft,

ik zal wandelen in mijn integriteit;

verlos mij,

en wees mij genadig.

26:12 Mijn voet staat op een vlakke plaats;

in de gemeenten zal ik Maryah zegenen.

Tehilim 27

27:1 Een psalm van David.

Maryah is mijn licht en mijn heil;

Wie moet ik vrezen?

Maryah is de verdediging van mijn leven;

voor wie moet ik beducht zijn?

27:2 Toen boosdoeners mij overvielen om mijn vlees te verslinden,

mijn tegenstanders en mijn vijanden,

ze struikelden en vielen.

27:3 Hoewel een leger tegen mij belegert,

mijn hart zal niet vrezen;

Hoewel oorlog tegen mij opstaat,

desondanks zal ik vol van vertrouwen zijn.

27:4 Een ding heb ik gevraagd van Maryah,

dat zal ik zoeken;

dat ik moge wonen in het huis van Maryah

al de dagen van mijn leven,

om de schoonheid van Maryah te aanschouwen

en om te mediteren in Zijn tempel.

27:5 Want in de dag van benauwdheid

zal Hij mij verschuilen in Zijn tabernakel;

in de geheime plaats van Zijn tent

wil Hij mij verbergen;

Hij zal mij optillen op een steenrots.

27:6 En nu

mijn hoofd zal worden opgetild

boven mijn vijanden (die) rondom mij (zijn),

en ik zal in Zijn tent offers offeren met kreten van vreugde;

ik zal zingen,

ja,

ik zal lof zingen aan Maryah.

27:7 Luister,

O Maryah,

wanneer ik roep met mijn stem,

en wees mij genadig

en antwoord mij.

27:8 Wanneer U zei,

“Zoek Mijn aangezicht,”

zei mijn hart tot U,

“Uw aangezicht, O Maryah, zal ik zoeken.”

27:9 Verbergt Uw aangezicht niet van mij,

wend uw dienaar niet af in toorn;

U bent mijn hulp geweest;

laat mij niet los

verlaat mij ook niet,

O Aloha van mijn heil!

27:10 Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,

maar Maryah zal mij opnemen.

27:11 Leer mij Uw weg,

O Maryah,

en leidt mij in een vlak pad,

omwille van mijn vijanden.

27:12 Lever mij niet over aan het verlangen van mijn tegenstanders,

want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan,

en dusdanig toen geweld uitademden

27:13 Ik zou hebben gewanhoopt,

indien ik niet had geloofd

dat ik de goedheid van Maryah zou zien

in het land van de levenden.

27:14 Wacht op Maryah;

zijt sterk,

en laat uw hart moed ontvangen;

ja,

wacht op Maryah.

Tehilim 28

28:1 Een psalm van David.

Tot U,

O Maryah,

roep ik;

mijn steenrots,

wees niet doof voor mij,

want indien Gij stil zijt naar mij,

zal ik worden zoals degenen die naar de put afdalen.

28:2 Hoor de stem van mijn smeekbeden

wanneer ik tot U roep om hulp,

wanneer ik mijn handen ophef naar Uw heilig heiligdom.

28:3 Trek mij niet weg met de goddelozen

en met degenen die ongerechtigheid werken,

die vrede spreken met hun naasten,

terwijl kwaad in hun hart is.

28:4 Geef hen terug overeenkomstig hun werken

en overeenkomstig het kwaad van hun uitoefening;

geef hen terug overeenkomstig de daden van hun handen;

geef ze hun beloning terug.

28:5 Omdat zij geen acht geven op de werken van Maryah,

noch op de daden van Zijn handen,

zal Hij hen afbreken

en hen niet opbouwen.

28:6 Gezegend is Maryah,

want Hij heeft de stem van mijn smeekbede gehoord.

28:7 Maryah is mijn sterkte en mijn bescherming;

mijn hart vertrouwt in Hem,

en ik ben geholpen;

daarom jubelt mijn hart,

en door mijn lied zal ik Hem dankzeggen.

28:8 Maryah is hun sterkte,

en Hij is een reddende verdediging aan Zijn gezalfde.

28:9 Red Uw volk en zegen Uw erfdeel;

wees ook hun Herder,

en draag hen voor eeuwig en altijd.

Tehilim 29

29:1 Een psalm van David.

Schrijft toe aan Maryah,

O zonen van de Machtige,

schrijf sterkte en heerlijkheid toe aan Maryah.

29:2 Schrijft toe aan Maryah

de heerlijkheid passende bij Zijn naam;

aanbidt Maryah in heilige uitdossing.

Aanbidt Aloha (הַדְרַת־קֹֽדֶשׁ…… bekleed met de schoonheid van heiligheid.)

29:3 De stem van Maryah is op de wateren;

de Aloha der heerlijkheid dondert,

Maryah is boven vele wateren.

29:4 De stem van Maryah is krachtig,

de stem van Maryah is majestueus.

29:5 De stem van Maryah breekt de ceders;

ja,

Maryah breekt de ceders van Libanon in stukken.

29:6 Hij doet Libanon huppelen als een kalf,

en Sir-ion als een jonge wilde os.

29:7 De stem van Maryah houwt er vlammen van vuur uit.

29:8 De stem van Maryah schokt de woestijn;

Maryah schokt de woestijn van Kadesh.

29:9 De stem van Maryah doet de herten kalveren

en stroopt de bossen kaal;

en in Zijn tempel zegt alles Hem,

“Glorie”

29:10 Maryah zetelde als koning op de watervloed;

ja,

Maryah zit als koning voor altijd en eeuwig.

29:11 Maryah zal sterkte geven aan Zijn volk;

Maryah zal Zijn volk zegenen met vrede.

Tehilim 30

30:1 Een psalm;

een lied bij de inwijding van het Huis.

Een psalm van David.

30:2 Ik zal U prijzen,

O Maryah,

want Gij hebt mij opgetild,

en hebt mijn vijanden niet laten verheugen over mij.

30:3 O Maryah mijn Aloha,

ik riep tot U om hulp,

en U genas mij.

30:4 O Maryah,

Gij hebt mijn ziel opgehaald uit Sheol;

Gij hebt mij in leven gehouden,

dat ik niet zou afdalen naar de put.

30:5 Zingt lof aan Maryah,

gij Zijn godvruchtig volk,

en geef dank aan Zijn heilige naam.

30:6 Want zijn toorn is maar voor een moment,

Zijn gunst is voor een mensenleven;

wenen kan gedurende de nacht voortduren,

maar een kreet van vreugde komt in de ochtend.

30:7 Nu wat mij betreft,

ik zei in mijn welvaart,

“Ik zal nooit worden verplaatst.”

30:8 O Maryah,

door Uw gunst

hebt Gij mijn berg gemaakt

om krachtig te staan;

Gij hebt Uw aangezicht verborgen,

ik was verbijsterd.

30:9 Tot U,

O Maryah,

riep ik,

en tot Maryah maakte ik een smeekbede:

30:10 ” Wat winst is er in mijn bloed,

indien ik naar beneden ga tot de put?

zal het stof U loven?

zal het Uw getrouwheid verkondigen?

30:11 Hoort,

O Maryah,

en wees genadig aan mij;

O Maryah,

wees mijn helper.”

30:12 Gij hebt mijn rouwklagen voor mij omgedraaid tot in dansen;

Gij hebt mijn geitenharen rouwgewaad losgemaakt en mij omgord met blijdschap,

30:13 opdat mijn ziel voor U lof moge zingen

en niet stil zijn.

O Maryah mijn Aloha,

ik zal dank geven aan U

voor eeuwig en altijd.

Tehilim 31

31:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

31:2 In U,

O Maryah,

heb ik toevlucht genomen;

laat mij nimmer beschaamd worden;

in Uw gerechtigheid

verlos mij.

31:3 Neig Uw oor naar mij,

red mij snel;

wees mij tot een steenrots van sterkte,

een sterk bastion

om mij te redden.

31:4 Want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting;

omwille van Uw naam

zult Gij mij voorgaan

en mij tot gids zijn.

31:5 Gij zult mij uit de valstrik trekken

die ze stiekem voor mij hebben gelegd,

want Gij zijt mijn sterkte.

31:6 In Uw hand vertrouw ik mijn geest toe;

U hebt mij vrijgekocht,

O Maryah,

Aloha van de waarheid.

31:7 Ik haat degenen die ijdele afgoden aanschouwen,

maar ik vertrouw in Maryah.

31:8 Ik zal mij verheugen,

en blij zijn in Uw liefdevolle vriendelijkheid,

omdat Gij mijn ellende hebt gezien;

Gij hebt de moeiten van mijn ziel gekend,

31:9 en Gij hebt mij niet gegeven

in de hand van de vijand;

Gij hebt mijn voeten gesteld

in een grote plaats.

31:10 Wees genadig aan mij,

O Maryah,

want ik ben in nood;

mijn oog is weggekwijnd van verdriet,

mijn ziel en mijn lichaam ook.

31:11 Want mijn leven is uitgeput door droefenis

en mijn jaren van gezucht;

mijn sterkte is mislukt vanwege mijn ongerechtigheid,

en mijn lichaam is weggekwijnd.

31:12 Vanwege al mijn tegenstanders,

ben ik een schande geworden,

vooral aan mijn naasten,

en een object van schrik aan mijn kennissen;

diegenen die mij in de straat zien ontvluchten mij.

31:13 Ik ben vergeten als een dode man,

uit de gedachten;

ik ben als een gebroken vaas.

31:14 Want ik heb de achterklap van velen gehoord,

verschrikking is aan alle kanten;

terwijl zij samen beraadslaagden tegen mij,

beraamden zij om mijn leven weg te nemen.

31:15 Maar wat mij betreft,

ik vertrouw in U,

O Maryah,

ik zeg,

“Gij zijt mijn Aloha.”

31:16 Mijn tijden zijn in Uw hand;

bevrijd mij van de hand van mijn vijanden

en van diegenen die mij vervolgen.

31:17 Doe Uw aangezicht schijnen op Uw dienaar;

behoud mij in Uw liefdevolle vriendelijkheid.

31:18 Laat mij niet tot schaamte worden gebracht,

O Maryah,

want ik aanroep U;

laat de goddelozen tot schaamte worden gebracht,

laat hen stil zijn in sheol.

31:19 Laat de leugenachtige lippen tot zwijgen worden gebracht,

die arrogant spreken tegen de rechtvaardigen

met trots en minachting.

31:20 Hoe groot is Uw goedheid,

die Gij hebt opgeborgen voor degenen die U vrezen,

die Gij hebt gewrocht voor degenen die hun toevlucht nemen in U,

voor de zonen der mensen!

31:21 Gij verbergt hen in de geheime plaats van Uw voorkomen

voor de complotten van de mens;

Gij bewaard hen heimelijk in een schuilplaats

voor de twist der tongen.

31:22 Gezegend is Maryah,

want Hij heeft Zijn liefdevolle vriendelijkheid

aan mij wonderbaarlijk gemaakt

in een belegerde stad.

31:23 Wat mij betreft,

ik zei in mijn onrust,

“ik ben afgesneden van voor Uw ogen”;

niettemin hoorde U de stem van mijn smeekbeden

wanneer ik tot U riep.

31:24 O heb Maryah lief,

al gijlieden,

Zijn godvrezenden!

Maryah bewaart de getrouwen

en beloont ten volle de trotse doener.

31:25 Wees sterk en laat uw hart moed ontvangen,

gij allen,

die hopen in Maryah.

Tehilim 32

32:1 Een psalm van David.

Een Maskil (overpeinzing).

Hoe gezegend is hij wiens overtreding vergeven is,

wiens zonde bedekt is!

32:2 Hoe gezegend is de mens

aan wie Maryah geen ongerechtigheid toerekent,

en in wiens geest er geen bedrog is!

32:3 Wanneer ik mij stilzwijgend hield over mijn zonde,

kwijnde mijn lichaam weg

door mijn gekreun

de hele dag lang.

32:4 Want dag en nacht

was Uw hand zwaar op mij;

mijn vitaliteit werd afgevoerd

net als bij de koortsige hitte van de zomer.

Selah.

32:5 Ik erkende mijn zonde aan U,

en mijn ongerechtigheid heb ik niet verborgen;

ik zei,

“Ik zal mijn overtredingen belijden aan Maryah”;

en U vergaf de misdadigheid van mijn zonde.

Selah.

32:6 Daarom,

laat iedereen die godsvruchtig is tot U bidden

in een tijd wanneer Gij kunt gevonden worden;

in een vloed van grote wateren

zullen zij hem ongetwijfeld niet bereiken.

32:7 Gij zijt mijn schuilplaats;

Gij behoed mij voor moeite;

Gij omringt mij met gezangen van bevrijding.

Selah.

32:8 Ik zal u onderrichten

en u onderwijzen

in de weg die gij moet gaan;

ik zal u adviseren met Mijn oog op u.

32:9 Wees niet als het paard of als de ezel

die geen begrip hebben,

wiens uitrusting bit en teugels omvatten

om hen in toom te houden,

anders zullen zij niet nabij u komen.

32:10 Vele zijn de smarten van de goddelozen,

maar hij die vertrouwt in Maryah,

liefdevolle vriendelijkheid zal hem omringen.

32:11 Wees verblijd in Maryah en verheugt u

gij rechtvaardigen;

en schreeuw van vreugde,

gij allen die oprecht zijn in het hart.

Tehilim 33

33:1 Zingt van vreugde in Maryah,

O gij rechtvaardigen;

lof is voor de oprechte gepast.

33:2 Geef dankzegging aan Maryah met de lier;

zing lof aan Hem met de tien snarige harp.

33:3 Zing voor Hem een nieuw lied;

speel bekwaam

en met een vreugdevol gejuich.

33:4 Want het woord van Maryah is oprecht,

en al Zijn werk is gedaan in getrouwheid.

33:5 Hij houdt van gerechtigheid en rechtvaardigheid;

de aarde is vol van de liefdevolle vriendelijkheid van Maryah.

33:6 Door het woord van Maryah werden de hemelen gemaakt,

en door de adem van Zijn mond gans hun heirschaar.

33:7 Hij verzamelt de wateren van de zee tezamen als één massa;

Hij bedaart de diepten in opslag plaatsen.

33:8 Laat geheel de aarde Maryah vrezen;

laat al de inwoners van de wereld

in ontzag voor Hem staan.

33:9 Want Hij sprak,

en het was gedaan;

Hij gebood,

en het stond vast.

33:10 Maryah doet de raad van de naties teniet;

Hij dwarsboomt de plannen van de volkeren.

33:11 De raad van Maryah staat voor altijd ,

de plannen van Zijn hart van generatie tot generatie.

33:12 Gezegend is het volk

waarvan Aloha de Maryah is,

het volk die Hij heeft uitgekozen

tot Zijn eigen erfdeel.

33:13 Maryah kijkt vanuit de hemel;

Hij ziet al de zonen der mensen;

33:14 Vanuit Zijn woonplaats ziet Hij uit

op al de bewoners van de aarde,

33:15 Hij die de harten van hen allen vormt,

Hij die al hun werken begrijpt.

33:16 De koning word niet verlost door een machtig leger;

een krijger word niet bevrijd door grote kracht.

33:17 Een paard is een valse hoop tot overwinning;

evenmin bevrijd het iemand door zijn grote kracht.

33:18 Zie,

het oog van Maryah is op degenen die Hem vrezen,

op degenen die op Zijn liefdevolle vriendelijkheid hopen,

33:19 om hun ziel te bevrijden van de dood

en om hen levend te houden in tijden van schaarste.

33:20 Onze ziel wacht op Maryah;

Hij is onze hulp en ons schild.

33:21 Want ons hart verheugt zich in Hem,

omdat we vertrouwen op Zijn heilige naam.

33:22 Laat Uw liefdevolle vriendelijkheid,

O Maryah,

op ons zijn,

al-naar-gelang we op U hebben gehoopt.

Tehilim 34

34:1 Een psalm van David

toen hij waanzin veinsde voor Abimelech,

die hem wegdreef en hij vertrok.

34:2 Ik zal Maryah zegenen ten allen tijde;

Zijn lof zal voortdurend in mijn mond zijn.

34:3 Mijn ziel zal haar roem maken in Maryah:

de nederige zal het horen en zich verheugen.

34:4 O vergroot Maryah met mij,

en laat ons Zijn naam samen verhogen.

34:5 Ik keek uit naar Maryah,

en Hij antwoordde mij,

en verloste mij van al mijn angsten.

34:6 Ze keken naar Hem en werden stralend,

en hun aangezichten zullen nooit beschaamd worden.

34:7 Deze arme man riep,

en Maryah hoorde hem

en redde hem vanuit al zijn moeiten.

34:8 De engel van Maryah

legert rondom degenen die Hem vrezen,

en redt hen.

34:9 O smaak en zie dat Maryah goed is;

hoe gezegend is de mens

die toevlucht in Hem neemt!

34:10 O vreest Maryah,

gij Zijn heiligen;

want degenen die Hem vrezen

hebben geen gebrek.

34:11 De jonge leeuwen hebben gebrek en lijden honger;

maar zij die Maryah zoeken

zullen geen gebrek hebben van enig goed ding.

34:12 Kom,

gij kinderen,

luister naar mij;

ik zal u de vreze van Maryah onderwijzen.

34:13 Wie is de mens die leven verlangt

en de lengte der dagen lief heeft

opdat hij goed moge zien?

34:14 Bewaar uw tong van het kwaad

en uw lippen van het spreken van misleiding.

34:15 Wijk van het kwaad en doe het goede;

zoekt vrede en streef dat na.

34:16 De ogen van Maryah zijn richting de rechtvaardigen

en Zijn oren staan open voor hun geroep.

34:17 Het aangezicht van Maryah is tegen kwaaddoeners,

om de nagedachtenis weg te snijden,

van hen,

van de aarde.

34:18 De rechtvaardige roept,

en Maryah hoort

en bevrijd hun vanuit al hun moeiten.

34:19 Maryah is nabij de ontroostbaren

en behoudt degenen die zijn verpletterd in de geest.

34:20 Vele zijn de ellendes van de rechtvaardige,

maar Maryah die red hem vanuit hen allemaal.

34:21 Hij bewaart al zijn botten,

niet één van hen wordt gebroken.

34:22 Het kwaad,

zal de goddeloze doden

en degenen die de rechtvaardige haten

zullen worden veroordeeld.

34:23 Maryah verlost de ziel van Zijn dienaars,

en niet één van dezen

die toevlucht in Hem neemt

zal worden veroordeeld.

Tehilim 35

35:1 Een psalm van David.

Twist,

O Maryah,

met degenen die twisten met mij;

strijd tegen degenen die strijden tegen mij.

35:2 Grijp het schild en het ronde handschild vast

en sta op tot mijn hulp.

35:3 Trek ook de speer en de strijdbijl

om diegenen te ontmoeten die mij vervolgen;

zeg tot mijn ziel,

“Ik ben uw heil.”

35:4 Laat diegenen beschaamd worden

en onteerd

die mijn leven zoeken;

laat diegenen terugkeren

en vernederd worden

die kwaad tegen mij bedenken.

35:5 Laat hen als kaf zijn voor de wind,

met de engel van Maryah hen opdrijvende.

35:6 Laat hun weg donker en glibberig zijn,

met de engel van Maryah hen vervolgende.

35:7 Want zonder reden verborgen zij hun valstrik voor mij;

zonder reden groeven zij een put voor mijn ziel.

35:8 Laat verwoesting over hem komen,

onverhoeds,

en laat de valstrik die hij verborg hemzelf vangen;

laat hem in die verwoesting vallen.

35:9 En mijn ziel zal zich verheugen in Maryah;

zij zal jubelen in Zijn zaligheid.

35:10 Al mijn botten zullen zeggen,

“Maryah, wie is gelijk U,

die de ellendige bevrijd van hem die te sterk voor hem is,

en de ellendige en de behoeftige van hem die hem berooft?”

35:11 Kwaadaardige getuigen staan op;

ze vragen van mij dingen die ik niet weet.

35:12 Ze vergoeden mij kwaad voor goed,

tot de beroving van mijn ziel.

35:13 Maar wat mij betreft,

wanneer ze ziek werden,

was mijn kleding rouwgewaad;

ik vernederde mijn ziel met vasten,

en mijn gebed keerde terug naar mijn boezem.

35:14 Ik ging zowat alsof het mijn vriend of broeder was;

ik boog neer rouwende,

als één die treurt voor een moeder.

35:15 Maar op mijn struikelen verheugden zij zich

en verzamelden zichzelf tezamen;

zij die geslagen waren

welke ik niet kende

verzamelden tezamen tegen mij,

zij lasteren mij zonder ophouden.

35:16 Zoals goddeloze narren op een feest,

knarsten zij naar mij met hun tanden.

35:17 Maryah,

hoelang zult Gij toekijken?

Red mijn ziel van hun verwoestingen,

mijn enige leven van de leeuwen.

35:18 Ik zal U dank geven in de grote gemeente;

ik zal U loven onder een machtige menigte.

35:19 Laat degenen die ten onrechte mijn vijanden zijn

zich niet over mij verheugen;

laat degenen die mij haten

zonder reden,

ook niet kwaadwillig knipogen.

35:20 Want ze spreken geen vrede,

maar ze bedenken bedrieglijke woorden

tegen degenen die stil zijn in het land.

35:21 Ze openden hun mond wijd tegen mij;

ze zeiden,

“Aha, aha, onze ogen hebben het gezien!”

35:22 Gij hebt het gezien,

O Maryah,

bewaar geen stilte;

O Maryah,

wees niet verre van mij.

35:23 Ontwaakt Uzelf,

en wordt wakker tot mijn recht

en tot mijn zaak,

mijn Aloha en mijn Maryah.

35:24 Spreek mij recht,

O Maryah mijn Aloha,

naar uw gerechtigheid,

en laat hen zich over mij niet verheugen .

35:25 Laat hen in hun hart niet zeggen,

“Aha, ons verlangen!”

laat hen niet zeggen,

“We hebben hem opgeslokt!”

35:26 Laat degenen beschaamd zijn

en zich volkomen verootmoedigen

die zich verheugen over mijn ellende;

laat degenen worden bekleed met schaamte

en oneer

die zich verheerlijken boven mij.

35:27 Laat ze schreeuwen van vreugde en zich verblijden,

die mijn rechtvaardiging gunstig gezind zijn;

en laat hen voortdurend zeggen,

“Maryah wordt verheerlijkt,

die behagen schept in de voorspoed van Zijn dienaar.”

35:28 En mijn tong

zal Uw gerechtigheid bekend maken

en Uw lof

de ganse dag lang.

Tehilim 36

36:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David de dienaar van Maryah.

De zonde van de goddeloze spreekt in zijn hart;

ontzag voor Aloha is er voor zijn ogen niet.

36:2 Want het flatteert hem in zijn eigen ogen

betreffende de ontdekking van zijn ongerechtigheid

en de haat hiervan.

36:3 De woorden van zijn mond zijn goddeloosheid en bedrog;

hij is opgehouden verstandig te zijn en om goed te doen.

36:4 Hij bedenkt goddeloosheid op zijn bed;

hij zet zichzelf op een pad dat niet goed is;

hij veracht het kwaad niet.

36:5 Uw liefdevolle vriendelijkheid,

O Maryah,

strekt zich uit tot in de hemelen,

Uw getrouwheid reikt tot aan het wolkendek.

36:6 Uw gerechtigheid is gelijk de bergen van Aloha;

uw oordelen zijn gelijk een grote diepte.

O Maryah,

Gij behoudt mens en dier.

36:7 Hoe kostbaar is Uw liefdevolle vriendelijkheid,

O Aloha!

En de kinderen der mensen

nemen hun toevlucht in de schaduw van Uw vleugels.

36:8 Ze drinken hun ‘verzadiging van overvloed’ van Uw huis;

en Gij geeft hun te drinken van de rivier van Uw geneugten.

36:9 Want bij U is de springbron van het leven;

in Uw licht zien wij licht.

36:10 O, verlengt Uw liefdevolle vriendelijkheid naar degenen die U kennen,

en Uw gerechtigheid naar de oprechten in het hart.

36:12 Laat de voet van hoogmoed niet over mij komen,

en laat de hand van de goddelozen mij niet wegdrijven.

36:13 Ziedaar!

de doeners van ongerechtigheid zijn gevallen;

zij zijn neergeworpen

en kunnen niet opstaan.

Tehilim 37

37:1 Een psalm van David.

Erger u niet vanwege de kwaaddoeners,

wees niet afgunstig naar onrechtplegers toe.

37:2 Want zij zullen snel verdorren als het gras,

en verwelken als het groene kruid.

37:3 Vertrouw in Maryah en doe goed;

woon in het land

en cultiveert getrouwheid.

37:4 Verheugt uzelf in Maryah;

en Hij zal u de verlangens van uw hart geven.

37:5 Vertrouw uw weg toe aan Maryah,

vertrouw bovendien in Hem,

en Hij zal het doen.

37:6 Hij zal uw gerechtigheid voortbrengen als het licht

en uw oordeel als het middaguur.

37:7 Rust in Maryah en wacht geduldig op Hem;

erger u niet omwille van hem die bloeit op zijn weg,

omwille van de man die valse complotten uitvoert.

37:8 Laat af van boosheid en verzaakt toorn;

erger u niet;

het leid slechts tot kwaad doen.

37:9 Want kwaaddoeners zullen worden afgesneden,

maar degenen die wachten op Maryah,

zij zullen het land beérven.

37:10 Nog een tijdje en de goddeloze mens zal niet meer zijn;

en gij zult zorgvuldig uitzien naar zijn plaats

en hij zal daar niet zijn.

37:11 Maar de nederige zal het land beérven

en zal zichzelf verheugen

in de overvloedige bloei.

37:12 De goddeloze smeed plannen tegen de rechtvaardige

en knarst naar hem met zijn tanden.

37:13 Maryah lacht om hem,

want Hij ziet dat zijn dag komende is.

37:14 De goddelozen hebben het zwaard getrokken

en hun boog gekromd

om de ellendigen en de behoeftigen neer te werpen,

om degenen te doden die oprecht zijn in gedrag.

37:15 Hun zwaard zal hun eigen hart ingaan,

en hun bogen zullen worden verwoest.

37:16 Beter is het weinige van de rechtvaardige

dan de overvloed van menige goddelozen.

37:17 Want de armen der goddelozen zullen worden gebroken,

maar Maryah ondersteunt de rechtvaardigen.

37:18 Maryah kent de dagen van de onberispelijke,

en hun erfenis zal voor eeuwig en altijd zijn.

37:19 Zij zullen niet beschaamd worden in de tijd van kwaad,

en in de dagen van schaarste zullen zij overvloed hebben.

37:20 Maar de goddelozen zullen omkomen;

en de vijanden van Maryah zullen als de heerlijkheid der weiden zijn,

ze verdwijnen

gelijk de mist verdampen zij weg.

37:21 De goddeloze ontleent en betaalt niet terug,

maar de rechtvaardige is genadig en geeft.

37:22 Want diegenen

door Hem gezegend

zullen het land beërven,

maar diegenen

door Hem vervloekt

zullen worden afgesneden.

37:23 De stappen van een mens zijn gevestigd door Maryah,

en Hij verheugt zich in zijn weg.

37:24 Wanneer hij valt,

zal hij niet hals over kop worden weggeslingerd,

omdat Maryah de Ene is die zijn hand vasthoud.

37:25 Ik ben jong geweest en nu ben ik oud,

toch heb ik de rechtvaardige niet verlaten gezien

of zijn nakomelingen brood zien bedelen.

37:26 De hele dag lang is hij genadig en geeft,

en zijn nakomelingen zijn een zegening.

37:27 Wijk af van kwaad en doe goed,

alzo zult ge eeuwig wonen.

37:28 Want Maryah houd van gerechtigheid

en verlaat Zijn godvrezende niet;

ze worden bewaard voor eeuwig,

maar de nakomelingen van de goddelozen zullen worden afgehakt.

37:29 De rechtvaardigen zullen het land beërven

en voor eeuwig en altijd daarin wonen.

37:30 De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid,

en zijn tong spreekt gerechtigheid.

37:31 De wet van zijn Aloha is in zijn hart;

zijn stappen glijden niet uit.

37:32 De goddeloze beloert de rechtvaardige

en zoekt om hem ter dood te brengen.

37:33 Maar Maryah zal hem niet in zijn hand achterlaten

of hem verdoemd laten worden

wanneer hij is berecht.

37:34 Wacht op Maryah en houd Zijn weg,

en Hij zal u verheffen om het land te beërven;

als de goddelozen worden uitgeroeid,

zult gij het zien.

37:35 Ik heb een goddeloze gezien,

een gewelddadige mens

zichzelf uitspreidende als een weelderige boom

in zijn natuurlijke aarde.

37:36 Vervolgens ging hij voorbij,

en zie!

hij was niet meer;

ik zocht naar hem,

maar hij kon niet niet meer worden gevonden.

37:37 Gedenk de onberispelijke man,

en aanschouw de oprechte;

want de man van vrede zal een nageslacht hebben.

37:38 Maar de overtreders zullen allemaal worden vernietigd;

het nageslacht van de goddelozen zal worden afgesneden.

37:39 Maar het heil van de rechtvaardigen is van Maryah;

Hij is hun sterkte in de tijd van benauwdheid.

37:40 Maryah helpt hen en bevrijd hen;

Hij bevrijd hen van de goddelozen en red hen,

omdat zij in Hem toevlucht nemen.

Tehilim 38

38:1 Een psalm van David,

voor een herdenking.

O Maryah,

berisp me niet in uw toorn,

en kastijd me niet in uw brandende boosheid.

38:2 Want Uw pijlen zijn diep in mij verzonken,

en Uw hand is op mij neergedrukt.

38:3 Er is geen gezondheid in mijn vlees vanwege Uw verontwaardiging;

er is geen welzijn in mijn botten vanwege mijn zonde.

38:4 Want mijn ongerechtigheden zijn over mijn hoofd gegaan;

als een zware last wegen zij teveel voor mij.

38:5 Mijn kwetsuren hebben een vieze geur en zweren

vanwege mijn dwaasheid.

38:6 Ik ben al te veel gekromd en zeer neergebogen;

ik ga de gehele dag in rouw.

38:7 Want mijn lendenen zijn gevuld met verzenging,

en er is geen welzijn in mijn vlees.

38:8 Ik ben verlamd en zeer verpletterd;

ik kerm vanwege de opwinding van mijn hart.

38:9 Maryah,

al mijn begeerte is voor U;

en mijn zuchten is voor U niet verborgen.

38:10 Mijn hart bonst,

mijn kracht heeft mij in de steek gelaten;

en het licht van mijn ogen,

zelfs dat is van mij weggegaan.

38:11 Mijn dierbaren en mijn vrienden staan op een afstand van mijn plaag;

en mijn bloedverwanten staan van verre af.

38:12 Degenen die mijn leven zoeken leggen strikken voor mij;

en degenen die mij zoeken te verwonden hebben met vernietiging gedreigd,

en ze bedenken verraad de hele dag lang.

38:13 Maar ik,

als een doveman,

hoor niet;

en ik ben als een stomme man

die zijn mond niet open doet.

38:14 Ja,

ik ben als een man die niet hoort,

en in wiens mond geen argumenten zijn.

38:15 Want ik hoop in U,

O Maryah;

U zult beantwoorden,

O Maryah mijn Aloha.

38:16 Want ik zei,

” Mogen zij zich over mij niet verheugen,

die,

wanneer mijn voet uitglijd,

zich tegenover mij zouden groter maken.”

38:17 Want ik ben klaar om te vallen,

en mijn leed is voortdurend voor mijn aangezicht.

38:18 Want ik beken mijn ongerechtigheid;

ik ben vol van bezorgdheid vanwege mijn zonde.

38:19 Maar mijn vijanden zijn krachtig en sterk,

en zij die mij ten onrechte haten,

zijn met velen.

38:20 En degenen die kwaad vergelden voor goed,

zij verzetten zich tegen mij,

omdat ik handel volgens wat goed is.

38:21 Verlaat mij niet,

O Maryah,

O mijn Aloha,

wees niet verre van mij!

38:22 Maak haast om mij te helpen,

O Maryah,

mijn redding!

Tehilim 39

39:1 Voor de koor leider,

voor Jeduthun.

Een psalm van David.

39:2 Ik zei,

“Ik zal mijn wegen bewaken opdat ik niet zondigen zou met mijn tong;

ik zal mijn mond bewaken als met een muilkorf

terwijl de goddeloze in mijn aanwezigheid is.”

39:3 Ik was stom en stilzwijgend,

ik onthield zelfs van het goede,

en mijn smart werd erger.

39:4 Mijn hart was heet binnenin mij,

terwijl ik mijmerende was ontbrandde het vuur;

vervolgens sprak ik met mijn tong:

39:5 ” Maryah,

maak mij mijn einde bekend

en wat de lengte van mijn dagen is;

laat mij weten hoe vergankelijk ik ben.

39:6 Zie,

Gij hebt mijn dagen als handbreedten gemaakt,

en mijn levensduur als niets in Uw ogen;

immers,

elk mens op zijn best is slechts een ademtocht.

Selah.

39:7 Immers wandelt elke mens rond als een schim;

immers maken zij een kabaal om niets;

hij vergaart rijkdommen en weet niet wie hen vergaren zal.

39:8 En nu,

Maryah,

op wat wacht ik?

mijn hoop is op U.

39:9 Verlos mij van al mijn overtredingen;

maak mij niet ‘de schande’ van de dwazen.

39:10 Ik ben stom geworden,

ik open mijn mond niet,

want Gij zijt het die het hebt gedaan.

39:11 Verwijder Uw plaag van mij;

vanwege de tegenstand van Uw hand ben ik uitgeput.

39:12 Met terechtwijzingen kastijd Gij een mens voor de ongerechtigheid;

Gij verteerd zoals een nachtvlinder wat kostbaar is voor hem;

immers,

ieder mens is slechts een adem.

Selah.

39:13 Hoort mijn gebed,

O Maryah,

en geef oor aan mijn geschrei;

wees niet stil op mijn tranen;

want ik ben een vreemdeling met U,

een bijwoner zoals al mijn vaderen.

39:14 Draai Uw blik weg van mij,

opdat ik weer moge lachen

voordat ik vertrek,

en ik niet meer ben.”

Tehilim 40

40:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

40:2 Ik wachtte geduldig op Maryah;

en Hij neigde naar mij en hoorde mijn geroep.

40:3 Hij haalde me op uit de put van vernietiging,

vanuit het modderige leem,

Hij stelde mijn voeten op een rotssteen

en maakte mijn voetstappen vast.

40:4 Hij legde een nieuw lied in mijn mond,

een lied van lof aan onze Aloha;

velen zullen zien en vrezen

en zullen vertrouwen op Maryah.

40:5 Hoe gelukzalig is de man die Maryah zijn vertrouwen heeft gemaakt,

en zich niet heeft gewend naar de hoogmoedige,

noch tot degenen die vervallen in onwaarheid.

40:6 Vele,

O Maryah mijn Aloha,

zijn de wonderen die U hebt gedaan,

en Uw gedachten jegens ons;

er is niemand om met U te vergelijken.

Als ik ze zou bekendmaken en van hen spreken,

zij zouden te talrijk zijn om te tellen.

40:7 Slachtoffer en spijsoffer hebt Gij niet verlangd;

mijn oren hebt Gij geopend;

brandoffer en zondeoffer hebt Gij niet nodig.

40:8 Vervolgens zei ik,

“Zie!

ik kom;

in de rol van het boek is het van mij geschreven.

40:9 Ik schep behagen om U wil te doen,

O mijn Aloha,

Uw wet is in mijn hart.”

40:10 Ik heb blijde tijdingen van gerechtigheid verkondigd in de grote congregatie,

zie!

ik zal mijn lippen niet bedwingen,

O Maryah,

Gij weet het.

40:11 Ik heb Uw gerechtigheid niet in mijn hart verscholen;

ik heb van Uw trouw en Uw heil gesproken;

Uw liefdevolle vriendelijkheid

en Uw waarheid

heb ik niet geheimgehouden in de grote congregatie.

40:12 Gij,

o Maryah,

zult Uw mededogen van mij niet onthouden;

Uw liefdevolle vriendelijkheid en Uw waarheid

zullen mij voortdurend bewaren.

40:13 Want kwaden boven aantal hebben mij omgeven;

mijn ongerechtigheden hebben mij ingehaald,

zodat ik niet in staat ben om te zien;

ze zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd,

en mijn hart heeft mij in de steek gelaten.

40:14 Wees blij,

O Maryah,

om mij te bevrijden:

maak haast,

O Maryah,

om mij te helpen.

40:15 Laten zij samen worden beschaamd en vernederd

die mijn leven zoeken te vernietigen;

laten zij achterwaarts worden omgedraaid

en onteerd worden

die zich verheugen in mijn kwaad.

40:16 Laten zij worden geschokt vanwege hun schaamte

die tegen mij zeggen,

“Aha, aha!”

40:17 Laat allen die U zoeken zich verheugen en blij zijn in U;

laten zij die Uw heil liefhebben voortdurend zeggen,

“Maryah wordt groot gemaakt!”

40:18 Aangezien ik getroffen ben en behoeftig,

laat Maryah rekening houden met mij.

Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder;

vertraag niet,

O mijn Aloha.

Tehilim 41

41:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

41:2 Hoe gezegend is hij die de hulpeloze overweegt;

Maryah zal hem bevrijden in een dag van benauwdheid.

41:3 Maryah zal hem beschermen en hem in leven houden,

en hij zal gezegend worden genoemd op de aarde;

en hem niet overgeven aan de begeerte van zijn vijanden.

41:4 Maryah zal hem ondersteunen op zijn ziekbed;

uit zijn ziekte,

brengt U hem terug tot welzijn.

41:5 Wat mij betreft,

ik zei,

“O Maryah,

wees genadig voor mij;

genees mijn ziel,

want ik heb gezondigd tegen U.”

41:6 Mijn vijanden spreken kwaad uit tegen mij,

“Wanneer zal hij sterven,

en zijn naam vergaan?”

41:7 En wanneer één van hen komt om mij te zien,

spreekt hij valsheid;

zijn hart verzamelt goddeloosheid tot zichzelf;

wanneer hij naar buiten gaat,

vertelt hij het.

41:8 Allen die mij haten fluisteren tezamen tegen mij;

tegen mij bedenken zij mijn kwaad,

zeggende,

41:9 “Een slecht ding is op hem uitgestort,

zo dat wanneer hij liggen gaat,

hij niet opnieuw zal opstaan.”

41:10 Zelfs mijn goede vriend in wie ik vertrouwde,

die mijn brood at,

heeft zijn hiel tegen mij opgetild.

41:11 Maar Gij,

O Maryah,

wees genadig aan mij en til mij op,

dat ik hun kan vergelden.

41:12 Door dit weet ik dat Gij verheugd met mij zijt,

dat mijn vijand over mij niet in triomf juicht.

41:13 Wat mij betreft,

Gij houd mij hoog in mijn integriteit,

en Gij stelt mij in Uw tegenwoordigheid voor altijd en eeuwig.

41:14 Gezegend is Maryah,

de Aloha van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Amen en Amen.

Tehilim 42

42:1 Voor de koor leider.

Een maskil van de zonen van Korah.

42:2 Zoals het hert snakt naar de water beken,

zo snakt mijn ziel naar U,

O Aloha.

42:3 Mijn ziel dorst naar Aloha,

naar de levende Aloha;

wanneer zal ik komen en voor Aloha verschijnen?

42:4 Mijn tranen zijn mijn spijs geweest

dag en nacht,

terwijl ze tot mij zeggen

de hele dag lang,

“Waar is uw Aloha?”

42:5 Deze dingen gedenk ik

en ik stort mijn ziel in mij uit.

Want ik was gewoon om samen met de menigte te gaan

en leidde hen in een optocht naar het huis van Aloha,

met de stem van vreugde en dankzegging,

een menigte houdende het festival.

42:6 Waarom zijt gij in wanhoop,

O mijn ziel?

En waarom zijt gij verontrust geworden in mij?

Hoop op Aloha,

want ik zal Hem opnieuw loven

voor de hulp van Zijn aanwezigheid.

42:7 O mijn Aloha,

mijn ziel is in wanhoop in mij;

daarom gedenk ik U uit het land van de Jordaan

en de pieken van Hermon,

uit de Heuvels van Mizar.

42:8 Diepte roept tot diepte

bij het geluid van Uw waterlopen;

al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gerold.

42:9 Maryah zal Zijn liefdevolle vriendelijkheid gebieden in de dag;

en Zijn lied zal bij mij zijn in de nacht,

een gebed aan de Aloha van mijn leven.

42:10 Ik zal zeggen tot mijn rots Aloha,

“Waarom hebt Gij mij vergeten?

waarom ga ik in rouwgewaad

vanwege de onderdrukking van de vijand?”

42:11 Als een vermorzeling van mijn botten,

beschimpen mijn tegenstanders mij,

terwijl ze tegen mij zeggen

de hele dag lang,

“Waar is uw Aloha?”

42:12 Waarom zijt gij in wanhoop,

O mijn ziel?

En waarom zijt gij verontrust geworden in mij?

Hoop op Aloha,

want ik zal Hem opnieuw prijzen,

de hulp van mijn aangezicht,

en mijn Aloha.

Tehilim 43

43:1 Rechtvaardigt mij,

O Aloha,

en bepleit mijn zaak tegen een goddeloze natie;

O bevrijd mij van de bedrieglijke en onrechtvaardige man!

43:2 Want Gij zijt de Aloha van mijn kracht;

waarom hebt Gij mij verworpen?

waarom ga ik in rouwgewaad

vanwege de onderdrukking van de vijand?

43:3 O zend Uw licht en Uw waarheid uit,

laat ze me leiden;

laat ze me brengen naar Uw heilige heuvel

en naar Uw woonplaatsen.

43:4 Dan zal ik tot het altaar van Aloha gaan,

tot Aloha mijn hoogste vreugde;

en op de lier zal ik U loven,

O Aloha,

mijn Aloha.

43:5 Waarom zijt gij in wanhoop,

O mijn ziel?

En waarom zijt gij verontrust in mij?

Hoop op Aloha,

want ik zal Hem opnieuw prijzen,

de hulp van mijn aangezicht

en mijn Aloha.

Tehilim 44

44:1 Voor de koor leider.

Een Maskil van de zonen van Korah.

44:2 O Aloha,

we hebben gehoord met onze oren,

onze vaders hebben ons het werk verteld dat U deed in hun dagen,

in de dagen vanouds.

44:3 Gij met Uw eigen hand verdreef de naties;

vervolgens plantte U hen;

U teisterde de volken,

daarna verspreide U hen buitenslands.

44:4 Want door hun eigen zwaard bezaten zij het land niet,

en hun eigen arm redde hen niet,

maar Uw rechterhand en Uw arm en het licht van Uw tegenwoordigheid,

want U begunstigde hen.

44:5 Gij zijt mijn koning,

O Aloha;

gebied overwinningen voor Jakob.

44:6 Door U zullen we onze tegenstanders terugstoten;

door Uw naam zullen we degenen neer trappelen die tegen ons opstaan.

44:7 Want ik zal niet vertrouwen op mijn boog,

noch zal mijn zwaard mij redden.

44:8 Maar U hebt ons gered van onze tegenstanders,

en U hebt degenen tot schande gezet die ons haten.

44:9 In Aloha hebben we de hele dag lang geroemd,

en we zullen dank geven aan Uw naam voor eeuwig en altijd.

Selah.

44:10 Toch hebt Gij ons verworpen

en bracht ons tot schande,

en gaat niet uit met onze legers.

44:11 Gij doet ons terugkeren van de tegenstander;

en degenen die ons haten hebben buit genomen voor zichzelf.

44:12 Gij geeft ons als schapen om te worden gegeten

en hebt ons verstrooid onder de naties.

44:13 Gij verkoopt Uw volk goedkoop,

en hebt niet geprofiteerd door hun verkoop.

44:14 Gij maakt ons een verwijt voor onze buren,

een beschimping en een bespotting voor degenen om ons heen.

44:15 Gij maakt ons een schimpnaam onder de Naties,

een mikpunt van spot onder de volken.

44:16 De hele dag lang is mijn oneer voor mij

en mijn vernedering heeft mij overweldigt,

44:17 Vanwege de stem van hem die verwijt en lastert,

vanwege de aanwezigheid van de vijand en de wreker.

44:18 Al deze dingen komen over ons,

maar we hebben U niet vergeten,

en we hebben niet vals gehandeld met Uw verbond.

44:19 Ons hart is niet teruggekeerd,

en onze stappen zijn niet afgeweken van Uw weg,

44:20 Nochtans hebt Gij ons verpletterd in een plaats van jakhalzen

en ons bedekt met de schaduw des doods.

44:21 Als we de naam van onze Aloha hadden vergeten

of onze handen hadden uitgestrekt naar een vreemde aloha,

44:22 Zou Aloha dit niet uitzoeken?

want Hij kent de geheimen van het hart.

44:23 Maar om Uwentwil worden wij gedood de hele dag lang;

we worden beschouwd als schapen

om te worden geslacht .

44:24 Wek Uzelf,

waarom slaapt Gij,

O Maryah?

ontwaakt,

verwerp ons niet voor eeuwig en altijd.

44:25 Waarom verbergt Gij Uw aangezicht

en vergeet onze ellende

en onze onderdrukking?

44:26 Want onze ziel is neergezonken in het stof;

onze organen kleven aan de aarde.

44:27 Sta op,

wees onze hulp,

en verlos ons omwille van Uw liefdevolle vriendelijkheid.

Tehilim 45

45:1 Voor de koor leider;

verleent aan de Shoshannim.

Een Maskil van de zonen van Korah.

Een lied van liefde.

45:2 Mijn hart loopt over van een goed onderwerp;

ik richt mijn verzen aan de Koning;

mijn tong is de pen van een vaardig schrijver.

45:3 Gij zijt mooier dan de zonen der mensen;

genade is uitgegoten op uw lippen;

daarom heeft Aloha U gezegend

voor eeuwig en altijd.

45:4 Gord Uw zwaard op Uw dij,

O Machtige,

in Uw pracht en Uw majesteit!

45:5 En rijd zegevierend in Uw majesteit,

voor de zaak van waarheid en zachtmoedigheid en gerechtigheid;

laat Uw rechterhand U ontzagwekkende dingen leren.

45:6 Uw pijlen zijn scherp;

de volken vallen onder U;

Uw pijlen zijn in het hart des Koning’s vijanden.

45:7 Uw troon,

O Aloha,

is voor eeuwig en altijd;

een scepter van oprechtheid is de scepter van Uw koninkrijk.

45:8 Gij hebt gerechtigheid liefgehad en goddeloosheid gehaat;

daarom Aloha,

Uw Aloha,

heeft U gezalfd met de olie des vreugde

boven Uw medemensen.

45:9 Al Uw klederen zijn geurig

van mirre en Aloë en senne;

Vanuit ivoren paleizen hebben snaarinstrumenten U blij gemaakt.

45:10 Koningsdochters zijn onder Uw edele dames;

aan Uw rechterhand staat de koningin

in goud van Ophir.

45:11 Luistert!

O dochter,

geef aandacht en neig uw oor:

vergeet uw volk en uw vaders huis;

45:12 de koning zal vervolgens uw schoonheid verlangen.

Want Hij is uw Maryah,

buig voor Hem neder.

45:13 De dochter van Tyrus zal met een geschenk komen;

de rijken onder het volk zullen uw gunst zoeken.

45:14 De koningsdochter is geheel glorieus van binnen;

haar kleding is doorweven met goud.

45:15 Ze zal tot de Koning geleid worden in geborduurd werk;

de maagden,

haar begeleiders die haar volgen,

zullen tot U worden gebracht.

45:16 Zij zullen voort- worden-geleid met blijdschap en vreugde;

zij zullen ingaan in des koning’s paleis.

45:17 In plaats van uw vaders zullen uw zonen zijn;

Gij zult hen prinsen maken in geheel de aarde.

45:18 Ik zal Uw naam herinnerd doen worden in alle generaties;

daarom zullen de volken U dank geven,

voor eeuwig en altijd.

Tehilim 46

46:1 Voor de koor leider.

Een psalm van de zonen van Korah,

ingesteld op Alamoth.

Een lied.

46:2 Aloha is onze toevlucht en sterkte,

een zeer aanwezige hulp bij moeite.

46:3 Daarom zullen wij niet vrezen,

al zou de aarde veranderen

en al gleden de bergen in het hart van de zee;

een zeer aanwezige hulp in moeite.

46:4 Alhoewel haar wateren razen en schuimen,

alhoewel de bergen schokken door hun zwellende hoogmoed.

Selah.

46:5 Er is een rivier

wiens beekjes de stad van Aloha verblijden,

het heilige der woonplaatsen

van de Meest Hoge.

46:6 Aloha is in het midden van haar,

ze zal niet worden bewogen;

Aloha zal haar helpen wanneer de ochtend aanbreekt.

46:7 De naties maakten een kabaal,

de koningen waggelden;

Hij hief Zijn stem,

de aarde versmolt.

46:8 Maryah der heerscharen is met ons,

de Aloha van Jakob is ons bolwerk.

Selah.

46:9 Kom,

aanschouw de werken van Maryah,

die verwoestingen heeft gewrocht op de aarde.

46:10 Hij doet oorlogen stoppen tot het einde der aarde;

Hij breekt de boog en breekt de speer doormidden;

Hij verbrand de strijdwagens met vuur.

46:11 “Houd op te streven

en weet dat Ik ben Aloha;

Ik zal worden verheven onder de naties,

Ik zal worden verheven op de aarde.”

46:12 Maryah der heerscharen is met ons;

de Aloha van Jakob is ons bolwerk.

Selah.

Tehilim 47

47:1 Voor de koor leider.

Een psalm van de zonen van Korah.

47:2 O klapt uw handen,

alle volkeren;

juicht tot Aloha met de stem van vreugde.

47:3 Want Maryah Meest Hoge

is te vrezen,

een groot koning over de gehele aarde.

47:4 Hij onderwerpt volken onder ons

en naties onder onze voeten.

47:5 Hij kiest onze erfenis voor ons,

de heerlijkheid van Jakob die Hij liefheeft.

Selah.

47:6 Aloha is opgegaan met gejuich,

Maryah,

met de klank van een bazuin.

47:7 Zingt lof tot Aloha,

zingt lof;

zingt lof tot onze koning,

zingt lof.

47:8 Want Aloha is de koning der gehele aarde;

zingt lof met een geschikte psalm.

47:9 Aloha regeert over de naties,

Aloha zit op Zijn heilige troon.

47:10 De voornaamsten uit de volken hebben zich verzameld

als het volk van de Aloha van Abraham,

want de schilden van de aarde behoren aan Aloha;

Hij is hoogst verheven.

Tehilim 48

48:1 Een lied;

een psalm van de zonen van Korah.

48:2 Maryah is groot,

en op grootste wijze te prijzen,

in de stad van onze Aloha,

Zijn heilige berg.

48:3 Prachtig van hoogte,

de vreugde van de gehele aarde,

is Berg Sion in het verre noorden,

de stad van de grote koning.

48:4 Aloha,

in haar paleizen,

heeft zichzelf bekend gemaakt als een bolwerk.

48:5 Want,

Zie!

de koningen verzamelden zich,

zij doortrokken te samen.

48:6 Zij zagen het,

toen waren zij verbaasd;

zij werden doodsbang,

zij vluchten van schrik.

48:7 Paniek greep hen daar aan,

pijniging,

als van een vrouw in haar kraambed.

48:8 Met de Oosten-wind

breekt Gij de schepen van Tarshish.

48:9 Zoals we hebben gehoord,

zo hebben we gezien in de stad van de Maryah der heerscharen,

in de stad van onze Aloha;

Aloha zal haar vestigen voor eeuwig en altijd.

Selah.

48:10 We hebben nagedacht over Uw liefdevolle vriendelijkheid,

O Aloha,

te-midden-van Uw tempel.

48:11 Zoals Uw naam is,

O Aloha,

zo is Uw lof tot de einden van de aarde;

Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.

48:12 Laat Berg Sion blij zijn,

laat de dochters van Judah zich verheugen

omwille van Uw oordelen.

48:13 Wandelt omheen Sion

en ga rondom haar;

telt haar torens;

48:14 Aanzie haar wallen;

ga door haar paleizen,

opdat gij het aan de volgende generatie zou kunnen vertellen.

48:15 Want zo’n Aloha,

is onze Aloha voor eeuwig en altijd;

Hij zal ons leiden tot de dood toe.

Tehilim 49

49:1 Voor de koor leider.

Een psalm van de zonen van Korah.

49:2 Hoort dit,

alle volkeren;

leent uw oor,

alle inwoners van de wereld,

49:3 Zowel laag en hoog,

rijk en arm tezamen.

49:4 Mijn mond zal wijsheid spreken,

en de overdenking van mijn hart zal worden verstaan.

49:5 Ik zal mijn oor neigen tot een spreekwoord;

ik zal mijn geheimenis uiten met de harp.

49:6 Waarom zou ik vrezen in dagen van tegenspoed,

wanneer de ongerechtigheid van mijn tegenstanders mij omringen,

49:7 gelijk degenen die vertrouwen op hun welvaart

en opscheppen over de overvloed van hun rijkdom?

49:8 Geen mens kan op welke wijze dan ook zijn broeder verlossen

of aan Aloha een losprijs voor hem geven,

49:9 (want de aflossing van zijn ziel is kostelijk,

en hij zal voor altijd ophouden om te proberen)

49:10 opdat hij voor eeuwig zou leven,

opdat hij niet ten onder zou gaan.

49:11 Want hij ziet dat zelfs wijze mannen sterven;

de domme en de onverstandige op dezelfde manier omkomen

en hun rijkdom overlaten aan anderen.

49:12 Hun innerlijke gedachte is dat hun huizen voor eeuwig zijn

en hun woonplaatsen voor alle generaties;

ze hebben hun landerijen benoemd naar hun eigen namen.

49:13 Maar de mens in zijn pracht en praal zal niet (blijven) duren;

hij is net zoals de beesten die omkomen.

49:14 Dit is de weg van degenen die dwaas zijn,

en van diegenen na hen die hun woorden goedkeuren.

Selah.

49:15 Als schapen worden zij benoemd voor Sheol;

de dood zal hun herder zijn;

en de oprechten zullen over hun heersen in de morgen,

en hun gedaante zal voor Sheol zijn

om te consumeren

zodat zij geen bewoning hebben.

49:16 Maar Aloha zal mijn ziel verlossen van de macht van Sheol,

want Hij zal mij opnemen.

Selah.

49:17 Wees niet bevreesd wanneer een mens overvloedig wordt,

wanneer de heerlijkheid van zijn huis wordt vergroot;

49:18 want wanneer hij sterft zal hij niets meedragen;

zijn heerlijkheid zal niet achter hem afdalen.

49:19 Alhoewel terwijl hij leeft feliciteert hij zichzelf

(en hoewel mensen u loven

wanneer gij goed doet voor uzelf)

49:20 Hij zal naar het geslacht van zijn vaderen gaan;

zij zullen nooit het licht zien.

49:21 De mens in zijn pracht en praal,

doch zonder begrip,

wordt gelijk de beesten die omkomen.

Tehilim 50

50:1 Een psalm van Asaph.

De Machtige Ene,

Aloha,

Maryah,

heeft gesproken,

en sommeerde de aarde

van de opklimming van de zon

tot aan haar plaats.

50:2 Vanuit Zion,

de perfectie van schoonheid,

zal Aloha verschijnen.

50:3 Moge onze Aloha komen

en de stilte niet bewaren;

verterend vuur voor Zijn aangezicht,

en zeer stormachtig is het rondom Hem.

50:4 Hij sommeert de hemel hierboven,

en de aarde,

om Zijn volk te oordelen:

50:5 “Verzamelt Mij Mijn heiligen,

degenen die een verbond met Mij hebben gemaakt door offeren.”

50:6 En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid,

want Aloha zelf is rechter.

Selah.

50:7 “Hoort,

O Mijn volk,

en Ik zal spreken;

O Israël,

Ik zal getuigen tot u;

Ik ben Aloha,

uw Aloha.

50:8 “Ik bestraf u niet om uw offers,

en uw brandoffers zijn voortdurend voor Mij.

50:9 “Ik zal geen jonge stier nemen vanuit uw stal

noch mannelijke geiten vanuit uw kooien.

50:10 “Want elk beest van het woud is van Mij,

het vee op de duizend heuvels.

50:11 “Ik ken elke vogel van de bergen,

en alles wat beweegt in het veld is van Mij.

50:12 “Als Ik hongerig was zou Ik het u niet vertellen,

want de wereld is van Mij,

en alles wat zij bevat.

50:13 “Zal Ik het vlees van stieren eten

of het bloed van mannelijke geiten drinken?

50:14 “Offert aan Aloha een offer van dankzegging

en betaalt uw geloften aan de Meest Hoogste;

50:15 roep op Mij in de dagen van benauwdheid;

ik zal u redden,

en gij zult Mij eren.”

50:16 Maar aan de goddelozen zegt Aloha,

“Welk recht hebt gij om te vertellen van Mijn inzettingen

en om Mijn verbond in uw mond te nemen?

50:17 “Want gij haat discipline,

en gij werpt Mijn woorden achter u.

50:18 “Wanneer gij een dief ziet,

sluit u zich bij hem aan,

en gij associeert uzelf met overspeligen.

50:19 “Gij laat uw mond los in het kwaad

en uw tong vormt bedrog.

50:20 “Gij zit en spreekt tegen uw broeder;

gij lastert uw eigen moeders zoon.

50:21 “Deze dingen hebt gij gedaan en ik bewaarde stilte;

gij dacht dat Ik net als u was;

Ik zal u berispen

en de zaak in volgorde voor uw ogen stellen.

50:22 “Overweeg nu dit,

gij die Aloha vergeet,

of Ik zal u in stukken scheuren,

en er zal geen één zijn om te verlossen.

50:23 “Hij die een offer van dankzegging offert eert Mij;

en aan hem die zijn weg correct beveelt

zal Ik de zaligheid van Aloha tonen.

Tehilim 51

51:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David,

51:2 wanneer Nathan de profeet tot hem kwam,

nadat hij tot in Bathsheba was gegaan.

51:3 Wees genadig aan mij,

O Aloha,

volgens Uw liefdevolle vriendelijkheid;

volgens de grootheid van Uw mededogen

wis mijn zonden uit.

51:4 Was mij door-en-door van mijn ongerechtigheid

en reinig mij van mijn zonden.

51:5 Want ik ken mijn zonden,

en mijn zonde is altijd voor mij.

51:6 Tegen U,

U alleen,

heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw ogen,

zodat Gij rechtvaardig zijt wanneer Gij spreekt,

en onberispelijk wanneer Gij oordeelt.

51:7 Zie!

ik werdt voorgebracht in ongerechtigheid,

en in zonde ontving mijn moeder mij.

51:8 Zie!

Gij verlangt waarheid in het diepste wezen,

en in het verborgen gedeelte

zult Gij mij wijsheid bekend maken.

51:9 Reinig mij met ezobā,

en ik zal schoon zijn;

was mij,

en ik zal witter zijn dan sneeuw.

51:10 Doe mij vreugde en blijdschap horen,

laat de botten die Gij gebroken hebt blij zijn.

51:11 Verberg Uw aangezicht van mijn zonden

en wis al mijn ongerechtigheden uit.

51:12 Schep in mij een vlekkeloos hart,

O Aloha,

en doe in mij een standvastige geest herleven.

51:13 Werp me niet weg vanuit Uw tegenwoordigheid

en neemt Uw heilige Geest niet van mij af.

51:14 Geef aan mij de vreugde van Uw heil terug

en ondersteun mij met een bereidwillige geest.

51:15 Vervolgens

overtreders zal ik Uw wegen onderwijzen,

en zondaars zullen tot U bekeerd worden.

51:16 Verlos mij van bloedschuld,

O Aloha,

de Aloha van mijn heil;

vervolgens zal mijn tong vreugdevol zingen van Uw gerechtigheid.

51:17 O Maryah,

open mijn lippen;

opdat mijn mond Uw lof moge bekendmaken.

51:18 Want Gij hebt geen behagen in offering,

anders zou ik het geven;

Gij zijt niet tevreden met brandoffer.

51:19 De offers van Aloha zijn een gebroken geest;

een gebroken en een berouwvol hart,

O Aloha,

zult Gij niet verachten.

51:20 Door Uw gunst

doe goed aan Zion;

bouw de muren van Jeruzalem.

51:21 Dan zult Gij behagen scheppen in rechtvaardige offers,

in brandoffer en compleet brandoffer;

vervolgens zullen jonge stieren worden geofferd op Uw altaar.

Tehilim 52

52:1 Voor de koor leider.

Een maskil van David,

52:2 wanneer Doeg de Edomiet kwam en Saul vertelde en tot hem zei,

“David is tot het huis gekomen van Ahimelech.”

52:3 Waarom roemt gij in kwaad,

O machtige man?

De liefdevolle vriendelijkheid van Aloha verdraagt de hele dag lang.

52:4 Uw tong bedenkt verwoesting,

als een scherp scheermesje,

O werker van bedrog.

52:5 Gij bemint het kwade meer dan het goede,

meer de leugen dan te spreken wat juist is.

Selah.

52:6 Gij bemint alle woorden die verslinden,

O bedrieglijke tong.

52:7 Maar Aloha zal u neerwaarts knakken voor eeuwig;

Hij zal u oppakken en wegrukken uit uw tent,

en u ontwortelen uit het land der levenden.

Selah.

52:8 De rechtvaardigen zullen zien en vrezen,

en zullen lachen om hem,

zeggende:

52:9 “Zie,

de man die Aloha niet tot zijn toevlucht kon maken;

maar vertrouwde in de overvloed van zijn rijkdommen

en krachtig was door zijn kwaad verlangen.”

52:10 Maar wat mijzelf betreft,

ik ben als een groene olijfboom in het huis van Aloha;

ik vertrouw in de liefdevolle vriendelijkheid van Aloha voor eeuwig en altijd.

52:11 Ik zal U dankzegging geven voor eeuwig,

omdat Gij het hebt gedaan,

en ik zal op Uw naam wachten,

want dit is goed,

in het bijzijn van Uw god-de-lijken.

Tehilim 53

53:1 Voor de koor leider;

volgens Mahalath.

Een Maskil van David.

53:2 De dwaas heeft gezegd in zijn hart,

“Er is geen Aloha,”

ze zijn verdorven,

en hebben gruwelijk onrecht begaan;

er is geen één die goed doet.

53:3 Aloha heeft naar beneden gekeken uit de hemel

op de zonen van de mensen

om te zien of er iemand verstandig is,

die zoekt naar Aloha.

53:4 Elk één van hen heeft afgeweken;

samen zijn ze verdorven geworden;

er is niemand die goed doet,

zelfs niet één.

53:5 Hebben de werkers van goddeloosheid dan geen kennis,

die Mijn volk opeten alsof ze brood aten

en Aloha niet hebben aanroepen?

53:6 Daar waren zij in grote angst waar geen angst was geweest;

want Aloha verstrooide de botten van hem die tegen u legerde;

u bracht ze tot schande,

want Aloha had hen verworpen.

53:7 Oh,

dat Israels zaligheid vanuit Zion komen zou!

wanneer Aloha zijn gevangen volk herstelt,

laat Jakob zich verheugen,

laat Israel verblijd zijn.

Tehilim 54

54:1 Voor de koor leider;

op besnaarde instrumenten.

Een Maskil van David,

54:2 toen de Zifieten kwamen en zeiden tot Saul,

“Verbergt David zich niet te-midden-van ons?”

54:3 Verlos mij,

O Aloha,

door Uw naam,

en rechtvaardigt mij door Uw macht.

54:4 Hoor mijn gebed,

O Aloha;

geef gehoor aan de woorden van mijn mond.

54:5 Want vreemden zijn opgestaan tegen mij

en gewelddadige mannen hebben mijn leven gezocht;

zij hebben Aloha niet vóór hen gesteld.

Selah.

54:6 Zie!

Aloha is mijn helper;

Maryah is de ondersteuner van mijn ziel.

54:7 Hij zal dit kwaad vergelden aan mijn tegenstanders;

richt hen ten gronde in Uw getrouwheid.

54:8 Gewillig zal ik tot u offeren;

ik zal dankzegging geven aan Uw naam,

O Maryah,

want dat is goed.

54:9 Want Hij heeft mij uit alle problemen verlost,

en mijn oog heeft met genoegdoening gezien op mijn tegenstanders.

Tehilim 55

55:1 Voor de koor leider;

op besnaarde instrumenten.

Een Maskil van David.

55:2 Geef gehoor aan mijn gebed,

O Aloha;

en verbergt uzelf niet voor mijn smeekbede.

55:3 Sla acht op mij

en hoor mij;

ik ben fel in mijn klacht

en ben ongetwijfeld razend,

55:4 vanwege de stem van de tegenstander,

vanwege de gespannenheid van de goddelozen;

want zij brengen problemen over mij heen

en in toorn baren zij wrok tegen mij.

55:5 Mijn hart is in zielsmart van-binnen-in mij,

en de verschrikkingen des doods zijn op mij neergedaald.

55:6 Vrees en beving overkomen mij,

en gruwel heeft me overweldigd.

55:7 Ik zei,

“Oh,

dat ik vleugels had als een duif!

ik zou weg vliegen

en in rust zijn.

55:8 Zie,

ik zou zwerven verre weg,

ik zou overnachten in de woestijn.

Selah.

55:9 Ik zou naar mijn plaats van toevlucht snellen

vanuit de onstuimige wind en hevige windstorm.”

55:10 Verwart,

O Maryah,

verdeel hun tongen,

want ik heb geweld en tweedracht in de stad gezien.

55:11 Dag en nacht gaan ze om haar heen op haar muren,

en ongerechtigheid en ellende is in haar midden.

55:12 Verderf is in haar midden;

afpersing en bedrog

wijkt niet van haar straten.

55:13 Want het is niet een vijand die mij bespot,

dan kon ik het dragen;

noch is het één die mij haat die zich tegen mij heeft verheven,

dan kon ik mezelf voor hem verbergen.

55:13 Maar jij bent het,

een mens mijn gelijke,

mijn metgezel en mijn vertrouwde vriend;

55:14 wij die tezamen lieflijk kameraadschap hadden

wandelden in het huis van Aloha

in de menigte.

55:15 Laat de dood bedrieglijk over hun komen;

laat hen levend naar Sheol afdalen,

want het kwaad is in hun woning,

in hun midden.

55:16 Wat mij betreft,

ik zal Aloha aanroepen,

en Maryah zal mij verlossen.

55:17 S’avonds en s’morgens en s’middags,

zal ik klagen en morren,

en Hij zal mijn stem horen.

55:18 Hij zal mijn ziel in vrede verlossen

van de strijd die tegen mij is,

want zij zijn velen die met mij ijveren.

55:19 Aloha zal horen en hen verhoren

zelfs degene die zit gezeten op de troon van-ouds-af

Selah.

Bij wie er geen verandering is,

en die Aloha niet vreest.

55:20 Hij heeft zijn handen uitgestoken

tegen degenen die in vrede met hem waren;

hij heeft zijn verbond geweld aangedaan.

55:21 Zijn toespraak was gladder dan boter,

maar zijn hart was oorlog;

zijn woorden waren zachter dan olie,

maar ze waren getrokken zwaarden.

55:22 Werpt uw last op Maryah

en Hij zal u ondersteunen;

Hij zal nooit toestaan dat de rechtvaardigen worden geschud.

55:23 Maar Gij,

O Aloha,

zult hen afwaarts brengen naartoe de put van verderf;

mannen van het bloedvergieten en misleiding

zullen hun dagen niet half uitleven.

Maar ik zal vertrouwen op U.

Tehilim 56

56:1 Voor de koor leider;

volgens Jonath elem rehokim.

Een Mikhtam van David,

toen de Filistijnen hem grepen in Gath.

56:2 Wees genadig aan mij,

O Aloha,

want de mens heeft mij vertrappeld;

strijdende de hele dag lang onderdrukte hij mij.

56:3 Mijn tegenstanders hebben mij vertrappeld

de gehele dag lang,

want menige zijn zij

die hoogmoedig tegen mij strijden.

56:4 Wanneer ik bevreesd ben,

zal ik al mijn vertrouwen op U stellen.

56:5 In Aloha,

wiens woord ik prijs,

in Aloha heb ik mijn vertrouwen gesteld;

ik zal niet bevreesd zijn.

Wat kan slechts een mens mij aandoen?

56:6 De hele dag lang vervormen ze mijn woorden;

al hun gedachten zijn tegen mij tot kwaad.

56:7 Ze vallen aan,

ze liggen op de loer,

ze volgen mijn stappen,

terwijl ze gewacht hebben om mijn leven te nemen.

56:8 Vanwege goddeloosheid,

werpt hen uit,

werpt de volken in toorn neder,

O Aloha!

56:9 Gij hebt de rekening gemaakt van mijn omzwervingen;

doe mijn tranen in Uw fles.

Zijn zij niet in Uw boek?

56:10 Vervolgens zullen mijn tegenstanders de rug keren,

op de dag wanneer ik roep;

dit weet ik,

dat Aloha voor mij is.

56:11 In Aloha,

wiens woord ik loof,

in Maryah,

wiens woord ik loof,

56:12 in Aloha heb ik mijn vertrouwen gesteld,

ik zal niet bevreesd zijn.

Wat kan de mens mij aandoen?

56:13 Uw geloften zijn bindend op mij,

O Aloha;

ik zal dankoffers aan U geven.

56:14 Want Gij hebt mijn ziel verlost van de dood,

mijn voeten van struikelen inderdaad,

zodat ik kan wandelen voor Aloha

in het licht van de levenden.

Tehilim 57

57:1 Voor de koor leider;

geschreven voor Al-tashheth.

Een Mikhtam van David,

toen hij vluchtte van Saul in de grot.

57:2 Wees genadig aan mij,

O Aloha,

wees genadig aan mij,

want mijn ziel neemt toevlucht in U;

en in de schaduw van Uw vleugels zal ik toevlucht nemen

tot de verwoesting voorbij is gegaan.

57:3 Ik zal roepen tot Aloha

de Meest Hoge,

tot Aloha die alle dingen aan mij volbrengt.

57:4 Hij zal zenden uit de hemel

en mij verlossen;

Hij berispt hem die op mij trappelt.

Selah.

Aloha zal voorwaarts zenden

Zijn liefdevolle vriendelijkheid

en Zijn waarheid.

57:5 Mijn ziel is te midden van de leeuwen;

ik moet liggen te midden van degenen die vuur uitademen,

gelijk de zonen der mensen,

wiens tanden spiesen en pijlen zijn

en hun tong een scherp zwaard.

57:6 Wees verheven boven de hemelen,

O Aloha,

laat Uw glorie uitgroeien boven gans de aarde.

57:7 Zij hebben een valnet bereid voor mijn stappen;

mijn ziel was neerwaarts gebogen;

zij groeven een put voor mij;

zijzelf zijn er-in-het-midden-ingevallen.

Selah.

57:8 Mijn hart is standvastig,

O Aloha,

mijn hart is standvastig;

ik zal zingen,

ja,

ik zal lofzingen!

57:8 Ontwaak,

mijn glorie!

ontwaak,

harp en lier!

ik zal de dageraad ontwaken.

57:9 Ik zal dankzegging aan U geven,

O Maryah,

onder de volkeren;

ik zal lof tot U zingen onder de naties.

57:10 Want Uw liefdevolle vriendelijkheid is geweldig groot tot aan de hemelen

en Uw waarheid tot aan de wolken.

57:11 Wees verheven boven de hemelen,

O Aloha;

laat Uw glorie over gans de aarde zijn.

Tehilim 58

58:1 Voor de koor leider;

ingesteld voor Al-tashheth.

Een Mikhtam van David.

58:2 Spreekt gij werkelijk gerechtigheid,

O goden?

oordeelt gij oprechte dingen,

O zonen der mensen?

58:3 Neen,

in uw hart werkt gij ongerechtigheid;

op aarde weegt gij het geweld van uw handen af.

58:4 De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder;

degenen die leugens spreken

gaan op een dwaalspoor

vanaf de geboorte.

58:5 Ze zijn vergif

zoals het gif van een serpent;

zoals een dove cobra

die haar oren toestopt,

58:6 zodat ze de stem van de verlokker niet hoort,

of een ervaren toverspreuken strooier.

58:7 O Aloha,

verbrijzel hun tanden in hun mond;

breek de tanden af van de jonge leeuwen,

O Maryah.

58:8 Laat hen weg vlieden als water dat wegloopt;

wanneer hij zijn pijlen richt,

laat hen zijn als koploze pijlen.

58:9 Laat hen zijn als een slak

die wegsmelt als ze heengaat,

zoals de miskramen van een vrouw

welke nooit de zon zien.

58:10 Voordat uw potten het vuur van doornen kunnen voelen

zal Hij hun wegvegen met een wervelwind,

het groene en het brandende op dezelfde wijze.

58:11 De rechtvaardige zal zich verheugen als hij de wraak ziet;

hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddelozen.

58:12 En de mens zal zeggen,

“Ongetwijfeld is er een beloning voor de rechtvaardige;

ongetwijfeld is er een Aloha die op aarde recht spreekt!”

Tehilim 59

59:1 Voor de koor leider;

ingesteld voor Al-tashheth.

Een Mikhtam van David,

toen Saul mannen zond en zij het huis beloerden om hem te doden.

59:2 Verlos mij van mijn vijanden,

O mijn Aloha;

stel me veilig op hoogten

weg van degenen die tegen mij opstaan.

59:3 Verlos mij van degenen die ongerechtigheid doen

en redt mij van de mannen van bloedvergieten.

59:4 Want zie!

zij hebben een hinderlaag gesteld voor mijn leven;

woeste mannen lanceren een aanval tegen mij,

niet voor mijn overtreding noch voor mijn zonde,

O Maryah,

59:5 voor geen misdaad van mij,

rennen ze en richten zich tegen mij.

Ontwaak Uzelf om mij te helpen,

en zie!

59:6 Gij,

O Maryah Aloha der heerscharen,

Aloha van Israël,

wordt wakker om al de naties te bestraffen;

wees niet genadig aan wie dan ook die trouweloos in ongerechtigheid is.

Selah.

59:7 Ze keren terug tegen de avond,

ze huilen als honden,

en gaan rondom de stad.

59:8 Zie!

ze braken uit met hun mond;

zwaarden zijn op hun lippen,

want ze zeggen,

“Wie hoort het?”

59:9 Maar Gij,

O Maryah,

lacht om hen;

Gij drijft de spot met alle naties.

59:10 Vanwege zijne sterkte

zal ik op U wachten,

want Aloha is mijn verschansing.

59:11 Mijn Aloha zal mij in zijn liefdevolle vriendelijkheid ontmoeten;

Aloha zal mij triomfantelijk op mijn vijanden laten zien.

59:12 Dood hen niet,

of mijn volk zal vergeten:

verstrooi hen door Uw macht,

en haal hen neder,

O Maryah,

ons schild.

59:13 Vanwege de zonde van hun mond

en de woorden van hun lippen,

laat hen gelijk worden gevangen in hun hoogmoed,

en vanwege vloeken

en leugens die zij uiten.

59:14 Verwoest hen in toorn,

verwoest hen dat zij niet meer kunnen zijn;

zodat de mens moge weten

dat Aloha heerst in Jakob

tot de uiteinden der aarde.

Selah.

59:15 Ze keren terug tegen de avond,

ze huilen als een hond,

en gaan rondom de stad.

59:16 Ze dwalen rond voor voedsel

en snauwen als ze niet voldaan zijn.

59:17 Maar wat mij betreft,

ik zal zingen van Uw sterkte;

ja,

ik zal in de ochtend vreugdevol zingen van Uw liefdevolle vriendelijkheid,

want Gij zijt mijn bolwerk geweest

en een toevluchtsoord op de dag van mijn ellende.

59:18 O mijn Sterkte,

ik zal lof-zingen tot U;

want Aloha is mijn bolwerk,

de Aloha die mij liefdevolle vriendelijkheid betoonde.

Tehilim 60

60:1 Voor de koor leider;

volgens Shushan Eduth.

Een Mikhtam van David,

om te onderwijzen;

60:2 toen hij worstelde met Aram-naharaim

en met Aram-Zobah,

en Joab terugkeerde,

en twaalf duizend versloeg van Edom in de vallei van Zout.

60:3 O Aloha,

Gij hebt ons verworpen.

Gij hebt ons gebroken;

Gij zijt ontstoken geweest;

O herstel ons nu.

60:4 Gij hebt het land doen beven,

Gij hebt het opengespleten;

genees haar bressen,

want ze wankelt.

60:5 Gij hebt Uw volk ontbering doen ervaren;

gij hebt ons wijn te drinken gegeven

die ons doet waggelen.

60:6 Gij hebt een banier gegeven aan degenen die ontzag hebben voor U ,

dat hij mag getoond worden vanwege de waarheid.

Selah.

60:7 Opdat Uw geliefden mogen bevrijd worden,

red door Uw rechterhand,

en antwoord ons!

60:8 Aloha heeft in Zijn heiligheid gesproken:

“Ik zal jubelen,

ik zal Shechem verdelen

en de vallei van Sukkoth afmeten.

60:9 Gilead is de mijne,

en Manasseh is de mijne;

voorts,

Ephraim is de helm van Mijn hoofd;

Judah is Mijn scepter.

60:10 Moab is Mijn waskom;

over Edom gooi Ik Mijn schoen;

roep het uit,

O Philistia,

vanwege Mij !”

60:11 Wie zal mij brengen

in de belegerde stad?

Wie zal mij leiden naar Edom?

60:12 Hebt Gij niet zelf,

O Aloha,

ons verworpen?

En zult Gij niet uitgaan met onze heerscharen,

O Aloha?

60:13 O geef ons hulp tegen de tegenstander,

want bevrijding door mensen is tevergeefs.

60:14 Door Aloha zullen we dapper doen,

en Hij is het die onze tegenstanders zal vertrappen.

Tehilim 61

61:1 Voor de koor leider;

op een besnaard instrument.

Een psalm van David.

61:2 Hoor mijn geschrei,

O Aloha;

sla acht op mijn gebed.

61:3 Van het einde der aarde roep ik tot U

wanneer mijn hart verzwakt is;

leid mij naar de rotssteen die hoger is dan mij.

61:4 Want Gij zijt een toevlucht voor mij geweest,

een toren van sterkte tegen de vijand.

61:5 Laat mij wonen

in Uw tent voor eeuwig;

laat mij toevlucht nemen

in de beschutting van Uw vleugels.

Selah.

61:6 Want Gij hebt mijn geloften gehoord,

O Aloha;

Gij hebt mij de erfenis gegeven

voor degenen die Uw naam vrezen.

61:7 Gij zult des koning’s leven verlengen;

zijn jaren zullen zijn als talrijke geslachten.

61:8 Hij zal voor eeuwig in tegenwoordigheid van Aloha verblijven ;

bestem liefdevolle vriendelijkheid en waarheid

opdat ze hem mogen behoeden.

61:9 Zo zal ik lof zingen tot Uw naam voor eeuwig,

opdat ik mijn geloften moge betalen

dag op dag.

Tehilim 62

62:1 Voor de koor leider;

volgens Jeduthun.

Een psalm van David.

62:2 Mijn ziel wacht in stilte

op Aloha alleen;

van Hem is mijn heil.

62:3 Hij alleen is mijn rotssteen en mijn heil,

mijn sterke burcht;

ik zal niet sterk worden geschud.

62:4 Hoe lang zullen jullie een man bestormen,

zodat gij hem kunt vermoorden,

allen van u,

als een scheve muur,

als een wankelend hekken?

62:5 Ze hebben enkel beraadslaagd

om hem neer te werpen van zijn hoge positie;

ze verheugen zich in leugen;

ze zegenen met hun mond,

maar innerlijk vervloeken ze.

Selah.

62:6 Mijn ziel,

wacht in stilte op Aloha alleen,

want mijn hoop is van Hem.

62:7 Hij alleen is mijn rotssteen en mijn heil,

mijn sterke burcht;

ik zal niet worden geschud.

62:8 In Aloha rust mijn heil en mijn heerlijkheid;

de rotssteen van mijn sterkte,

mijn toevlucht is in Aloha.

62:9 Vertrouw in Hem ten alle tijde,

O volk;

stort uw hart uit voor Hem;

Aloha is een toevlucht voor ons.

Selah.

62:10 Mannen van lage klasse zijn slechts ijdelheid

en mannen van hoge stand zijn een leugen;

in de weegschalen gaan ze omhoog;

ze zijn tezamen lichter dan adem.

62:11 Vertrouw niet op onderdrukking

en verwacht niet pronkzuchtig uit roverij,

als rijkdom toeneemt,

stel uw hart niet op haar.

62:12 Eenmaal heeft Aloha gesproken;

tweemaal heb ik dit gehoord:

dat kracht aan Aloha behoort;

62:13 En liefdevolle vriendelijkheid is de Uwe,

O Maryah,

want Gij compenseert een mens naar zijn werken.

Tehilim 63

63:1 Een psalm van David,

toen hij in de woestijn van Judah was.

63:2 O Aloha,

Gij zijt mijn Aloha;

ik zal U ernstig zoeken;

mijn ziel dorst naar U,

mijn vlees hunkert naar U,

in een droog en afgemat land

waar er geen water is.

63:3 Zo heb ik U in het heiligdom gezien,

om Uw kracht en Uw heerlijkheid te zien.

63:4 Omdat Uw liefdevolle vriendelijkheid beter is dan leven,

mijn lippen zullen U loven.

63:5 Zo zal ik U zegenen zolang als ik leef;

ik zal mijn handen opheffen in Uw naam.

63:6 Mijn ziel is als met merg en vetheid voldaan,

en mijn mond offert lof-prijs

met vrolijke lippen.

63:7 Wanneer ik U gedenk op mijn ligbed,

denk ik over U na in de nachtwaken,

63:8 Want Gij zijt mijn hulp geweest,

en in de schaduw van Uw vleugels

zing ik van vreugde.

63:9 Mijn ziel kleeft U aan;

Uw rechter hand verdedigt mij.

63:10 Maar degenen die mijn leven zoeken om het te verwoesten,

zullen tot in de diepten van de aarde gaan.

63:11 Ze zullen worden overgeleverd aan de kracht van het zwaard;

ze zullen een prooi zijn voor de vossen.

63:12 Maar de koning zal zich verheugen in Aloha;

iedereen die bij Hem zweert zal roemen,

want de monden van degenen die leugens spreken

zullen worden gestopt.

Tehilim 64

64:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

64:2 Hoort mijn stem,

O Aloha,

in mijn beklag;

behoed mijn leven voor de schrik van de vijand.

64:3 Verschuil mij voor de geheime raad van kwaaddoeners,

voor het tumult van degenen die ongerechtigheid doen,

64:4 die hun tong hebben verscherpt als een zwaard.

Ze richten bittere toespraak,

64:5 om te schieten

vanuit de verborgenheid naar de onberispelijke;

plotseling schieten ze naar hem en vrezen niet.

64:6 Ze houden zich vast aan een kwaad doel;

ze spreken over

‘strikken leggen in het geheim’;

ze zeggen,

” Wie kan ze zien?”

64:7 Ze bedenken onrecht,

zeggende,

“We zijn klaar met een goed doordacht complot”;

want de innerlijke gedachte en het hart van een mens zijn diep.

64:8 Maar Aloha zal naar hen schieten met een pijl;

plotseling,

ze zullen verwond worden.

64:9 Zo zullen ze hem doen struikelen;

hun eigen tong is tegen hen;

eenieder die hen ziet zal het hoofd schudden.

64:10 Vervolgens zullen alle mensen vrezen,

en zij zullen het werk van Aloha bekendmaken,

en zullen overwegen wat Hij heeft gedaan.

64:11 De rechtvaardige man zal verheugd zijn in Maryah

en zal in Hem toevlucht nemen;

en al de oprechten van hart zullen eer-betonen.

Tehilim 65

65:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

Een lied.

65:2 Er zal stilte zijn voor U,

en lof-prijs in Zion,

O Aloha,

en aan U zal de gelofte worden uitgevoerd.

65:3 O Gij die gebed hoort,

tot U komen alle mensen.

65:4 Ongerechtigheden overheersten tegen mij;

wat betreft onze overtredingen,

Gij vergeeft hen.

65:5 Hoe gezegend is degene die Gij verkiest

en dichtbij U brengt

om in Uw hoven te wonen.

we zullen voldaan zijn met de goedheid van Uw huis,

Uw heilige tempel.

65:6 Door ontzagwekkende daden

antwoord Gij ons in gerechtigheid,

O Aloha van onze redding,

Gij die het vertrouwen zijt van alle einden der aarde

en van de verste zee;

65:7 die de bergen vestigt door Zijn kracht,

omgordt zijnde met macht;

65:8 die het geraas van de zeeën kalmeert,

het geraas van hun golven,

en het tumult van de volkeren.

65:9 Zij die wonen in de einden van de aarde

staan in ontzag voor Uw tekenen;

Gij doet de zonsopgang en de zonsondergang van vreugde juichen.

65:10 Gij bezoekt de aarde en maakt haar overvloed;

Gij maakt ze zeer vruchtbaar;

de stroom van Aloha is vol met water;

Gij bereidt hun graan,

want alzo maakt Gij de aarde klaar.

65:11 Gij geeft haar groeven overvloedig water,

Gij doet haar bergkammen tot rust komen,

Gij verzacht het met stortregens,

Gij zegent haar groei.

65:12 Gij hebt het jaar van Uw gave gekroond,

en Uw wegen druipen van vetheid.

65:13 De graslanden van de woestenij druipen,

en de heuvels omgorden zich met vreugdebetoon.

65:14 De weilanden zijn bekleed met kudden

en de valleien zijn bedekt met graan;

zij juichen van vreugde,

ja,

zij zingen.

Tehilim 66

66:1 Voor de koor leider.

Een lied.

Een psalm.

Juich vreugdevol tot Aloha,

gans de aarde;

66:2 bezing de heerlijkheid van Zijn naam;

maak zijn heerlijke lofprijzing.

66:3 Zeg tot Aloha,

“Hoe ontzagwekkend zijn Uw werken!

vanwege de grootheid van Uw sterkte

zullen Uw vijanden geveinsde gehoorzaamheid aan U geven.

66:4 Gans de aarde zal U aanbidden,

en zal lofprijzing-zingen tot U;

zij zullen lofprijzing-zingen tot Uw naam.”

Selah.

66:5 Kom en zie de werken van Aloha,

wie ontzagwekkend is in Zijn daden naar de zonen der mensen.

66:6 Hij veranderde de zee in droog land;

ze gingen te voet doorheen de stroming;

laat ons daar aan Hem vreugde betonen!

66:7 Hij regeert door Zijn macht voor altijd en eeuwig;

Zijn ogen houden toezicht op de naties;

laat de oproerstokers zichzelf niet verheerlijken.

Selah.

66:8 Zegen onze Aloha,

O volken,

en laat Zijn lof buitenslands klinken,

66:9 Die ons in leven houdt

en onze voet niet toelaat om uit te glijden.

66:10 Want Gij hebt ons beproefd,

O Aloha;

Gij hebt ons gezuiverd zoals zilver wordt gezuiverd.

66:11 Gij bracht ons in het net;

Gij legde een drukkende last op onze lendenen.

66:12 Gij deed mensen boven onze hoofden draaien;

we gingen door vuur en door water,

toch bracht U ons uit tot in een plaats van overvloed.

66:13 Ik zal tot in Uw huis komen met brandoffers;

ik zal U mijn geloften voldoen,

66:14 die mijn lippen hebben geuit

en mijn mond heeft gesproken

toen ik in ellende was.

66:15 Ik zal tot U brandoffers offeren van vette beesten,

met de rook van rammen;

ik zal een offering maken van stieren

met mannelijke geiten.

Selah.

66:16 Kom en hoort,

allen die Aloha vrezen,

en ik zal vertellen van wat Hij heeft gedaan voor mijn ziel.

66:17 IK riep tot Hem met mijn mond,

en Hij werd geprezen door mijn tong.

66:18 Indien ik goddeloosheid aanschouwde in mijn hart,

Maryah zou niet horen;

66:19 maar Aloha heeft wel-degelijk gehoord;

Hij heeft aandacht gegeven aan de stem van mijn gebed.

66:20 Gezegend is Aloha,

die mijn gebed niet heeft afgewend

noch Zijn liefdevolle vriendelijkheid van mij.

Einde deel 1 psalmen 1 tot 66.



Ketava d’Yob

Job Posted on Wed, September 19, 2018 12:33:29

© 2004 Goethals Jean-Paul.

Aramaic Tanakh.

Ketava d’Yob

Boek Job.

1:1-22

1:1 Er was een man in het land van Uz wiens naam Job was, en die man was onberispelijk, oprecht, vrezende Aloha, en wegdraaiende van kwaad.

1:2 Zeven zonen en drie dochters werden aan hem geboren.

1:3 Bovendien, zijn bezittingen waren; 7000 schapen, 3000 kamelen, 500 jukken van ossen, en zeer veel dienaars; en die man was de grootste van alle mannen van het Oosten.

1:4 Zijn zonen waren gewoon om te gaan en een feest te houden in het huis van elkeen op zijn dag, en zij zouden zenden en hun drie zusters nodigen om te eten en drinken met hen.

1:5 Wanneer de dagen van feesten hun cyclus hadden voltooid, Job zou zenden en hen zegenen, opstaande vroeg in de morgen en brandoffers offerende naar het aantal van hen allen; want Job zei,”Misschien hebben mijn zonen gezondigd en Aloha vervloekt in hun harten.” Zo deed Job voortdurend.

1:6 Nu, er was een dag en daarop kwamen de zonen van Aloha om zichzelf te presenteren voor Maryah, en ook satan kwam, te-midden-van hen.

1:7 Maryah zei tot satan,”Vanwaar komt gij?”Vervolgens, satan antwoordde Maryah en zei,”van het rondzwerven op de aarde en het rondwandelen op haar.”

1:8 Maryah zei tot satan,”Hebt gij acht geslagen op mijn dienaar Job? Want er is niet één zoals hij op de aarde, een onberispelijk en oprecht man, vrezende Aloha en wegdraaiende van kwaad.”

1:9 Vervolgens, satan antwoordde Maryah,”Vreest Job Aloha voor niets?

1:10 Hebt gij niet een heg omheen hem gemaakt en zijn huis en alles wat hij heeft, aan alle kanten? Gij hebt het werk van zijn handen gezegend, en zijn bezittingen zijn toegenomen in het land.

1:11 Maar strek uw hand nu uit en raak alles aan dat hij heeft; hij zal u zeker vervloeken in uw aangezicht.”

1:12 Vervolgens, Maryah zei tot satan,”Zie! alles wat hij heeft is in uw macht, alleen, strek uw hand niet uit over hem.” Dus, satan vertrok uit de tegenwoordigheid van Maryah.

1:13 Nu, op de dag wanneer zijn zonen en dochters aten en wijn dronken in hun oudste broer’s huis,

1:14 kwam een boodschapper tot Job en zei,”De ossen waren ploegende en de ezels graasden naast hen,

1:15 en de Sabeans vielen aan en namen ze mee. Zij doodden ook de dienaars met de rand van het zwaard, en ik alleen ben ontsnapt om het u te vertellen.”

1:16 Terwijl hij nog steeds aan het spreken was, kwam er ook een ander en zei,”Het vuur van Aloha viel vanuit de hemel en brandde de schapen en de dienaars op en verteerde hen, en ik alleen ben ontsnapt om het u te vertellen.”1:17 Terwijl hij nog steeds sprak, een ander kwam en zei,”De Chaldeans vormden drie bendes en maakte een aanval op de kamelen en namen hen mee en doodden de dienaars met de rand van het zwaard, en ik alleen ben ontsnapt om het u te vertellen.”

1:18 Terwijl hij nog steeds sprak, kwam er ook een ander en zei,”Uw zonen en uw dochters aten en dronken wijn in hun oudste broer’s huis,

1:19 en zie! een geweldige wind kwam uit de woestijn en sloeg de vier hoeken van het huis, en het viel op de jonge mensen en zij stierven, en ik alleen ben ontsnapt om het u te vertellen.”

1:20 Vervolgens, Job stond op, scheurde zijn kleed en schoor zijn hoofd, en hij viel op de grond en aanbad.

1:21 Hij zei,”Naakt kwam ik uit de moeder’s schoot, en naakt zal ik er terugkeren. Maryah gaf en Maryah heeft weggenomen. Gezegend is de naam van Maryah.”

1:22 Doorheen dit alles heeft Job niet gezondigd evenmin gaf hij Aloha de schuld.

2:1-13

2:1 En weer was er een dag waarop de zonen van Aloha kwamen om zichzelf te presenteren voor Maryah, en satan kwam ook, te-midden-van hen, om zichzelf te presenteren voor Maryah.

2:2 Maryah zei tot satan,”Waar zijt gij vandaan gekomen?” Vervolgens, satan antwoordde Maryah en zei,”Van het rondzwerven op de aarde en het rondwandelen op haar.”

2:3 Maryah zei tot satan,”Hebt gij acht geslagen op mijn dienaar Job? Want er is niet één zoals hij op de aarde, een onberispelijk en oprecht man, vrezende Aloha en wegdraaiende van kwaad.” En hij houd nog steeds zijn integriteit vast; alhoewel gij mij hebt opgehitst tegen hem, om hem ten gronde te richten zonder reden.”

2:4 Satan antwoordde en zei,”Huid om huid! ja, alles wat een man heeft zal hij geven voor zijn leven.

2:5 Echter, steek nu uw hand uit, en raak zijn bot en zijn vlees aan; hij zal u vervloeken in uw aangezicht.”

2:6 Dus, Maryah zei tot satan,”Zie! hij is in uw macht, alleen, spaar zijn leven.”

2:7 Vervolgens, satan ging uit van de tegenwoordigheid van Maryah en sloeg Job met pijnlijke zweren van de zool van zijn voet tot de kruin van zijn hoofd.

2:8 En hij nam een potscherf om zichzelf te schrapen terwijl hij te-midden-van de as zat.

2:9 Vervolgens, zijn vrouw zei tot hem,”Houd gij nog steeds vast aan uw integriteit ? Vervloek Aloha en sterf!”

2:10 Doch, hij zei tot haar,”Gij spreekt zoals één van de dwaze vrouwen spreekt. Zullen we immers het goede van Aloha accepteren en tegenspoed niet accepteren?” In dit alles, Job zondigde niet met zijn lippen.

2:11 Nu, wanneer Job’s drie vrienden hoorden van al deze tegenspoed die over hem was gekomen, zij kwamen elk van zijn eigen plaats, Eliphaz de Temanite, Bildad de Shuhite en Zophar de Naamathite; en zij maakten samen een afspraak om te komen om te sympathiseren met hem en om hem te troosten.

2:12 Wanneer zij hun ogen van op een afstandje ophieven en hem niet herkenden, verhieven zij hun stemmen en schreiden. En elkeen van hen scheurde zijn gewaad en zij gooiden stof over hun hoofden naar de hemel.

2:13 Daarna, zij zaten neer op de grond met hem gedurende zeven dagen en zeven nachten en niet één sprak een woord tot hem, want zij zagen dat zijn pijn zeer groot was.

3:1-26

3:1 Daarna, Job opende zijn mond en vervloekte de dag van zijn geboorte.

3:2 En job zei,

3:3 “Laat de dag ten ondergaan op welke ik was om geboren te worden, en de nacht die zei,’Een knaap is ontvangen.’

3:4 Moge die dag duisternis zijn; laat Aloha van-hier-boven voor hem geen zorg dragen, noch daarop licht schijnen.

3:5 Laat duisternis en zwarte somberheid hem opeisen; laat een wolk op hem neerstrijken; laat de zwartheid van de dag hem molesteren.

3:6 Wat betreft die nacht, laat de duisternis hem grijpen; laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar; laat hij niet komen in het getal van de maanden.

3:7 Zie! laat die nacht onvruchtbaar zijn; laat geen vreugdevolle gejuich hem ingaan.

3:8 Laat diegenen hem vervloeken die de dag vervloeken, die bereid zijn om die Leviathan te wekken.

3:9 Laat de sterren van zijn avondschemering worden verduisterd; laat hij wachten op licht maar er geen hebben, en laat hij de brekende dageraad niet zien;

3:10 Omdat hij de opening van mijn moeders schoot niet sloot, noch de moeiten van mijn ogen verborg.

3:11 Waarom stierf ik niet bij de geboorte, voort komende uit de schoot en de laatste adem uitgeblazen?

3:12 Waarom hebben de knieën mij ontvangen, en waarom de borsten, opdat ik zou zuigen?

3:13 Want ik zou nu hebben neergelegen en stil zijn geweest; ik zou dan hebben geslapen, ik zou in rust zijn geweest,

3:14 met koningen en adviseurs van de aarde, die bouwvallen herbouwen voor zichzelf;

3:15 of met prinsen die goud hadden, die hun huizen vullende waren met zilver.

3:16 Of als een miskraam die is verwijderd, zou ik niet worden, als zuigelingen die nooit het licht zagen.

3:17 Daar stoppen de goddelozen van woede, en daar zijn de vermoeiden in rust.

3:18 De gevangenen zijn op hun gemak, samen; ze horen de stem niet van de karwei-meester.

3:19 De kleine en de grote zijn daar, en de slaaf is vrij van zijn meester.

3:20 Waarom is licht gegeven aan hem die lijdt, en leven aan de bittere van ziel,

3:21 die verlangen naar de dood, maar er is geen, en ernaar graven meer dan naar verborgen schatten,

3:22 Wie zeer verheugen, en juichen wanneer zij het graf vinden?

3:23 Waarom is licht gegeven aan een man wiens weg is verborgen, en welke Aloha toegedekt heeft?

3:24 Want mijn gekerm komt voor het aanblik van mijn voedsel, en mijn geschreischel stort uit als water.

3:25 Want wat ik vrees komt op mij, en wat ik ducht overkomt mij.

3:26 Ik ben niet op mijn gemak, noch ben ik stil, en ik ben niet in rust, maar kwellingen komen.”

4:1-21

4:1 Vervolgens, Eliphaz de Temanite antwoordde,

4:2 “Indien één een woord aandurft met u, zult gij ongeduldig worden? Maar wie kan zich inhouden om te spreken?

4:3 Zie! Gij hebt velen aangespoord, en krachteloze handen hebt gij versterkt.

4:4 Uw woorden hebben de waggelende geholpen om te staan, en gij hebt krachteloze knieën versterkt.

4:5 Maar nu, het is tot u gekomen, en gij zijt ongeduldig; het raakt je, en gij zijt ontsteld.

4:6 Is uw ontzag voor Aloha niet uw vertrouwen, en is de integriteit van uw wegen niet uw hoop?

4:7 Onthoud nu, wie gaat ooit ten onder onschuldig zijnde? of waar zijn de oprechten vernietigd?

4:8 Volgens wat ik heb gezien, zij die ongerechtigheid ploegen en zij die moeite zaaien, oogsten het.

4:9 Door de adem van Aloha komen zij om, en door de explosie van zijn toorn komen zij tot een einde.

4:10 Het gebrul van de leeuw, en de stem van de woeste leeuw, en de tanden van de jonge leeuwen worden verbroken.

4:11 De leeuw komt om bij gebrek aan prooi, en de welpen van de leeuwin worden verstrooid.

4:12 Nu, een woord is tot mij gebracht, heimelijk, en mijn oor ontving een fluistering daarvan.

4:13 Te-midden van verontrustende gedachten van de visioenen van de nacht, wanneer de diepe slaap op mensen valt,

4:14 en schrik kwam over mij, en rillingen, en het deed al mijn botten schudden.

4:15 Daarna, een geest passeerde voorbij mijn aangezicht; het haar op mijn vlees ging overeind staan.

4:16 Het stond stil, maar ik kon zijn verschijning niet onderscheiden; een gestalte was voor mijn ogen; er was stilte, toen hoorde ik een stem:

4:17 ‘Kan de mensheid rechtvaardig zijn voor Aloha? Kan een mens rein zijn voor zijn Schepper?

4:18 Hij stelt zelfs geen vertrouwen in zijn dienaren; en tegen zijn engelen rekent hij fouten aan.

4:19 Hoeveel meer degenen die in huizen van leem wonen, wiens fundament in het stof is, die worden verpletterd voor de mot!

4:20 Tussen de morgen en de avond worden ze in stukken gebroken; onopgemerkt, komen zij voor eeuwig om.

4:21 Is hun tent-snoer niet opgetrokken binnen hen? Zij sterven, doch zonder wijsheid.’

5:1-27

5:1 ” Roep nu, is er iemand die u zal antwoordden? En tot welke van de heiligen zult gij wenden?

5:2 Want boosheid doodt de dwaze man, en jaloersheid doodt de eenvoudige.

5:3 Ik heb den dwazen wortel zien schieten, en ik vervloek zijn verblijf onmiddellijk.

5:4 Zijn zonen zijn verre van zekerheid, zij zijn zelfs onderdrukt in de poort, en er is geen verlosser.

5:5 Zijn oogst verslind de hongerige en brengt het naar een plaats van doornen, en de intrigant staat te popelen om hun rijkdom.

5:6 Want droefenis komt niet uit het stof, ook moeite spruit niet uit de grond,

5:7 Want de mens is geboren voor moeite, zoals vonken opwaarts vliegen.

5.8 Maar wat mij betreft, zou ik Aloha zoeken, en ik zou mijn zaak voor Aloha plaatsen.

5:9 Die grote en ondoorgrondelijke dingen doet, wonderen zonder tellen.

5:10 Hij geeft regen op de aarde en zend water op de velden,

5:11 Zodat hij op het hoge stelt hun die nederig zijn, en zij die rouwen worden opgeheven tot zekerheid.

5:12 Hij frustreert het samenzweren van de sluwe, zodat hun handen geen succes kunnen bereiken.

5:13 Hij vangt de wijzen door hun eigen geslepenheid, en het advies van de sluwe wordt vlug gedwarsboomd.

5:14 Overdag ontmoeten zij met de duisternis, en betasten op de middag zoals in de nacht.

5:15 Maar hij red van het zwaard van hun mond, en de arme uit de hand van de machtige.

5:16 Dus de hulpeloze heeft hoop, en de ongerechtigheid moet haar mond dichtdoen.

5:17 Zie! hoe gelukkig is de mens aan wie Aloha terechtwijst, dus veracht de discipline van de Almachtige niet.

5:18 Want hij brengt pijn toe, en geeft verlichting; hij kwetst, en ook helen zijn handen.

5:19 Uit zes kwellingen zal hij u verlossen, zelfs in de zevende zal het kwaad u niet aanraken.

5:20 In de hongersnood zal hij u verlossen van de dood; en in de oorlog, van de kracht van het zwaard.

5:21 Gij zult worden verborgen tegen de plaag van de tong, en gij zult niet bang zijn voor geweld wanneer het komt.

5:22 Gij zult lachen om geweld en hongersnood, en gij zult niet bang zijn van wilde beesten.

5:23 Want gij zult in verbond zijn met de stenen van het veld, en de beesten van het veld zullen in vrede zijn met u.

5:24 Gij zult weten dat uw tent veilig is, want gij zult uw woonplaats opzoeken en geen verlies vrezen.

5:25 Ook zult gij weten dat uw nakomelingen velen zullen zijn, en uw zaad als het gras van de aarde.

5:26 Gij zult naar het graf komen in volle kracht, zoals de opstapeling van graan in zijn seizoen.

5:27 Zie dit! Wij hebben het onderzocht, en zo is het. Hoor het, en weet voor jezelf.”

6:1-30

6:1 Daarna, Job antwoordde,

6:2 “Oh dat mijn verdriet werkelijk werd gewogen en in de weegschaal gelegd samen met mijn ellende!

6:3 Want dan zou het zwaarder zijn dan het zand van de zeeën; daarom zijn mijn woorden overhaast geweest.

6:4 Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij, hun gif mijn geest drinkende; de verschrikkingen van Aloha geschaard tegen mij.

6:5 Balkt de verwilderde ezel over zijn gras, of loeit de os over zijn voeder?

6:6 Kan iets smakeloos zonder zout worden gegeten, of is er enige smaak in het wit van een ei?

6:7 Mijn ziel weigert hen aan te raken; ze zijn als walgelijk voedsel aan mij.

6:8 Oh dat mijn verzoek zou mogen komen te geschieden, en dat Aloha mijn verlangen zou verlenen!

6:9 K’wenste dat Aloha bereid was om mij te verpletteren, dat hij zijn hand zou lossen en mij afsneed!

6:10 Maar het is nog steeds mijn vertroosting, en ik verheug in royale pijn, dat ik de woorden van de Heilige Ene niet heb ontkend.

6:11 Wat is mijn kracht, dat ik moet wachten? En wat is mijn einde, dat ik moet verduren?

6:12 Is mijn kracht de kracht van stenen, of is mijn vlees brons?

6:13 Is het dat mijn hulp niet in mij is, en dat verlossing uit mij is gedreven?

6:14 Voor de wanhopige man moet er vriendelijkheid zijn van zijn vriend; zodat hij het ontzag van de Almachtige niet verlaat.

6:15 Mijn broeders hebben huichelachtig gehandeld zoals een wadi (rivierdal), gelijk de stroom van Wadi’s die verdwijnen,

6:16 welke drabbig zijn, vanwege het ijs, en waarin de sneeuw wegsmelt.

6:17 Wanneer ze waterloos worden, zijn ze stil, wanneer het heet is, verdwijnen ze van hun plaats.

6:18 De paden van hun loop kronkelen vooruit, zij gaan op tot in het niets en vergaan.

6:19 De karavanen van Tema zagen, de reizigers van Sheba hoopten op hen.

6:20 Ze waren teleurgesteld want zij hadden vertrouwd, ze kwamen daar en werden beschaamd.

6:21 Inderdaad, gij zijt mij nu zulk-een geworden, gij ziet een verschrikking en zijt bang.

6:22 Heb ik gezegd,’Geef mij iets,’ of, ‘Biedt mij een omkoopsom van uw vermogen,

6:23 of,’Verlos mij vanuit de hand van de tegenstander,’ of,’Bevrijd mij vanuit de hand van de tirannen?

6:24 Onderwijs mij, en ik zal stil zijn; en toon mij hoe ik heb gedwaald.

6:25 Hoe pijnlijk zijn eerlijke woorden! maar wat bewijst uw betoog?

6:26 Denkt u mijn woorden te berispen, wanneer de woorden van één in wanhoop aan de wind behoren?

6:27 U zou zelfs loten werpen naar de weeskinderen en gij ruilhandelt over uw vriend.

6:28 Nu, alsjeblieft, kijk naar mij, en zie of ik lieg in uw aangezicht.

6:29 Ziet nu af, laat er geen onrecht zijn; zelfs, ziet af, mijn gerechtigheid is nog daarin.

6:30 Is er onrechtvaardigheid op mijn tong? Kan mijn gehemelte geen ellendes onderscheiden?

7:1-21

7:1 Is een mens niet gedwongen om te arbeiden op aarde, en zijn zijn dagen niet gelijk de

dagen van een gehuurde mens?

7:2 Als een slaaf die hijgt voor de schaduw, en als een gehuurde mens die gretig wacht op zijn loon,

7:3 Zo ben ik maanden van ijdelheid toegewezen, en nachten van moeite’s zijn mij benoemd.

7:4 Wanneer ik neerlig zeg ik,” Wanneer zal ik opstaan?’ maar de nacht gaat voort, en ik ben voortdurend aan het woelen en draaien tot het ochtendgloren.

7:5 Mijn vlees is bekleed met wormen en een korst van vuil, mijn huid is verhard en ettert.

7:6 Mijn dagen zijn sneller dan een wevers schietspoel, en komen tot een einde zonder hoop.

7:7 Vergeet niet dat mijn leven maar adem is; mijn oog zal niet opnieuw goed zien.

7:8 Het oog van hem die mij nu ziet zal mij niet langer aanschouwen; uw ogen zullen op mij zijn, maar ik zal niet meer zijn.

7:9 Wanneer een wolk verdwijnt, is ze weggegaan, dus hij die neergaat naar Sheol zal niet weder omhoog komen.

7:10 Hij zal niet weer terugkeren naar zijn huis, ook zal zijn plaats hem niet meer kennen.

7:11 Daarom zal ik mijn mond niet bedwingen; ik zal spreken in de benauwdheid van mijn geest, ik zal klagen in de bitterheid van mijn ziel.

7:12 Ben ik de zee, of het zeemonster, dat gij een bewaker over mij aanstelt?

7:13 Als ik zeg,’Mijn bed zal mij vertroosten, mijn bank zal mijn klacht verlichten,’

7:14 vervolgens maakt gij mij bang met dromen en verschrikt mij door visioenen;

7:15 zodat mijn ziel de verstikking zou verkiezen, de dood eerder dan mijn pijnen.

7:16 Ik gooi het weg; ik zal niet voor eeuwig leven. Laat me met rust, want mijn dagen zijn maar een adem.

7:17 Oh Aloha; wat is de mens dat u hem groter maakt, en dat u bezorgd zijt over hem,

7:18 dat u hem onderzoekt elke morgen en hem test elk moment?

7:19 Zult u nooit uw blik afwenden van mij, en mij ook niet alleen laten totdat ik mijn speeksel in-zwelg?

7:20 Heb ik gezondigd? Wat heb ik gedaan aan u, O Waker der mensen? Waarom hebt gij mij gezet als uw mikpunt, zo dat ik een last ben tot mijzelf?

7:21 Waarom dan vergeeft u mijn overtreding niet en neemt u mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik neerliggen in het stof; en u zult mij zoeken, maar ik zal niet zijn.”

8:1-22

8:1 Vervolgens, Bildad de Shuhite antwoordde,

8:2 “Hoe lang zult gij deze dingen zeggen, en de woorden van uw mond een machtige wind zijn?

8:3 Verdraait Aloha gerechtigheid? of verdraait de Almachtige wat goed is?

8:4 Indien uw zonen zondigden tegen hem, dan overhandigde hij hen aan de kracht van hun overtreding.

8:5 Indien gij Aloha zoeken zou en de compassie afsmeken van de Almachtige,

8:6 als je puur en oprecht bent, zeker, hij zou zichzelf nu doen ontwaken voor u, en uw rechtvaardige positie herstellen.

8:7 Hoewel uw begin te gering was, nochtans zal uw einde zeer vermeerderen.

8:8 Alsjeblieft, informeer over vorige generaties, en overweeg de door hun vaders uitgezochte dingen .

8:9 Want wij zijn slechts van gisteren en weten niets, daar onze dagen op aarde als een schaduw zijn.

8:10 Zullen zij u niet leren en u zeggen, en woorden voortbrengen uit hun gedachten?

8:11 Kan de papyrus opgroeien zonder een drasland? Kunnen de biezen groeien zonder water?

8:12 Terwijl het nog steeds groen en niet afgesneden is, toch verdort het voor alle andere planten.

8:13 Zo zijn de paden van allen die Aloha vergeten; en de hoop van de goddeloze zal vergaan,

8:14 wiens vertrouwen breekbaar is, en wiens hoop een web van spinnen is.

8:15 Hij vertrouwt op zijn huis, maar het staat niet; hij houd eraan vast, maar het blijft niet in stand.

8:16 Hij gedijt voor de zon, en zijn scheuten spreiden over zijn tuin uit.

8:17 Zijn wortels wikkelen rond een rots-stapel, hij grijpt een huis van stenen.

8:18 Als hij wordt verwijderd uit zijn plaats, dan zal het hem ontkennen, zeggende,’Ik heb u nooit gezien.’

8:19 Zie! dat is de vreugde van zijn weg; en vanuit het stof zullen andere ontspringen.

8:20 Zie! Aloha zal een man van integriteit niet verwerpen, evenmin zal hij de boosdoeners ondersteunen.

8:21 Doch, hij zal uw mond vullen met gelach en uw lippen met geschreeuw.

8:22 Diegenen die u haten zullen worden bekleed met schaamte, en de tent der goddelozen zal niet langer zijn.”

9:1-35

9:1 Vervolgens, Job antwoordde,

9:2 “In waarheid weet ik dat dit zo is; maar hoe kan een mens in het recht zijn voor Aloha?

9:3 Indien één met hem wenste te redetwisten, hij kon hem niet eens in duizend maal beantwoorden.

9:4 Wijs in hart en machtige in kracht, wie heeft hem getrotseerd zonder schade?

9:5 Het is Aloha die de bergen verplaatst, ze begrijpen niet hoe, wanneer hij hen omverwerpt in zijn toorn;

9:6 die de aarde van haar plaats uitschudt, en haar pijlers doet beven;

9:7 die de zon beveelt om niet te schitteren, en een zegel zet op de sterren;

9:8 die alleen de hemelen uitstrekt en de golven van de zee neer trappelt,

9:9 die de Beer maakte, Orion en de Pleiades, en de kamers van het zuiden;

9:10 die grote dingen doet, ondoorgrondelijke, en wonderlijke werken zonder tal.

9:11 Passeert hij langs mij, ik zou hem niet zien; beweegt hij langs mij, ik zou hem niet waarnemen.

9:12 Was hij wegrukkende, wie kon hem bedwingen? Wie kon tot hem zeggen,’Wat ben je aan het doen?’

9:13 Aloha zal zijn toorn niet terugdraaien; onder hem, de helpers van Rahab duikelen in elkaar .

9:14 Hoe dan kan ik hem antwoordden, en mijn woorden uitkiezen voor hem?

9:15 Want hoewel ik recht was, kon ik niet antwoordden; ik zou de genade van mijn rechter

hebben afgesmeekt.

9:16 Indien ik riep en hij antwoordde mij, kon ik niet geloven dat hij luisterde naar mijn stem.

9:17 Want hij vermorzelt mij met een stormvloed en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.

9:18 Hij zal mij niet toestaan om mijn adem te halen, maar verzadigd mij met bitterheid.

9:19 Indien het een kwestie is van macht, zie, hij is de sterke! En indien het een kwestie is van gerechtigheid, wie kan hem sommeren?

9:20 Hoewel ik rechtvaardig ben, zal mijn mond mij veroordelen; hoewel ik onschuldig ben, hij zal mij schuldig verklaren.

9:21 Ben ik onschuldig; ik neem geen notitie van mijzelf; ik veracht mijn leven.

9:22 Het is alles één; daarom zeg ik;’Hij vernietigt de onschuldige en de goddeloze.’

9:23 Als de plaag plotseling dood, bespot hij de vertwijfeling van de onschuldigen.

9:24 De aarde wordt gegeven in de hand van de goddelozen; hij bedekt de aangezichten van haar rechters. Indien hij het niet is, wie is het dan?

9:25 Nu, mijn dagen zijn sneller dan een hardloper; zij vluchten weg, ze zien geen goed.

9:26 Ze glijden door zoals de rietboten, zoals een adelaar die op zijn prooi aanvliegt.

9:27 Hoewel ik zeg,’Ik zal mijn klacht vergeten, ik zal mijn trieste aanschijn weglaten en blijmoedig zijn,’

9:28 ik ben bevreesd van al mijn pijnen, ik weet dag gij me niet zult vrijspreken.

9:29 Ik ben goddeloos verklaard, waarom moet ik dan in ijdelheid zwoegen?

9:30 Als ik mijzelf moet wassen met sneeuw en mijn handen reinigen met loog,

9:31 toch zou u mij in de put storten, en mijn eigen kleding zou mij verafschuwen.

9:32 Want hij is niet een mens zoals ik ben, dat ik hem zou kunnen antwoordden, zo wij samen tot het gerechtshof zouden kunnen gaan.

9:33 Er is geen kamprechter tussen ons, die zijn hand op ons beide zou kunnen leggen.

9:34 Laat hem zijn roede van mij verwijderen, en laat zijn verschrikking mij geen angst aanjagen.

9:35 Vervolgens, ik zou spreken en hem niet vrezen; maar ik ben niet zo gelijk, in mijzelf.”

10:1-22

10:1 “Ik haat mijn eigen leven; k’zal volledige ontluchting geven aan mijn klacht; ik zal spreken in de bitterheid van mijn ziel.

10:2 Ik zal zeggen tot Aloha,’Veroordeel mij niet; laat me weten waarom gij twist met mij.

10:3 Is het waarlijk recht voor u om te onderdrukken, om de arbeid van uw handen te verwerpen, en om gunstig te kijken op de beramingen van de goddelozen?

10:4 Hebt gij ogen van vlees? of ziet gij zoals een mens ziet?

10:5 Zijn uw dagen zoals de dagen van een sterveling, of uw jaren zoals s’mensenjaren,

10:6 dat gij moet onderzoeken naar mijn misdaad, en na mijn zonde speurt?

10:7 Volgens uw kennis ben ik inderdaad niet schuldig, toch is er geen verlossing van uw hand.

10:8 Uw handen vormden en maakten mij helemaal, en u zou mij vernietigen?

10:9 Gedenk nu, dat gij mij hebt gemaakt als leem; en u zou mij terug in stof veranderen?

10:10 Hebt gij mij niet uitgegoten als melk en mij doen stremmen als kaas;

10:11 mij bekleed met vel en vlees, en mij samengeknoopt met beenderen en zenuwen?

10:12 U hebt mij leven verleend en goedertierenheid: en uw bekommernis heeft mijn geest

behouden.

10:13 Doch, deze dingen hebt gij verborgen in uw hart; ik weet dat dit binnenin u is:

10:14 Wanneer ik zondig, dan zou u notitie van mij nemen, en zou mij niet vrijspreken van mijn misdaad.

10:15 Wanneer ik goddeloos ben, wee mij! En wanneer ik rechtvaardig ben, durf ik mijn hoofd niet op te heffen. Ik ben verzadigd met schande en doordrongen van mijn ellende.

10:16 Moet mijn hoofd worden opgetild, u zou mij opjagen als een leeuw; en opnieuw zou u uw kracht tegen mij tonen.

10:17 Gij vernieuwt uw getuigen tegen mij en vermeerdert uw boosheid tot mij; ellende na ellende is met mij.

10:18 Waarom dan hebt gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? K’wou dat ik was overleden en geen oog mij gezien had!

10:19 Ik had moeten zijn alsof ik niet geweest was, gedragen van de baarmoeder naar het graf.’

10:20 Zou hij mij mijn weinige dagen niet alleen laten? Terugtrekken van mij opdat ik een beetje goede moed moge hebben.

10:21 Voordat ik ga – en ik zal niet terugkeren- naar het land van duisternis en diepe schaduw,

10:22 het land van volslagen somberheid als de duisternis zelve, van diepe schaduw zonder ordening, en welke schijnt als de duisternis.”

11:1-20

11:1 Vervolgens, Zophar de Naamathite antwoordde,

11:2 “Zal een veelheid van woorden onbeantwoord gaan, en een spraakzaam man vrijgesproken worden?

11:3 Zal uw grootspraak mannen tot zwijgen brengen? En zult gij bespotten en niet één u berispen?

11:4 Want gij hebt gezegd,’Mijn leer is zuiver, en ik ben onschuldig in uw ogen.’

11:5 Maar, och, dat Aloha zou kunnen spreken, en zijn lippen openen tegen u,

11:6 en u de geheimen van wijsheid tonen! Want gezonde wijsheid heeft twee zijden. Weet dan dat Aloha een deel van uw ongerechtigheid vergeet.

11:7 Kunt gij de diepten van Aloha blootleggen? Kunt gij de grenzen van de Almachtige kenbaar maken?

11:8 Ze zijn hoog als de hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan Sheol, wat kunt gij weten?

11:9 haar afmetingen zijn langer dan de aarde en breder dan de zee.

11:10 Indien hij voorbijgaat of afsluit, of een vergadering oproept, wie kan hem in toom houden?

11:11 Want hij kent de bedrieglijke mensen, en hij ziet ongerechtigheid zonder onderzoeken?

11:12 Een malloot zal intelligent worden wanneer het veulen van een wilde ezel als een mens wordt geboren.

11:13 Indien ge uw hart recht zou regisseren en uw hand uitspreiden naar hem,

11:14 als ongerechtigheid in uw hand is, doe het verre weg, en laat goddeloosheid niet in uw tenten wonen;

11:15 vervolgens, immers, kon je uw aangezicht optillen zonder moreel gebrek, en je zou standvastig zijn en niet vrezen.

11:16 Want je zou uw moeite vergeten, als wateren die voorbij zijn gegaan, zou je het herinneren.

11:17 Uw leven zou helderder zijn dan de middag; duisternis zou als de morgenstond zijn.

11:18 Dan zou je vertrouwen, omdat er hoop is; en je zou rondkijken en veilig rusten.

11:19 Je zou neerliggen en niet één zou u storen, en velen zouden uw gunst smeken.

11:20 Maar de ogen van de goddelozen zullen falen, en er zal geen uitweg zijn voor hun; en hun verwachting is om hun laatste (einde of adem) uit te blazen.”

12:1-25

12:1 Daarna, Job reageerde,

12:2 “Terecht dan, zijt gij het volk, en met u zal de wijsheid sterven!

12:3 Maar ik heb intelligentie zo goed als u; ik ben niet inferieur aan u. En wie weet dergelijke dingen als deze niet?

12:4 Ik ben een klucht aan mijn vrienden, degene die roept tot Aloha en hij antwoordt hem; de rechtvaardige en onberispelijke mens is een klucht.

12:5 Hij die op zijn gemak is houd de ellende voor minachting, als bereid voor diegenen wiens voeten uitglijden.

12:6 De tenten van de verwoester’s hebben voorspoed, en zij die Aloha provoceren zijn veilig, aan wie Aloha in hun macht heeft gebracht.

12:7 Maar vraagt nu de beesten, en laat hen u onderwijzen; en de vogels van de hemelen, en laat hen het u onderrichten.

12:8 Of spreekt tot de aarde, en laat haar het u onderwijzen; en laat de vissen van de zee het aan u bekendmaken.

12:9 Wie onder al dezen weet niet dat de hand van Maryah dit heeft gedaan,

12:10 in wiens hand het leven is van elk levend ding (schepsel), en de adem van geheel de mensheid?

12:11 Beproefd het oor niet de woorden, gelijk het gehemelte de spijs proeft?

12:12 Wijsheid is in bejaarde mannen, en in de lange levensdagen is het verstand.

12:13 Bij hem is wijsheid en macht; aan hem behoort raad en verstand.

12:14 Zie! hij breekt af,en het kan niet worden herbouwd; hij sluit een mens op, en er kan geen vrijlating zijn.

12:15 Zie! hij bedwingt de wateren, en ze drogen op; en hij zend hen uit, en ze overstromen de aarde.

12:16 Met hem zijn kracht en gezonde wijsheid, de misleide en de misleider behoren aan hem toe.

12:17 Hij doet raadsheren barrevoets wandelen en maakt van rechters dwazen.

12:18 Hij maakt de band van koningen los en verbind hun lendenen met een gordel.

12:19 Hij doet priesters barrevoets wandelen en werpt de machtigen omver.

12:20 Hij ontneemt de betrouwbaren de spraak en neemt het onderscheidingsvermogen weg van de ouderlingen.

12:21 Hij giet verachting uit over de edelen en doet de riem van de sterke verslappen.

12:22 Hij openbaart mysteries uit de duisternis en brengt de diepe duisternis in het licht.

12:23 Hij maakt de volken groot, en verwoest hen vervolgens; hij vergroot de volken, en leid hen vervolgens weg.

12:24 Hij ontneemt het verstand van de leiders van het aardse volk, en doet hun dwalen in een ongebaande woestenij.

12:25 Zij tasten in het duister zonder licht, en hij doet hen wankelen gelijk een dronken man.”

13:1-28

13:1 “Zie! mijn oog heeft dit alles gezien, mijn oor heeft gehoord en het verstaan.

13:2 Wat jij weet dat weet ik ook; ik ben niet inferieur aan u.

13:3 Maar ik zou spreken met de Almachtige, en ik wens te argumenteren met Aloha.

13:4 Maar gij besmeurt met leugens; gij zijt allen waardeloze geneesheren.

13:5 Och, dat gij volkomen stilzwijgend zou zijn, en dat het uw wijsheid zou worden!

13:6 Alsjeblieft, hoor mijn argument en luister naar het getwist van mijn lippen.

13:7 Zal je spreken wat onrechtvaardig is voor Aloha, en spreken wat bedrieglijk is voor hem?

13:8 Zal je partijdigheid voor hem betonen? zal je betwisten voor Aloha?

13:9 Zal het goed zijn wanneer hij u onderzoekt? Of zal je hem misleiden zoals men een mens misleid?

13:10 Hij zal u zeker berispen als ge heimelijk partijdigheid betoont.

13:11 Zal zijn majesteit u niet verschrikken, en de vreze voor hem over u vallen?

13:12 Uw gedenkwaardige uitspraken zijn als spreuken van as, uw verweer is als verweer van leem.

13:13 Zijt stil voor mij aangezicht zodat ik kan spreken; en laat dan over mij komen wat er ook gebeurt.

13:14 Waarom moet ik mijn vlees in mijn tanden nemen en mijn leven in mijn handen leggen?

13:15 Alhoewel hij mij doodde, ik zal op hem hopen. Nochtans zal ik mijn wegen voor hem aanvoeren.

13:16 Dit zal ook mijn zaligheid zijn, want een goddeloos mens kan niet in zijn aanwezigheid komen.

13:17 Luistert aandachtig naar mijn redevoering, en laat mijn verklaring uw oren vullen.

13:18 Zie nu, ik heb mijn zaak voorbereid; ik weet dat ik gerechtvaardigd zal worden.

13:19 Wie zal twisten met mij? Want dan zou ik zwijgen en sterven.

13:20 Alleen, doe twee dingen niet aan mij, dan zal ik mij niet verbergen van uw aangezicht:

13:21 Neem uw hand van mij weg, en laat de angst voor u mij niet verschrikken.

13:22 Roep dan, en ik zal antwoordden; of laat mij spreken, en antwoord dan aan mij.

13:23 Hoeveel zijn mijn ongerechtigheden en zonden? Maak mijn rebellie en mijn zonde aan mij bekend.

13:24 Waarom verbergt gij uw aangezicht en beschouwt gij mij als uw vijand?

13:25 Zult gij een gedreven blad doen sidderen? Of zult gij het droge kaf najagen?

13:26 Want gij schrijft bittere dingen tegen mij en doet mij de ongerechtigheden van mijn jeugd beërven.

13:27 Gij zet mijn voeten in de stammen en let op al mijn paden; gij stelt een grens in voor de zolen van mijn voeten,

13:28 Terwijl ik achteruitga gelijk een verrot ding, zoals een kledingstuk dat motteneten is.”

14:1-22

14:1 “Mens, die is geboren van een vrouw, is kortlevend en vol van onrust.

14:2 Gelijk een bloem komt hij op en verdord. Hij vlucht ook gelijk een schaduw en blijft niet.

14:3 Gij opent ook uw ogen over hem en brengt hem in het gericht met uzelf.

14:4 Wie kan de reine maken uit de onreine? Niet één!

14:5 Sinds zijn dagen worden bepaald, het aantal van zijn maanden met u zijn; en gij zijn grenzen hebt ingesteld die hij dus niet kan overgaan.

14:6 Draai uw blik van hem weg dat hij moge rusten, totdat hij zijn dag vervult als een loonknecht.

14:7 Want er is hoop voor een boom, wanneer hij is neergeveld, dat hij opnieuw zal uitlopen, en zijn scheuten zullen niet ontbreken.

14:8 Hoewel, zijn wortels oud worden in de grond en zijn stronk sterft in de droge aarde,

14:9 op het spoor van water zal hij bloeien en takjes uitsteken als een plant.

14:10 Maar een mens sterft en ligt ter aarde geworpen. De mens blaast zijn laatste adem uit, en waar is hij?

14:11 Gelijk water die verdampt uit de zee, en een rivier die opdroogt en verdort,

14:12 zo ligt de mens neer en staat niet op. Totdat de hemelen niet langer zijn, zal hij niet ontwaken noch worden gewekt vanuit zijn slaap.

14:13 Och, dat gij mij verschuilen zou in Sheol, dat gij mij verstoppen zou totdat uw toorn naar u terugkeert, dat gij een grens voor mij zou stellen en mij herinneren!

14:14 Als een mens sterft, zal hij opnieuw leven? Al de dagen van mijn strijd zal ik afwachten totdat mijn verandering komt.

14:15 U zal roepen, en ik zal u antwoordden; u zal verlangen naar het werk van uw handen.

14:16 Want nu telt u mijn stappen, gij merkt mijn zonde niet op.

14:17 mijn overtreding is verzegeld in een buideltje, en gij omwikkelt mijn ongerechtigheid.

14:18 Maar de vallende berg brokkelt af, en de rots wordt verplaatst van zijn plaats;

14:19 Wateren slijten de stenen af, haar vloed wast het stof van de aarde weg; zo vernietigd u s’mens hoop.

14:20 Voor altijd overweldigt u hem en hij gaat heen; u verandert zijn uiterlijk en stuurt hem weg.

14:21 Zijn zonen behalen eer, maar hij weet het niet: of zij worden onbetekenend, maar hij bemerkt het niet.

14:22 Maar zijn lichaam pijnigt hem, en hij rouwt slechts voor hemzelf.”

15:1-35

15:1 Vervolgens, Eliphaz de Temanite reageerde,

15:2 “Moet een wijs man antwoordden met opgeblazen wetenschap en zichzelf vullen met de Oost-wind?

15:3 Moet hij debatteren met nutteloos gepraat, of met woorden die niet winstgevend zijn?

15:4 Immers, gij schaft ontzag af en staat meditatie voor Aloha in de weg .

15:5 Want uw mond leert uw misdaad en gij verkiest de taal van de arglistige.

15:6 Uw eigen mond verdoemt u, en niet ik; en uw eigen lippen getuigen tegen u.

15:7 Waart gij de eerste mens die geboren werd, of waart gij voor de heuvels voortgebracht?

15:8 Je hoort de geheime raad van Aloha, en beperkt de wijsheid tot uzelf?

15:9 Wat weet gij wat wij niet weten? Wat verstaat gij, wat wij niet verstaan?

15:10 Zowel de grijsharige en de stokoude zijn onder ons, ouder dan uw vader

15:11 Zijn de vertroostingen van Aloha te klein voor u, zelfs het vriendelijk met u gesproken woord?

15:12 Waarom brengt uw hart u weg? en waarom knipperen uw ogen?

15:13 Dat gij uw geest tegen Aloha moet keren en dergelijke woorden toestaat om uit te gaan van uw mond?

15:14 Wat is de mens, dat hij puur moet zijn, of hij die geboren is uit een vrouw, dat hij rechtvaardig moet zijn?

15:15 Zie, hij stelt geen vertrouwen in zijn heiligen, en de hemelen zijn niet puur in zijn ogen;

15:16 Hoeveel te min is degene die verfoeilijk en bedorven is, de mens, die ongerechtigheid indrinkt gelijk water!

15:17 Ik zal u onderrichten, luister naar mij; en wat ik heb gezien zal ik ook verklaren;

15:18 wat wijze mannen hebben verteld, en niet hebben verzwegen voor hun vaders,

15:19 aan wie alleen het land werd gegeven, en geen vreemdeling passeerde te-midden-van hun.

15:20 De boze mens spartelt al zijn dagen in pijn, en voor de meedogenloze worden de jaren genummerd bewaard.

15:21 Geluiden van verschrikking zijn in zijn oren; terwijl de vernieler in vrede over hem komt.

15:22 Hij gelooft dat hij niet zal terugkeren vanuit de duisternis, en dat hij bestemd is voor het zwaard.

15:23 Hij dwaalt in’t rond voor voedsel, zeggende, ‘Waar is het?’ Hij weet dat een dag van duisternis komende is.

15:24 Angst en beklemming verschrikken hem, zij overweldigen hem als een koning, klaar voor de aanval,

15:25 omdat hij zijn hand heeft uitgestrekt tegen Aloha en zichzelf arrogant gedraagt tegen de Almachtige.

15:26 Hij rent hals over kop naar hem met zijn gigantisch schild.

15:27 Want hij heeft zijn gezicht bedekt met zijn vet en maakte zijn dijen zwaar met vlees.

15:28 Hij heeft geleefd in verlaten steden, in huizen waarin niet één zou bewonen, die bestemd zijn om ruïnes te worden.

15:29 Hij zal niet rijk worden, noch zal zijn vermogen in stand blijven; en zijn graan zal niet neerbuigen tot op de grond.

15:30 Hij zal niet ontsnappen aan de duisternis; de vlam zal zijn scheuten verdorren, en door de adem van zijn mond zal hij er-vandoor-gaan.

15:31 Laat hem niet vertrouwen in leegheid, zichzelf bedriegende; want leegheid zal zijn beloning zijn.

15:32 Het zal worden vervuld voor zijn tijd, en zijn palm-tak zal niet groenig worden.

15:32 Hij zal zijn onrijpe druif laten afvallen zoals de wijnstok, en zal zijn bloesem afwerpen zoals de olijfboom.

15:34 Want het gezelschap van de goddelozen is onvruchtbaar, en vuur verteert de tenten van de corrupte.

15:35 Ze bedenken onheil en brengen ongerechtigheid voort, en hun geest bereidt bedriegerij.”

16:1-22

16:1 Vervolgens, Job antwoordde,

16:2 “Ik heb veel van dergelijke dingen gehoord; meelijwekkende vertroosters zijn jullie allen.

16:3 Is er geen limiet aan winderige woorden? of wat kwelt u dat gij antwoordt?

16:4 Ik kon ook spreken gelijk u, indien ik in uw plaats was. Ik kon woorden componeren tegen u en mijn hoofd schudden naar u.

16:5 Ik kon u ook versterken met mijn mond, en de troost van mijn lippen kon uw pijn verminderen.

16:6 Indien ik spreek, wordt mijn pijn niet verminderd, en indien ik ophoud, hoeveel heeft mij verlaten?

16:7 Maar nu, hij heeft mij uitgeput; gij hebt gans mijn gezelschap verwoesting opgelegd.

16:8 Gij hebt mij verschrompeld, het is een getuige geworden; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij legt getuigenis af voor mijn aangezicht.

16:9 Zijn toorn heeft mij verscheurd en mij opgejaagd, hij heeft geknarst naar mij met zijn tanden; mijn tegenstander kijkt woest naar mij.

16:10 Ze hebben naar mij gegaapt met hun mond, ze hebben mij op de wang geslagen met minachting; ze hebben zichzelf tegen mij verzameld.

16:11 Aloha overhandigt mij aan woestaards en werpt mij in de handen van de goddelozen.

16:12 Ik was op mijn gemak, maar hij verbrijzeld mij, en hij heeft mij bij de nek gegrepen en schudde mij aan stukken; hij heeft mij ook ingesteld als zijn doelwit.

16:13 Zijn pijlen omringen mij. Zonder genade splijt hij mijn nieren open; hij giet mijn gal uit op de grond.

16:14 Hij doorbreekt mij met breuk na breuk; hij loopt tegen mij op als een krijgsman.

16:15 Ik naaide rouwgewaad over mijn vel en stak mijn hoorn in het stof.

16:16 Mijn aangezicht is doorspoeld van tranen, en diepe duisternis is over mijn oogleden,

16:17 Alhoewel, er is geen geweld in mijn handen, en mijn gebed is puur.

16:18 O aarde, bedek mijn bloed niet, en laat er geen rustplaats zijn voor mijn geschreeuw.

16:19 Zelfs nu, zie! is mijn getuige in de hemel, en mijn advocaat is in de hoogte.

16:20 Mijn vrienden zijn mijn bespotters; mijn oog druppelt tot Aloha.

16:21 O dat een mens vermocht te pleiten met Aloha gelijk een mens met zijn naaste!

16:22 Want wanneer een weinig jaren voorbij zijn, zal ik het pad zonder terugweg gaan.”

17:1-16

17:1 Mijn geest is gebroken, mijn dagen zijn uitgedoofd, het graf is voor mij klaar.

17:2 Spotters zijn toch met mij, en mijn oog staart hun terging aan.

17:3 Leg af, nu, een belofte voor mij met u zelf; wie is er die mijn borgstaander wil zijn?

17:4 Want gij hebt hun hart van verstand bewaard, daarom zult gij hen niet verhogen.

17:5 Hij die informeert tegen vrienden voor een deel van de buit, de ogen van zijn kinderen zullen ook smachten.

17:6 Maar hij heeft me een synoniem gemaakt van het volk, en ik ben één naar wie mannen spugen.

17:7 Mijn oog is ook verduisterd geworden vanwege smart, en al mijn ledematen zijn als een schaduw.

17:8 De oprechten zullen bij deze ontzet zijn, en de onschuldige zal zichzelf ophitsen tegen de goddeloze.

17:9 Niettemin, de rechtvaardige zal aan zijn weg vasthouden, en hij die schone handen heeft zal sterker en sterker worden.

17:10 Maar komt nu terug gij allen, want ik vind geen wijs mens onder u.

17:11 Mijn dagen zijn voorbij, mijn voornemens zijn uit elkaar getrokken, zelfs de begeerten van mijn hart.

17:12 Zij maken de nacht tot de dag, zeggende,’ Het licht is nabij,’ in de aanwezigheid van de duisternis.

17:13 Als ik naar Sheol kijk als mijn huis, maak ik mijn bed op in de duisternis;

17:14 als ik roep tot de diepte,’Gij zijt mijn vader’; en tot de wurm,’ Mijn moeder en mijn zuster’;

17:15 waar is nu mijn verwachting? En wie aanschouwt mijn verwachting?

17:16 Zal zij afdalen met mij naar Sheol? Zullen we samen afdalen tot in het stof?”

18:1-21

18:1 Vervolgens, Bildad de Shuhite antwoordde,

18:2 “Hoelang zult gij jagen naar woorden? Toon begrip en dan kunnen we praten.

18:3 Waarom worden wij als beesten aanzien, als stom in uw ogen?

18:4 O gij die uzelf verscheurd in uw toorn, moet om uwentwil de aarde verlaten worden, of moet de rots van zijn plek worden verplaatst?

18:5 Inderdaad, het licht van de goddeloze gaat uit, en de vlam van zijn vuur geeft geen licht.

18:6 Het licht in zijn tent is verduisterd, en zijn lamp dooft uit boven hem.

18:7 Zijn krachtige schrede wordt verkort, en zijn eigen gekonkel haalt hem neder.

18:8 Want hij is in het net geworpen met zijn eigen voeten, en hij stapt op weefbanden.

18:9 Een strik grijpt hem bij de hiel, en een val klapt over hem dicht.

18:10 Een strop in de grond is voor hem verborgen, en een valstrik op het pad voor hem.

18:11 Verschrikkingen rondom beangstigen hem, en plunderen hem bij elke stap.

18:12 Zijn kracht is uitgehongerd, en ellende is bereid aan zijn zijde.

18:13 Zijn huid is door ziekte verteerd, de eerstgeborene des doods verteerd zijn ledematen.

18:14 Hij is verscheurd uit de bescherming van zijn tent, en ze laten hem marcheren voor de koning der verschrikkingen.

18:15 Er woont in zijn tent helemaal niets van het zijne; zwavel is over zijn woning verstrooid.

18:16 Zijn wortels worden vanonder droog, en zijn tak word vanboven afgehakt.

18:17 Herinneringen aan hem vergaan van de aarde, en buitenshuis heeft hij geen naam.

18:18 Hij word van het licht tot in de duisternis gedreven, en verjaagd uit de bewoonde wereld.

18:19 Hij heeft geen nakomeling of nageslacht onder zijn volk, noch enig overlevende waar hij vertoefd.

18:20 Die in het westen zijn geschokt over zijn lot, en die in het oosten zijn gegrepen door verschrikking.

18:21 Zeker! zo zijn de woningen van de goddelozen, en dit is de plek van hem die Aloha niet kent.”

19:1-29

19:1 Vervolgens, Job reageerde,

19:2 “Hoelang wilt gij mij kwellen en mij verpletteren met woorden?

19:3 Tien maal hebt gij mij beledigd; zijt gij niet beschaamd om mij onrecht aan te doen.

19:4 Zelfs als ik werkelijk heb gedwaald, mijn dwaling overnacht bij mij.

19:5 indien gij inderdaad roemt tegen mij en mijn schande aan mij bewijst,

19:6 weet dan dat Aloha mij heeft geschaad en zijn net om mij heen heeft gesloten.

19:7 Zie!, ik roep, ‘Geweld’ maar ik krijg geen antwoord; ik schreeuw om hulp, maar er is geen gerechtigheid.

19:8 Hij heeft mijn weg hoog ommuurd zodat ik niet kan passeren, en hij heeft over mijn paden duisternis gelegd.

19:9 Hij heeft mijn eer van mij afgestroopt en verwijderde de kroon van mijn hoofd.

19:10 Hij breekt mij af aan alle kanten, en ik ben weggegaan; en hij heeft mijn verwachting ontworteld als een boom.

19:11 Hij heeft ook zijn boosheid doen ontvlammen tegen mij en mij beschouwd als zijn vijand.

19:12 Zijn troepen komen samen, en bouwen hun weg op tegen mij en kamperen rond mijn tent.

19:13 Hij heeft mijn broers verre van mij verwijderd, en mijn kennissen zijn compleet van mij vervreemd.

19:14 Mijn familieleden hebben gefaald, en mijn vertrouwelijke vrienden hebben mij vergeten.

19:15 Degenen die in mijn huis wonen en mijn dienstmeiden, beschouwen mij als een onbekende. Ik ben een vreemdeling in hun ogen.

19:16 Ik roep naar mijn dienstknecht, maar hij antwoord niet; ik moet hem smeken met mijn mond.

19:17 Mijn adem is weerzinwekkend voor mijn vrouw, en ik ben walgelijk voor mijn eigen broers.

19:18 Zelfs jonge kinderen minachten mij; ik sta op en zij spreken mij tegen.

19:19 Al mijn metgezellen gruwen van mij, en degenen die ik liefheb hebben zich tegen mij gekeerd.

19:20 Mijn bot kleeft aan mijn huid en mijn vlees, en ik ben alleen ontkomen met de huid van mijn tanden.

19:21 Medelijden met mij, medelijden met mij, O gij mijn vrienden, want de hand van Aloha heeft mij geslagen.

19:22 Waarom vervolgt gij mij zoals Aloha doet, en word niet voldaan van mijn vlees ?

19:23 Oh dat mijn woorden geschreven waren! Oh dat zij in een boek opgeschreven waren!

19:24 Dat zij met een griffel van ijzer en lood werden gegraveerd in de rots voor eeuwig!

19:25 Wat mij betreft, ik weet dat mijn verlosser leeft, en op het einde zal hij zijn positie innemen op de aarde.

19:26 Zelfs nadat mijn huid vernietigd is, toch zal ik uit mijn vlees Aloha zien;

19:27 dewelke ik, ikzelf zal aanschouwen, en dewelke mijn ogen zullen zien en geen andere. Mijn hart bezwijmt in mij!

19:28 Zo gij zegt,’ Hoe zullen we hem vervolgen?’ En’ Welk voorwendsel kunnen we vinden voor een zaak tegen hem?’

19:29 Wees dan bevreesd van het zwaard voor uzelf, want toorn brengt de straf van het zwaard, opdat gij moge weten dat er oordeel is.”

20:1-29

20:1 Vervolgens, Zophar de Naamathite antwoordde,

20:2 “Daarom doen mijn verontrustende gedachten mij reageren, zelfs vanwege mijn innerlijke onrust.

20:3 Ik heb geluisterd naar de berisping die mij beledigde, en de geest van mijn begrip doet mij antwoorden.

20:4 Weet gij dit; van vanouds, vanaf de vestiging van de mens op aarde,

20:5 dat de triomf van de goddeloze opeens is, en de vreugde van de goddeloze kortstondig?

20:6 Hoewel zijn verhevenheid het uitspansel bereikt, en zijn hoofd de wolken aanraakt,

20:7 hij vergaat voor eeuwig net als zijn vuilnis; degenen die hem hebben gezien zullen zeggen,’Waar is hij?’

20:8 Hij vliegt weg als een droom, en zij kunnen hem niet vinden; zelfs als een gezicht van de nacht word hij weggejaagd.

20:9 Het oog dat hem zag ziet hem niet langer, en zijn plaats aanschouwt hem niet langer.

20:10 Zijn zonen begunstigen de armen, en zijn handen geven zijn rijkdom terug.

20:11 Zijn botten zijn vol van zijn jeugdige kracht, maar het ligt met hem neer in het stof.

20:12 Hoewel het kwaad zoet is in zijn mond en hij verbergt het onder zijn tong,

20:13 hoewel hij het begeert en niet wil laten gaan, maar het in zijn mond vasthoud,

20:14 doch, zijn voedsel in zijn maag wordt in hem verandert tot venijn van cobras.

20:15 Hij slikt rijkelijk in, maar zal het uitbraken; Aloha zal het uit zijn buik verdrijven.

20:16 Hij zuigt het gif van cobras; de adderentong dood hem.

20:17 Hij ziet niet naar de rivieren, de beken stromen van honing en wrongel.

20:18 Hij geeft terug van wat hij heeft verkregen en kan het niet inslikken; naargelang de rijkdom van zijn handelen, kan hij zelfs van hun niet genieten.

20:19 Want hij heeft onderdrukt en de armen verlaten; hij heeft een huis in bezit genomen dat hij niet heeft gebouwd.

20:20 Omdat hij geen rust in hem kent, behoud hij niet één ding van wat hij wenst.

20:21 Er blijft voor hem niets over om te verslinden, daarom blijft zijn welvaart niet duren.

20:22 In de volheid van zijn overvloed zal hij krap worden; de hand van iedereen die lijdt zal tegenover hem komen.

20:23 Wanneer hij zijn buik vult, zal Aloha zijn hevige toorn over hem zenden en zal dat over hem heen doen neer-regenen terwijl hij etende is.

20:24 Hij kan vluchten van het wapen van ijzer, maar de bronzen boog zal hem doorboren.

20:25 Het wordt terug getrokken en komt van zijn rug uit, zelfs de glinsterende punt uit zijn gal. Verschrikkingen komen over hem,

20:26 Complete duisternis word in bewaring gehouden vanwege zijn schatten, en niet aangewakkerd vuur zal hem verslinden; het zal de overlevende in zijn tent verteren.

20:27 De hemelen zullen zijn ongerechtigheid onthullen, en de aarde zal tegen hem opstaan.

20:28 De vermeerdering van zijn huis zal weggaan; zijn bezittingen zullen wegvloeien op de dag van zijn boosheid.

20:29 Dit is de goddeloze mens zijn deel van Aloha; zelfs de erfenis aan hem bepaalt door Aloha.”

21:1-34

21:1 Vervolgens, Job antwoordde,

21:2 “Luister aandachtig naar mijn toespraak, en laat dit uw weg zijn van troost.

21:3 Heb geduld met mij zodat ik kan spreken; vervolgens, nadat ik heb gesproken, kunt ge spotten.

21:4 Wat mij betreft, is mijn klacht tot de mens? En waarom moet ik niet ongeduldig zijn?

21:5 Kijk naar mij, en sta versteld, en leg uw hand over uw mond.

21:6 Zelfs wanneer ik gedenk, ben ik verstoord, en gruwel neemt bezit van mijn vlees.

21:7 Waarom leven de goddelozen nog, vervolgen verder, worden ook zeer machtig?

21:8 Hun nazaten zijn gevestigd met hen voor hun aangezicht, en hun nakomelingen voor hun ogen,

21:9 hun huizen zijn veilig uit vreze, en de roede van Aloha is niet op hen.

21:10 Zijn stier paart zonder mislukken; zijn koe kalft en breekt niet af.

21:11 Ze zenden hun kleintjes uit als een kudde, en hun kinderen huppelen rond.

21:12 Zij zingen bij de tamboerijn en harp en verheugen zich bij het geluid van de fluit.

21:13 Ze besteden hun dagen in welvaart, en plotseling dalen ze af naar Sheol.

21:14 Zij zeggen tot Aloha,’Wijk van ons! we verlangen zelfs de kennis van uw wegen niet.

21:15 Wie is de Almachtige, dat we hem moeten dienen, en wat zouden we winnen als we hem smeken?’

21:16 Zie! hun welvaart is niet in hun hand; de raad van de goddelozen is verre van mij.

21:17 Hoe vaak wordt de lamp van de goddelozen uitgedoofd, of valt hun onheil over hen? Verdeeld Aloha hun in zijn toorn verwoesting?

21:18 Zijn zij gelijk stro voor de wind, en gelijk kaf die de storm meesleept?

21:19 Gij zegt,’Aloha slaat een man’s ongerechtigheden op voor zijn zonen.’ Laat Aloha hem vergoeden zodat hij het moge weten.

21:20 Laat zijn eigen ogen zijn verval zien, en laat hem drinken van de verbolgenheid van de Almachtige.

21:21 Want wat bekommerd hij zich om zijn huishouden, na hem, wanneer het aantal van

zijn maanden gesnoeid wordt?

21:22 Kan iemand Aloha kennis onderwijzen, naar welke hij de hogen beoordeelt?

21:23 Iemand sterft in zijn volle sterkte, geheel in de rust zijnde en tevreden;

21:24 zijn zijden zijn vol geworden met vet, en het merg van zijn beenderen is vochtig,

21:25 terwijl een ander met een bittere ziel sterft, en nooit zelfs iets goeds proefde.

21:26 Samen liggen ze neer in het stof, en wormen bedekken hun.

21:27 Zie! Ik weet uw gedachten, en de plannen door welke gij mij onrecht wilt aandoen.

21:28 Want gij zegt,’ Waar is het huis van de edelman, en waar is de tent, de woonplaats van de goddelozen?’

21:29 Hebt gij de zwervende mannen niet gevraagd, en herken je hun getuigenis niet?

21:30 Want de goddeloze is voorbehouden tot de dag van onheil; zij zullen worden voort geleid op de dag van woede.

21:31 Wie zal hem met zijn daden confronteren, en wie zal hem vergoeden voor wat hij heeft gedaan?

21:32 Terwijl hij naar het graf wordt gedragen, zullen mannen over zijn graftombe waken.

21:33 De aardkluiten van de vallei zullen hem geleidelijk bedekken; bovendien, alle mensen zullen hem navolgen, terwijl ontelbare hem voorgaan.

21:34 Hoe dan zult gij mij tevergeefs troosten, want uw antwoordden blijven vol van onwaarheid?”

22:1-30

22:1 Vervolgens, Eliphaz de Temanite reageerde,

22:2 “Kan een krachtig man van nut zijn aan Aloha, of een verstandig man nuttig zijn aan zichzelf?

22:3 Is er enig welbehagen aan de Almachtige als je rechtvaardig bent, of gewin, als je uw paden perfect maakt?

22:4 Is het vanwege uw ontzag dat hij u terechtwijst, dat hij tegen u in oordeel treedt?

22:5 Is uw goddeloosheid niet groot, en uw ongerechtigheden zonder einde?

22:6 Want gij hebt van uw broeders panden afgenomen , zonder oorzaak, en hebt weerloze mannen uitgekleed.

22:7 Aan de vermoeide hebt gij geen water gegeven om te drinken, en de hongerige hebt gij brood geweigerd.

22:8 Maar aan de machtige man behoort de aarde, en de eerbare man woont daarin.

22:9 Gij hebt weduwen leeg weggezonden, en de kracht van de wezen is verpletterd geweest.

22:10 Daarom omringen u strikken, en angst verschrikt u plotseling,

22:11 of duisternis, zodat gij niet kunt zien, en een overvloed van water bedekt u.

22:12 Is niet Aloha in de hoogten der hemel? Kijk eveneens naar de ver afgelegen sterren, hoe hoog zij zijn!

22:13 Gij zegt,’Wat weet Aloha? Kan hij oordelen door de dichte duisternis?

22:14 Wolken zijn voor hem een schuilplaats, zodat hij niet zien kan; en hij wandelt op het gewelf der hemel.’

22:15 Zult gij op het oude pad blijven die goddeloze mensen hebben betreden,

22:16 die werden weggegrist voor hun tijd, wiens grondslagen zijn weggewassen door een rivier?

22:17 Zij zeiden tot Aloha,’Wijk van ons!’ en ‘Wat kan de Almachtige aan hen doen?’

22:18 Toch vulde hij hun huizen met goede dingen; maar de raad van de goddelozen is verre van mij.

22:19 De rechtvaardigen zien en zijn blij, en de onschuldige bespotte hun,

22:20 zeggende,’Waarlijk onze tegenstanders zijn afgesneden, en het vuur heeft hun overvloed verteerd.

22:21 Zwicht nu en zijt in vrede met hem; daardoor zal het goede tot u komen.

22:22 Alsjeblieft, ontvangt instructie uit zijn mond en vestigt zijn woorden in uw hart.

22:23 Als ge terugkeert naar de Almachtige, zult ge worden hersteld; indien gij ongerechtigheid verre van uw tent verwijderd,

22:24 En plaats uw goud in het stof, en het goud van Ophir onder de stenen van de beken,

22:25 Dan zal de Almachtige uw goud en voorkeur zilver tot u zijn.

22:26 Want dan zult gij u verheugen in de Almachtige en uw aangezicht opheffen naar Aloha.

22:27 Gij zult bidden tot hem, en hij zal u horen; en gij zult uw geloften betalen.

22:28 Gij zult ook een ding besluiten, en het zal voor u worden vastgesteld; en licht zal schijnen op uw wegen.

22:29 Wanneer gij wordt neergeworpen, zult ge spreken met vertrouwen, en de bescheiden persoon zal hij redden.

22:30 Hij zal één bevrijden die niet onschuldig is, en hij zal worden bevrijd door de reinheid van uw handen.”

23:1-17

23:1 Vervolgens, Job reageerde,

23:2 “Zelfs vandaag is mijn klacht rebellie; zijn hand is zwaar ondanks mijn kreunen.

23:3 Oh dat ik wist waar ik hem zou kunnen vinden, zodat ik tot zijn stoel zou kunnen komen!

23:4 Ik zou mij zaak voor hem voorleggen en mijn mond vullen met argumenten.

23:5 Ik zou de woorden vernemen welke hij zou antwoordden, en waarnemen wat hij tot mij zeggen zou.

23:6 Zou hij met mij betwisten door de grootheid van zijn kracht? Neen, hij zou zeker aandacht aan mij besteden.

23:7 Daar de oprechte met hem zou redeneren; en ik zou worden bevrijd voor altijd van mijn rechter.

32:8 Zie! ik ga vooruit maar hij is daar niet, en achteruit, maar ik kan hem niet bemerken;

23:9 Wanneer hij werkt aan de linkerkant, kan ik hem niet aanschouwen; hij verandert naar rechts, ik kan hem niet zien.

23:10 Maar hij kent de weg die ik neem; wanneer hij mij heeft beproefd, zal ik tevoorschijn komen als goud.

23:11 Mijn voet heeft vastgehouden aan zijn pad; ik heb zijn weg gehouden en ben niet afgeweken.

23:12 Ik ben niet afgeweken van het gebod van zijn lippen; ik heb de woorden van zijn mond meer gekoesterd dan mijn noodzakelijk voedsel.

23:13 Maar hij is uniek en wie kan hem veranderen? En wat zijn ziel verlangt, dat doet hij.

23:14 Want hij volbrengt wat is bestemd voor mij, en vele dergelijke besluiten zijn met hem.

23:15 Daarom, zou ik worden ontzet in zijn tegenwoordigheid, wanneer ik het overweeg, ben ik bevreesd van hem.

23:16 Het is Aloha die mijn hart week gemaakt heeft en de Almachtige die mij ontzet heeft,

23:17 Maar ik ben het zwijgen niet opgelegd door de duisternis, noch diepe somberheid welke mij bedekte.”

24:1-25

24:1 “Waarom zijn tijden niet opgeborgen door de Almachtige, en waarom zien diegenen die hem kennen zijn dagen niet?

24:2 Sommige verwijderen de landpalen; ze grijpen en verslinden kuddes.

24:3 Ze drijven de ezels van de wezen weg; zij nemen de os van de weduwe als een gelofte.

24:4 Ze duwen de behoeftigen van de weg opzij; de behoeftigen van het land verbergen zich, al-te-samen.

24:5 Zie! Als wilde ezels in de woestijn gaan zij uit voedsel zoekende in hun bedrijvigheid, als brood voor hun kinderen in de woestijn.

24:6 Ze oogsten hun voeder in het veld en de wijngaard van de goddelozen lezen zij af.

24:7 Ze brengen de nacht naakt door, zonder kleding, en hebben geen bedekking tegen de koude.

24:8 Ze worden nat van de berg-regens en omhelzen de rots bij gebrek aan een schuilplaats.

24:9 Anderen rukken de wees van de borst, en tegen de armen nemen ze een onderpand.

24:10 Ze doen de armen zowat naakt weggaan zonder kleding, en ze nemen de schoven van de hongerigen weg.

24:11 Binnen de muren produceren zij olie; ze treden wijnpersen maar dorsten.

24:12 Uit de stad kreunen mannen, en de zielen van de gewonden schreeuwen het uit; Aloha echter besteedt geen aandacht aan dwaasheid.

24:13 Anderen zijn met degenen die rebelleren tegen het licht; ze willen zijn wegen niet kennen noch blijven op zijn paden.

24:14 De moordenaar staat op bij dageraad; hij dood de armen en de behoeftigen, en s’nachts is hij als een dief.

24:15 Het oog van de overspelige wacht op de avondschemering, zeggende, ‘Geen oog zal me zien.’ En hij vermomt zijn gezicht

24:16 In het duister doorgraven ze in huizen, ze sluiten zichzelf op door de dag; ze kennen het licht niet.

24:17 Want de ochtend is aan hem hetzelfde als dikke duisternis, want hij is vertrouwd met de verschrikkingen van dikke duisternis.

24:18 Ze zijn nietig op het oppervlak van het water; hun deel is vervloekt op de aarde. Ze wenden zich niet naar de wijngaarden.

24:19 Droogte en hitte nemen de sneeuw -wateren in zich op, alzo doet Sheol met degenen die gezondigd hebben.

24:20 Een moeder zal hem vergeten; de wurm vreet zich zoet, tot hij niet meer wordt herinnerd. En goddeloosheid zal worden gebroken als een hout.

24:21 Hij doet de onvruchtbare vrouw onrecht aan en doet geen goed voor de weduwe.

24:22 Maar hij trekt de moedige uit door zijn kracht; hij staat op, maar niet één heeft zekerheid van het leven.

24:23 Hij voorziet hen van veiligheid, en ze worden ondersteund; en zijn ogen zijn op hun wegen.

24:24 Ze zijn een klein tijdje verheven, dan zijn ze verdwenen; bovendien, worden ze laag gebracht en zoals alles bijeengebracht; gelijk als de toppen van graan worden ze afgesneden.

24:25 Nu als het niet zo is, wie kan mij een als leugenaar aantonen, en mijn betoog waardeloos maken?”

25:1-6

25:1 Vervolgens, Bildad de Shuhite antwoordde,

25:2 ” Heerschappij en ontzag behoren aan hem die vrede vestigt in zijn hoogten.

25:3 Is er een aantal aan zijn troepen? En over wie komt zijn licht niet op?

25:4 Hoe kan een mens dan rechtvaardig zijn bij Aloha? Of hoe kan hij die geboren is uit een vrouw, rein zijn?

25:5 Zo de maan geen schittering bezit, en zelfs de sterren niet zuiver zijn in zijn ogen,

25:6 hoeveel minder dan de mens, die made, en het kind van mensen, die wurm!”

26:1-14

26:1 Vervolgens, Job reageerde,

26:2 “Wat een hulp zijt gij aan de zwakke! Hoe hebt gij de arm behouden zonder sterkte!

26:3 Wat voor raad hebt gij gegeven aan één zonder wijsheid! Wat voor nuttige inzichten hebt gij overvloedig verschaft!

26:4 Tot wie hebt gij woorden geuit? En wiens geest werd door u uitgedrukt?

26:5 De vertrokken geesten huiveren onder de wateren en hun inwoners.

26:6 Naakt is Sheol voor hem, en Abaddon heeft geen bedekking.

26:7 Hij strekt het noorden uit over ledige plaats en hangt de aarde op aan niets.

26:8 Hij rolt de wateren op in zijn wolken, en de wolk barst onder hen niet open.

26:9 Hij verduistert het aangezicht van de volle maan en spreid zijn wolk over haar.

26:10 Hij heeft een cirkel getekend op het oppervlak van de wateren op de grenslijn van licht en duisternis.

26:11 De pijlers van de hemel trillen en zijn verbaasd over zijn berisping.

26:12 Hij kalmeerde de zee met zijn kracht, en door zijn verstand verstrooide hij Rahab.

26:13 Door zijn adem zijn de hemelen opgeruimd; zijn hand heeft de vluchtende slang doorboord.

26:14 Zie! Dit zijn de buitenste franjes van zijn wegen; en hoe verzwakt is het woord die wij van hem horen! Maar zijn machtige donder, wie kan verstaan?”

27:1-23

27:1 Vervolgens, Job vervolgde zijn toespraak en zei,

27:2 “Als Aloha leeft, die mijn recht heeft weggenomen, en de Almachtige, die mijn ziel heeft verbitterd,

27:3 voor zolang als leven in mij is, en de adem van Aloha in mijn neusgaten is,

27:4 mijn lippen zullen zeker niet onrechtvaardig spreken, evenmin zal mijn tong bedrog uiten.

27:5 Verre zij het van mij dat ik u rechtvaardig zou verklaren; tot ik sterf zal ik mijn integriteit niet van mij wegdoen.

27:6 Ik houd mijn gerechtigheid vast en zal het niet laten gaan. Mijn hart keurt niet één van mijn dagen af.

27:7 Mag mijn vijand als de goddeloze zijn en mijn tegenstander als de onrechtvaardige.

27:8 Want wat is de verwachting van de goddeloze wanneer hij wordt afgesneden, wanneer Aloha zijn leven vereist?

27:9 Zal Aloha zijn geschreeuw horen wanneer ellende over hem komt?

27:10 Zal hij vreugde vinden in de Almachtige? Zal hij roepen op Aloha, ten allen tijde?

27:11 Ik zal u onderrichten in de kracht van Aloha; wat bij de Almachtige is zal ik niet verbergen.

27:12 Zie! allen van u hebben het gezien; waarom dan handelt gij dwaas?

27:13 Dit is het deel van een goddeloos man bij Aloha, en het erfdeel dat tirannen ontvangen van de Almachtige.

27:14 Ofschoon zijn zonen vele zijn, ze zijn bestemd voor het zwaard; en zijn nakomelingen zullen niet voldaan zijn van brood.

27:15 Zijn overlevenden zullen worden begraven vanwege de pest, en hun weduwen zullen niet in staat zijn om te schreien.

27:16 Hoewel hij zilver opstapelt gelijk stof en kleding bereidt zo overvloedig als de klei,

27:17 hij kan ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze dragen en de onschuldige zal het zilver verdelen.

27:18 Hij heeft zijn huis gebouwd zoals de spin zijn web, of zoals de stulp die de wachter heeft gemaakt.

27:19 Hij ligt rijk neer, maar nooit weer; hij opent zijn ogen, en hij is niet langer.

27:20 Verschrikkingen halen hem in als een overstroming; een wervelwind steelt hem weg in de nacht.

27:21 De oostenwind voert hem weg, en hij is verdwenen, want hij wervelt hem weg uit zijn plaats.

27:22 Want hij zal slingeren naar hem zonder te ontzien; hij zal zeker proberen te vluchten van zijn kracht.

27:23 Mannen zullen met hun handen over hem klappen en zullen hem van zijn plaats uitfluiten.

28:1-28

28:1 Zeker er is een mijn voor zilver en een plek waar zij goud verfijnen.

28:2 IJzer word uit het stof genomen, en uit steenrots wordt koper gesmolten.

28:3 De mens maakt een einde aan duisternis, en aan de verste grens zoekt hij de rotssteen uit in somberheid en diepe schaduw.

28:4 Hij vernietigd een schacht ver van bewoning, vergeten door de voet; zij hangen en schommelen heen en weer verre van mannen.

28:5 De aarde, vanuit haar komt spijs, en daaronder wordt zij omgekeerd als vuur.

28:6 Haar gesteente is de bron van saffieren, en haar stofjes bevatten goud.

28:7 Geen prooivogel weet het pad, evenmin heeft het valkenoog een aanblik hiervan opgevangen.

28:8 De hoogmoedige beesten hebben het niet betreden, evenmin heeft de woeste leeuw het overgestoken.

28:9 Hij legt zijn hand op de kiezelsteen; hij gooit de bergen aan de voet om.

28:10 Hij houwt kanalen uit door de rotsen, en zijn oog ziet iets kostbaars.

28:11 Hij damt de rivieren af (dat zij niet) overvloeien en wat verborgen is brengt hij aan het licht.

28:12 Maar waar kan wijsheid worden gevonden? en waar is de plaats van inzicht?

28:13 De mens kent haar waarde niet, ook wordt zij niet gevonden in het land van de levenden.

28:14 De diepte zegt,’Zij is niet in mij’; en de zee zegt,’Zij is niet bij mij.’

28:15 Puur goud kan niet worden gegeven in ruil voor haar, ook kan zilver niet worden afgewogen als haar prijs.

28:16 Zij kan niet worden gewaardeerd in het goud van Ophir, in kostbare onyx, of saffier.

28:17 Goud of glas kan haar niet evenaren ook kan zij niet worden ingewisseld tegen artikelen van fraai goud.

28:18 Koraal en kristal worden (naast haar) niet vermeld; en de verwerving van wijsheid is boven die van parels.

28:19 Het topaas van Ethiopië kan haar niet evenaren, ook kan zij niet worden gewaardeerd in puur goud.

28:20 Waar komt wijsheid dan vandaan? En waar is de plaats van inzicht?

28:21 Zo is zij verborgen voor de ogen van alle levenden en verstopt voor de vogels van de hemel.

28:22 Abaddon en dood zeggen, ‘Met onze oren hebben we van een gerucht van haar gehoord.’

28:23 Aloha begrijpt haar weg, en hij kent haar plaats.

28:24 Want hij kijkt naar de einden der aarde en ziet elk ding onder de hemelen.

28:25 Wanneer hij gewicht verleende aan de wind en de wateren opmat door mate,

28:26 Wanneer hij de limiet instelde voor de regen en de richting voor de bliksemflits,

28:27 toen zag hij haar en maakte haar bekend; hij vestigde haar en doorzocht haar ook.

28:28 En tot de mens zei hij,’Zie! de vreze des heren, dat is wijsheid; en af te wijken van kwaad is inzicht.'”

29:1-25

29:1 En Job pakte opnieuw zijn redevoering op en zei,

29:2 “Oh, dat ik was zoals in de voorbij-gegane maanden, zoals in de dagen toen Aloha over mij waakte;

29:3 Wanneer zijn lamp over mijn hoofd scheen, en door zijn licht wandelde ik door duisternis;

29:4 als ik in de bloei van mijn dagen was, wanneer de vriendschap van Aloha over mijn tent was;

29:5 wanneer de Almachtige nog met mij was, en mijn kinderen rondom mij waren;

29:6 wanneer mijn stappen waren gebaad in stroop, en de steenrots voor mij stromen van olie uitgoot!

29:7 wanneer ik uitging naar de poort van de stad, wanneer ik mijn zetel nam op het plein,

29:8 de jonge mannen zagen mij en verborgen zichzelf, de oude mannen rezen op en stonden.

29:9 De prinsen stopten met praten en legden hun handen op hun monden;

29:10 de stem van de edelen werd stil, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

29:11 Want wanneer het oor hoorde, noemde het me gezegend, en wanneer het oog zag, gaf het getuigenis van mij,

29:12 omdat ik de arme bevrijdde die om hulp riep, en de wees die geen helper had.

29:13 De zegen van degene ‘klaar om te vergaan’ kwam op mij, en ik deed de weduwe haar hart zingen van vreugde.

29:14 Ik trok gerechtigheid aan, en zij kleedde mij; mijn rechtvaardigheid was als een gewaad en een tulband.

29:15 Ik was ogen voor de blinde en voeten aan de kreupele.

29:16 Ik was een vader voor de behoeftigen, en ik onderzocht de zaak die ik niet kende.

29:17 Ik brak de kaken van de goddeloze en griste de prooi vanuit zijn tanden.

29:18 Toen dacht ik,’Ik zal sterven in mijn nest, en ik zal mijn dagen vermenigvuldigen als het zand.

29:19 Mijn wortel is verspreid naar de wateren, en dauw ligt de hele nacht op mijn tak.

29:20 Mijn heerlijkheid is steeds nieuw met mij, en mijn boog is vernieuwd in mijn hand.’

29:21 Naar mij luisterden ze en wachtten, en bewaarden stilte voor mijn raad.

29:22 Na mijn woorden spraken ze niet opnieuw, en mijn betoog druppelde over hen.

29:23 Want zij wachtten op mij zoals op de regen, en openden hun mond zoals naar de voorjaarsregen.

29:24 Ik glimlachte naar hen wanneer zij niet geloofden, en het licht van mijn aangezicht wierpen zij niet naar beneden.

29:25 Ik koos een weg voor hen en zat als een hoofd, en woonde als een koning onder de troepen, als één die de treurenden troostte.

30:1-31

30:1 Maar nu, die jongere dan ik, bespotten mij, wiens vaders ik versmaadt om bij de honden van mijn kudde te zetten.

30:2 Inderdaad, wat goeds was de kracht van hun handen aan mij? kracht was in hen uitgeput.

30:3 Van gebrek en schaarste zijn ze mager, die de droge grond afknagen, s’nachts, woeste en verwoeste,

30:4 die kaasjeskruid plukken bij de struiken, en wiens spijs de wortel is van de bezemstruik.

30:5 Ze zijn verdreven uit de gemeenschap; ze schreeuwen tegen hen als tegen een dief,

30:6 zo dat zij dwalen in vreselijke valleien, in de holen van de aarde en de rotsen.

30:7 Onder de struiken schreeuwen ze het uit; onder de netels zijn zij samen bijeengebracht.

30:8 Dwazen, gelijk diegenen zonder een naam, ze waren gekastijd uit het land.

30:9 En nu ben ik hun een aanfluiting geworden, ik ben zelfs een spotwoord aan hen geworden.

30:10 Zij verafschuwen mij en staan afzijdig van mij, en ze houden zich niet in om te spugen op mijn gezicht.

30:11 Omdat hij zijn zijn boogpees heeft losgelaten en mij gekweld, zij hebben het hoofdstel afgeworpen voor mijn aangezicht.

30:12 Aan de rechterhand staat hun kroost op; zij stoten mijn voeten opzij en bouwen hun wegen van vernietiging tegen mij op;

30:13 Zij breken mijn pad uit, zij profiteren van mijn ondergang; niemand houd hen in toom.

30:14 Als door een wijde breuk komen ze, te midden van de storm rollen zij verder.

30:15 Verschrikkingen worden gedraaid tegen mij; zij streven naar mijn eer als de wind, en mijn welvaart is heengegaan als een wolk.

30:16 En nu is mijn ziel uitgestort in mij; dagen van ellende hebben mij aangegrepen.

30:17 S’nachts doorboort het mijn botten in mij, en mijn knagende pijnen nemen geen rust.

30:18 Door een grote kracht is mijn kleding vervormd; het bind mij rondom als de kraag van mijn mantel.

30:19 Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben zo als stof en as geworden.

30:20 Ik schreeuw het uit naar u voor hulp, maar gij antwoord mij niet; ik sta op, en gij richt uw aandacht tegen mij.

30:21 U bent wreed geworden tegen mij; met de macht van uw hand vervolgt gij mij.

30:22 U tilt mij op tot bij de wind en doet mij rijden; en u lost mij in een storm.

30:23 Want ik weet dat u mij ter dood zult brengen en naar het huis van ontmoeting voor alle levenden.

30:24 Doch, zal niet één zijn hand uitstrekken in een puinhoop, of het daarom in zijn onheil uitschreeuwen voor hulp?

30:25 Heb ik niet gehuild voor degene wiens leven zwaar is? Was mijn ziel niet bedroefd voor de behoeftige?

30:26 Wanneer ik het goede verwachtte, toen kwam het kwade; wanneer ik op licht wachtte, toen kwam de duisternis.

30:27 Ik ben ziedend vanbinnen en kan niet ontspannen; dagen van ellende confronteren mij.

30:28 Ik ga rond rouwende zonder vertroosting; ik sta op in de samenkomst en schreeuw het uit om hulp.

30:29 Ik ben een broeder geworden van jakhalzen en een metgezel van struisvogels.

30:30 Mijn huid wordt zwart over mij, en mijn beenderen gloeien van de koorts.

30:31 Daarom, is mijn harp omgekeerd tot rouwklacht, en mijn pijpen tot het geluid van

degenen die schreien.”

31:1-40

31:1 “Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe kon ik dan mijn oog werpen op een maagd?

31:2 En wat is het deel van Aloha van boven of het erfdeel van de Almachtige van in de hoogte?

31:3 Is het geen ellende aan de onrechtvaardige en onheil aan degenen die ongerechtigheid bewerken?

31:4 Ziet hij niet mijn weg en telt hij niet al mijn stappen?

31:5 Indien ik heb gewandeld met onwaarheid, en mijn voet heb verhaast naar misleiding,

31:6 Laat hem mij wegen met nauwkeurige schalen, en laat Aloha mijn integriteit kennen.

31:7 Indien mijn stap omgekeerd is van de weg, of als mijn hart mijn ogen navolgde, of als een vlek aan mijn handen is gekleefd,

31:8 laat mij zaaien maar een ander eten, en laat mijn gewassen ontworteld worden.

31:9 Als mijn hart verleid is geworden door een vrouw, of ik op de loer heb gelegen aan mijn naaste’s deuropening,

31:10 moge mijn huisvrouw voor een ander malen, en laat anderen bij haar neerknielen.

31:11 Want dat zou een wellustige misdaad zijn; bovendien, zou het voor rechters een strafbare ongerechtigheid zijn.

31:12 Want het zou vuur zijn dat tot Abaddon verteert, en al mijn vermeerdering zou ontwortelen.

31:13 Zo ik de vordering van mijn mannelijke of vrouwelijke slaven heb veracht wanneer zij een klacht tegen mij indienden,

31:14 wat kan ik dan doen wanneer Aloha opstaat? En wanneer hij mij tot rekenschap roept, wat zal ik hem antwoordden?

31:15 Heeft niet hij die mij maakte in de baarmoeder, ook hem gemaakt, en dezelfde Ene ons in de baarmoeder gevormd?

31:16 Zo ik de arme heb weerhouden van hun begeerte, of ik de ogen van de weduwe heb doen falen,

31:17 of mijn mondjevol alleen heb gegeten, en de wees het niet heeft gedeeld

31:18 ( Maar vanuit mijn jeugd groeide hij op met mij als met een vader, en van kindsheid af geleide ik haar),

31:19 zo ik iemand heb zien omkomen bij gebrek aan kleding, of dat de behoeftige geen bedekking had,

31:20 zo zijn lendenen mij niet hebben bedankt, en zo hij niet is opgewarmd door de wol van mijn schapen,

31:21 zo ik mijn hand opgeheven heb tegen de wees, omdat ik in de poort ondersteuning had gezien,

31:22 laat mijn schouder uit de kom vallen, en mijn arm afgebroken worden bij de elleboog.

31:23 Want ellende van Aloha is een verschrikking voor mij, en vanwege zijn majesteit kan ik niets doen.

31:24 Zo ik mijn vertrouwen in goud had gesteld, en fijn goud mijn hoop noemde,

31:25 zo ik een wellustig blik had omdat mijn rijkdom groot was, en omdat mijn hand zo veel had vastgezet;

31:26 zo ik had gekeken naar de zon wanneer zij scheen of naar de maan in pracht voortgaande,

31:27 en mijn hart heimelijk verleid werd, en mijn hand een kus van mijn mond wierp,

31:28 ook dat zou een ongerechtigheid zijn geweest roepende naar oordeel, want ik zou Aloha hierboven hebben verloochent.

31:29 Heb ik mij verheugd bij de ondergang van mijn vijand, of gejuicht wanneer het kwaad hem overkwam?

31:30 Nee, ik heb mijn mond niet toegestaan om te zondigen, door om zijn leven te vragen, in een vloek.

31:31 Hebben de mannen van mijn tent niet gezegd,’Wie kan één vinden die niet voldaan is geweest van zijn vlees’?

31:32 De vreemdeling heeft niet buiten gelogeerd, want ik heb voor de reiziger mijn deuren geopend .

31:33 Heb ik gelijk Adam mijn overtredingen bedekt, door mijn ongerechtigheid in mijn boezem te verbergen,

31:34 omdat ik de grote menigte vreesde, en de minachting van huisgezinnen mij verschrikte, en stilzwijgen bewaarde en niet buitenshuis ging?

31:35 Oh, dat ik één had om mij te horen! Zie, hier is mijn handtekening; laat de Almachtige mij antwoordden! En de aanklacht die mijn tegenstander heeft geschreven,

31:36 stellig zou ik het op mijn schouder dragen, ik zou het op mezelf binden als een kroon.

31:37 Ik zou het aantal van mijn stappen aan hem bekendmaken; als een prins zou ik hem benaderen.

31:38 Zo mijn land tegen mij uitschreeuwt, en haar groeven samen schreien;

31:39 zo ik haar vrucht heb gegeten zonder geld, of haar eigenaren hun levens heb doen verliezen,

31:40 laat wilde rozen groeien in plaats van tarwe, en doornappel in plaats van gerst “. De woorden van Job zijn beëindigd.

32:1-22

32:1 Vervolgens, deze drie mannen stopten om Job te beantwoorden, omdat hij rechtvaardig in eigen ogen was.

32:2 Maar de verbolgenheid van Elihu de zoon van Barachel de Buzite, van de familie van Ram ontbrande; tegen Job ontbrande zijn verbolgenheid omdat hij zichzelf voor Aloha rechtvaardigde.

32:3 En zijn verbolgenheid ontbrande tegen zijn drie vrienden omdat zij geen antwoord hadden gevonden, en zij Job verdoemd hadden.

32:4 Nu, Elihu had gewacht om tot Job te spreken omdat zij jaren ouder waren dan hij.

32:5 En toen Elihu zag dat er geen antwoord was in de mond van de drie mannen ontbrande zijn verbolgenheid.

32:6 Dus, Elihu de zoon van Barachel de Buzite sprak zich uit en zei,” Ik ben jong in jaren en

gij zijt oud; daarom was ik verlegen en bang om u te vertellen wat ik denk.

32:7 Ik dacht ‘de leeftijd moet spreken’ en ‘de toename der jaren moet wijsheid onderwijzen’.

32:8 Maar het is ‘een geest in de mens’ en ‘de adem van de Almachtige’ geeft hen inzicht.

32:9 De overvloedige in jaren kan niet wijs zijn, noch kunnen ouderlingen gerechtigheid begrijpen.

32:10 Dus zeg ik,’Luister naar mij, ik zal ook vertellen wat ik denk.’

32:11 Zie! ik wachtte op uw woorden, ik luisterde naar uw redeneringen, terwijl gij overdacht wat te zeggen.

32:12 Ik besteedde zelfs veel aandacht aan u; inderdaad, er was niet één die Job weerlegde, niet één van u die zijn woorden beantwoordde.

32:13 Zeg niet,’Wij hebben wijsheid gevonden; Aloha zal hem omwroeten, geen mens.’

32:14 Want hij heeft zijn woorden niet gevestigd tegen mij, noch zal ik hem weder-antwoorden met uw argumenten.

32:15 Ze zijn verbijsterd, ze beantwoorden niet langer; woorden hebben hun ontbroken.

32:16 Zal ik wachten, omdat zij niet spreken, omdat zij stopten en niet langer beantwoordden?

32:17 Ik zal ook mijn deel beantwoordden, ik zal ook mijn mening zeggen.

32:18 Want ik ben vol van woorden; de geest in mij dwingt mij.

32:19 Zie, mijn buik is als niet geventileerde wijn, zoals nieuwe wijnzakken, hij is zowat barstende.

32:20 Laat mij spreken zodat ik opluchting kan verkrijgen; laat mij mijn lippen openen en antwoordden.

32:21 Laat me nu aan niet één partijdig zijn, noch enig mens flikvlooien.

32:22 Want ik weet niet hoe te flikvlooien, anders zou mijn Schepper mij spoedig wegnemen.

33:1-33

33:1 ” Nu echter, o Job, alsjeblieft, hoor mijn rede, en luister naar al mijn woorden.

33:2 Zie nu, ik open mijn mond, mijn tong in mijn mond spreekt.

33:3 Mijn woorden zijn uit de rechtschapenheid van mijn hart, en mijn lippen spreken oprechte kennis.

33:4 De geest van Aloha heeft mij gemaakt, en de adem van de Almachtige geeft mij leven.

33:5 Weerleg me als je kan; stel jezelf op voor mij, neem uw positie.

33:6 Zie, ik behoor aan Aloha zoals u, ook ik ben gevormd van uit het leem.

33:7 Zie, geen angst voor mij moet u verschrikken, noch moet mijn drukking zwaar op u wegen.

33:8 Gij hebt immers gesproken in mijn gehoor, en ik heb het geluid gehoord van uw woorden:

33:9 ‘Ik ben puur, zonder overtreding; ik ben onbedorven en er is geen misdaad in mij.

33:10 Zie hij bedenkt voorwendsels tegen mij; hij rekent mij als zijn vijand.

33:11 Hij zet mijn voeten in de blokken; hij let op al mijn paden.’

33:12 Zie, laat mij u vertellen, gij zijt niet rechtvaardig hierin, want Aloha is groter dan de mens.

33:13 Waarom klaagt gij tegen hem; opdat hij niet een verslag geeft van al zijn doen en laten?

33:14 Inderdaad, Aloha spreekt eenmaal, of tweemaal, nochtans merkt niet één het op.

33:15 In een droom, in een gezicht van de nacht, wanneer gezonde slaap over de mensen valt, terwijl ze sluimeren in hun bedden,

33:16 Vervolgens opent hij de oren van mensen, en verzegelt hun richtlijn,

33:17 Opdat hij de mens van zijn handelwijze zou afkeren, en de mens van hoogmoed bewaren;

33:18 Hij weerhoudt zijn ziel van de put, en zijn leven van de overgang naar Sheol.

33:19 De mens wordt ook gekastijd met pijn op zijn bed, en met niet aflatende klachten in zijn botten;

33:20 zodat zijn leven brood verafschuwt, en zijn ziel lievelingseten.

33:21 Zijn vlees kwijnt weg uit het zicht, en zijn botten, die niet werden gezien, steken uit.

33:22 Vervolgens trekt zijn ziel naar de put, en zijn leven naar datgene die dood brengt.

33:23 Wanneer er een engel is als bemiddelaar voor hem, één vanuit de duizend, om de mens te herinneren wat goed voor hem is,

33:24 laat hem dan genadig zijn aan hem, en zeggen,’ verlos hem van het neer gaan naar de put, ik heb een losprijs gevonden’;

33:25 laat zijn vlees frisser worden dan in zijn jeugd, laat hem terugkeren naar de dagen van zijn jeugdige kracht;

33:26 dan zal hij bidden tot Aloha, en hij zal hem accepteren, opdat hij zijn aangezicht kan zien met vreugde, en hij zijn gerechtigheid kan herstellen aan de mens.

33:27 Hij zal zingen voor mensen en zeggen,’Ik heb gezondigd en verdraaid wat recht is, en het is niet goed voor mij.

33:28 Hij heeft mijn ziel verlost van het neergaan naar de put, en mijn leven zal het licht zien.’

33:29 Zie, Aloha doet al deze dingen veel-keer met de mens,

33:30 om zijn ziel terug te brengen van de put, dat hij verlicht kan worden met het licht van het leven.

33:31 Let op, O Job, luister naar mij; bewaar de stilte, en laat mij spreken.

33:32 Vervolgens, indien gij iets te zeggen hebt, antwoord mij; spreek, want ik verlang om u te rechtvaardigen.

33:33 Indien niet, luister naar mij; bewaar de stilte, en ik zal u wijsheid leren.”

34:1-37

34:1 “Vervolgens, Elihu vervolgde en zei,

34:2 Hoor mijn woorden, gij wijze mannen, en luister naar mij, jullie die kennen.

34:3 Want het oor beproeft woorden zoals het gehemelte voedsel proeft.

34:4 Laten we kiezen voor onszelf wat recht is; laat ons kennen onder onszelf wat goed is.

34:5 Want Job heeft gezegd, ‘ Ik ben rechtvaardig, maar Aloha heeft mijn recht weggenomen;

34:6 Moet ik liegen betreffende mijn recht? Mijn kwetsuur is ongeneeslijk, hoewel ik zonder overtreding ben.’

34:7 Wat mens is gelijk Job die spot opdrinkt gelijk water,

34:8 die in gezelschap gaat met de werkers van ongerechtigheid, en wandelt met zondige

mensen?

34:9 Want hij heeft gezegd,’Het baat een mens niets wanneer hij verheugd is met Aloha.’

34:10 Daarom, luister naar mij, gij mensen van verstand.Verre zij het van Aloha om goddeloosheid te doen, en van de Almachtige om onrecht te doen.

34:11 Want hij vergoed een mens volgens zijn werk, en doet het hem vinden volgens zijn weg.

34:12 Zeker, Aloha zal niet goddeloos handelend optreden, en de Almachtige zal gerechtigheid niet verdraaien.

34:13 Wie heeft hem autoriteit over de aarde gegeven? En wie heeft hem de hele wereld aangeboden?

34:14 Indien hij zou bepalen om zo te doen, indien hij zijn geest en zijn adem tot zichzelf zou verzamelen,

34:15 alle vlees zou samen vergaan, en de mens zou tot stof terugkeren.

34:16 Maar indien gij verstand hebt, hoor dit; luister naar het klinken van mijn woorden.

34:17 Zou één die een hekel heeft aan gerechtigheid regeren? En zult gij de Rechtvaardige Machtige verdoemen,

34:18 die zegt tot een koning,’Waardeloze’, en tot edelen,’Goddelozen’;

34:19 die geen partijdigheid bewijst aan vorsten noch de rijke boven de arme acht, want zij zijn allen het werk van zijn handen?

34:20 In één moment sterven zij, en om middernacht wordt een volk geschud en gaat heen, en de machtige wordt zonder een hand weggehaald.

34:21 Want zijn ogen zijn op de wegen van een mens, en hij ziet al zijn stappen.

34:22 Er is geen duisternis of diepe schaduw waar de werkers van ongerechtigheid zichzelf kunnen verbergen.

34:23 Want hij hoeft een mens niet verder na te gaan, dat hij voor Aloha in oordeel zou gaan.

34:24 Hij breekt machtige mannen in stukken zonder onderzoek, en hij stelt anderen in hun plaats.

34:25 Daarom kent hij hun werken, en hij werpt hun omver in de nacht, en zij worden verpletterd.

34:26 Hij slaat ze gelijk de goddelozen in een openbare plaats,

34:27 omdat zij waren afgeweken van het volgen van hem, en aan welke dan ook van zijn wegen geen aandacht gaven;

34:28 zodat zij de schreeuw van de armen lieten om tot hem te komen, en dat hij de schreeuw van de gekwelden zou horen,

34:29 wanneer hij stilte bewaart, wie kan dan veroordelen ? En wanneer hij zijn gezicht verbergt, wie kan hem dan zien, dat is, met betrekking tot zowel volk als mens?

34:30 Zo dat de goddeloze mens niet zou heersen noch valstrikken zijn van het volk.

34:31 Want heeft iemand gezegd tot Aloha,’Ik heb straf gedragen, ik zal geen aanstoot meer geven;

34:32 Leer mij wat ik niet zie; wanneer ik ongerechtigheid heb gedaan, ik zal het niet weer doen’?

34:33 Zal hij vergelden op uw voorwaarden, omdat gij het hebt verworpen? Want gij moet kiezen, en niet ik; daarom maak bekend wat ge weet.

34:34 Mensen van verstand zullen tegen mij zeggen, en een wijs man die mij hoort,

34:35 ‘Job spreekt zonder kennis, en zijn woorden zijn zonder wijsheid.

34:36 Job moet worden getest tot het uiterste, omdat hij antwoordde gelijk goddeloze mensen.

34:37 Want hij voegt rebellie toe aan zijn zonde; hij klapt in zijn handen onder ons, en vermenigvuldigt zijn woorden tegen Aloha.'”

35:1-16

35:1 Vervolgens, Elihu vervolgde en zei,

35:2 gij denkt ‘dit is volgens gerechtigheid’? Gij zegt, ‘Mijn gerechtigheid is meerder dan Aloha’s?’

35:3 Want gij zegt,’Wat voordeel zal het zijn aan u? Wat baat zal ik hebben, meer dan als ik had gezondigd?’

35:4 Ik zal u antwoordden, en uw vrienden met u.

35:5 Kijk naar de hemelen en zie; en aanschouw de wolken, zij zijn hoger dan u.

35:6 Indien je hebt gezondigd, wat bereikte je tegen hem? En indien uw overtredingen vele zijn, wat doet gij hem?

35:7 Indien je rechtvaardig bent, wat geef je aan hem, of wat ontvangt hij vanuit uw hand?

35:8 Uw goddeloosheid is voor een mens zoals jijzelf, en uw gerechtigheid is voor een zoon des mensen.

35:9 Vanwege het grote aantal van onderdrukkingen schreeuwen zij; ze schreeuwen om hulp vanwege de arm van de machtigen.

35:10 Maar niet één zegt,’Waar is Aloha mijn maker, die gezangen geeft in de nacht,

35:11 die ons meer leert dan de beesten van de aarde en ons wijzer maakt dan de vogels van de hemelen?’

35:12 Ziedaar! schreeuwen zij, maar hij antwoordt niet vanwege de hoogmoed van booze mensen.

35:13 Immers, Aloha zal niet horen naar een lege kreet, evenmin zal de Almachtige zich bekommeren daarom.

35:14 Hoeveel te minder wanneer gij zegt: gij aanschouwt hem niet, de zaak is voor zijn aangezicht, en gij moet wachten op hem!

35:15 En nu, omdat hij niet in zijn toorn heeft bezocht, evenmin heeft hij zonde (als) goed erkend,

35:16 zo opende Job zijn mond met leegte; hij vermenigvuldigde woorden zonder kennis.”

36:1-33

36:1 Vervolgens, Elihu vervolgde en zei,

36:2 ‘Wacht een beetje op mij, en ik zal u laten zien dat er nog meer gezegd wordt in God’s naam.

36:3 Ik zal mijn kennis halen uit de verte, en ik zal gerechtigheid toeschrijven aan mijn Maker.

36:4 Want waarlijk, mijn woorden zijn niet onwaar; één die perfect is in kennis, is met u.

36:5 Zie! Aloha is almachtig maar veracht niet één; hij is almachtig in kracht van begrip.

36:6 Hij houdt de goddelozen niet in leven, maar geeft recht aan de gekwelden.

36.7 Hij trekt zijn ogen niet terug van de rechtvaardigen; maar met koningen op de troon

heeft hij hun doen zitten, voor altijd, en ze zijn verheven.

36:8 En indien ze zijn gebonden in boeien, en worden gevangen in de koorden van ellende,

36:9 dan maakt hij hun werk aan hen bekend en hun overtredingen, omdat zij zichzelf hebben vergroot.

36:10 Hij opent hun oren ter onderricht, en gebied dat zij zich afkeren van het kwaad.

36:11 Als ze horen en hem dienen, zullen zij hun dagen eindigen in voorspoed en hun jaren in geneugten.

36:12 Maar wanneer ze niet horen, zullen zij verloren gaan door het zwaard en ze zullen sterven zonder kennis.

36:13 Maar de goddelozen van hart leggen toorn op ; ze schreeuwen niet om hulp wanneer hij hun bind.

36:14 Ze sterven in jeugdigheid, en hun leven gaat ten onder tussen de tempel prostituees.

36:15 Hij verlost de gekwelden in hun benauwing, en opent hun oren in tijden van onderdrukking.

36:16 Vervolgens, Immers, lokte hij u uit de mond van ellende, in plaats van dit, een ruime plaats met geen dwang; en dat die op uw tafel was gezet was vol van vetheid.

36:17 Maar jullie waren vol van oordeel over de goddelozen; oordeel en gerechtigheid houden u gevangen.

36:18 Pas op dat gramschap u niet verleidde tot spotternij; en laat de grootheid van het rantsoen u niet afwenden.

36:19 Zal uw rijkdom u behouden van ellende, of alle geweld van uw sterkte?

36:20 Verlangt niet naar die nacht, wanneer volken verdwijnen uit hun plaats.

36:21 Pas op, wend u niet naar het kwaad, want gij hebt dit de voorkeur gegeven aan ellende.

36:22 Zie! Aloha is verheven in zijn kracht; wie is een leraar gelijk hem?

36:23 Wie heeft hem zijn weg aangewezen, en wie heeft gezegd,’Gij hebt onrecht gedaan’?

36:24 Vergeet niet dat gij zijn werk moet verhogen, van welke mensen hebben gezongen.

36:25 Alle mensen hebben het gezien; de mens aanschouwt van verre.

36:26 Zie! Aloha is verheven, en we begrijpen hem niet; het aantal van zijn jaren is ondoorgrondelijk.

36:27 Want hij trekt de druppels van water op, ze verdampen vanuit de nevel tot regen,

36:28 die de wolken neerwaarts gieten, ze druppelen overvloedig neer op de mens.

36:29 Kan iemand de uitspreiding van de wolken verstaan, het kolossale van zijn koepel?

36:30 Zie! hij spreid zijn bliksem over hem uit, en hij bedekt de diepten van de zee.

36:31 Want daardoor oordeelt hij volkeren; hij geeft spijs in overvloed.

36:32 Hij omhult zijn handen met het hemelvuur, en beveelt het om het merk te slaan.

36:33 haar ruis verklaart zijn aanwezigheid; ook het vee, betreffende wat op komst is.

37:1-24

37:1 Bovendien beeft mijn hart hierover, en springt op vanuit zijn plaats.

37:2 Luister aandachtig naar het gedaver van zijn stem, en het gerommel dat uit zijn mond uitgaat.

37:3 Onder de gehele hemel laat hij het los, en zijn hemelvuur tot aan de einden van de aarde.

37:4 Daarna, een stem brult; hij dondert met zijn majestueuze stem, en hij bedwingt de bliksemschichten niet wanneer zijn stem wordt gehoord.

37:5 Aloha dondert wonderlijk met zijn stem, doet grote dingen die wij niet kunnen begrijpen.

37:6 Want tot de sneeuw zegt hij,’Val op de aarde,’ en tot de neerslag en de regen,’Zijt sterk.’

37:7 Hij verzegelt de hand van elke mens, opdat alle mensen zijn werk zullen kennen.

37:8 Vervolgens het beest gaat in zijn ligplaats en blijft in zijn hol.

37:9 Vanuit het zuiden komt de storm, en vanuit het noorden de koude.

37:10 Door de adem van Aloha word ijs gemaakt, en wordt de uitgestrektheid van de wateren bevroren.

37:11 Ook belast hij de dikke wolk met condens; hij verspreidt de wolk van zijn hemelvuur.

37:12 Het veranderd van richting, ronddraaiende door zijn leiding, opdat het zou doen al wat hij het gebied op het aangezicht van de bewoonde aarde.

37:13 Hetzij tot correctie, of voor zijn aardrijk, of voor goedertierenheid, hij zorgt dat het gebeurt.

37:14 Luister naar dit, O Job, ga staan en overweeg de wonderen van Aloha.

37:15 Weet jij hoe Aloha hun tot stand bracht, en het hemelvuur van zijn wolk doet schijnen?

37:16 Weet jij betreffende de lagen van de dikke wolken, de wonderen van één die perfect is in kennis,

37:17 gij wiens gewaden snikheet worden, wanneer het land stil is vanwege de zuidenwind?

37:18 Kan je, met hem, de hemelen uitspreiden, strak als een gesmolten spiegel?

37:19 Leer ons wat we zullen zeggen tot hem; we kunnen onze zaak niet in orde brengen vanwege de duisternis.

37:20 Zal het hem worden verteld dat ik zo spreken zou? of moet een mens zeggen dat hij zal worden opgeslokt?

37:21 Nu zien mensen het licht niet welks helder in de hemelen is; maar de wind is gepasseerd en heeft hen gewist.

37:22 Vanuit het noorden komt gouden pracht; rond Aloha is ontzagwekkende majesteit.

37:23 De Almachtige, wij kunnen hem niet vinden; hij is verheven in kracht en hij zal geen geweld doen tot gericht en overvloedige gerechtigheid.

37:24 Daarom vrezen de mensen hem; hij aanziet niet om het even welke van hen die verstandig van hart zijn.”

38:1-38

38:1 Vervolgens, Maryah antwoordde Job vanuit de wervelwind en zei,

38:2 “wie is deze die de raad vertroebelt door woorden zonder kennis?

38:3 Nu, omgord uw lendenen gelijk een mens, en ik zal u vragen, en gij onderricht mij!

38:4 Waar was jij toen ik het fundament der aarde legde? Vertel mij, indien gij verstand hebt,

38:5 Wie stelde haar afmetingen in? Aangezien gij weet. Of wie heeft over haar de lijn uitgespannen?

38:6 Op wat werden haar fundamenten verzonken? Of wie legde haar hoeksteen,

38:7 wanneer de morgensterren samen zongen en al de zonen van Aloha juichten van vreugde?

38:8 Wie sloot de zee met poorten af, wanneer, zij uitbarstte, kwam zij van den schoot uit;

38:9 wanneer ik een wolk tot haar kledingstuk maakte en de dikke duisternis tot haar zwachtel-doek,

38:10 en ik zette grenzen uit over haar en plaatste een grendel en poorten,

38:11 en ik zei,’ Zo ver zult gij komen, maar niet verder; en zullen hier uw hoogmoedige golven stoppen’?

38:12 Hebt gij ooit in uw leven de morgen geboden, en de dageraad gemaakt om zijn plaats te weten,

38:13 opdat hij greep moge hebben op de einden van de aarde, en de goddelozen van haar afgeschud worden?

38:14 Zij worden veranderd zoals leem onder de zegel; en zij staan als een gewaad.

38:15 Van de goddelozen wordt hun licht weerhouden, en de opgeheven arm wordt gebroken.

38:16 Hebt gij binnengedrongen in de bronnen van de zee, of gewandeld in de uitsparingen van de diepte?

38:17 Hebben de poorten van de dood aan u geopenbaard, of hebt gij de poorten van diepe duisternis gezien?

38:18 Hebt gij de uitgestrektheid van de aarde begrepen? Vertel mij, indien gij dit alles weet.

38:19 Waar is de weg naar de woning van het licht? En de duisternis, waar is haar plaats,

38:20 zodat gij het kunt meenemen naar haar territorium en zodat gij de paden naar haar thuis kunt waarnemen?

38:21 Gij weet het, want gij waart toen geboren, en het aantal van uw dagen is groot!

38:22 Hebt gij de stapelhuizen van de sneeuw betreden, of hebt gij de stapelhuizen van de hagel gezien,

38:23 die ik heb voorbehouden voor de tijd van ellende, voor de dag van oorlog en strijd?

38:24 Waar is de weg, dat het licht wordt verdeeld, en de oosten wind zich verstrooit over de aarde?

38:25 Wie heeft een kanaal gespleten voor de overstroming, of een weg voor de bliksemflits,

38:26 om regen te brengen op een land zonder volk, op een woeste plaats zonder een mens daarin,

38:27 om het woeste en troosteloze land te verzadigen en om de zaden van het gras te doen ontkiemen?

38:28 Heeft de regen een vader? Of wie heeft de druppels van dauw verwekt?

38:29 Uit wiens schoot is het ijs gekomen? En de rijm van de hemel, wie heeft het geboorte gegeven?

38:30 Water wordt hard als steen, en het oppervlak van de diepte wordt opgesloten.

38:31 Kunt gij de kettingen van Pleiades binden, of de koorden van Orion lossen?

38:32 Kunt gij een constellatie in zijn seizoen leiden, en de beer met haar satellieten geleiden?

38:33 Ken jij de verordeningen des hemels, of kunt gij haar heerschappij boven de aarde bepalen?

38:34 Kunt gij uw stem verheffen naar de wolken, zo dat een overvloed aan water u zal bedekken?

38:35 Kunt gij de bliksemschichten voor-uit-zenden dat zij kunnen gaan en tot u zeggen,’Hier zijn we’?

38:36 Wie heeft wijsheid in het diepste wezen gelegd of verstand gegeven aan de geest?

38:37 Wie kan de wolken tellen door wijsheid, of de waterpotten des hemelen kantelen,

38:38 wanneer de stof verhardt tot een massa en de kluiten aan elkaar plakken?

38:39 Kunt gij de prooi jagen voor de leeuw, of de eetlust voldoen van de jonge leeuwen,

38:40 wanneer zij in hun holen in elkaar duiken en op de loer liggen in hun leger?

38:41 Wie bereidt voor de raaf haar voeding wanneer haar jong tot Aloha schreeuwt en zowat rondzwerft zonder voedsel?

39:1-30

39:1 Ken jij de tijd dat de berggeiten geboorte geven? Observeer jij het kalveren van het hert?

39:2 Kunt gij de maanden rekenen die zij vervullen, of kent gij de tijd dat zij geboorte geven?

39:3 Ze knielen neer, ze brengen hun jong voort, ze ontdoen zich van hun arbeidspijnen.

39:4 Hun nakomelingen worden sterk, ze groeien op in het open veld; ze verlaten en keren niet naar hen terug.

39:5 Wie zond de wilde ezel vrij uit? En wie ontbond de banden van de snelle ezel,

39:6 aan wie ik de wildernis tot een huis gaf en het zout land tot zijn woning?

39:7 Hij veracht het tumult van de stad, het geschreeuw van de drijver hoort hij niet.

39:8 Hij verkent de bergen voor zijn verweiding en zoekt naar elk groen ding.

39:9 Zal de wilde os toestemmen om u te dienen, of zal hij de nacht doorbrengen aan uw voerbak?

39:10 Kunt gij de wilde os met touwen in een voor binden, of zal hij de valleien achter u eggen?

39:11 Zult gij hem vertrouwen omdat zijn kracht groot is en uw gezwoeg aan hem laten?

39:12 Zult gij geloof hebben in hem dat hij uw graan zal terugkeren en het van uw dorsvloer zal vergaren?

39:13 De struisvogel vleugels flapperen vrolijk met de slagpen en verenkleed der liefde,

39:14 want zij legt haar eieren af ter aarde en verwarmt hen in het stof,

39:15 en zij vergeet dat een voet hen kan verpletteren, of dat een wild beest hen kan vertrappen.

39:16 Ze behandeld haar jongen wreed, alsof ze niet de hare waren, hoewel haar arbeid tevergeefs is, is zijn onbezorgd;

39:17 Omdat Aloha haar de wijsheid heeft doen vergeten, en haar niet een deel van verstand heeft gegeven.

39:18 Wanneer ze zichzelf verheft in de hoogte, lacht ze om het paard en zijn rijder.

39:19 Geef jij het paard zijn kracht? Bekleed jij zijn nek met manen?

39:20 Doe jij hem springen als de sprinkhaan? Zijn majestueuze gesnuif is verschrikkelijk.

39:21 Hij klauwt in de vallei, en verheugt zich in zijn kracht; hij gaat uit om de gepantserde te ontmoeten.

39:22 Hij lacht om angst en is niet ontzet; en hij keert niet om naar het zwaard.

39:23 De koker rammelt tegen hem, de flitsende lans en de werpspies.

39:24 Met geschud en geraas rent hij over de grond, en hij staat niet stil bij de stem van de bazuin.

39:25 Zo vaak als de bazuin klinkt zegt hij ‘iha!’ en hij ruikt de slag van verre, en het gebulder

van de kapiteins en de oorlogskreet.

39:26 Is het door uw verstand dat de havik zweefvliegt, en zijn vleugels uitstrekt naar het zuiden?

39:27 Is het op uw bevel dat de adelaar opklimt en zijn nest hoog op maakt?

39:28 Op de klif woont en overnacht hij, op de wankele rots en de ontoegankelijke plaats.

39:29 Van daaruit beloert hij spijs; zijn ogen zien het uit de verte.

39:30 Zijn jongen zuigen ook bloed op; en waar de doden zijn, daar is hij.”

40:1-24

40:1 Vervolgens, Maryah zei tot Job,

40:2 “Zal de foutenvinder met de Almachtige strijden? Laat hem die Aloha terechtwijst het beantwoorden.

40:3 Vervolgens, Job antwoordde Maryah en zei,

40:4 Zie! Ik ben onbelangrijk; wat kan ik tot u beantwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.

40:5 Eenmaal heb ik gesproken, en ik zal niet antwoordden; zelfs tweemaal, en ik zal niets meer toevoegen.

40:6 Vervolgens, Maryah antwoordde Job vanuit de storm en zei,

40:7 omgordt nu uw lendenen als een man, ik zal u vragen, en gij mij onderrichten.

40:8 Zult gij mijn oordeel echt nietig verklaren? Zult gij mij veroordelen opdat gij gerechtvaardigd moogt zijn?

40:9 Of hebt gij een arm gelijk Aloha, en kunt gij bulderen met een stem als de Zijne?

40:10 Tooi uzelf met uitmuntendheid en waardigheid, en bekleed uzelf met eer en majesteit.

40:11 Giet de overvloed van uw boosheid uit, en zie op iedereen die hoogmoedig is, en maak hem nederig.

40:12 Zie op iedereen die hoogmoedig is, en vernedert hem, en vertreed de goddelozen waar ze staan.

40:13 Verbergt hen samen in het stof; bind hen in de verborgen plaatsen.

40:14 Vervolgens, zal ook ik aan u belijden, dat uw eigen rechterhand u redden kan.

40:15 Zie nu! Behemoth, welke ik maakte, net zoals u; hij eet gras gelijk een os.

40:16 Zie nu! zijn kracht in zijn lendenen en zijn macht in de spieren van zijn buik.

40:17 Hij kromt zijn staart gelijk een ceder; de zenuwen van zijn dijen zijn samengevlochten.

40:18 Zijn botten zijn buizen van brons; zijn ledematen zijn als staven van ijzer.

40:19 Hij is de eerste van de wegen van Aloha; laat zijn maker zijn zwaard nabij brengen.

40:20 Immers brengen de bergen hem voeder, en al de beesten van het veld spelen daar.

40:21 Onder de lotusplanten ligt hij neer, in de schuilplaats van de rietstengels en het moeras.

40:22 De lotusplanten bedekken hem met schaduw; de wilgen van de beek omringen hem.

40:23 Als een rivier raast, is hij niet gealarmeerd; hij is vol zelfvertrouwen, hoewel de Jordaan naar zijn mond snelt.

40:24 Kan iemand hem vangen wanneer hij op de uitkijk ligt, kan iemand zijn neus doorboren met weerhaken?

41:1-34

41:1 Kunt gij Leviathan wegtrekken met een vishaak? Of zijn tong neerdrukken met een koord?

41:2 Kunt gij een touw door zijn neus steken, of zijn kaak doorboren met een haak?

41:3 Zal hij vele smeekbeden maken aan u, of zal hij zachte woorden spreken tot u?

41:4 Zal hij een verbond met u maken? zult gij hem als een dienaar aannemen voor eeuwig?

41:5 Zult gij met hem spelen zoals met een vogeltje, of zult gij hem voor uw maagden binden?

41:6 Zullen de handelaars over hem afdingen? Zullen zij hem verdelen onder de kooplieden?

41:7 Kunt gij zijn huid met harpoenen vullen, of zijn hoofd met visserij-spiesen?

41:8 Leg uw hand op hem; gedenk de strijd; gij zult het niet weer doen!

41:9 Zie! uw verwachting is onjuist; zult gij ook neder-gelegd worden bij de aanblik van hem?

41:10 Niet één is zo woest dat hij hem durft op te wekken; wie is hij dan die voor mij kan staan?

41:11 Wie heeft aan mij verleend dat ik hem zou vergelden? Wat er ook onder de ganse hemel is, is het Mijne.

41:12 Ik zal geen stilte bewaren betreffende zijn ledematen, of zijn machtige kracht, of zijn ordelijke bouw.

41:13 Wie kan zijn buitenste pantser afstropen? Wie kan in zijn dubbele bepantsering in komen

41:14 Wie kan de deuren openen van zijn aangezicht? Rondom zijn tanden is er terreur.

41:15 Zijn sterke schubben zijn zijn trots, toegesloten als met een waterdicht zegel.

41:16 De ene is zo dicht bij de andere dat er geen lucht tussen hen kan komen.

41:17 Zij zijn samengevoegd de één bij de ander; zij klampen elkaar aan en kunnen niet worden gescheiden.

41:18 Zijn niezen doet lichtflitsen uitgaan, en zijn ogen zijn als de oogleden van de morgenstond.

41:19 Vanuit zijn mond gaan brandende fakkels; vonken van vuur springen tevoorschijn.

41:20 Vanuit zijn neusgaten komt rook zoals vanuit een kokende pot en brandende biezen.

41:21 Zijn adem ontsteekt kolen, en een vlam gaat voort uit zijn mond.

41:22 In zijn nek herbergt sterkte, en voor hem springt de wanhoop op.

41:23 De plooien van zijn vlees zijn samengevoegd, vastberaden en onwrikbaar op hem .

41:24 Zijn hart is zo hard als een steen, zelfs zo hard als de onderste molensteen.

41:25 Wanneer hij zichzelf omhoog heft, vrezen de machtigen; vanwege het kraken zijn zij verbijsterd.

41:26 Het zwaard dat hem bereikt zal niet baten, noch de speer, de pijl en de werpspies.

41:27 Hij beschouwt ijzer als stro, brons als rot hout.

41:28 De pijl kan hem niet doen vluchten; slingerstenen worden voor hem omgevormd tot stoppels.

41:29 Knuppels worden beschouwd als stoppels; hij lacht naar het gekletter van de werpspies.

41:30 Zijn onderste delen zijn gelijk scherpe potscherven; hij spreidt zich uit als een dors-slede op het slijk.

41:31 Hij doet de diepten koken gelijk een pot; hij maakt de zee gelijk een pot van zalf.

41:32 Achter hem maakt hij een kielzog om te schitteren; men zou de diepte grijsharig

achten.

41:33 Niets op aarde is gelijk hem, één zonder angst gemaakt.

41:34 Hij ziet uit over alles dat hoog is; hij is koning over alle zonen van hoogmoed.”

42:1-

42:1 Vervolgens, Job antwoordde Maryah en zei,

42:2 “ik weet dat Gij alle dingen kunt doen, en dat geen doel van U kan worden gedwarsboomd.

42:3 Wie is deze die raad verbergt zonder kennis? Daarom heb ik datgene verklaard die ik niet begreep, dingen te wonderbaar voor mij, waarvan ik niet wist.”

42:4 Hoort, nu, en ik zal spreken; ik zal U vragen,en Gij onderwijst mij.

42:5 Ik heb gehoord van U door het horen van het oor; maar nu ziet mijn oog U;

42:6 Daarom trek ik me terug, en ik berouw in stof en as.

42:7 Het kwam ongeveer nadat Maryah deze woorden had gesproken aan Job, dat Maryah zei tot Eliphaz de Temanite,’ Mijn toorn is tegen u ontbrand en tegen uw twee vrienden, omdat gij van Mij niet recht hebt gesproken gelijk mijn dienaar Job heeft gedaan.

42:8 Nu, daarom, neem voor uzelf zeven stieren en zeven rammen, en ga naar mijn dienaar Job, en offer een een brandoffer voor uzelf, en mijn dienaar Job zal voor u bidden. Want ik zal hem accepteren zodat ik niet zal doen met u naargelang uw dwaasheid, omdat gij van Mij niet hebt gesproken wat recht is, gelijk mijn dienaar Job heeft gedaan.”

42:9 Dus gingen Eliphaz de Temanite en Bildad de Shuhite en Zophar de Naamathite en deden zoals Maryah hen vertelde; en Maryah accepteerde Job.

42:10 Maryah herstelde het geluk van Job toen hij bad voor zijn vrienden, en Maryah vermeerderde alles dat Job had tweevoudig.

42:11 Vervolgens, al zijn broers en al zijn zussen en allen die hem eerder hadden gekend kwamen tot hem, en zij aten brood met hem in zijn huis; en zij vertroosten hem en beurden hem op voor al de tegenslagen die Maryah over hem had gebracht. En elkeen gaf hem een stuk van geld en elk een ring van goud.

42:12 Maryah zegende de laatste dagen van Job meer dan zijn begin; en hij bezat 14000 schapen en 6000 kamelen en 1000 jukken van ossen en 1000 vrouwelijke ezels.

42:13 Hij had zeven zonen en drie dochters.

42:14 Hij noemde de eerste Jemimah, en de tweede Keziah, en de derde Keren-Happuch.

42:15 In het gehele land werd geen vrouw gevonden zo mooi als Job’s dochters; en hun vader gaf hen erfdeel onder hun broers.

42:16 Na dit, Job leefde 140 jaren, en zag zijn zonen en zijn kleinzonen, vier generaties.

42:17 En Job stierf, een oude man en verzadigd van dagen.



Sipra d’Berita

Genesis Posted on Tue, September 18, 2018 23:02:08

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh.

Sipra d’Berita

Torah rol, In een begin.

1:1-31

1:1 IN een begin, Aloha schiep de hemelen en de aarde.

1:2 De aarde was vormeloos en nietig, en duisternis was over het oppervlak van de diepten, en de geest van Aloha bewoog over het oppervlak van de wateren.

1:3 Vervolgens, Aloha sprak “Laat er licht zijn”; en er was licht.

1:4 Aloha zag dat het licht goed was; en Aloha scheidde het licht van de duisternis.

1:5 Aloha noemde het licht dag, en de duisternis noemde hij nacht. En er was avond en er was ochtend, dag één.

1:6 Vervolgens, Aloha sprak, ” laat er een uitspansel zijn in het midden van de wateren, en laat het de wateren van de wateren scheiden.”

1:7 Aloha maakte het uitspansel, en scheidde de wateren die onder het uitspansel waren, van de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo.

1:8 Aloha noemde het uitspansel hemel. En er was avond, en er was ochtend, een tweede dag.

1:9 Vervolgens, Aloha sprak, “Laat de wateren onder de hemelen bijeengebracht worden tot in één plaats, en laat het droge land tevoorschijn komen”; en het was alzo.

1:10 Aloha noemde het droge land aarde, en het bijeenbrengen van de wateren noemde hij zeeën; en Aloha zag dat het goed was.

1:11 Vervolgens, Aloha sprak, “laat de aarde gewas ontspruiten: planten welke zaad opbrengen, en vruchtbomen op de aarde welke vrucht dragen naar hun soort met zaad in hen”; en het was alzo.

1:12 De aarde bracht gewas voort, planten die zaad dragen naar hun soort, en bomen die vrucht dragen met zaad in hen, naar hun soort; en Aloha zag dat het goed was.

1:13 Er was avond en er was ochtend, een derde dag.

1:14 Vervolgens, Aloha sprak,” Laat er lichten zijn in het uitspansel der hemelen om de dag te scheiden van de nacht, en laten ze zijn voor tekenen en voor seizoenen en voor de dagen en de jaren;

1.15 en laat ze zijn voor verlichting in het uitspansel der hemelen om licht te geven op de aarde”; en het was alzo.

1:16 Aloha maakte de twee grote lichten, het grotere licht om de dag te beheersen, en het kleinere licht om de nacht te beheren; hij maakte ook de sterren.

1.17 Aloha plaatste hen in het uitspansel der hemelen om licht te geven op de aarde,

1:18 en om de dag te beheersen en de nacht, en om het licht te scheiden van de duisternis; en Aloha zag dat het goed was.

1:19 Er was avond en er was ochtend, een vierde dag.

1:20 Vervolgens, Aloha sprak,” laat de wateren krioelen met zwermen van levende wezens, en laat de vogels vliegen boven de aarde in het open uitspansel der hemelen.”

1:21 Aloha schiep de grote zeemonsters en elk levend wezen dat beweegt, waarmee de wateren krioelden naar hun soort, en elke gevleugelde vogel naar zijn soort; en Aloha zag dat het goed was.

1:22 Aloha zegende hen, zeggende,” weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vul de wateren in de zeeën, en laat de vogels zich vermenigvuldigen op de aarde.”

1:23 Er was avond en er was ochtend, een vijfde dag.

1:24 Vervolgens, Aloha sprak,” Laat de aarde levende wezens voortbrengen naar hun soort: vee en kruipende dingen en beesten van de aarde naar hun soort”; en het was alzo.

1:25 Aloha maakte de beesten van de aarde naar hun soort, en het vee naar hun soort, en alles wat op de grond kruipt naar zijn soort; en Aloha zag dat het goed was.

1:26 Vervolgens, Aloha sprak,” laat ons de mens maken naar ons beeld, en naar onze gelijkenis; en laat hen heersen over de vissen van de zee en over de vogels van de hemel en over het vee en over de gehele aarde, en over elk kruipend ding dat op de aarde kruipt.”

1:27 Aloha schiep de mens naar zijn eigen beeld, naar het beeld van Aloha schiep hij hem; hij schiep hen man en vrouw.

1:28 Aloha zegende hen; en Aloha zei tot hen,”Wees vruchtbaar en vermenigvuldig, en vul de aarde, en onderwerpt haar; en heers over de vissen van de zee en over de vogels van de hemel en over elk levend ding dat op de aarde beweegt.”

1:29 Vervolgens, Aloha sprak,” zie, ik heb u elke plant gegeven die zaad opbrengt, en welke op het oppervlak zijn der gehele aarde, en elke boom die zaad opbrengende vruchten heeft; het zal voedsel voor u zijn

1:30 en aan elk beest van de aarde en aan elke vogel van de hemel en aan elk ding dat beweegt op de aarde, en leeft, heb ik elke groene plant gegeven voor voedsel”; en het was alzo.

1:31 Aloha zag alles dat hij had gemaakt, en zie! het was zeer goed. En er was avond en er was ochtend, de zesde dag.

2:1-25

2:1 ALZO werden de hemelen en de aarde voltooid, en al hun heerscharen.

2:2 Op de zevende dag voltooide Aloha zijn werk die hij had gedaan, en hij ruste op de zevende dag van al zijn werk die hij had gedaan.

2:3 Vervolgens, Aloha zegende de zevende dag en heiligde die, omdat hij daarop rustte van al zijn werk die Aloha had geschapen en gemaakt.

2:4 Dit is het verslag van de hemelen en de aarde van toen zij gemaakt werden, op de dag dat Maryah Aloha hemel en aarde maakte.

2:5 Op dit moment was er nog geen struik van het veld op de aarde, en geen plant van het veld had nog ontsproten, want Maryah Aloha had nog geen regen gezonden op de aarde, en er was geen mens om de grond te bewerken.

2:6 Maar een nevel werd gebruikt om op te stijgen vanuit de aarde en het doordrenkte het gehele oppervlak van de grond.

2:7 Vervolgens, Maryah Aloha formeerde de mens van stof vanuit de grond, en ademde de adem des levens in zijn neusgaten; en de mens werd alzo een levend wezen.

2:8 Maryah Aloha, plante een tuin richting het oosten, in Eden; en hij plaatste er de mens die hij had geformeerd.

2:9 Vanuit de grond deed Maryah Aloha elk geboomte groeien, die prettig is voor het aanblik en goed voor voedsel; en ook de boom des levens in het midden van de tuin, en de boom der kennis van goed en kwaad.

2:10 Nu vloeide er een rivier vanuit Eden om de tuin te bewateren; en vanaf daar verdeelde zij zich en werd vier rivieren.

2:11 De naam van de eerste is Pishon; ze stroomt rond het gehele land van Havilah, waar er goud is.

2:12 Het goud van dat land is goed; de bdellium (balsemhart) en de onyx steen zijn daar.

2:13 De naam van de tweede rivier is Gihon; ze stroomt rond het gehele land van Cush.

2:14 De naam van de derde rivier is Tigris; die ten oosten van Assur stroomt. En de vierde rivier is de Eufraat.

2:15 Vervolgens, Maryah Aloha nam de mens en plaatste hem in de tuin van Eden om die te bewerken en te onderhouden.

2:16 Maryah Aloha gebood de mens, zeggende,” van elke boom in de tuin moogt gij vrij eten;

2:17 maar van de boom der kennis van goed en kwaad zult gij niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet zult gij zeker sterven.”

2:18 Vervolgens, Maryah Aloha sprak,” het is niet goed voor de mens om alleen te zijn; ik zal hem een helper maken, passend voor hem.”

2.19 Vanuit de grond formeerde Maryah Aloha elk beest van het veld en elke vogel van de lucht, en bracht die tot de mens om te zien hoe hij hun zou noemen; en hoe dan ook de mens een levend wezen noemde, dat was zijn naam.

2:20 De mens gaf namen aan al het vee, en aan de vogels van de hemel, en aan elk beest van het veld, maar voor Adam werd er niet één helper gevonden, passend voor hem.

2:21 Dus, Maryah Aloha deed een diepe slaap op de mens vallen, en hij sliep; vervolgens, nam hij één van zijn ribben en sloot het vlees op die plaats.

2.22 Maryah Aloha vormde de rib die hij genomen had van de mens tot een vrouw, en bracht haar tot de mens.

2:23 De mens zei,” dit is nu bot van mijn botten, en vlees van mijn vlees; zij zal worden genoemd ‘vrouw’, omdat zij werd genomen vanuit de mens.”

2:24 Om deze reden zal de mens zijn vader verlaten, en zijn moeder, en worden samengevoegd tot zijn vrouw; en zij zullen één vlees worden.

2:25 En de mens en zijn vrouw waren beiden onbedekt maar waren niet beschaamd.

3:1-24

3:1 NU, de slang was listiger dan enig ander beest van het veld, die Maryah Aloha had gemaakt. En ze zei tot de vrouw,” Aloha heeft zeker gezegd’ gij zult niet eten van om het even welke boom van de tuin’?”

3:2 De vrouw zei tot de slang,” Van de vrucht van de bomen van de tuin mogen wij eten;

3:3 maar van de vrucht van de boom die in het midden is van de tuin, heeft Aloha gezegd, ‘ Gij zult daarvan niet eten, of die aanraken, of ge zult sterven.’ “

3:4 De slang zei tot de vrouw,” Gij zult zeker niet sterven!

3:5 want Aloha weet dat op de dag dat gij daarvan eet uw ogen zullen worden geopend, en gij zult zijn als Aloha, kennende goed en kwaad.”

3:6 Toen de vrouw zag dat de boom goed was voor voedsel, en dat het een genot was voor de ogen, en dat de boom begeerlijk was om iemand wijs te maken, nam zij van zijn vrucht en at, en zij gaf het van haar alsook aan haar man, en hij at.

3:7 Vervolgens, de ogen van beiden van hen werden geopend, en zij wisten dat zij onbedekt waren; en zij naaiden vijgenbladeren samen en maakten zich lendenbekleding.

3:8 Zij hoorden het geluid van Maryah Aloha die wandelde in de tuin in de koelte van de dag, en de mens en zijn vrouw verborgen zichzelf voor de aanwezigheid van Maryah Aloha, tussen de bomen van de tuin.

3:9 Vervolgens, Maryah Aloha riep de mens, en sprak tot hem,” Waar ben je?”

3:10 Hij zei,” Ik hoorde het geluid van u in de tuin, en ik was bang omdat ik onbedekt was; dus, verborg ik mijzelf.”

3:11 En Aloha sprak,” Wie vertelde u dat gij onbedekt waart? Hebt gij gegeten van de boom van welke ik u gebood om niet te eten?”

3:12 De mens zei,” De vrouw die u gaf om met mij te zijn, zij gaf mij van de boom, en ik at.”

3:13 Vervolgens, sprak Maryah Aloha tot de vrouw,” Wat is dit dat gij hebt gedaan?” en de vrouw zei,” De slang misleide mij, en ik at.”

3:14 Maryah Aloha sprak tot de slang,” Omdat gij dit hebt gedaan, zijt gij meer vervloekt dan al het vee, en meer dan elk beest van het veld; op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten alle dagen van uw leven;

3:15 en ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; hij zal u vermorzelen op het hoofd, en gij zult hem kneuzen op de hiel.”

3:16 Tot de vrouw zij hij,” ik zal uw pijn zeer vermenigvuldigen bij de bevalling, in pijn zal je kinderen voortbrengen; maar uw verlangen zal naar uw man uitgaan, en hij zal heersen over u.”

3:17 Vervolgens, tot Adam zei hij,” Omdat gij hebt geluisterd naar de stem van uw vrouw, en hebt gegeten van de boom waarvan ik u gebood, zeggende, ‘Gij zult daarvan niet eten’; vervloekt is de grond omwille van u; met gezwoeg zult gij daarvan eten al de dagen van uw leven.

3:18 Zowel doornen en distels zal het voor u groeien; en gij zult de planten van het veld eten;

3:19 door het zweet van uw aangezicht zult ge brood eten, tot ge terugkeert naar de grond, omdat gij daarvan werd genomen; want gij zijt stof, en tot stof zult gij terugkeren.”

3:20 De mens nu, noemde zijn vrouw’s naam, Eva, omdat zij de moeder werd van al de levenden.

3:21 Maryah Aloha maakte kleding van huiden voor Adam en zijn vrouw, en bekleedde hun.

3:22 Vervolgens, Maryah Aloha zei, ” Zie! de mens is als één van ons geworden, kennende goed en kwaad; en nu, zou hij vermogen zijn hand uit te strekken? en ook van de boom des levens nemen, en eten, en voor eeuwig leven”–

3:23 daarom zend Maryah Aloha hem weg uit de tuin van Eden, om de grond te bewerken waarvan hij werd genomen.

3:24 Hij dreef de mens uit; en in het oosten van de tuin van Eden posteerde hij de cherubim met het vlammend zwaard die elke richting uitdraaide om de weg te bewaken naar de boom des levens.

4:1-26

4:1 NU, de mens had betrekkingen met zijn vrouw, Eva, en zij werd zwanger en gaf geboorte aan Kaïn, en ze zei,” Ik heb een mannelijk kind gekregen met de hulp van Maryah.”

4:2 Nogmaals, gaf zij geboorte aan zijn broer Abel. En Abel was een bewaarder van kudden, maar Kaïn was een landbouwer van de grond.

4:3 Dus kwam het na verloop van tijd dat Kaïn een offer bracht aan Maryah van de vrucht van de grond.

4:4 Abel, van zijn kant bracht ook van de eerstelingen van zijn kudde, en van hun vet gedeeltes. En Maryah had aandacht voor Abel en voor zijn offergave;

4:5 maar voor Kaïn en voor zijn offergave had hij geen aandacht. Dus werd Kaïn zeer boos en zijn gelaatsuitdrukking betrok.

4:6 Vervolgens, Maryah zei tot Kaïn,” Waarom ben je boos? en waarom is uw gelaatsuitdrukking betrokken?

4:7 – Als je goed doet, zou uw gelaatsuitdrukking dan niet worden opgetild? En als je niet goed doet, zit de zonde neer gehurkt aan de deur; en zijn begeerte is voor u, maar gij moet het overmeesteren.”

4:8 Kaïn sprak met Abel, zijn broer. En het gebeurde ongeveer toen zij in het veld waren, dat Kaïn opstond tegen Abel, zijn broer, en hem doodsloeg.

4:9 Vervolgens, Maryah zei tot Kaïn,” Waar is Abel uw broer?” en hij zei,” Ik weet het niet, ben ik mijn broer’s bewaarder?”

4:10 Hij zei,” Wat hebt gij gedaan? De stem van uw broer’s bloed schreeuwt tot mij van de grond. –

4:11 Nu zijt gij vervloekt van de grond af, die zijn mond heeft geopend om uw broer’s bloed te ontvangen van uw hand.-

4:12 Wanneer gij de grond bewerkt, zal het niet langer zijn kracht opleveren tot u; gij zult een dwaalgast zijn en een zwerver op de aarde.”

4:13 Kaïn zei tot Maryah,” Mijn straf is te groot om dragen!-

4:14 Zie! Gij hebt mij verdreven, deze dag, van het aangezicht van de grond; en van uw aangezicht zal ik verborgen zijn, en ik zal een dwaalgast zijn, en een zwerver op de aarde, en wie mij ook vindt zal mij doden.”

4:15 Dus zei Maryah tot hem,” Daarom, Wie Kaïn doodt, wraak zal op hem genomen worden zevenvoudig.” En Maryah stelde een teken aan Kaïn, zodat niet één die hem vindt hem doden zou.

4:16 Vervolgens, Kaïn ging uit van de aanwezigheid van Maryah, en vestigde zich in het land van Nod, ten oosten van Eden.

4:17 Kaïn had betrekkingen met zijn vrouw en ze werd zwanger, en ze gaf geboorte aan Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde de naam van de stad Henoch, naar de naam van zijn zoon.

4:18 Nu, tot Henoch werd Irad geboren, en Irad werd de vader van Mehujael, en Mehujael werd de vader van Methushael, en Methushael werd de vader van Lamech.

4:19 Lamech nam voor zichzelf twee vrouwen: de naam van de ene was Adah, en de naam van de andere, Zillah.

4:20 Adah gaf geboorte aan Jabal; hij werd de vader van degenen die in tenten wonen en veestapels hebben.

4:21 Zijn broer’s naam was Jubal; hij werd de vader van al degenen die de lier en de pijp spelen.

4:22 Ook zo voor Zillah, ook zij gaf geboorte, aan Tubal-Kaïn, de smeder van alle werktuigen van brons en ijzer; en de zuster van Tubal-Kaïn was Nahemah.

4:23 Lamech zei tot zijn vrouwen,” Adah en Zillah, luister naar mijn stem, gij vrouwen van Lamech, schenk aandacht aan mijn toespraak, want ik heb een man gedood voor mij te verwonden; en een jongen voor mij te slaan;

4:24 als Kaïn zevenvoudig wordt gewroken, dan Lamech zeventig maal zevenvoudig.”

4:25 Adam had opnieuw betrekkingen met zijn vrouw; en zij gaf geboorte aan een zoon, en noemde hem Seth, want, ze zei;” Aloha heeft mij een andere nakomeling bestemd in plaats van Abel, want Kaïn heeft hem gedood.”

4:26 Aan Seth, aan hem werd alsook een zoon geboren; en hij noemde zijn naam Enosh. Vervolgens, begonnen de mensen om de naam van Maryah aan te roepen.

5:1-32

5:1 DIT is het boek van de generaties van Adam. Op de dag toen Aloha de mens schiep, maakte hij hem naar de gelijkenis van Aloha.

5:2 Hij maakte hen man en vrouw, en hij zegende hen en noemde hen mens op de dag toen zij werden gemaakt.

5:3 Toen Adam één honderd en dertig jaar had geleefd, werd hij de vader van een zoon naar zijn eigen gelijkenis, en noemde hem Seth.

5:4 Vervolgens, de dagen van Adam, nadat hij de vader werd van Seth, waren acht honderd jaren, en hij had andere zonen en dochters.

5:5 Dus, al de dagen dat Adam leefde, waren negen honderd en dertig jaren, en hij stierf.

5:6 Seth leefde één honderd en vijf jaren; en werd de vader van Enosh.

5:7 Seth leefde acht honderd en zeven jaren nadat hij de vader werd van Enosh, en hij had andere zonen en dochters.

5:8 Dus, al de dagen van Seth waren negen honderd en twaalf jaren, en hij stierf.

5:9 Enosh leefde negentig jaren, en werd de vader van Kenan.

5:10 Vervolgens, leefde Enosh acht honderd en vijftien jaren, nadat hij de vader werd van Kenan, en hij had andere zonen en dochters.

5:11 Dus, al de dagen van Enosh, waren negen en honderd en vijf jaren, en hij stierf.

5:12 Kenan leefde zeventig jaren, en werd de vader van Mahalalel.

5:13 Vervolgens, leefde Kenan acht honderd en veertig jaren, nadat hij de vader werd van Mahalalel, en hij had andere zonen en dochters.

5:14 Dus, al de dagen van Kenan, waren negen honderd en tien jaren, en hij stierf.

5:15 Mahalalel leefde vijfenzestig jaren, en werd de vader van Jared.

5:16 Vervolgens, leefde Mahalalel acht honderd en dertig jaren, nadat hij de vader werd van Jared, en hij had andere zonen en dochters.

5:17 Dus, al de dagen van Mahalalel waren acht honderd en vijfennegentig jaren, en hij stierf.

5:18 Jared leefde één honderd en tweeënzestig jaren, en werd de vader van Henoch.

5:19 Vervolgens, leefde Jared acht honderd jaren, nadat hij de vader werd van Henoch, en hij had andere zonen en dochters.

5:20 Dus, al de dagen van Jared waren negen honderd en tweeënzestig jaren, en hij stierf.

5:21 Henoch leefde vijfenzestig jaren, en werd de vader van Methuselah.

5:22 Vervolgens, wandelde Henoch drie honderd jaren met Aloha, nadat hij de vader werd van Methuselah, en hij had andere zonen en dochters.

5:23 Dus, al de dagen van Henoch waren drie honderd en vijfenzestig jaren.

5:24 Henoch wandelde met Aloha; en hij was niet meer, want Aloha nam hem.

5:25 Methuselah leefde één honderd en zevenentachtig jaren, en werd de vader van Lamech.

5:26 Vervolgens, leefde Methuselah zeven honderd en tweeëntachtig jaren, nadat hij de vader werd van Lamech, en hij had andere zonen en dochters.

5:27 Dus, al de dagen van Methuselah waren negen honderd en negenenzestig jaren, en hij stierf.

5:28 Lamech leefde één honderd en tweeëntachtig jaren, en werd de vader van een zoon.

5:29 Nu noemde hij zijn naam, Noah, zeggende,” Deze zal ons rust geven van ons werk, en van de arbeid onzer handen voortkomende uit de grond welke Maryah heeft vervloekt.”

5:30 Vervolgens, leefde Lamech vijfhonderd en vijfennegentig jaren, nadat hij de vader werd van Noah, en hij had andere zonen en dochters.

5:31 Dus, al de dagen van Lamech waren zeven honderd en zevenenzeventig jaren, en hij stierf.

5:32 Noah was vijf honderd jaren oud, en Noah werd de vader van Shem, Ham, en Japheth.

6:1-22

6:1 NU, het gebeurde ongeveer toen de mensen begonnen te vermenigvuldigen op het aangezicht van het land, en dochters tot hen werden geboren,

6:2 dat de zonen van Aloha zagen dat de dochters der mensen mooi waren; en zij namen vrouwen voor zichzelf, wie zij verkozen.

6:3 Vervolgens, Maryah zei,” Mijn Geest zal niet voor altijd streven met de mens, omdat hij ook vlees is; niettemin zullen zijn dagen één honderd en twintig jaren zijn.”

6:4 De Nephilim waren op de aarde in die dagen, en ook daarna, toen de zonen van Aloha inkwamen tot de dochters der mensen, en zij baarden kinderen tot hen. Deze waren de machtige mannen die van oudsher waren, mannen van faam.

6:6 Maryah had er spijt van dat hij de mens had gemaakt, op de aarde, en hij was bedroefd in zijn hart.

6:7 Maryah zei,” Ik zal de mens, die ik heb gemaakt, uitwissen van het oppervlak van het land, van de mens tot de dieren tot de kruipende dingen en tot de vogels van de lucht; want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt.”

6:8 Maar Noah vond gunst in de ogen van Maryah.

6:9 Dit zijn de registers van de generaties van Noah. Noah was een rechtvaardig man, onberispelijk in zijn tijd; Noah wandelde met Aloha.

6:10 Noah werd de vader van drie zoons: Shem, Ham en Japheth.

6:11 Nu, was de aarde verdorven in de ogen van Aloha, en de aarde was gevuld met geweld.

6:12 Aloha keek op de aarde, en zie, ze was verdorven; want alle vlees had hun weg verdorven op de aarde.

6:13 Vervolgens, Aloha zei tot Noah,” Het einde van alle vlees is voor mijn aangezicht gekomen; want de aarde is vol met geweld door hen; en zie! ik ben van plan om hen te vernietigen met de aarde.

6:14 Maak voor uzelf een ark van gofer-hout; gij zult de ark met kamers maken, en zult die vanbinnen en vanbuiten bedekken met pek.

6:15 Dit is hoe gij die zult maken: de lengte van de ark drie honderd ellen, haar breedte vijftig

ellen, en haar hoogte dertig ellen.

6:16 Gij zult een venster maken voor de ark, en het voltooien tot een el van de bovenkant; en zet de deur van de ark in de zijkant van haar; gij zult haar maken met een lagere, een tweede, en derde dek.

6:17 Zie! ik, zelfs ik breng de vloed van water op de aarde, om alle vlees te vernietigen waarin de adem des levens is, vanonder de hemel; alles wat op de aarde is zal vergaan.

6:18 Maar ik zal mijn verbond met u oprichten; en gij zult de ark ingaan– gij en uw zonen en uw vrouw, en uw zoon’s vrouwen met u.

6:19 En van elk levend wezen vanuit alle vlees, zult gij er twee van elke soort in de ark brengen, om hen levend te houden met u; zij zullen mannelijk en vrouwelijk zijn.

6:20 Van de vogels naar hun soort, en van de beesten naar hun soort, van elk kruipend ding van de grond naar zijn soort, twee van iedere soort zullen tot u komen om hen in leven te houden.

6:21 Wat u aangaat, neem voor uzelf wat van alle voedsel dat eetbaar is, en vergader het voor uzelf; en het zal voor voedsel zijn, voor u en voor hen.”

6:22 Alzo deed Noah; volgens alles dat Aloha hem had geboden, zo deed hij.

7:1-24

7:1 VERVOLGENS, Maryah zei tot Noah,” Ga de ark binnen, gij en uw huishouden, want u alleen heb ik voor mijn aangezicht als rechtvaardig gezien in deze tijd.

7:2 Gij zult met u nemen van elk rein dier, een mannetje en zijn vrouwtje, zeven paartjes; en van de dieren die niet rein zijn, een mannetje en zijn vrouwtje, een paartje;

7:3 ook van de vogels van de hemel, zeven paartjes, mannetjes en vrouwtjes, om de nakomelingen levend te houden op het aangezicht van de gehele aarde.

7:4 Want na nog zeven dagen meer, zal ik regen zenden op de aarde, veertig dagen en veertig nachten; en ik zal elke levend ding die ik heb gemaakt uitwissen van het aangezicht der aarde.”

7:5 En Noah deed, volgens alles wat Maryah hem had geboden.

7:6 Noah was nu zes honderd jaren oud toen de vloed van water op de aarde kwam.

7:7 Vervolgens, Noah en zijn zonen, en zijn vrouw, en zijn zoon’s vrouwen met hem, gingen de ark binnen, vanwege het water van de vloed.

7:8 Van de reine dieren en de dieren die niet rein zijn en de vogels en alles wat op de grond kruipt,

7:9 gingen ze per twee tot Noah in de ark, mannetjes en vrouwtjes, zoals Aloha Noah had geboden.

7:10 Het kwam ongeveer na de zeven dagen, dat het water van de vloed op de aarde kwam.

7:11 In het zes honderdste jaar van Noah’s leven, in de tweede maand, op de zeven tiende dag van de maand: op diezelfde dag barsten al de fonteinen van de grote diepte open, en de sluizen van de hemel werden geopend.

7:12 En de regen viel op de aarde voor veertig dagen en veertig nachten.

7:13 Op diezelfde dag Noah en Shem en Ham en Japheth, de zonen van Noah, en Noah’s vrouw, en de drie vrouwen van zijn zoon’s met hem, gingen de ark binnen,

7:14 zij en elk beest naar zijn aard, en al het vee naar hun aard, en elk kruipend ding dat op de aarde kruipt naar zijn aard, en elke vogel naar zijn aard, alle soorten van vogels.

7:15 Zo gingen zij in de ark, per tweeën van alle vlees waarin de adem des leven’s was, tot

Noah.

7:16 En degenen die ingingen, waren mannelijk en vrouwelijk van alle vlees, en gingen in zoals Aloha aan hem had geboden; en Maryah sloot het achter hem toe.

7:17 Vervolgens, de vloed kwam op de aarde voor veertig dagen, en het water nam toe en hief de ark op, zodat ze opsteeg boven de aarde.

7:18 Het water kreeg de overhand en vermeerderde sterk op de aarde, en de ark dreef op het oppervlak van het water.

7:19 Het water steeg meer en meer op de aarde, zodat overal de hoge bergen onder de hemelen werden bedekt.

7:20 Het water steeg vijftien ellen hoger, en de bergen werden bedekt.

7:21 Alle vlees dat bewoog op de aarde kwam om, vogels en vee en beesten en elk krioelend ding dat op de aarde krioelt, en geheel de mensheid;

7:22 van alles dat op het droge land was, alles in wiens neusgaten de adem van de geest des levens was, stierf.

7:23 Alzo wiste hij elk levend ding dat op het oppervlak van het land was, van mens tot beest tot kruipende dingen en tot vogels van de hemel, en zij werden uitgewist van de aarde; en alleen Noah werd overgelaten, samen met hen die bij hem waren in de ark.

7:24 Het water overheerste op de aarde één honderd en vijftig dagen.

8:1-22

8:1 MAAR Aloha herinnerde zich Noah en al de beesten en al het vee dat met hem was in de ark; en Aloha deed een wind voorbijgaan over de aarde, en het water verdween.

8:2 Alsook de fonteinen van de diepte en de sluizen der hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel werd tegengehouden;

8:3 en het water verdween gestaag van de aarde, en aan het einde van één honderd en vijftig dagen, daalde het water.

8:4 In de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, rustte de ark op de bergen van Ararat.

8:5 Het water daalde gestaag tot de tiende maand; in de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar.

8:6 Vervolgens, het gebeurde ongeveer aan het einde van veertig dagen, dat Noah de venster opende van de ark die hij had gemaakt;

8:7 en hij zond een raaf uit, maar die vloog van hier naar daar, totdat het water vanop de aarde opgedroogd was.

8:8 Vervolgens, hij zond een duif van hem uit, om te zien of het water van het oppervlak van het land was afgenomen;

8:9 maar die duif vond geen rustplaats voor de zool van haar voet, dus keerde ze terug tot hem in de ark, want het water was over het oppervlak van geheel de aarde. Vervolgens, hij stak zijn hand uit en nam haar, en bracht haar terug in de ark bij zichzelf.

8:10 Dus wachtte hij nogmaals een zevental dagen; en weer zond hij die duif uit van de ark.

8:11 Die duif kwam s’avonds naar hem toe, en zie, in haar snavel was een vers geplukt olijvenblad. Dus wist Noah dat het water vanop de aarde was afgenomen.

8:12 Vervolgens, hij wachtte nogmaals een zevental dagen, en zond die duif weer uit; maar zij

keerde niet opnieuw naar hem terug.

8:13 Nu gebeurde het ongeveer in het zes honderd en eerste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag van de maand, dat het water vanop de aarde was opgedroogd. Vervolgens, Noah verwijderde de bedekking van de ark, en keek, en zie! het oppervlak van de grond was opgedroogd.

8:14 In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, was de aarde droog.

8:15 Vervolgens, sprak Aloha tot Noah, zeggende,

8:16 “Ga uit van de ark, gij en uw vrouw, en uw zonen, en uw zoon’s vrouwen met u.

8:17 Breng elk levend ding van alle vlees die bij u is met u naar buiten, vogels en beesten en elk kruipend ding dat op de aarde kruipt, zodat zij overvloedig kunnen voortplanten op de aarde, en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.”

8:18 Dus, Noah ging naar buiten, en zijn zonen, en zijn vrouw, en zijn zoon’s vrouwen met hem.

8:19 Elk beest, elk kruipend ding, en elke vogel, alles wat op de aarde beweegt, ging in hun families uit van de ark.

8:20 Vervolgens, Noah bouwde een altaar voor Maryah, en nam van elk rein dier en van elke reine vogel en bood brandoffers aan op het altaar.

8:21 Maryah rook het rustgevende aroma; en Maryah zei tot zichzelf,” Ik zal nooit meer de grond vervloeken vanwege de mens, want het voornemen van s’mensen hart is kwaadaardig vanaf zijn jeugd; en ik zal nooit meer elk levend ding vernietigen, zoals ik heb gedaan.

8:22 Terwijl de aarde blijft; zal de zaaitijd en de oogst, en de koude en de warmte, en de zomer en de winter, en de dag en de nacht niet ophouden.”

9:1-29

9:1 EN Aloha zegende Noah en zijn zonen en sprak tot hen,” Weest vruchtbaar en vermenigvuldigd, en vul de aarde.

9:2 De vrees voor u en de schrik voor u zal op ieder beest van de aarde zijn en op elke vogel van de hemel; met alles wat op de grond kruipt, en alle vissen van de zee, in uw hand zijn zij gegeven.

9:3 Elk bewegend ding die levend is zal voedsel zijn voor u; ik geef alles aan u, zoals ik de groene plant gaf.

9:4 Alleen zult gij geen vlees eten met zijn leven (ziel), dat is, zijn bloed.

9:5 Zeer zeker zal ik uw levensbloed eisen; van elk beest zal ik het eisen. En van ieder mens, van elke man’s broeder zal ik het leven van de mens eisen.

9:6 Wie s’mensen bloed vergiet, door de mens zal zijn bloed worden vergoten, want in het beeld van Aloha maakte hij de mens.

9:7 Wat u aangaat, weest vruchtbaar en vermenigvuldigt; bevolkt de aarde rijkelijk en vermenigvuldigt daarin.”

9:8 Vervolgens, sprak Aloha tot Noah en tot zijn zonen die met hem waren, zeggende,

9:9 ” Zie nu! ik, ikzelf stel mijn verbond met u, en met uw nakomelingen na u;

9:10 en met elk levend schepsel dat met u is, de vogels, het vee, en elk beest van de aarde met u; van alles dat vanuit de ark komt, zelfs elk beest van de aarde

9:11 Ik stel mijn verbond met u; en alle vlees zal nooit meer worden uitgeroeid door het water van de vloed, noch zal er een vloed zijn om de aarde te vernietigen.”

9:12 Aloha sprak,” Dit is het teken van het verbond die ik maak tussen u en mij en elk levend schepsel dat met u is, voor alle opeenvolgende generaties;

9:13 Ik zet mijn boog in de wolk, en het zal voor een teken van een verbond zijn tussen mij en de aarde.

9:14 Het zal geschieden, ongeveer, wanneer ik een wolk over de aarde breng, dat de boog zal worden gezien in de wolk,

9:15 en ik zal mijn verbond herinneren, dat tussen u en mij is en elk levend schepsel van alle vlees; en nooit meer zal het water een vloed worden om alle vlees te vernietigen.

9:16 Wanneer de boog in de wolk is, dan zal ik daarnaar kijken, om het eeuwigdurend verbond te herinneren tussen Aloha en elk levend schepsel van alle vlees dat op de aarde is.”

9:17 En Aloha sprak tot Noah,” Dit is het teken van het verbond die ik heb gesteld tussen mij en alle vlees dat op de aarde is.”

9:18 Nu, de zonen van Noah, die vanuit de ark kwamen, waren Shem en Ham en Japheth; en Ham was de vader van Kanaän.

9:19 Deze drie waren de zonen van Noah, en vanuit dezen werd de hele aarde bevolkt.

9:20 Vervolgens, Noah begon te land-bouwen en plantte een wijngaard.

9:21 Hij dronk van de wijn en werd dronken, en ontblote zichzelf in zijn tent.

9:22 Ham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader, en vertelde het zijn twee broers, buiten.

9:23 En Shem en Japheth namen een kledingstuk en legden het beiden op hun schouders en wandelden achteruit en bedekten de naaktheid van hun vader; en hun gezichten waren weggedraaid, zodat zij hun vader’s naaktheid niet zagen.

9:24 Toen Noah van zijn wijn ontwaakte, wist hij wat zijn jongste zoon tot hem had gedaan.

9:25 Dus zei hij,” Vervloekt is Kanaän; een dienaar van dienaars zal hij zijn tot zijn broers.”

9:26 Hij zei ook,” Gezegend is Maryah, de Aloha van Shem, en laat Kanaän zijn dienaar zijn.

9:27 Moge Aloha Japheth vergroten, en laat hem wonen in de tenten van Shem; en laat Kanaän zijn dienaar zijn.”

9:28 Noah leefde drie honderd en vijftig jaren na de vloed.

9:29 Dus, al de dagen van Noah waren negen honderd en vijftig jaren, en hij stierf.

10:1-32

10:1 NU, dit zijn de aantekeningen van de generaties van Shem, Ham, en Japheth, de zonen van Noah; en tot hen werden zonen geboren na de vloed.

10:2 De zonen van Japheth waren Gomer en Magog en Madai en Javan en Tubal en Meshech en Tiras.

10:3 De zonen van Gomer waren Ashkenaz en Riphath en Togarmah.

10:4 De zonen van Javan waren Elishah en Tarshish, Kittim en Dodanim.

10:5 Vanuit deze werden degenen van de kustlanden van de naties afgescheiden tot hun landen, eenieder volgens zijn taal, volgens hun families, tot hun naties.

10:6 De zonen van Ham waren Cush en Mizraim en Put en Kanaän.

10:7 De zonen van Cush waren Seba en Havilah en Sabtah en Raamah en Sabteca; en de zonen van Raamah waren Sheba en Dedan.

10:8 Nu, Cush werd de vader van Nimrod; hij werd een machtige op de aarde.

10:9 Hij was een machtige jager voor het aangezicht van Maryah; daarom word er gezegd,” Zoals Nimrod een machtige jager voor het aangezicht van Maryah.”

10:10 Het begin van zijn koninkrijk was Babel en Erech en Accad en Caineh, in het land van Shinar.

10:11 Vanuit dat land ging hij verder tot Assyrië, en bouwde Nineveh en Rehoboth-ir en Calah,

10:12 en Resen tussen Nineveh en Calah, dat is de grote stad.

10:13 Mizraim werd de vader van Ludim en Anamim en Lehabim en Naphtuhim —

10:14 en Pathrusim, en Casluhim uit wie de Filistijnen ontstonden en de Caphtorim.

10:15 Kanaän werd de vader van Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth–

10:16 en de Jebusite en de Amorite en de Girgashite–

10:17 en de Hivite en de Arkite en de Sinite–

10:18 en de Arvadite en de Zemarite en de Hamathite; en daarna, de families van de Canaanite werden verspreid in het buitenland.

10:19 Het grondgebied van de Canaanite strekt zich uit van Sidon als je naar Gerar gaat, zo ver als Gaza; als je naar Sodom en Gomorrah gaat en Admah en Zeboiim zo ver als Lasha.

10:20 Deze zijn de zonen van Ham, volgens hun families, volgens hun talen, door hun landerijen, door hun naties.

10:21 Alsook aan Shem, de vader van alle kinderen van Eber, en de oudere broer van Japheth, werden kinderen geboren.

10:22 De zonen van Shem waren Elam, en Asshur en Arpachshad en Lud en Aram.

10:23 De zonen van Aram waren Uz en Hul en Gether en Mash.

10:24 Arpachshad werd de vader van Shelah; en Shelah werd de vader van Eber.

10:25 Twee zonen werden geboren aan Eber; de naam van de ene was Peleg, want in zijn dagen was de aarde verdeeld; en zijn broer’s naam was Joktan.

10:26 Joktan werd de vader van Almodad en Sheleph en Hazarmaveth en Jerah —

10:27 en Hadoram en Uzal en Diklah —

10:28 en Obal en Abimael en Sheba —

10:29 en Ophir en havilah en Jobab; al deze waren de zonen van Joktan.

10:30 Nu, hun nederzetting strekt zich uit van Mesha als je naar Sephar gaat, het heuvelland van het oosten.

10:31 Deze zijn de zonen van Shem volgens hun families, volgens hun talen, door hun landerijen, volgens hun naties.

10:32 Deze zijn de families van de zonen van Noah, volgens hun stambomen, door hun naties; en vanuit deze werden de naties afgescheiden op de aarde na de vloed.

11:1-32

11:1 NU, de hele aarde gebruikte dezelfde taal en dezelfde woorden.

11:2 Het kwam ongeveer toen zij oostwaarts reisden, dat zij een vlakte vonden in het land van Shinar en zich daar vestigden.

11:3 Zij zeiden tot elkaar,” Kom, laat ons bakstenen maken en hen door en door branden in vuur.” En zij gebruikten baksteen als steen, en zij gebruikten teer als mortel.

11:4 Ze zeiden,” Kom, laat ons voor onszelf een stad bouwen, en een toren wiens top tot in de hemel zal reiken, en laat ons voor onszelf een naam maken, anders zullen we in het buitenland worden verstrooid over het aangezicht der gehele aarde.”

11:5 Maryah kwam naar beneden om de stad en de toren te zien die de zonen der mensen hadden gebouwd.

11:6 Maryah zei,” Zie! zij zijn één volk, en zij hebben allen dezelfde taal. En dit is wat zij begonnen te doen, en nu, niets wat zij besloten om te doen, zal voor hen onmogelijk zijn.

11:7 Kom laat ons naar beneden gaan en daar hun taal verwarren, zodat zij elkaars spraak niet zullen begrijpen.”

11:8 Dus verstrooide Maryah hen vandaar in het buitenland over het oppervlak van de gehele aarde; en zij stopten het bouwen van de stad.

11:9 Daarom werd haar naam Babel genoemd, omdat Maryah daar de taal verwarde der gehele aarde; en van daar verstrooide Maryah hen in het buitenland over het oppervlak der gehele aarde.

11:10 Dit zijn de aantekeningen van de generaties van Shem. Shem was honderd jaren oud, en werd de vader van Arpachshad twee jaren na de vloed;

11:11 en Shem leefde vijf honderd jaren nadat hij de vader werd van Arpachshad, en hij had andere zonen en dochters.

11:12 Arpachshad leefde dertig-en-vijf jaren, en werd de vader van Shelah;

11:13 en Arpachshad leefde vier honderd en drie jaren nadat hij de vader werd van Shelah, en hij had andere zonen en dochters.

11:14 Shelah leefde dertig jaren, en werd de vader van Eber;

11:15 en Shelah leefde vier honderd en drie jaren nadat hij de vader werd van Eber, en hij had andere zonen en dochters.

11:16 Eber leefde dertig-en- vier jaren, en werd de vader van Peleg;

11:17 en Eber leefde vier-honderd en dertig jaren nadat hij de vader werd van Peleg, en hij had andere zonen en dochters.

11:18 Peleg leefde dertig jaren, en werd de vader van Reu;

11:19 en Peleg leefde twee honderd en negen jaren nadat hij de vader werd van Reu, en hij had andere zonen en dochters.

11:20 Reu leefde dertig en twee jaren, en werd de vader van Serug;

11:21 en Reu leefde twee honderd en zeven jaren nadat hij de vader werd van Serug, en hij had andere zonen en dochters.

11:22 Serug leefde dertig jaren, en werd de vader van Nahor;

11:23 en Serug leefde twee honderd jaren nadat hij de vader werd van Nahor, en hij had andere zonen en dochters.

11.24 Nahor leefde twintig en negen jaren, en werd de vader van Terah;

11:25 en Nahor leefde één honderd en negentien jaren nadat hij de vader werd van Terah, en hij had andere zonen en dochters.

11:26 Terah leefde zeventig jaren, en werd de vader van Abram, Nahor en Haran.

11:27 Dit zijn nu de aantekeningen van de generaties van Terah. Terah werd de vader van Abram, Nahor en Haran; en Haran werd de vader van Lot.

11:28 Haran stierf in het bijzijn van zijn vader Terah in het land van zijner geboorte, te Ur van de Chaldeeën.

11:29 Abram en Nahor namen vrouwen voor zichzelf. De naam van Abram’s vrouw was Sarai; en de naam van Nahor’s vrouw was Milcah, de dochter van Haran, de vader van Milcah en Iscah.

11:30 Sarai was onvruchtbaar; ze had geen kind.

11:31 Terah nam Abram zijn zoon, en Lot de zoon van Haran, zijn kleinzoon, en Sarai zijn schoondochter, zijn zoon Abram’s vrouw; en zij gingen samen uit van Ur van de Chaldeeën, met de bedoeling om het land van Kanaän in te gaan; en zij gingen zo ver als Haran, en vestigden zich daar.

11:32 De dagen van Terah waren twee honderd en vijf jaren; en Terah stierf in Haran.

12:1-20

12:1 NU sprak Maryah tot Abram,” Ga uit van uw land, en van uw familieleden en van uw vader’s huis, naar het land dat ik u zal tonen;

12:2 en ik zal u een grote natie maken, en ik zal u zegenen, en uw naam groot maken; en zo zult gij een zegen zijn;

12:3 En ik zal degene zegenen die u zegent, en degene die u vervloekt zal ik vervloeken. En in u zullen al de geslachten der aarde worden gezegend.”

12:4 Dus ging Abram uit toen Maryah tot hem had gesproken; en Lot ging met hem. Abram was nu zeventig en vijf jaren oud toen hij uit Haran vertrok.

12:5 Abram nam Sarai zijn vrouw en Lot zijn neef, en al hun bezittingen die ze hadden bijeengebracht, en de personen die zij hadden verkregen in Haran, en zij togen uit om naar het land van Kanaän te gaan; en zo kwamen zij tot het land van Kanaän.

12:6 Abram passeerde door het land zo ver als de plaats van Shechem, tot aan de eik van Moreh. Nu waren de Kanaänieten destijds in het land.

12:7 Adonai verscheen aan Abram en zei,”Aan uw nakomelingen zal ik dit land geven.”

Dus bouwde hij daar een altaar voor Maryah die aan hem was verschenen.

12:8 Vervolgens, hij ging vanaf daar naar de berg ten oosten van Bethel, en plaatste zijn tent, met Bethel in het westen en Ai in het oosten; en hij bouwde er een altaar voor Maryah en aanriep de naam van Maryah.

12:9 Abram reisde verder, gaande richting de Negev.

12:10 Nu was daar een hongersnood in het land; dus daalde Abram af tot Egypte om daar te verblijven, want de hongersnood in het land was hevig.

12:11 Het gebeurde ongeveer toen hij nabij Egypte kwam, dat hij zei tot Sarai zijn vrouw,”Zie! nu, ik weet dat gij een mooie vrouw zijt;

12:12 en wanneer de Egyptenaren u zien, zullen zij zeggen,’ Dit is zijn vrouw’; en zij zullen mij doden, maar u zullen zij laten leven.

12:13 Zeg alstublieft dat gij mijn zuster zijt zodat het goed zal gaan met mij omwille van u, en dat ik moge leven vanwege u.”

12:14 Het gebeurde ongeveer toen Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaren zagen dat de vrouw erg mooi was.

12:15 Farao’s ambtenaren zagen haar en prezen haar aan tot Farao; en de vrouw werd in Farao’s huis genomen.

12:16 Daarom behandelde hij Abram goed omwille haar; en gaf hem schapen en ossen en ezels en mannelijke en vrouwelijke dienaars en vrouwelijke ezels en kamelen.

12:17 Maar Maryah trof Farao en zijn huis met grote plagen omwille van Sarai, Abram’s vrouw.

12:18 Vervolgens, Farao riep Abram en zei,”Wat is dit dat gij hebt gedaan aan mij? Waarom

hebt gij mij niet verteld dat zij uw vrouw is?

12:19 Waarom hebt gij gezegd,’zij is mijn zuster’ zodat ik haar nam tot mijn vrouw? Nu dan, hier is uw vrouw, neem haar en ga dan.”

12:20 Farao gebood zijn mannen betreffende hem; en zij begeleiden hem weg, met zijn vrouw en alles dat aan hem toebehoorde.

13:1-18

13:1 DUS, Abram ging opwaarts van Egypte naar de Negev, hij en zijn vrouw en alles dat aan hem toebehoorde, en Lot met hem.

13:2 Abram was nu zeer rijk aan veestapel, aan zilver en aan goud.

13:3 Op zijn reizen ging hij van de Negev tot zo ver als Bethel, naar de plaats waar zijn tent was geweest in het begin, tussen Bethel en Ai,

13:4 naar de plaats van het altaar die hij daar vroeger had gemaakt; en daar riep Abram de naam van Maryah aan.

13:5 Lot nu, die met Abram ging, had ook kuddes en runderen en tenten.

13:6 En het land kon hen niet ondersteunen terwijl ze samen woonden, want hun bezittingen waren zo groot dat zij niet konden samen blijven.

13:7 En er was twist tussen de herders van Abram’s veestapel en de herders van Lot’s veestapel. Nu, de Kanaänieten en de Ferezieten woonden toen in het land.

13:8 Dus zei Abram tot Lot, “laat er geen twist zijn tussen u en mij, noch tussen mijn herders en uw herders, want wij zijn broeders.

13:9 Is niet het gehele land voor u? Alstublieft scheid van mij; indien naar de linkerkant, dan zal ik naar de rechterkant gaan; of indien naar de rechterkant, dan zal ik naar de linkerkant gaan.”

13:10 Lot hief zijn ogen op en zag geheel de vallei van de Jordan, dat het goed was bewaterd– overal–dit was voor Maryah Sodom en Gomorra vernietigde– zoals de tuin van Maryah, zoals het land van Egypte, zoals gij naar Zoar gaat.

13:11 Dus koos Lot voor zichzelf geheel de vallei van de Jordan, en Lot reisde oostwaarts. Dus scheiden zij van elkaar.

13:12 Abram vestigde zich in het land van Kanaän, terwijl Lot zich vestigde in de steden van de vallei, en zijn tenten zo ver als tot Sodom verplaatste.

13:13 Nu waren de mannen van Sodom buitengewoon goddeloos en zondaars tegen Maryah.

13:14 Maryah zei tot Abram, nadat Lot van hem was gescheiden,” Til nu je ogen op en kijk vanaf de plaats waar ge zijt, noordwaarts en zuidwaarts en oostwaarts en westwaarts;

13:15 want geheel het land dat gij ziet, ik zal het aan u en aan uw nakomelingen geven voor eeuwig.

13:16 Ik zal uw nakomelingen als het stof van de aarde maken, zodat, indien iemand het stof van de aarde kan tellen, vervolgens, uw nakomelingen ook kunnen worden geteld.

13:17 Sta op, wandel over het land door zijn lengte en breedte; want ik zal het aan u geven.”

13:18 Vervolgens, Abram verplaatste zijn tent en kwam en woonde bij de eiken van Mamre, welke in Hebron zijn, en daar bouwde hij een altaar voor Maryah.

14:1-24

14:1 EN het kwam ongeveer in de dagen van Amraphel koning van Shinar, Arioh koning van Ellasar, Chedorlaomer koning van Elam, en Tidal koning van Goiim,

14:2 dat zij oorlog maakten met Bera koning van Sodom, en met Birsha koning van Gomorra, Shinab koning van Admah, en Shemeber koning van Zeboiim, en de koning van Bela; wat wil zeggen, Zoar.

14:3 Al deze kwamen als bondgenoten naar de vallei van Siddim ( wat wil zeggen, de zout zee).

14:4 Twaalf jaren hebben zij Chedorlaomer gediend, maar het dertiende jaar kwamen zij in opstand.

14:5 In het veertiende jaar, Chedorlaomer en de koningen die met hem waren, kwamen en versloegen de Rephaim in Ashteroth -Karnaim en de Zuzim in Ham en de Emim in Shaveh-Kiriathaim,

14:6 en de Horites op hun berg Seir, zo ver als El-Paran, die nabij de wildernis is.

14:7 Vervolgens, ze keerden terug, en kwamen tot En-mishpat (dat wil zeggen, Kadesh), en veroverden geheel het land van de Amalekieten, en ook de Amorieten, die leefden in Hazazon-tamar.

14:8 En de koning van Sodom en de koning van Gomorra en de koning van Admah en de koning van Zeboiim en de koning van Bela (wat wil zeggen Zoar) kwamen uit; en zij waren gekleed om te strijden tegen hen in de vallei van Siddim,

14:9 tegen Chedorlaomer koning van Elam en Tidal koning van Goiim en Amraphel koning van Shinar en Arioch koning van Ellasar –vier koningen tegen vijf.

14:10 Nu, de vallei van Siddim was vol van teerputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en zij vielen daar in. Maar degenen die overleefden vluchtten naar het heuvelland.

14:11 Vervolgens, zij namen al de goederen van Sodom en Gomorra en al hun voedselvoorraden, en vertrokken.

14:12 Ze namen alsook Lot, Abram’s neef, en zijn bezittingen en vertrokken, want hij leefde in Sodom.

14:13 Vervolgens, een vluchteling kwam en vertelde het Abram de Hebreeër. Nu, hij leefde bij de eiken van Mamre de Amoriet, broeder van Eshcol en broeder van Aner, en dit waren bondgenoten met Abram.

14:14 Toen Abram hoorde dat zijn familielid gevangen was geworden, leidde hij zijn opgeleide mannen uit, geboren in zijn huis, drie honderd en achttien, en ging in achtervolging zo ver als Dan.

14:15 Hij verdeelde zijn strijdmacht tegen hen in de nacht, hij en zijn knechten, en versloeg hen, en achtervolgde hen zo ver als Hobah, die ten noorden van Damascus is.

14:16 Hij bracht al de goederen terug, en bracht ook zijn familielid Lot terug met zijn bezittingen, en ook de vrouwen, en het volk.

14:17 Vervolgens, na zijn terugkeer van de nederlaag van Chedorlaomer en de koningen die met hem waren, ging de koning van Sodom uit om hem te ontmoeten in de vallei van Shaveh ( dat wil zeggen, de koning’s vallei).

14:18 En Melchizedek koning van Salem bracht brood en wijn; hij nu was een priester van Aloha de allerhoogste.

14:19 Hij zegende hem en zei,” Gezegend is Abram van Aloha de allerhoogste, de bezitter van hemel en aarde;

14:20 en gezegend is Aloha de allerhoogste, die uw vijanden heeft overgeleverd tot in uw hand.” En hij gaf hem een tiende van alles.

14:21 De koning van Sodom zei tot Abram,”Geef het volk aan mij en neem de goederen voor uzelf.”

14:22 Abram zei tot de koning van Sodom,” Ik heb gezworen tot Maryah Aloha de allerhoogste, bezitter van hemel en aarde,

14:23 dat ik niet één draad of een sandaal-riem nemen zal noch iets dat het uwe is, want vrezende zou je zeggen ‘ik heb Abram rijk gemaakt.’

14:24 “Ik wil niets nemen behalve wat de jonge mannen hebben gegeten, en het aandeel van de mannen die met mij gingen, Aner, Eshcol, en Mamre; laat ze hun aandeel nemen.”

15:1-21

15:1 NA deze dingen, het woord van Maryah kwam tot Abram in een visioen, zeggende,” Wees niet bang, Abram, ik ben een schild voor u; uw beloning zal zeer groot zijn.”

15:2 Abram zei,” O Maryah Aloha, wat zult gij mij geven, aangezien ik kinderloos ben, en de erfgenaam van mijn huis Eliezer van Damascus is?”

15:3 En Abram zei,” Aangezien u aan mij geen nakomeling hebt gegeven, is een in mijn huis geborenen mijn erfgenaam.”

15:4 Vervolgens, zie! het woord van Maryah kwam tot hem, zeggende,”Deze man zal uw erfgenaam niet zijn; maar een die zal voortkomen uit uw eigen lichaam, hij zal uw erfgenaam zijn.”

15:5 En hij nam hem naar buiten en zei,” Kijk nu naar de hemelen, en tel de sterren, indien gij in staat zijt om ze te tellen.” En hij zei tot hem,”zo zullen uw nakomelingen zijn.”

15:6 Toen geloofde hij in Maryah; en hij rekende het hem als gerechtigheid aan.

15:7 En hij zei tot hem,”Ik ben Maryah die u vanuit Ur der Chaldeeën bracht, om u dit land te geven om het te bezitten.”

15:8 Hij zei,” O Maryah Aloha, hoe kan ik weten dat ik het zal bezitten?”

15:9 Dus zei hij tot hem,”Breng mij een drie jaar oude vaars, en een drie jaar oude vrouwelijke geit, en een drie jaar oude ram, en een tortelduif, en een jonge duif.”

15:10 Vervolgens, hij bracht al deze tot hem en hij sneed hen in tweeën, en legde elke helft tegenover de andere; maar de vogels sneed hij niet.

15:11 De vogels-van-prooi kwamen naar beneden op de karkassen, en Abram dreef hen weg.

15:12 Nu, toen de zon onderging, viel er een diep slaap op Abram; en zie! verschrikking en grote duisternis viel op hem.

15:13 Aloha zei tot Abram,” Weet voor zeker dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet het hunne is, waar zij vier honderd jaren zullen worden geknecht en verdrukt.

15:14 maar ik zal ook de natie oordelen die zij zullen dienen, en daarna zullen zij uitkomen met vele bezittingen.

15:15 Wat u betreft, gij zult naar uw vaders gaan in vrede; gij zult worden begraven op een eerbare oude leeftijd.

15:16 Vervolgens, in de vierde generatie zullen zij hier terugkeren, want de ongerechtigheid van de Amorieten is nog niet voltooid.”

15:17 Het kwam ongeveer wanneer de zon was ondergegaan, dat het zeer donker was, en

zie! er verscheen een rokende oven en een brandende fakkel die tussen deze stukken passeerde.

15:18 Op die dag, Maryah maakte een verbond met Abram, zeggende,”Aan uw nakomelingen heb ik dit land gegeven, vanaf de rivier van Egypte zo ver als de grote rivier, de rivier Eufraat:

15:19 de Kenite en de Kenizzite en de Kadmonite

15:20 en de Hittite en de Perizzite en de Rephaim

15:21 en de Amorieten en de Kanaänieten en de Girgashite en de jebusieten.”

16:1-16

16:1 SARAI nu, Abram’s vrouw had hem geen kinderen gebaard, en zij had een Egyptische meid wiens naam Hagar was.

16:3 Dus zei Sarai tot Abram,” Zie nu! Maryah heeft mij verhinderd om kinderen te dragen. Alstublieft ga in tot mijn meid; misschien zal ik kinderen bekomen door haar.”En Abram luisterde naar de stem van Sarai.

16:3 Nadat Abram tien jaren had gewoond in het land Kanaän, Abram’s vrouw Sarai nam Hagar de Egyptische, haar meid, en gaf haar aan haar man Abram als zijn vrouw.

16:4 Hij ging in tot Hagar, en zij verwekte; maar toen ze zag dat ze had verwekt, was haar meesteres veracht in haar ogen.

16:5 En Sarai zei tot Abram,”Moge het verkeerde mij aangedaan, op u zijn. Ik gaf mijn meid in uw armen, maar wanneer zij zag dat ze had verwekt, was ik veracht in haar ogen. Moge Maryah oordelen tussen u en mij.”

16:6 Maar Abram zei tot Sarai,”Zie! uw meid is in uw macht; doe tot haar wat goed is in uw ogen.”Dus behandelde Sarai haar hard, en zij vluchtte weg van haar tegenwoordigheid.

16:7 Nu vond de engel van Maryah haar bij een bron van water in de woestijn, nabij de bron op de weg naar Shur.

16:8 Hij zei,” Hagar, Sarai’s meid, waar komt gij vandaan en waar gaat gij heen?” En zij zei,” Ik ben op de vlucht van de tegenwoordigheid van mijn meesteres Sarai.”

16:9 Vervolgens, de engel van Maryah zei tot haar,” Keer terug tot uw meesteres, en onderwerpt uzelf aan haar gezag.”

16:10 Bovendien, de engel van Maryah zei tot haar,” Ik zal uw nakomelingen zeer vermenigvuldigen zodat zij met teveel zullen zijn om te tellen.”

16:11 De engel van Maryah zei verder tot haar,”Zie! gij zijt met een kind, en gij zult een zoon dragen; en gij zult zijn naam Ishmael noemen, omdat Maryah acht heeft gegeven aan uw benauwing.

16:12 Hij zal een wilde ezel van een mens zijn, zijn hand zal tegen iedereen zijn, en ieders hand zal tegen hem zijn; en hij zal ten oosten van al zijn broeders wonen.”

16:13 Vervolgens, zij noemde de naam van Maryah die tot haar sprak,”U bent Aloha die ziet”; want zij zei,” ik ben zelfs in leven gebleven, hier, na het zien van hem?”

16:14 Daarom, werd die put Beer-lahai-roi genoemd; zie! hij ligt tussen Kadesh en Bered.

16:15 Dus, Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde de naam van zijn zoon, die Hagar baarde, Ishmael.

16:16 Abram was tachtig en zes jaren oude toen Hagar aan hem Ishmael baarde.

17:1-27

17:1 NU, wanneer Abram negentig en negen jaren oud was, verscheen Maryah aan Abram en zei tot hem,”Ik ben Aloha de almachtige; wandel voor mij, en wees onberispelijk.

17:2 ik zal mijn verbond oprichten tussen mij en u, en ik zal u buitengewoon vermenigvuldigen.”

17:3 Abram viel op zijn gezicht, en Aloha sprak met hem, zeggende,

17:4 Wat mij betreft, zie! mijn verbond is met u, en gij zult de vader zijn van een veelheid van naties.

17:5 Niet langer zal uw naam Abram worden genoemd, maar uw naam zal Abraham zijn; want ik zal u de vader maken van een veelheid van naties.

17:6 En ik zal u buitengewoon vruchtbaar maken, en ik zal naties maken van u, en koningen zullen vanuit u voortkomen.

17:7 Ik zal mijn verbond vestigen tussen mij en u, en uw nakomelingen na u, doorheen hun generaties, tot een eeuwigdurend verbond, om Aloha tot u en tot uw nakomelingen na u te zijn.

17:8 Ik zal aan u en aan uw nakomelingen na u, het land geven van uw vreemdelingschap, geheel het land van Kanaän, tot een eeuwigdurend bezit; en ik zal hun Aloha zijn.”

17:9 Aloha zei verder tot Abraham,” Nu, wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nakomelingen na u in hun geslachten.

17:10 Dit is mijn verbond, die gij zult houden, tussen mij en u en uw nakomelingen na u: elke man onder u zal worden besneden.

17:11 En gij zult worden besneden in het vlees van uw voorhuid, en het zal het teken zijn van het verbond tussen mij en u.

17:12 En elke mannelijke onder u die acht dagen oud is zal worden besneden in uw geslachten, een dienaar die geboren is in het huis of die gekocht is met geld van een buitenlander, die niet van uw nakomelingen is.

17:13 Een dienaar die geboren is in uw huis of die gekocht is met uw geld zal zeker worden besneden; alzo zal mijn verbond zijn in uw vlees voor een eeuwigdurend verbond.

17:14 Maar een onbesneden man die niet is besneden in het vlees van zijn voorhuid, die zal worden afgesneden van zijn volk; hij heeft mijn verbond verbroken.”

17:15 Vervolgens, Aloha zei tot Abraham,” Wat betreft Sarai uw vrouw, gij zult haar naam niet meer Sarai noemen, maar Sarah zal haar naam zijn.

17:16 Ik zal haar zegenen, en inderdaad, ik zal u bij haar een zoon geven. Dan zal ik haar zegenen, en zij zal een moeder zijn van naties; koningen van volkeren zullen vanuit haar komen.”

17:17 Vervolgens, Abraham viel op zijn gezicht en lachte, en zei in zijn hart,” Zal er een kind worden geboren aan een man van één honderd jaren oud? En zal Sarah, die negentig jaren oud is, een kind dragen?

17:18 En Abraham zei tot Aloha,” Oh dat Ishmael maar mocht leven voor u!”

17:19 Maar Aloha zei,” Neen, maar Sarah uw vrouw zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam Isaac noemen; en ik zal mijn verbond met hem oprichten als een eeuwigdurend verbond voor zijn nakomelingen na hem.

17:20 Wat betreft Ishmael, ik heb u gehoord; zie! Ik zal hem zegenen, en zal hem vruchtbaar maken en zal hem buitengewoon vermenigvuldigen. Hij zal de vader worden van twaalf prinsen, en ik zal hem een grote natie maken.

17:21 Maar mijn verbond zal ik met Isaac vestigen, die Sarah aan u zal dragen volgens jaar

op dit seizoen.”

17:22 Toen hij klaar was met hem te praten, steeg Aloha op van Abraham.

17:23 Vervolgens, Abraham nam Ishmael zijn zoon, en al de dienaars die geboren waren in zijn huis en allen die waren gekocht met zijn geld, iedere man onder de mannen van Abraham’s huishouden, en besneed het vlees van hun voorhuid diezelfde dag, zoals Aloha tegen hem had gezegd.

17:24 Nu was Abraham negentig en negen jaren oud toen hij werd besneden in het vlees van zijn voorhuid.

17:25 En zijn zoon Ishmael was dertien jaren oud toen hij werd besneden in het vlees van zijn voorhuid.

17:26 Op diezelfde dag werd Abraham besneden, en zijn zoon Ishmael.

17:27 Alle mannen van zijn huishouden, die waren geboren in het huis of gekocht met geld van een vreemdeling, werden met hem besneden.

18:1-33

18:1 Nu, Maryah verscheen aan hem bij de eiken van Mamre, terwijl hij bij de tentdeur zat in de hitte van de dag.

18:2 Toen hij zijn ogen ophief en keek, zie! drie mannen stonden tegenover hem; en toen hij hen zag, rende hij vanaf de tentdeur om hen te ontmoeten en boog zichzelf ter aarde,

18:3 en zei, “Mijn Maryah, als ik nu gunst heb gevonden voor uw aangezicht, alstublieft, ga uw dienaar niet voorbij.

18:4 Alstublieft, laat een beetje water worden gebracht en was uwer voeten, en leg jullie zelf te rusten onder de boom;

18:5 en ik zal een stuk van brood brengen, en dat gij uzelf moogt verfrissen; daarna moogt gij verdergaan, aangezien gij uw dienaar hebt bezocht.” En zij zeiden,” Doe zoals gij gezegd hebt.”

18:6 Dus haastte Abraham zich naar Sarah in de tent, en zei,” Snel, bereid drie maten van fijne bloem, kneed het en maak brood koeken.”

18:7 Abraham rende ook naar de kudde, en nam een mals en verkozen kalf en gaf het aan de knecht, en hij haastte zich om het te bereiden.

18:8 Hij nam wrongel en melk en het kalf die hij had bereid, en zette het hen voor; en hij stond bij hen onder de boom toen zij aten.

18:9 Vervolgens, zij zeiden tot hem,”Waar is Sarah uw vrouw?” en hij zei,”Daar, in de tent.”

18:10 Hij zei,” Ik zal zeker tot u terugkeren volgend jaar, op ditzelfde moment; en zie! uw vrouw Sarah zal een zoon hebben.” En Sarah luisterde aan de tentdeur, die achter hem was.

18:11 Nu waren Abraham en Sarah oud, vergevorderd in leeftijd; en Sarah was de vruchtbaarheid voorbij.

18:12 Sarah lachte bij zichzelf, zeggende,”Nadat ik oud ben geworden, zal ik het genoegen hebben? mijn heer is ook oud?”

18:13 En Maryah zei tot Abraham,” Waarom lachte Sarah, zeggende,’ Zal ik inderdaad een kind dragen, wanneer ik zo oud ben?’

18:14 Is iets te moeilijk voor Maryah? Op het afgesproken tijdstip zal ik terugkeren tot u, volgend jaar, op dit moment, en Sarah zal een zoon hebben.”

18:15 Sarah ontkende het echter, zeggende,” Ik lach niet”; want ze was bang. En hij zei,”Nee, maar gij hebt gelachen.

18:16 Vervolgens, de mannen stonden op van daar, en keken naar beneden naar Sodom; en Abraham wandelde met hen om hen weg te zenden.

18:17 Maryah zei,” Zal ik voor Abraham verbergen wat ik nu ga doen,

18:18 vermits Abraham zeker een grote en machtige natie zal worden, en in hem alle natiën der aarde zullen worden gezegend?

18:19 Want ik heb hem gekozen, zodat hij zijn kinderen kan gebieden, en zijn familie na hem, om de weg van Maryah te bewaren, door gerechtigheid en rechtvaardigheid te doen, zodat Maryah over Abraham kan brengen wat hij heeft gesproken over hem.”

18:20 En Maryah zei,” Het geschreeuw van Sodom en Gomorra is inderdaad groot, en hun zonde is buitengewoon ernstig.

18:21 Ik zal nu neerwaarts gaan, en zien als zij geheel hebben gedaan naar hun geschreeuw, die tot mij is gekomen; en zo niet, zal ik het weten.”

18:22 Vervolgens, de mannen keerden zich af van daar, en gingen naar Sodom, terwijl Abraham nog steeds stond voor het aangezicht van Maryah.

18:23 Abraham kwam nabij en zei,” Zult gij werkelijk wegvegen de rechtvaardigen met de goddelozen?

18:24 Stel dat er vijftig rechtvaardigen in de stad zijn; zult gij haar werkelijk wegvegen en de plaats niet sparen omwille van de vijftig rechtvaardigen die daarin zijn?

18:25 Verre zij het van u om te doen zulk een ding, om de rechtvaardigen te doden met de goddelozen, zodat de rechtvaardigen en de goddelozen gelijk worden behandeld. Verre zij het van u! zal niet de rechter van geheel de aarde rechtvaardig handelen?”

18:26 Dus zei de Heer,”als ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, dan zal ik de gehele plaats sparen vanwege hen.”

18:27 En Abraham antwoordde,” Zie nu, ik heb gewaagd om te spreken tot Maryah, hoewel ik maar stof en as ben.

18:28 Stel dat (aan) de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken, zult gij de gehele stad vernietigen vanwege vijf?” En hij zei,” Ik zal haar niet vernietigen als ik er daar vijfenveertig vind.”

18:29 Hij sprak wederom tot hem en zei,”Stel dat er daar veertig te vinden zijn?” En hij zei,” Ik zal het niet doen vanwege de veertig.”

18:30 Vervolgens zei hij,” Oh, moge Maryah niet boos worden, en ik zal spreken; veronderstel dat er daar dertig te vinden zijn?” En hij zei,” Ik zal het niet doen als ik er daar dertig vind.”

18:31 En hij zei,”Zie nu, ik heb het gewaagd om te spreken met Maryah; veronderstel dat er twintig zijn te vinden?” En hij zei,” Ik zal haar niet vernietigen vanwege de twintig.”

18:32 Vervolgens zei hij,” Oh moge Maryah niet boos worden, en ik zal dit alleen éénmaal zeggen; stel dat er tien te vinden zijn?” En hij zei,” Ik zal haar niet vernietigen vanwege de tien.”

18:33 Zodra hij klaar was met spreken tot Abraham vertrok Maryah, en Abraham keerde terug naar zijn plaats.

19:1-38

19:1 Nu, de twee engelen kwamen naar Sodom in de avond toen Lot zittende was in de poort van Sodom. Toen Lot hen zag, stond hij op om hen te ontmoeten en boog neerwaarts met zijn gezicht op de grond.

19:2 En hij zei,” Zie nu, mijnheren, alstublieft draai om in het huis van uw dienaar, en breng de nacht door, en was uw voeten; vervolgens kunt u vroeg opstaan en op uw weg gaan.” Zij zeiden echter,” Neen, maar we zullen de nacht doorbrengen op het plein.”

19:3 Doch, hij spoorde hen krachtig aan, dus zij draaiden om tot hem en gingen zijn huis in; en hij bereidde een feest voor hen, en bakte ongezuurde broden, en zij aten.

19:4 Alvorens zij neerlagen, de mannen van de stad, de mannen van Sodom, omringden het huis, zowel jong als oud, geheel het volk van elk plein;

19:5 en zij riepen tot Lot en zeiden tot hem,”Waar zijn de mannen die deze avond tot u kwamen? Breng hen buiten tot ons zodat wij betrekkingen kunnen hebben met hen.”

19:6 Maar Lot ging uit van hen naar de deuropening, en hij sloot de deur achter hem toe,

19:7 en zei,” alsjeblief, mijn broeders, handel niet goddeloos.

19:8 Zie nu, ik heb twee dochters die geen betrekking hebben gehad met mannen; alsjeblief laat me hen uitbrengen tot u, en doe tot hen wat je wilt; doe alleen niets aan deze mannen, daar zij zijn gekomen onder de beschutting van mijn dak.”

19:9 Maar ze zeiden, “ga opzij staan”. Verder, zeiden ze,”Deze kwam in als een vreemdeling, en alreeds gedraagt hij zich als een rechter; nu zullen we u slechter behandelen dan hen”. Dus drukten ze hard tegen Lot en kwamen naderbij om de deur te breken.

19:10 Maar de mannen staken hun handen uit en brachten Lot in het huis met hen, en sloten de deur dicht.

19.11 Ze sloegen de mannen die in de deuropening waren van het huis met blindheid, zowel klein als groot, zodat zij zelf vermoeid probeerden om de deuropening te vinden.

19:12 Vervolgens, de twee mannen zeiden tot Lot,” Wie anders hebt u hier? Een schoonzoon, en uw dochters, en al wie gij in de stad hebt, breng hen vanuit de plaats;

19:13 want we zijn op het punt om deze plaats te vernietigen, omdat hun luid geschreeuw zo groot geworden is voor (het aangezicht van) Maryah zodat de Heer ons gezonden heeft om haar te vernietigen.”

19:14 Lot ging uit en sprak tot zijn schoonzoons, die waren getrouwd met zijn dochters, en zei,” Sta op, kom uit deze plaats, want Maryah zal de stad vernietigen.” Maar het leek tot zijn schoonzoons zotternij te zijn.

19:15 Wanneer de morgen aanbrak spoorden de engelen Lot aan, zeggende, “Sta op, neem uw vrouw en uw twee dochters die hier zijn, of gij zult worden weggevaagd in de straf van de stad.”

19:16 Maar hij aarzelde. Dus de mannen grepen zijn hand en de hand van zijn vrouw en de handen van zijn twee dochters, want het medeleven van Maryah was op hem; en zij brachten hem weg en zetten hem buiten de stad.

19:17 Toen zij hen buiten hadden gebracht, zei er één,” Vlucht voor uw leven! Kijk niet achter u, en blijf niet ergens in de vallei; vlucht naar de bergen, of gij zult worden weggevaagd.”

19:18 Maar Lot zei tot hen,” Och! neen mijn heren!

19:19 Zie nu, uw dienaar heeft genade gevonden in uw ogen, en gij hebt uw goedertierenheid vergroot, die gij mij hebt getoond door mijn leven te redden; maar ik kan niet ontsnappen naar de bergen want het onheil zal mij inhalen en ik zal sterven;

19:20 zie nu, deze stad is dicht genoeg om naar toe te vluchten, en ze is klein. Alsjeblief, laat mij erheen ontsnappen zodat mijn leven kan worden gered.”

19:21 Hij zei tot hem,” Zie, ik verleen u ook dit verzoek, niet om de stad van welke gij hebt

gesproken omver te werpen.

19:22 Schiet op, ontsnap daarheen, want ik kan niets doen totdat gij daar zijt aangekomen.” Daarom, werd de naam van de stad Zoar genoemd.

19.23 De zon was opgestaan over de aarde wanneer Lot te Zoar kwam.

19:24 Vervolgens, Maryah regende zwavel op Sodom en Gomorrah en vuur van Maryah vanuit de hemel,

19:25 en deze steden wierp hij omver, en heel de vallei, en al de inwoners van de steden, en wat op de grond groeit.

19.26 Maar zijn vrouw, vanachter hem, keek om, en zij werd een pilaar van zout.

19:27 Nu Abraham stond vroeg op in de morgen en ging naar de plaats waar hij had gestaan voor Maryah;

19:28 en hij keek neer naar Sodom en Gomorrah, en naar geheel het land van de vallei, en hij zag, en zie, de rook van het land steeg op als de rook van een oven.

19:29 Dus kwam het ongeveer, wanneer Aloha de steden van de vallei vernietigde, dat Aloha Abraham herinnerde, en Lot uitzond van het midden van de omverwerping, wanneer hij de steden omverwierp in welke Lot woonde.

19:30 Lot ging omhoog van Zoar, en bleef in de bergen, en zijn twee dochters met hem; want hij was bang om in Zoar te blijven; en hij bleef in een grot, hij en zijn twee dochters.

19:31 Vervolgens, de eerstgeborene zei tot de jongere,”Onze vader is oud, en er is niet één man op aarde om in ons te komen naar de wijze van de aarde.

19:32 Kom, laat ons onze vader wijn doen drinken, en laat ons gaan liggen met hem zodat we onze familie kunnen bewaren door onze vader.”

19:33 Dus, zij deden hun vader wijn drinken die nacht, en de eerstgeborene ging in en lag bij haar vader; en hij wist het niet toen zij neerlag of toen zij opstond.

19:34 Op de volgende dag, de eerstgeborene zei tot de jongere,” Zie, ik lag gisteravond met mijn vader; laat ons hem ook vanavond wijn doen drinken; gaat gij vervolgens in en lig met hem, zodat we onze familie kunnen bewaren door onze vader.

19:35 Dus deden zij hun vader ook die nacht wijn drinken, en de jongste stond op en lag met hem; en hij wist niet wanneer ze neerlag of wanneer ze opstond.

19:36 Dus, alle twee de dochters van Lot waren met een kind door hun vader.

19:37 De eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; hij is de vader van de Moabieten tot op deze dag.

19:38 En alsook de jongere, ook zij baarde een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; hij is de vader van de zonen van Ammon tot op deze dag.

20:1-18

20:1 Nu, Abraham reisde van daar naar het land van de Negev, en vestigde zich tussen Kadesh en Shur; vervolgens vertoefde hij in Gerar.

20:2 Abraham zei van Sarah zijn vrouw,” Ze is mijn zuster.” Dus zond Abimelech de koning van Gerar en nam Sarah.

20:3 Maar Aloha kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en zei tot hem;” Zie! Gij zijt een dode man vanwege de vrouw die gij genomen hebt, want zij is gehuwd.”

20:4 Nu, Abimelech was niet nabij haar gekomen en hij zei,” Maryah, zult gij een natie doden, hoewel zelfs zonder blaam?

20:5 Heeft hijzelf niet tot mij gezegd, ‘Ze is mijn zuster’ ? En zijzelf zei,’Hij is mijn broer.’ In de integriteit van mijn hart en de onschuld van mijn handen heb ik dit gedaan.”

20:6 Vervolgens, Aloha zei tot hem in een droom,” Ja, ik weet dat gij dit in de integriteit van uw hart hebt gedaan, en ik behoede u ook van zondigen tegen mij; daarom heb ik u haar niet laten aanraken.

20:7 Nu daarom, breng de man’s vrouw terug, want hij is een profeet, en hij zal bidden voor u en ge zult leven. Maar indien gij haar niet terugbrengt, weet dan dat ge zeker sterven zult, jij, en allen die van jou zijn.”

20:8 Dus, Abimelech stond vroeg op in de morgen en riep al zijn dienaars en vertelde al deze dingen in hun gehoor; en de mannen waren zeer bang.

20:9 Vervolgens, Abimelech riep Abraham en zei tot hem, “Wat hebt gij gedaan aan ons? En hoe heb ik tegen u gezondigd, omdat gij op mij en op mijn koninkrijk een grote zonde hebt gebracht? Gij hebt aan mij dingen gedaan die niet moesten gebeuren.”

20:10 En Abimelech zei tot Abraham, ” Wat hebt gij ondervonden, dat gij dit ding hebt gedaan?”

20:11 Abraham zei,” Omdat ik dacht, er is zeker geen vreze van Aloha in deze plaats,en zij zullen mij vermoorden vanwege mijn vrouw.

20:12 Bovendien, zij is eigenlijk mijn zuster, de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij werd mijn vrouw;

20:13 en het kwam ongeveer, toen Aloha mij deed zwerven van mijn vaders huis, dat ik zei tot haar, ‘ Dit is de vriendelijkheid die gij aan mij zult tonen: overal waar we gaan, zeg van mij, “Hij is mijn broer.”

20:14 Abimelech vervolgens nam schapen en ossen en mannelijke en vrouwelijke dienaren, en gaf hen aan Abraham, en gaf zijn vrouw Sarah aan hem terug.

20:15 Abimelech zei,”Zie! mijn land is vóór u; vestigt overal waar het u behaagt”

20:16 Aan Sarah zei hij,”Zie! ik heb uw broer een duizend stukken van zilver gegeven; zie, het is uw rechtvaardiging voor allen die met u zijn, en voor alle mannen zijt gij gezuiverd.”

20:17 Abraham bad tot Aloha, en Aloha genas Abimelech en zijn vrouw en zijn meiden, zodat zij kinderen baarden.

20:18 Want Maryah had al de baarmoeders van het huis van Abimelech dicht gesloten vanwege Sarah, Abraham’s vrouw.

21:1-34

21:1 Vervolgens, Maryah nam nota van Sarah zoals hij had gezegd, en Maryah deed voor Sarah zoals hij had beloofd.

21:2 Dus, Sarah verwekte en baarde een zoon aan Abraham op zijn oude leeftijd, op de afgesproken tijd van welke Aloha tot hem had gesproken.

21:3 Abraham noemde de naam van zijn zoon die aan hem was geboren, die Sarah voor hem droeg, Isaac.

21:4 Vervolgens, Abraham besneed zijn zoon Isaac wanneer hij acht dagen oud was, zoals Aloha hem had geboden.

21:5 Abraham nu, was één honderd jaren oud wanneer zijn zoon Isaac aan hem werd geboren.

21:6 Sarah zei, “Aloha heeft gelach gemaakt voor mij; iedereen die hoort zal met mij lachen.”

21:7 En ze zei,”Wie zou hebben gezegd aan Abraham dat Sarah kinderen zou verzorgen? Doch, ik heb hem een zoon gebaard op zijn oudere leeftijd.”

21:8 Het kind groeide en werd gespeend, en Abraham maakte een groot feest op de dag dat Isaac werd gespeend.

21:9 Nu, Sarah zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die ze had gedragen aan Abraham, spottende.

21:10 Daarom zei ze tot Abraham,” Verdrijf deze meid en haar zoon, want de zoon van deze meid zal geen erfgenaam zijn met mijn zoon Isaac.”

21:11 De zaak bedroefde Abraham ten zeerste omwille van zijn zoon.

21:12 Maar Aloha zei tot Abraham,”Wees niet bedroefd omwille van de jongen en uw meid; wat Sarah u ook vertelt, luister naar haar, want door Isaac zullen uw nakomelingen worden benoemd.

21:13 En van de zoon van de meid zal ik ook een natie maken, want hij is uw nakomeling.”

21:14 Dus, Abraham stond op vroeg in de morgen, nam brood, en een huid met water en gaf het aan Hagar, bond het om haar schouder, gaf haar de jongen, en zond haar weg. En zij vertrok en zwierf rond in de woestijn van Beersheba.

21:15 Wanneer het water in de huid was opgebruikt, liet zij de jongen, onder één van de struiken.

21:16 Vervolgens, ging ze en zat neer tegenover hem, ongeveer op een boogschot weg, daar zei ze,” Laat me de jongen niet zien sterven.” En zij zat tegenover hem, en hief haar stem op, en zij weende.

21:17 Aloha hoorde de jongen huilen; en de engel van Aloha riep tot Hagar vanuit de hemel en zei tot haar,”Wat is de zaak met u, Hagar? Vreest niet, want Aloha heeft de stem van de jongen gehoord, waar hij is.

21:18 Sta op, til de jongen op, en grijp hem vast bij de hand, want ik zal een grote natie maken van hem.”

21:19 Vervolgens, Aloha opende haar ogen en zij zag een bron van water; en ze ging en vulde de huid met water en gaf de jongen een dronk.

21:20 Aloha was met de jongen, en hij groeide op; en hij leefde in de woestijn en werd een boogschutter.

21:21 Hij leefde in de woestijn van Paran, en zijn moeder nam een vrouw voor hem vanuit het land van Egypte.

21:22 Nu, het kwam ongeveer op dat moment dat Abimelech, met Phicol, de bevelhebber van zijn leger, tot Abraham sprak, zeggende,” Aloha is met u in alles wat ge doet;

21:23 daarom nu, zweert hier aan mij bij Aloha dat gij niet valselijk zult handelen met mij, of met mijn nakomelingen, of met mijn nageslacht, maar volgens de vriendelijkheid die ik heb betoond aan u, zult gij aan mij betonen, en aan het land in welke gij hebt vertoefd.”

21:24 Abraham zei,” Ik zweer dat.”

21:25 Maar Abraham beklaagde zich bij Abimelech vanwege de bron van water welke de dienaren van Abimelech in beslag hadden genomen.

21:26 Maar Abimelech zei,” Ik weet niet wie dit ding heeft gedaan; gij hebt het mij niet verteld, evenmin, heb ik ervan gehoord, tot op vandaag.”

21:27 Abraham nam schapen en ossen en gaf ze aan Abimelech, en de twee van hen maakten een verbond.

21:28 Vervolgens, Abraham stelde zeven ooilammeren van de kudde, op henzelf.

21:29 Abimelech zei tot Abraham,” Wat betekenen deze zeven ooilammeren, welke gij hebt gesteld op henzelf?”

21:30 Hij zei,” Gij zult deze zeven ooilammeren nemen vanuit mijn hand zodat het een getuigenis moge zijn voor mij, dat ik deze (water) bron groef.”

21:31 Daarom, hij noemde die plaats Beersheba, omdat daar de twee van hen een eed aannamen.

21:32 Dus, ze maakten een verbond te Beersheba; en Abimelech, en Phicol de bevelhebber van zijn leger, stonden op, en keerden terug naar het land van de Filistijnen.

21:33 Abraham plante een tamarisk boom te Beersheba, en daar riep hij de naam aan van Maryah, de eeuwige en altijd zijnde Aloha.

21:34 En Abraham vertoefde in het land van de filistijnen voor vele dagen.

22:1-24

22:1 Nu, het kwam ongeveer na deze dingen, dat Aloha Abraham testte, en tot hem zei,”Abraham!” En hij zei” Hier ben ik.”

22:2 Hij zei,”Neem nu uw zoon, uw enige zoon, die gij liefhebt, Isaac, en ga naar het land van Moriah, en offer hem daar als een brand-offer op één van de bergen van welke ik u zal vertellen.”

22:3 Dus, Abraham stond vroeg op in de morgen en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jonge mannen met hem en Isaac, zijn zoon; en hij spleet hout voor het brandoffer, en stond op, en ging naar de plaats van welke Aloha hem had verteld.

22:4 Op de derde dag, Abraham hief zijn ogen op en zag de plaats vanaf een afstandje.

22:5 Abraham zei tot zijn jonge mannen,”Blijf hier met de ezel, en ik en de jongen zullen daarheen gaan; en we zullen aanbidden en terugkeren naar u.”

22:6 Abraham nam het hout van het brandoffer en legde het op Isaac zijn zoon, en hij nam het vuur en het mes in zijn hand. Zo wandelden de twee van hen tezamen op.

22:7 Isaac sprak tot Abraham zijn vader en zei,”Mijn vader” en hij zei,”Hier ben ik, mijn zoon.” En hij zei,”zie! het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?”

22:8 Abraham zei,”Aloha zal voor zichzelf het lam voor het brandoffer voorzien, mijn zoon.” Dus de twee van hen wandelden op, samen.

22:9 Vervolgens, zij kwamen aan op de plaats van welke Aloha hem had verteld; en Abraham bouwde het altaar daar en schikte het het hout, en bond zijn zoon Isaac en legde hem op het altaar, bovenop het hout.

22.10 Abraham strekte zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te doden.

22.11 Maar de engel van Maryah riep tot hem vanuit de hemel en zei,”Abraham, Abraham!” en hij zei,”Hier ben ik.”

22:12 Hij zei,”Strek uw hand niet uit tegen de jongen, en doe hem niets aan; want nu weet ik dat gij Aloha vreest, aangezien gij uw zoon niet hebt weerhouden, uw enige zoon, van mij.”

22:13 Vervolgens, Abraham hief zijn ogen op en keek, en hij zag achter hem een ram gevangen in het struikgewas door zijn hoornen; en Abraham ging en nam de ram en offerde hem op als een brandoffer in-plaats-van zijn zoon.

22:14 Abraham noemde de naam van die plaats ‘Aloha zal voorzien’, zoals het is gezegd tot op deze dag,”Op de berg van Aloha zal het worden voorzien.”

22:15 Vervolgens, de engel van Maryah riep tot Abraham een tweed maal vanuit de hemel,

22:16 en zei,” Bij mezelf heb ik gezworen, verklaart Maryah, omdat gij dit ding hebt gedaan en uw zoon niet hebt onthouden, uw enige zoon,

22:17 waarlijk, ik zal u zeer zegenen, en ik zal uw zaad zeer vermeerderen als de sterren van de hemel en als de zandkorrels die aan de kust zijn; en uw zaad zal de poorten van hun vijanden bezitten.

22:18 In uw zaad zullen worden gezegend, al de naties van de aarde, omdat gij hebt gehoorzaamd aan mijn stem.”

22.19 Dus, Abraham keerde terug naar zijn jonge mannen, en zij stonden op en gingen samen naar Beersheba; en Abraham leefde te Beersheba.

22:20 Nu, het kwam ongeveer na deze dingen, dat het Abraham werd verteld, zeggende,”Zie, Milcah heeft ook kinderen gedragen aan uw broer Nahor:

22.21 Uz zijn eerstgeborene en Buz zijn broeder en Kemuel de vader van Aram

22:22 en Chesed en Hazo en Pildash en Jidlaph en Betuél.”

22.23 Bethuél werd de vader van Rebekah; deze acht droeg Milcah aan Nahor, Abraham’s broer.

22.24 Zijn bijvrouw, wiens naam Reumah was, droeg ook Tebah en Gaham en Tahash en Maacah.

23:1-20

23:1 Nu, Sarah leefde één honderd en zeven-en-twintig jaren; dit waren de jaren van het leven van Sarah.

23:2 Sarah stierf in Kiriath-arba in het land van Kanaän; en Abraham ging in om te rouwen voor Sarah en om voor haar te huilen .

23:3 Vervolgens, Abraham stond op van boven zijn gestorvene, en sprak aan de zonen van Heth, zeggende,

23:4 “Ik ben een vreemdeling en een bijwoner onder u; geef mij een begraafplaats onder u zodat ik mijn gestorvene kan begraven, buiten mijn zicht.”

23:5 De zonen van Heth antwoordden Abraham, zeggende tot hem,

23:6 “hoor ons, mijn heer, gij zijt een machtige prins onder ons; begraaf uw gestorvene in de voortreffelijkste van onze graven; geen van ons zal u zijn graf weigeren om uw gestorvene te begraven.”

23:7 Dus, Abraham stond en boog tot het volk van het land, de zonen van Heth.

23:8 En hij sprak met hen, zeggende,” Als het uw wens voor mij is, om mijn gestorvene te begraven buiten mijn zicht, hoor mij, en benadert Ephron de zoon van Zohar voor mij,

23:9 dat hij mij de grot van Machpelah moge verlenen die hij bezit, welke aan het eind van zijn akker is; laat het hem geven aan mij in uw aanwezigheid voor de volle prijs, als een begraaf-plaats.”

23:10 Nu, Ephron zat onder de zonen van Heth; en Ephron de Hettit antwoordde Abraham in de hoorzitting van de zonen van Heth; zelfs voor allen die ingingen aan de poort van zijn stad, zeggende,

23:11 “Neen, mijn heer, hoor mij; ik geef u het veld; en ik geef u de grot die daarin is. In de aanwezigheid van de zonen van mijn volk geef ik het aan u; begraaf uw gestorvene.”

23:12 En Abraham boog voor het volk van het land.

23:13 Hij sprak tot Ephron in de hoorzitting van het volk van het land, zeggende,”Indien gij wilt luister alsjeblief eerst naar mij; ik wil de prijs van het veld geven, accepteer het van mij zodat ik mijn gestorvene daar kan begraven.”

23:14 Vervolgens, Ephron antwoordde Abraham, zeggende tot hem,

23:15 “Mijn heer, luistert naar mij; een stuk grond ter waarde van vier-honderd sjekels van zilver, wat is dat tussen u en mij? Dus begraaf uw gestorvene.”

23.16 Abraham luisterde naar Ephron; en Abraham woog voor Ephron het zilver uit die hij had genoemd in de hoorzitting van de zonen van Heth, vier-honderd sjekels van zilver, commerciële standaard.

23:17 Dus, Ephron zijn veld, die in Machpelah was, die Mamre aankeek, het veld en de grot die daarin was, en al de bomen die in het veld waren, die binnen al de grenzen waren van zijn grensgebied, werden overgedragen –

23:18 aan Abraham als een bezit in de aanwezigheid van de zonen van Heth, voor allen die ingingen bij de poort van zijn stad.

23:19 Na dit (ding), Abraham begroef Sarah zijn vrouw in de grot van het veld bij Machpelah Mamre aankijkende in het land van Kanaän.

23:20 Dus, het veld en de grot die daarin is, werden overgedragen aan Abraham voor een begraafplaats door de zonen van Heth.

24:1-67

24:1 Nu, Abraham was oud, gevorderd in leeftijd; en Maryah had Abraham gezegend in elk opzicht.

24:2 Abraham zei tot zijn dienaar, de oudste van zijn huishouden, die verantwoordelijk was voor alles wat hij bezat,”Alsjeblieft, plaats uw hand onder mijn dij,

24:3 en ik zal u doen zweren bij Maryah, de Aloha van de hemel en de Aloha van de aarde, dat gij geen vrouw zult nemen voor mijn zoon van de dochters van de Kanaänieten, onder wie ik leef.

24:4 maar gij zult gaan naar mijn land en naar mijn familieleden, en een vrouw nemen voor mijn zoon Isaac.”

24:5 De dienaar zei tot hem,”Veronderstel dat de vrouw niet bereid is om mij te volgen naar dit land; moet ik uw zoon terug-mee-nemen naar het land vanwaar gij gekomen zijt?”

24:6 Vervolgens, Abraham zei tot hem,” Pas op, dat gij mijn zoon niet meeneemt terug naar daar!

24:7 Maryah, de Aloha des hemels, die mij vanuit mijn vaders huis nam en vanuit het land van mijn geboorte, en die sprak tot mij en die zwoor aan mij, zeggende,’Aan uw nakomelingen zal ik dit land geven,’ Hij zal zijn engel voor u zenden, en gij zult een vrouw

nemen voor mijn zoon van daar?

24:8 Maar als de vrouw niet bereid is om u te volgen, dan zult gij vrij zijn van dit, mijn eed; alleen, neem mijn zoon niet terug daarheen.”

24:9 Dus, de dienaar plaatste zijn hand onder de dij van Abraham zijn meester, en zwoor aan hem betreffende deze zaak.

24:10 Vervolgens, de dienaar nam tien kamelen van de kamelen van zijn meester, en ging uit met een aantal van goede dingen van zijn meester in zijn hand; en hij stond op en ging naar Mesopotamia, naar de stad van Nahor.

24:11 Hij deed de kamelen neerknielen buiten de stad bij de put van water op de avondtijd, het tijdstip wanneer vrouwen uitgaan om water (op) te trekken.

24:12 Hij zei,” O Maryah, Aloha van mijn meester Abraham, alsjeblieft verleen mij voorspoed vandaag, en toon liefdevolle goedheid aan mijn meester Abraham.

24:13 Zie, ik sta bij de bron, en de dochters van de mannen van de stad komen uit om water (op) te trekken;

24:14 nu, mag het zo zijn dat het meisje tot wie ik zeg,’ Alsjeblieft, laat uw kruik neer zodat ik kan drinken,’ en die antwoord,’Drink, en ik zal uw kamelen ook water geven’; moge zij degene zijn die u hebt aangewezen voor uw dienaar Isaac; en door dit zal ik weten dat gij liefdevolle goedheid hebt getoond aan mijn meester.”

24:15 Voordat hij klaar was met spreken, zie! Rebekah die was geboren aan Bethuel de zoon van Milcah, de vrouw van Abraham’s broer Nahor, kwam buiten met haar kruik op haar schouder.

24:16 Het meisje was erg mooi, een maagd, en geen man had relaties gehad met haar; en ze ging nederwaarts naar de bron en vulde haar kruik en kwam opwaarts.

24:17 Vervolgens, de dienaar rende om haar te ontmoeten, en zei,”Alsjeblieft, laat me een beetje water drinken van uw kruik.”

24:18 Ze zei,”Drink,mijn heer”, en ze verlaagde snel haar kruik naar haar hand, en gaf hem een dronk.

24:19 Nu, toen ze klaar was met hem een dronk te geven, zei ze!” Ik zal ook optrekken voor uw kamelen totdat ze klaar zijn met drinken.”

24:20 Dus leegde ze snel haar kruik in de trog, en rende terug naar de bron om op te trekken, en ze trok op voor al zijn kamelen.

24:21 Ondertussen, de man staarde naar haar in stilte, om te weten of Maryah zijn reis succesvol had gemaakt of niet.

24:22 Wanneer de kamelen klaar waren met drinken, nam de man een gouden ring met een gewicht van een halve sjekel en twee armbanden voor haar polsen met een gewicht van tien sjekels in goud,

24:23 en zei,”Wiens dochter zijt gij? Alsjeblieft, vertel me, is er plaats voor ons om te logeren in uw vaders huis?”

24:24 Ze zei tot hem,”Ik ben de dochter van Bethuel, de zoon van Milcah, die zij droeg aan Nahor.”

24:25 Nogmaals zei ze tot hem,”We hebben overvloedig van beide, stro en voeder, en ruimte om in te logeren.”

24:26 Vervolgens, de man boog laag en aanbad Maryah.

24:27 Hij zei,” Gezegend is Maryah, Aloha van mijn meester Abraham, die zijn liefdevolle vriendelijkheid en zijn waarheid naar mijn meester toe niet heeft verzaakt; en wat mij betreft,

Maryah heeft mij geleid op de weg naar het huis van mijn meester’s (zijn) broer.”

24:28 Vervolgens, het meisje rende en vertelde haar moeder’s huishouden over deze dingen.

24:29 Nu Rebekah had een broer wiens naam Laban was; en Laban rende buiten naar de man bij de bron.

24.30 Toen hij de ring zag en de armbanden rond zijn zuster haar polsen, en toen hij de woorden hoorde van Rebekah zijn zuster, zeggende,”Dit is wat de man zei tot mij,” Ging hij tot de man; en zie! hij stond bij de kamelen aan de bron.

24.31 En hij zei,” Kom binnen, gezegende van Maryah! Waarom staat gij buiten sinds ik het huis heb bereid, en een plek voor de kamelen?”

24:32 Dus, de man ging het huis in. Vervolgens, Laban loste de kamelen, en hij gaf stro en voeders aan de kamelen, en water om zijn voeten te wassen en de voeten van de mannen die bij hem waren.

24:33 Maar, wanneer hem voedsel werd voorgezet om te eten, zei hij,”Ik zal niet eten totdat ik mijn zaak heb verteld.” En hij zei,”Spreek verder.”

24:34 Dus, hij zei,”ik ben Abraham’s dienaar.

24:35 Maryah heeft mijn meester zeer gezegend, zodat hij overvloedig werd; en hij gaf hem kleinvee en runderen, en zilver en goud, en dienaars en meiden, en kamelen en ezels.

24:36 Nu, Sarah mijn meester’s vrouw baarde een zoon aan mijn meester op haar oude leeftijd, en hij heeft hem alles gegeven wat hij bezat.

24:37 Mijn meester deed me zweren, zeggende,’Gij zult geen vrouw nemen voor mijn zoon van de dochters van de Kanaänieten, in wiens land ik leef;

24:38 maar gij zult naar mijn vaders huis gaan, en naar mijn familieleden, en een vrouw nemen voor mijn zoon.’

24:39 Ik zei tot mijn meester,’Stel dat de vrouw mij niet volgt.’

24:40 Hij zei tot mij,’Maryah, voor wie ik heb gewandeld, zal zijn engel met u zenden om uw reis succesvol te maken, en gij zult een vrouw nemen voor mijn zoon van mijn familieleden en van mijn vaders huis;

24:41 vervolgens, zult gij vrij zijn van mijn eed, wanneer gij tot mijn familieleden komt; en als zij haar niet aan u geven, zult gij vrij zijn van mijn eed.’

24:42 Dus, kwam ik vandaag bij de bron, en zei,’O Maryah, Aloha van mijn meester Abraham, als u nu mijn reis op welke ik ga succesvol wilt maken;

24:43 zie! ik sta bij de bron, en moge het zijn dat het meisje die uitkomt om op te trekken, en tot wie ik zeg,”Alsjeblieft, laat mij een beetje water drinken van uw kruik”;

24:44 en zij zal zeggen tot mij,”Drinkt gij, en ik zal ook voor uw kamelen putten”; laat haar de vrouw zijn wie Maryah heeft aangewezen voor mijn meester’s zoon.’

24:45 Voordat ik klaar was met spreken in mijn hart, zie! Rebekah kwam uit met haar kruik op haar schouder, en ging naar beneden naar de bron en trok op, en ik zei tot haar,’Alsjeblieft, laat me drinken.’

24:46 Ze verlaagde snel haar kruik van haar schouder, en zei,’Drink, en ik zal ook uw kamelen wateren’; dus dronk ik, en zij waterde ook de kamelen.

24:47 Vervolgens, ik vroeg haar, en zei,’Wiens dochter zijt gij?’ En zij zei,’De dochter van Bethuel, Nahor’s zoon, wie Milcah droeg aan hem’; en ik deed de ring aan haar neus, en de armbanden om haar polsen.

24:48 En ik boog laag en aanbad Maryah, en zegende Maryah, de Aloha van mijn meester Abraham, die mij heeft geleid op de juiste weg om de dochter te nemen van mijn meester’s bloedverwant voor zijn zoon.

24:49 Dus, indien gij nu vriendelijk en waarlijk gaat handelen met mijn meester, vertel het me; en zo niet, laat het me weten, dat ik mij moge wenden naar de rechter hand of de linkse.”

24:50 Vervolgens, Laban en Bethuel antwoorden, “De zaak komt van Maryah; dus kunnen wij niet slecht of goed tot u spreken.

24:51 Hier is Rebekah voor u, neem haar en ga, en laat haar de vrouw worden van uw meester’s zoon, zoals Maryah het heeft gesproken.”

24:52 Wanneer Abraham’s dienaar hun woorden hoorde, boog hij zichzelf tot op de grond voor (het aangezicht van) Maryah.

24:53 De dienaar haalde artikelen uit van zilver en artikelen van goud, en kleding, en gaf ze aan Rebekah; hij gaf ook waardevolle dingen aan haar broer en aan haar moeder.

24:54 Vervolgens, hij en de mannen die bij hem waren aten en dronken en brachten de nacht door. Wanneer zij opstonden in de morgen, zij hij,”Zend mij weg tot mijn meester.”

24:55 Maar haar broer en haar moeder zeiden,”Laat het meisje een weinig dagen bij ons blijven, zeg tien; daarna kan zij gaan.”

24:56 Hij zei tot hen,”Vertraag mij niet, sinds Maryah mijn weg heeft doen bloeien. Zend me weg opdat ik naar mijn meester kan gaan.”

24:57 En zij zeiden,”We zullen het meisje roepen en haar wensen raadplegen.”

24:58 Vervolgens, zij riepen Rebekah en zeiden tot haar,”Wilt gij met deze man gaan?” En zij zei,”Ik wil gaan.”

24:59 Dus, zij zonden hun zuster Rebekah en haar verzorgster weg met Abraham’s dienaar en zijn mannen.

24:60 Zij zegenden Rebekah en zeiden tot haar,”Moge gij, onze zuster, duizenden van tien duizenden worden, en moge uw nakomelingen de poort bezitten van degenen die hen haten.”

24:61 Vervolgens, Rebekah stond op met haar meiden, en zij bestegen de kamelen en volgden de man. Zo nam de dienaar Rebekah mee en vertrok.

24:62 Nu, Isaac was gekomen om uit te gaan naar Beer-lahai-roi; want hij was levende in de Negev.

24:63 Isaac ging uit om te overdenken in het veld, tegen de avond; en hij hief zijn ogen op en keek, en zie! kamelen waren komende.

24:64 Rebekah hief haar ogen op, en toen zij Isaac zag, wierp zij zich uit het zadel van de kameel.

24:65 Ze zei tot de dienaar,”Wie is die man daar, wandelend in het veld, om ons te ontmoeten?” En de dienaar zei,”Hij is mijn meester. Toen nam zij haar sluier en zij bedekte haarzelf.

24:66 De dienaar vertelde Isaac al de dingen die hij had gedaan.

24:67 Vervolgens, Isaac bracht haar tot in zijn moeder Sarah haar tent, en hij nam Rebekah, en zij werd zijn vrouw, en hij had haar lief; zo werd Isaac vertroost na zijn moeders dood.

25:1-34

25:1 Nu, Abraham nam een andere vrouw, wiens naam Keturah was.

25:2 Ze baarde aan hem Zinran en Jokshan en Medan en Midian en Ishbak en Shuah.

25:3 Jokshan werd de vader van Sheba en Dedan. En de zonen van Dedan waren Asshurim en Letushim en Leummim.

25:4 De zonen van Midian waren Ephah en Epher en Hanoch en Abida en Eldaah. Al dezen waren de zonen van Keturah.

25:5 Nu, Abraham gaf alles wat hij had aan Isaac;

25:6 maar aan de zonen van zijn bijvrouwen, gaf Abraham geschenken terwijl hij nog levende was, en stuurde hen weg van zijn zoon Isaac, oostwaarts, naar het land van het Oosten.

25:7 Dit zijn al de jaren van Abraham’s leven dat hij leefde, één honderd en vijf-en-zeventig-jaren.

25:8 Abraham ademde zijn laatste en stierf op een rijpe oude leeftijd, een oude man en tevreden met (zijn) leven; en tot zijn volk werd hij verzameld .

25:9 Vervolgens, zijn zonen Isaac en Ishmael begroeven hem in de grot van Machpelah, in het veld van Ephron de zoon van Zohar de Hettit, tegenover Mamre,

25:10 het veld die Abraham kocht van de zonen van Heth; aldaar werd Abraham begraven bij Sarah zijn vrouw.

25:11 Het kwam ongeveer na de dood van Abraham, dat Aloha zijn zoon Isaac zegende; en Isaac leefde bij Beer-Lahai-roi.

25:12 Nu, dit zijn de optekeningen van de generaties van Ishmael, Abraham’s zoon, wie Hagar de Egyptische, Sarahs meid, droeg tot Abraham;

25:13 en deze zijn de namen van de zonen van Ishmael, bij hun namen, in de volgorde van hun geboorte: Nebaloth, de eerstgeborene van Ishmael, en Kedar en Adbeel en Mibsam

25:14 en Mishma en Dumah en Massa,

25:15 Hadad en Tema, Jetur, Naphish en Kedemah.

25:16 Dit zijn de zonen van Ishmael en dit zijn hun namen, bij hun dorpen, en bij hun kampen; twaalf prinsen volgens hun stammen.

25:17 Dit zijn de jaren van het leven van Ishmael, één honderd en zeven-en-dertig jaren; en hij ademde zijn laatste en stierf, en werd verzameld tot zijn volk.

25:18 Zij vestigden zich vanaf Havilah tot Shur die ten oosten is van Egypte zoals iemand die naar Assyria gaat; hij vestigde zich in weerwil van al zijn verwanten.

25:19 Nu, dit zijn de optekeningen van de generaties van Isaac, Abraham’s zoon: Abraham werd de vader van Isaac;

25:20 en Isaac was veertig jaar oud toen hij Rebekah nam, de dochter van Bethuel de Aramees van Paddan-aram, de zuster van Laban de Aramees, om zijn vrouw te zijn.

25:21 Isaac bad tot Maryah namens zijn vrouw, omdat zij onvruchtbaar was; en Maryah antwoordde hem en Rebekah zijn vrouw ontving.

25:22 Maar de kinderen worstelden samen binnen haar; en ze zei,”Als het zo is, waarom dan ben ik deze wijze?” Dus ging ze om van Maryah te vragen.

25:23 Maryah zei tot haar,”Twee naties zijn in uw baarmoeder; en twee volken zullen worden gescheiden vanuit uw lichaam; en één volk zal sterker zijn dan het ander; en het oudere zal het jongere dienen.”

25:24 Wanneer haar dagen om te worden verlost werden vervuld, zie, er waren tweelingen in haar moederschoot.

25:25 Nu, de eerste kwam eruit, rood, overal gelijk een harig kledingstuk; en ze noemden hem Esau.

25:26 Daarna, zijn broer kwam eruit met zijn hand vasthoudende aan Esau’s hiel, dus werd zijn naam Jakob genoemd; en Isaac was zestig jaar oud toen zij aan hen geboorte gaf.

25:27 Toen de jongens opgroeiden, Esau werd een bekwaam jager, een man van het veld, maar Jakob was een vreedzaam man, wonende in tenten.

25:28 Nu, Isaac hield van Esau, omdat hij een een smaak voor wild had, maar Rebekah hield

van Jakob.

25:29 Toen Jakob stoofpot had gekookt, Esau kwam uit het veld en hij was uitgehongerd;

25:30 en Esau zei tot Jakob,”Alsjeblieft, laat mij een zwelg van dat rode spul daar hebben, want ik ben uitgehongerd.” Daarom werd zijn naam Edom genoemd.

25:31 Maar Jakob zei,” Verkoop mij eerst uw geboorterecht.”

25:32 Esau zei,”Zie! ik ben zowat stervende; dus, tot welk nut is dan het geboorterecht voor mij?”

25:33 En Jakob zei,”Zweer eerst aan mij”; dus zwoer hij aan hem, en verkocht zijn geboorterecht aan Jakob.

25:34 Vervolgens, Jakob gaf Esau brood en linzen stoofpot; en hij at en dronk; en stond op en ging op zijn weg. Zo verachte Esau zijn geboorterecht.

26:1-35

26:1 Nu, er was een hongersnood in het land, naast de vorige hongersnood die had plaatsgevonden in de dagen van Abraham. Dus ging Isaac naar Gerar, naar Abimelech koning van de Filistijnen.

26:2 Maryah verscheen aan hem en zei,”Ga niet neerwaarts naar Egypte; blijf in het land van welk ik u zal vertellen.

26.3 Vertoef in dit land en ik zal met u zijn en u zegenen, want aan u en aan uw nakomelingen zal ik al die gronden geven, en ik zal de eed oprichten die ik zwoer aan uw vader Abraham.

26.4 Ik zal uw nakomelingen vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en ik zal uw nakomelingen al die gronden geven; en door uw nakomelingen zullen al de naties van de aarde worden gezegend;

26:5 omdat Abraham mij gehoorzaamde en mijn opdracht bewaarde, mijn geboden, mijn inzettingen en mijn wetten.”

26:6 Zo woonde Isaac in Gerar,

26:7 Wanneer de mannen van de plaats vroegen over zijn vrouw, zei hij,”Zij is mijn zuster,” want hij was bang om te zeggen,”Mijn vrouw,” denkende,”De mannen van de plaats zouden mij doden vanwege Rebekah, want zij is mooi.”

26:8 Het kwam ongeveer, wanneer hij er een lange tijd had geweest, dat Abimelech koning van de Filistijnen uitkeek door een raam, en zag, en zie, Isaac was zijn vrouw Rebekah aan het strelen.

26:9 Vervolgens, Abimelech riep Isaac en zei,” Zie, zij is stellig uw vrouw! hoe hebt ge dan gezegd,’Zij is mijn zuster’?” EN Isaac zei tot hem,”Omdat ik zei,’ Ik zou sterven vanwege haar.”

26:10 Abimelech zei,”Wat is dit dat gij hebt gedaan aan ons? Een van de mensen zou gemakkelijk hebben gelegen met uw vrouw, en gij zou schuld op ons hebben gebracht.”

26:11 Dus, Abimelech gelaste al de mensen, zeggende,”Hij die deze man of zijn vrouw aanraakt zal zeker ter dood worden gebracht.”

26:12 Nu, Isaac zaaide in dat land en oogstte in hetzelfde jaar honderdvoudig. En Maryah zegende hem,

26:13 en de man werd rijk, en bleef maar rijker worden totdat hij schatrijk werd;

26:14 want hij had bezittingen van kleinvee en runderen en een groot huishouden, zo dat de filistijnen hem benijden.

26:15 Nu, al de putten die zijn vaders dienaars hadden gegraven in de dagen van Abraham zijn vader, stopten de Filistijnen op door ze te vullen met aarde.

26:16 Vervolgens, Abimelech zei tot Isaac,” Ga weg van ons, want gij zijt te machtig voor ons.”

26:17 En Isaac vertrok van daar, en kampeerde in de vallei van Gerar, en vestigde daar.

26:18 Vervolgens, Isaac groef opnieuw de putten van water welke waren gegraven in de dagen van zijn vader Abraham, want de Filistijnen hadden hen opgestopt na de dood van Abraham; en hij gaf hen dezelfde namen die zijn vader ze gegeven had.

26:19 Maar wanneer Isaac’s dienaar in de vallei groef, en daar een bron van stromend water vond,

26:20 ruzieden de herders van Gerar met de herders van Isaac, zeggende,”Het water is van ons!” Dus noemde hij de put Esek, omdat zij met hem betwisten.

26:21 Vervolgens groeven ze een andere put, en ze ruzieden er ook over, dus noemde hij die Sitnah.

26:22 Hij stapte weg vandaar en groef een andere put, en ze maakten er geen ruzie over; dus noemde hij het Rehoboth, want hij zei,” Eindelijk, Maryah heeft ruimte voor ons gemaakt, en we zullen vruchtbaar zijn in het land.”

26:23 Vervolgens, hij ging vandaar op naar Beersheba.

26:24 Maryah verscheen aan hem diezelfde avond en zei,’Ik ben, de Aloha van uw vader Abraham; wees niet bang, want ik ben met u. Ik zal u zegenen, en uw nakomelingen vermenigvuldigen, omwille van mijn dienaar Abraham.”

26:25 Dus, bouwde hij daar een altaar en riep op de naam van Maryah, en stelde zijn tent daar op; en Isaac’s dienaars groeven daar een put.

26:26 Vervolgens, Abimelech kwam tot hem van Gerar met zijn adviseur Ahuzzath en Phicol de bevelhebber van zijn leger.

26:27 Isaac zei tot hen,”Waarom ben je tot mij gekomen, aangezien, gij mij haat en en mij hebt weggezonden van u?”

26:28 Zij zeiden,”We zien duidelijk dat Maryah met u is geweest; dus zeiden we,’Laat er nu een eed zijn tussen ons, zelfs tussen u en ons, en laat ons een verbond maken met u,

26:29 opdat gij ons geen kwaad zult doen, net zoals wij u niet hebben aangeraakt en tot u niets hebben gedaan dan goed en u hebben weggezonden in vrede. Gij zijt nu de gezegende van Maryah.'”

26:30 Vervolgens, hij maakte ze een feestmaal, en zij aten en dronken.

26:31 In de morgen stonden zij vroeg op en wisselden hun eden uit; vervolgens, Isaac zond hen weg en zij vertrokken van hem in vrede.

26:32 Nu, het kwam ongeveer op dezelfde dag, dat Isaac’s dienaars inkwamen en hem vertelden over de put die zij hadden gegraven, en zeiden tot hem, “We hebben water gevonden.”

26:33 Dus, hij noemde het Shibah; daarom is de naam van de stad Beersheba tot op vandaag.

26:34 Wanneer Esau veertig jaren oud was huwde hij Judith de dochter van Beeri de Hitiet en Basemath de dochter van Elon de Hitiet;

26:35 en zij brachten smart aan Isaac en Rebekah.

27:1- 46

27:1 Nu kwam het ongeveer, wanneer Isaac oud was en zijn ogen te schemerig waren om te zien, dat hij zijn oudste zoon Esau riep en tot hem zei,”Mijn zoon.” En hij zei tot hem,”Hier ben ik.”

27:2 Isaac zei,”Zie nu! ik ben oud en ik ken de dag niet van mijn dood.

27:3 Nu dan, neem je spullen alsjeblieft, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit naar het veld en jaag wild voor mij;

27:4 en bereid een hartig gerecht voor mij, zo een als waar ik van hou, en breng het aan mij opdat ik zou kunnen eten, zodat mijn ziel u moge zegenen voor ik sterf.”

27:5 Rebekah luisterde terwijl Isaac sprak tot zijn zoon Esau. Dus toen Esau naar het veld ging om te jagen op wild om thuis te brengen,

27:6 zei Rebekah tot haar zoon Jakob, “Zie! ik hoorde uw vader spreken tot uw broer Esau, zeggende,

27:7’Breng me wat wild en bereid een hartig gerecht voor mij, opdat ik zou kunnen eten, en u zegenen in de aanwezigheid van Maryah voor mijn dood.’

27:8 Daarom nu, mijn zoon, luister naar mij als ik u gebied.

27:9 Ga nu baar de kudde en breng mij twee jonge keuze geitjes vandaar, opdat ik hen zou kunnen bereiden als een hartige schotel voor uw vader, dergelijke waar hij van houd.

27:0 Vervolgens, zult gij het brengen naar uw vader, opdat hij zou eten, zodat hij u moge zegenen voor zijn dood.”

27:11 Jacob antwoordde zijn moeder Rebekah,”Zie! Esau mijn broer is een harig man en ik ben een glad man.

27:12 Misschien zal mijn vader mij voelen, dan zal ik zijn als een bedrieger in zijn ogen, en ik zal over mij een vloek brengen en niet een zegen.”

27:13 Maar zijn moeder zei tot hem,”Uw vloek is over mij, mijn zoon; gehoorzaam enkel mijn stem, en ga, neem ze voor mij.”

27:14 Dus, hij ging en nam ze, en bracht hen naar zijn moeder; en zijn moeder maakte hartig voedsel, dergelijke, waar zijn vader van hield.

27:15 Vervolgens, Rebekah nam de beste kledij van Esau haar oudste zoon, die bij haar in huis waren, en legde hen op Jakob haar jongste zoon.

27:16 En zij legde de huiden van de jonge geitjes op zijn handen en op het gladde deel van zijn nek.

27:17 Ze gaf ook het hartige eten en het brood, die ze had gemaakt, aan haar zoon Jakob.

27:18 Vervolgens, hij kwam tot zijn vader en zei,”Mijn vader.” En hij zei,”Hier ben ik. Wie zijt gij, mijn zoon?”

27:19 Jakob zei tot zijn vader,”Ik ben Esau uw eerstgeborene; ik heb gedaan zoals u mij vertelde. Sta op, alsjeblieft, zit en eet van mijn wild, opdat gij mij moge zegenen.”

27:20 Isaac zei tot zijn zoon,” Hoe komt het dat gij het zo vlug hebt, mijn zoon?” En hij zei,”Omdat Maryah uw Aloha dit liet gebeuren aan mij.”

27:21 Vervolgens, Isaac zei tot Jacob,”Alsjeblieft kom dichter, opdat ik u kan voelen, mijn zoon, of gij nu werkelijk mijn zoon Esau zijt, of niet.”

27:22 Dus, Jakob kwam dichter tot Isaac zijn vader, en hij voelde hem en zei,”De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau.”

27:23 Hij herkende hem niet, omdat zijn handen harig waren net als Esau’s handen, zijn

broer; dus zegende hij hem.

27:24 En hij zei,”Zijt gij werkelijk mijn zoon Esau?” en hij zei,”Ik ben (het).”

27:25 Dus, hij zei,” Breng het tot mij, en ik zal eten van mijn zoon’s wild, opdat ik u kan zegenen.” En hij bracht het tot hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn en hij dronk.

27:26 Vervolgens, zijn vader Isaac zei tot hem,”Alsjeblieft, kom dichter, en kus mij mijn zoon.”

27:27 Dus, hij kwam dichter en kuste hem; en toen hij de geur rook van zijn kledij, zegende hij hem en zei,”Zie! de geur van mijn zoon is net als de geur van een veld die Maryah heeft gezegend;

27:28 Nu, moge Aloha u van de dauw des hemels geven, en van de vetheid der aarde, en een overvloed van graan en nieuwe wijn;

27:29 moge volkeren u dienen, en naties voor u buigen; zijt meester van uw broeders, en moge uw moeder’s zonen voor u buigen. Vervloekt zijn diegenen die u vervloeken, en gezegend zijn diegenen die u zegenen.”

27:30 Nu kwam het, dat ongeveer zo gauw als Isaac klaar was met het zegenen van Jakob, en Jakob nauwelijks was uitgegaan van de aanwezigheid van Isaac zijn vader, dat Esau zijn broer inkwam van zijn jacht.

27:31 Vervolgens, hij maakte ook hartig eten, en bracht het naar zijn vader; en hij zei tot zijn vader,”Laat mijn vader opstaan en eten van zijn zoon’s wild, opdat gij mij moge zegenen.”

27:32 En zijn vader, Isaac, zei tot hem,”Wie zijt gij?” en hij zei “Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Esau.”

27:33 Vervolgens, Isaac beefde heftig, en zei,” Wie was hij dan die wild jaagde en het bracht aan mij zodat ik van alles at voor dat jij kwam, en hem zegende? Jawel, en gezegend zal hij zijn.”

27:34 Toen Esau de woorden van zijn vader hoorde, riep hij het uit met een buitengewoon grote en bittere kreet, en zei tot zijn vader,”Zegen mij, ook mij evenzo, O mijn vader!”

27:35 En hij zei,”Uw broer kwam huichelachtig en heeft uw zegen weggenomen.”

27:36 Vervolgens, hij zei,” Is hij niet terecht Jakob genoemd, want hij heeft mij verdrongen deze twee keer? Hij nam mijn geboorterecht weg, en zie! nu heeft hij mijn zegen weggenomen.” En hij zei,” Hebt gij niet één zegen voor mij bewaart?”

27:37 Maar Isaac antwoordde tot Esau,”Zie! ik heb hem uw meester gemaakt, en al zijn familieleden heb ik aan hem gegeven als dienaars; en met graan en nieuwe wijn heb ik hem ondersteund. Nu, voor u vervolgens, wat kan ik nog doen, mijn zoon?”

27:38 Esau zei tot zijn vader,” Hebt gij slechts één zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij evenzo, O mijn vader.” Dus verhief Esau zijn stem en weende.

27:39 Vervolgens, antwoordde zijn vader, Isaac, en zei tot hem,”Zie! weg van de vruchtbaarheid van de aarde zal uw woning zijn, en weg van de dauw des hemels van boven.

27:40 Door uw zwaard zult gij leven, en uw broer zult gij dienen; maar het zal komen ongeveer wanneer gij rusteloos wordt, dat gij zijn juk van uw nek zult verbreken.”

27:41 Dus, Esau baarde een wrok tegen Jakob vanwege de zegen waarmee zijn vader hem had gezegend; en Esau zei tegen zichzelf,”De dagen van rouw voor mijn vader zijn nabij; daarna zal ik mijn broer Jakob doden.”

27:42 Nu, wanneer de woorden van haar oudste zoon Esau werden gemeld aan Rebekah, zond zij, en riep haar jongste zoon Jakob, en zei tot hem,”Zie uw broer Esau is zichzelf vertroostende betreffende u door de opzet om u te doden.

27:43 Welnu dus, mijn zoon, gehoorzaamt mijn stem, en sta op, vlucht naar Haran, naar mijn broer Laban!

27:44 Blijf een paar dagen bij hem, totdat uw broer’s razernij afneemt,

27:45 totdat uw broer’s boosheid tegen u afneemt en hij vergeet wat gij aan hem hebt gedaan. Vervolgens, ik zal zenden, en u vandaar halen. Waarom zou ik worden beroofd van u beiden in één dag?”

27:46 Rebekah zei tot Isaac,”Ik ben vermoeid van het leven vanwege de dochters van Heth; als Jakob een vrouw neemt vanuit de dochters van Heth, zoals deze, vanuit de dochters van het land, wat voor goeds zal mijn leven aan mij zijn?

28:1-22

28:1 Dus, Isaac riep Jakob en zegende hem en gelaste hem, en zei tot hem,”Gij zult niet een vrouw nemen vanuit de dochters van Kanaän.

28:2 Sta op, ga naar Paddan-aram, naar het huis van Bethuel uw moeders vader; en neem vandaar een vrouw voor uzelf van de dochters van Laban, uw moeders broer.

28:3 Moge Aloha de Almachtige u zegenen en u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen, opdat gij tot een gezelschap van volken zult worden.

28:4 Moge hij u ook de zegen van Abraham geven, aan u en aan uw nakomelingen met u, opdat gij het land moge bezitten van uw vreemdelingschap, die Aloha aan Abraham gaf.”

28:5 Vervolgens, Isaac zond Jakob weg, en hij ging naar Paddan-aram, naar Laban de zoon van Bethuel de Aramees, de broer van Rebekah, de moeder van Jakob en Esau.

28:6 Nu, Esau zag dat Isaac Jakob had gezegend en hem wegzond naar Paddan-aram om voor zichzelf een vrouw te nemen vandaar, en dat wanneer hij hem zegende hij hem gelaste, zeggende,”Gij zult niet een vrouw nemen van de dochters vanuit Kanaän,”

28:7 en dat Jakob zijn vader had gehoorzaamd en zijn moeder en was gegaan naar Paddan-aram.

28:8 Dus, Esau zag dat de dochters van Kanaän zijn vader Isaac misnoegden;

28:9 en Esau ging naar Ishmael, en huwde, naast de vrouwen die hij reeds had, Mahalath de dochter van Ishmael, Abraham’s zoon, de zuster van Nebaioth.

28:10 Vervolgens, Jakob vertrok van Beersheba en ging naar Haran.

28:11 Hij kwam tot een bepaalde plaats en bracht er de nacht door, omdat de zon was ondergegaan; en hij nam één van de stenen van de plaats en legde deze onder zijn hoofd, en legde zich neer op die plaats.

28:12 Hij had een droom, en zie! een ladder werd gezet op de aarde met zijn top reikende tot de hemel; en zie! de engelen van Aloha waren oplopend en aflopend daarop.

28:13 En zie! Aloha stond er bovenaan en zei,”Ik ben, Maryah, Aloha van uw vader Abraham en Aloha van Isaac; het land waarop je ligt, zal ik aan u geven en aan uw nakomelingen.

28:14 Uw nakomelingen zullen ook zijn als het stof der aarden en gij zult uitspreiden naar het Westen en naar het Oosten en naar het Noorden en naar het Zuiden; en in u en in uw nakomelingen zullen al de geslachten der aarde worden gezegend.

28:15 Zie! Ik ben met u en zal u bewaren waar gij ook gaat, en zal u terug brengen naar dit land; want ik zal u niet verlaten totdat ik heb gedaan wat ik u heb beloofd.”

28:16 Vervolgens, Jakob ontwaakte van zijn slaap en zei;” Maryah is ongetwijfeld in deze plaats, en ik wist het niet.”

28:17 Hij was bevreesd en zei,” Hoe geweldig is deze plaats! Dit is geen andere dan het huis van Aloha, en dit is de poort der hemelen.”

28:18 Dus, Jakob stond op vroeg in de morgen, en nam de steen die hij onder zijn hoofd had gelegd en zette die rechtop als een pilaar en goot olie op zijn top.

28:19 Hij noemde de naam van die plaats Bethel; voorheen echter was de naam van die stad Luz geweest.

28:20 Vervolgens, Jakob maakte een gelofte, zeggende,”Indien Aloha met mij wil zijn en mij wil bewaren op deze reis die ik onderneem, en mij voedsel wil geven om te eten en kledij om te dragen,

28:21 en ik keer terug naar mijn vaders huis in veiligheid, dan zal Maryah mijn Aloha zijn.

28:22 Deze steen, die ik heb opgezet als een pilaar, zal Aloha’s huis zijn, en van alles wat u mij geeft, zal ik u zeker één tiende terug-geven.”

29:1-35

29:1 Vervolgens, Jakob ging op zijn reis, en kwam tot het land van de zonen van het Oosten.

29:2 Hij keek, en zag een put in het veld, en zie! drie kudden schapen lagen ernaast, want vanuit die put drenkten zij die kuddes. Nu, de steen op de mond van de put was groot.

29:3 Wanneer al de kuddes daar werden verzameld, dan zou men de steen van de mond van de put rollen en de schapen drenken, en de steen terug leggen op zijn plaats op de mond van de put.

29:4 Jakob zei tot hen,”Mijn broers, vanwaar zijt gij?” En zij zeiden,”We zijn van Haran.”

29:5 Hij zei tot hen,”Kent gij Laban de zoon van Nahor?” En zij zeiden,”We kennen hem.”

29:6 En hij zei tot hen,”Is het goed met hem?” En zij zeiden,”Het is goed, en hier is Rachel zijn dochter komende met de schapen.”

29:7 Hij zei,”Zie! het is nog hoog dag; het is geen tijd voor het vee om te worden verzameld. Drenkt de schapen, en ga, weidt hen.”

29:8 Maar zij zeiden,”We kunnen niet, totdat al de kudden zijn verzameld, en ze de steen van de mond van de put rollen; dan drenken wij de schapen.”

29:9 Terwijl hij nog altijd sprak met hen; Rachel kwam met haar vaders schapen, want zij was een herderin.

29:10 Toen Jakob Rachel zag, de dochter van Laban zijn moeder’s broer, en de schapen van Laban zijn moeder’s broer, ging Jakob op en rolde de steen van de mond van de put en drenkte de kudde van Laban zijn moeder’s broer.

29:11 Vervolgens, Jakob kuste Rachel en verhief zijn stem en weende.

29:12 Jakob vertelde Rachel dat hij een familielid was van haar vader en dat hij Rebekah’s zoon was, en zij rende en vertelde het haar vader.

29:13 Dus, toen Laban dit nieuws hoorde van Jakob zijn zuster’s zoon, rende hij om hem te ontmoeten, en omarmde hem en kuste hem en bracht hem naar zijn huis. Vervolgens, verhaalde hij aan Laban al deze dingen.

29:14 Laban zei tot hem,”Zekerlijk zijt gij mijn bot en mijn vlees.” En hij verbleef een maand bij hem.

29:15 Vervolgens, Laban zei tot Jakob,’Omdat gij mijn familie zijt, moet gij mij daarom voor niets dienen? Vertel mij eens, wat zal uw loon zijn?”

29:16 Nu, Laban had twee dochters; de naam van de oudste was Leah, en de naam van de jongste was Rachel.

29:17 En Leah’s ogen waren krachteloos; maar Rachel was mooi van vorm en gezicht.

29:18 Nu, Jakob hield van Rachel, dus zei hij,” Ik zal u zeven jaren dienen voor uw jongste dochter Rachel.”

29:19 Laban zei,” Het is beter dat ik haar aan u geef dan haar aan een andere man te geven; blijf bij mij.”

29:20 Dus, Jakob diende zeven jaren voor Rachel en ze leken tot hem maar een weinig dagen vanwege zijn liefde voor haar.

29:21 Vervolgens, Jakob zei tot Laban,”Geef mij mijn vrouw, want mijn tijd is voltooid, opdat ik tot haar in moge gaan.”

29:22 Laban verzamelde al de mannen van die plaats en maakte een feest.

29:23 Nu, in de avond nam hij zijn dochter Leah, en bracht haar tot hem; en Jakob ging tot haar in.

29:24 Laban gaf ook zijn meid Zilpah aan zijn dochter Leah als een meid.

29:25 En zie! Zo kwam het uit, ongeveer in de morgen, dat het Leah was! En hij zei tot Laban,”Wat is dit dat gij aan mij hebt gedaan? Was het niet voor Rachel dat ik bij u gediend heb? Waarom dan hebt gij mij bedrogen?”

29:26 Maar Laban zei,”Het is niet gebruikelijk in onze plaats om de jongste te verbinden voor de eerstgeborene.

29:27 Voltooi de week van deze, en wij zullen u de andere ook geven voor de dienst die gij zult dienen bij mij voor nog zeven andere jaren.”

29:28 Jakob deed zo en voltooide haar week, en hij gaf hem zijn dochter Rachel als zijn vrouw.

29:29 Laban gaf ook zijn meid Bilhah aan zijn dochter Rachel als haar meid.

29:30 Dus, Jakob ging ook tot Rachel in, en hij had Rachel werkelijk meer lief dan Leah, en hij diende bij Laban nog zeven andere jaren.

29:31 Nu, Maryah zag dat Leah onbemind was, en hij opende haar baarmoeder, maar Rachel was onvruchtbaar.

29:32 Leah ontving en baarde een zoon en noemde hem Reuben, want ze zei,”Omdat Maryah mijn smart heeft gezien; zal mijn man mij nu zeker wel liefhebben.”

29:33 Vervolgens, ze ontving opnieuw en ze baarde een zoon en zei,”Omdat Maryah heeft gehoord dat ik onbemind ben, daarom heeft hij mij ook deze zoon gegeven.” Dus noemde ze hem Simeon.

29:34 Ze ontving opnieuw en baarde een zoon en zei,” Nu, deze keer zal mijn man worden gehecht aan mij, omdat ik hem drie zonen heb gebaard.” Daarom werd hij Levi genoemd.

29:35 En zij ontving opnieuw en baarde een zoon en zei,”Deze maal zal ik Maryah loven.” Daarom noemde ze hem Judah. Vervolgens stopte ze met dragen.

30:1-43

30:1 Nu, wanneer Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd zij jaloers van haar zuster; en ze zei tot Jakob,”Geef me kinderen, of anders sterf ik.”

30:2 Vervolgens, Jakob’s toorn ontbrande tegen Rachel, en hij zei” Ben ik in de plaats van Aloha, die u de vrucht van de schoot heeft onthouden?”

30:3 Zij zei,”Hier is mijn meid Bilhah, ga tot haar in opdat zij moge baren op mijn knieën, opdat ik door haar ook kinderen moge hebben.”

30:4 Dus, zij gaf hem haar meid Bilhah als vrouw, en Jakob ging in tot haar.

30:5 Bilhah ontving en baarde Jakob een zoon.

30:6 Vervolgens, Rachel zei,”Aloha heeft mij gerechtvaardigd, en heeft inderdaad mijn stem gehoord en heeft mij een zoon gegeven.” Daarom noemde zij hem Dan.

30:7 Rachel’s meid Bilhah ontving opnieuw en baarde een tweede zoon.

30:8 Dus, Rachel zei,” Met machtige worstelingen heb ik geworsteld met mijn zuster, en ik heb inderdaad gezegevierd.” En zij noemde hem Naphtali.

30:9 Wanneer Leah zag dat zij was gestopt met baren, nam ze haar meid Zilpah en gaf haar aan Jakob als een vrouw.

30:10 Leah’s meid Zilpah baarde Jakob een zoon.

30:11 Vervolgens, Leah zei,”Hoe gelukkig!” Dus noemde ze hem Gad.

30:12 Leah’s meid Zilpah baarde Jakob een tweede zoon.

30:13 Vervolgens, Leah zei,”Gelukkig ben ik! want vrouwen zullen mij gelukkig noemen.” Dus, zij noemde hem Asher.

30:14 Nu, in de dagen van de tarweoogst ging Reuben en vond liefdesplanten in het veld, en bracht hen naar zijn moeder Leah. Vervolgens, Rachel zei tot Leah,”Alsjeblieft geef mij wat van uw zoon’s liefdesplanten.”

30:15 Maar ze zei tot haar,”Is het een kleine kwestie voor u om mijn man te nemen? En zou je mijn zoon’s liefdesplanten ook nemen?” Dus zei Rachel,”Daarom zal hij liggen met u vanavond in ruil voor uw zoon’s liefdesplanten.”

30:16 Wanneer Jakob inkwam van het veld in de avond, toen ging Leah uit om hem te ontmoeten en zei,” Gij moet tot mij inkomen, want ik heb u zeker ingehuurd met mijn zoon’s liefdesplanten.” Dus, hij lag met haar die avond.

30:17 Aloha gaf gehoor aan Leah, en zij ontving en baarde Jakob een vijfde zoon.

30:18 Vervolgens, Leah zei,”Aloha heeft mij mijn loon gegeven omdat ik mijn meid gaf aan mijn man.” Dus, zij noemde hem Issachar.

30:19 Leah ontving opnieuw en baarde een zesde zoon aan Jakob.

30:20 Vervolgens, Leah zei,”Aloha heeft mij begiftigd met een goede gift; nu zal mijn man wonen met mij, omdat ik hem zes zonen heb gebaard.” Dus, zij noemde hem Zebulun.

30:21 Daarna, zij droeg een dochter en noemde haar Dina.

30:22 Vervolgens, Aloha herinnerde Rachel, en Aloha gaf gehoor aan haar en opende haar baarmoeder.

30:23 Dus, zij ontving en baarde een zoon en zei,”Aloha heeft mijn verwijt weggenomen.”

30:24 Ze noemde hem Joseph, zeggende,”Moge Maryah mij een andere zoon geven.”

30:25 Nu, het kwam ongeveer wanneer Rachel Joseph had gebaard, dat Jakob zei tot Laban,”Zend mij weg, dat ik moge gaan naar mijn eigen plaats en naar mijn eigen land.

30:26 Geef mij mijn vrouwen en mijn kinderen om welke ik u heb gediend, en laat mij vertrekken; want jijzelf gij kent mijn dienst die ik u heb gegeven.”

30:27 Maar Laban zei tot hem,”Als het u nu bevalt, blijf bij mij; ik heb ontdekt dat Maryah mij heeft gezegend vanwege u.”

30:28 Hij vervolgde,”Noem mij uw loon, en ik zal het geven.”

30:29 Maar hij zei tot hem,”Jijzelf gij weet hoe ik u heb gediend en hoe uw vee zich bij mij heeft bevonden.

30:30 Want gij had weinig voor ik kwam en het is tot een menigte toegenomen, en Maryah heeft u gezegend waar ik ook omdraaide. Maar nu, wanneer zal ik ook voorzien voor mijn eigen huishouden?”

30:31 Dus hij zei,”Wat zal ik u geven?” En Jakob zei,”Gij zult mij niet iets geven. Indien gij dit ene ding wilt doen voor mij, zal ik opnieuw uw kudde weiden en bewaren:

30:32 laat mij vandaag door uw gehele kudde gaan, verwijderende elk gespikkeld en gevlekt schaap en elk zwart onder de lammeren en de gevlekte en gespikkelde onder de geiten; en dezulke zullen mijn loon zijn.

30:33 Zo zal mijn eerlijkheid later voor mij antwoorden, wanneer gij komt betreffende mijn loon. Elk één die niet gespikkeld en gevlekt is onder de geiten en zwart onder de lammeren, indien gevonden bij mij, zal worden beschouwd als gestolen.”

30:34 Laban zei;”Goed, laat het zijn volgens uw woord.”

30:35 Dus, hij verwijderde op die dag de gestreepte en gevlekte mannelijke geiten en al de gespikkelde en gevlekte vrouwelijke geiten, elk één met wit daarin, en al de zwarten onder de schapen, en gaf hen onder de hoede van zijn zonen.

30:36 En hij zette een afstand van drie dagen reizen tussen hemzelf en Jakob, en Jakob voedde de rest van Laban’s kudde.

30:37 Vervolgens, Jakob nam verse palen van populier en amandelbomen en plataan-bomen, en pelde witte strepen in hen, blootleggende het wit die in de palen was.

30:38 Hij zette de palen die hij gepeld had voor de kudden in de geulen, zelfs in de drenkbakken, waar de kudden kwamen om te drinken; en zij kruisten wanneer zij kwamen om te drinken.

30:39 Dus, de kudden kruisten bij de palen, en de kudden brachten gestreepte voort, gespikkelde en gevlekte.

30:40 Jakob scheidde de lammeren, en richtte het aangezicht van de kudden naar de gestreepte en al de zwarte in de kudde van Laban; en hij zette zijn eigen kudden apart, en zette hen niet bij Laban’s kudde.

30:41 Bovendien, wanneer de sterkeren van de kudde kruisten, zou Jakob de palen plaatsen in het zicht van de kudde in de geulen, zodat zij zouden kruisen bij de palen;

30:42 maar wanneer de kudde zwak was, zette hij hen niet in; dus waren de zwakkere van Laban en de sterkere van Jakob.

30:43 Dus, de man werd buitengewoon voorspoedig, en had grote kudden en vrouwelijke en mannelijke dienaars en kamelen en ezels.

31:1-55

31:1 Nu, Jakob hoorde de woorden van Laban’s zonen, zeggende,”Jakob heeft al dat ons vader’s was weggenomen, en van wat aan onze vader toebehoorde heeft hij al deze rijkdom gemaakt.”

31:2 Jakob zag de houding van Laban, en zie! het was naar hem toe niet vriendelijk zoals voorheen.

31:3 Vervolgens, Maryah zei tot Jakob,”Keer terug naar het land van uw vaders en naar uw familieleden, en ik zal met u zijn.”

31:4 Dus, Jakob zond en riep Rachel en Leah tot zijn kudde in het veld,

31:5 en zei tot hen,”Ik zie uw vaders houding, dat het niet vriendelijk is naar mij zoals voorheen, maar de Aloha van mijn vader is met mij geweest.

31:6 Gij weet dat ik uw vader heb gediend met al mijn kracht.

31:7 Maar uw vader heeft mij bedrogen en veranderde mijn loon tienmaal; doch, Aloha heeft hem niet toegestaan om mij kwaad te doen.

31:8 Als hij dus sprak,’De gespikkelde zullen uw loon zijn,’ Dan bracht heel de kudde gespikkelde voort; en als hij dus sprak,’De gestreepte zullen uw loon zijn,’ Dan bracht heel de kudde gestreepte voort.

31:9 Dus, Aloha heeft uw vader’s vee weggenomen en hen aan mij gegeven.

31:10 En het kwam ongeveer op het moment wanneer de kudde parende was dat ik mijn ogen ophief, en zag in een droom, en zie! de mannelijke geiten die parende waren, waren gestreept, gespikkeld, en gevlekt.

31:11 Vervolgens, de engel van Aloha zei tot mij in de droom,’Jakob’ en ik zei,’Hier ben ik.’

31:12 Hij zei,’Heft nu uw ogen op en zie dat alle mannelijke geiten welke parende zijn, gestreept zijn, gespikkeld en gevlekt; want ik heb alles gezien dat Laban heeft gedaan aan u.

31:13 Ik ben de Aloha van Bethel, waar gij een paal zalfde, waar gij een gelofte aan mij maakte; sta nu op, verlaat dit land, en keer terug naar het land van uw geboorte.”

31:14 Rachel en Leah zeiden tot hem,”Hebben wij nog steeds enig deel of erfenis in ons vader’s huis?

31:15 Zijn we niet door hem gerekend als vreemdelingen? Want hij heeft ons verkocht, en heeft ook onze aanschafprijs volledig geconsumeerd.

31:16 Immers, al de rijkdom die Aloha heeft weggenomen van onze vader behoort aan ons en onze kinderen; nu dan, doe al wat Aloha tot u heeft gezegd.”

31:17 Vervolgens, Jakob stond op en zette zijn kinderen en zijn vrouwen op kamelen;

31:18 en hij reed met al zijn dieren weg en al zijn eigendom die hij had verzameld, zijn verworven vee die hij had verzameld in Paddan-aram, om naar het land Kanaän te gaan naar zijn vader Isaac.

31:19 Toen Laban was weggegaan om zijn kudde te scheren, vervolgens stal Rachel de huishoudelijke afgoden die haar vader’s waren.

31:20 En Jakob bedroog Laban de Aramees door hem niet te vertellen dat hij op de vlucht was.

31:21 Dus, hij vluchtte met alles wat hij had; en hij stond op en stak de Eufraat rivier over, en stelde zijn aangezicht op naar het Heuvelland van Gilead.

31:22 Wanneer het Laban was verteld op de derde dag dat Jakob was gevlucht,

31:23 toen nam hij zijn bloedverwanten met hem mee en achtervolgde hem een afstand van zeven dagen reizen, en hij haalde hem in in het Heuvelland van Gilead.

31:24 Aloha kwam tot Laban de Aramees in een droom van de nacht en zei tot hem,” Wees behoedzaam opdat gij tot Jakob niet spreekt hetzij goed of slecht.”

31:25 Laban haalde Jakob in. Nu, Jakob had zijn tent geplaatst in het Heuvelland, en ook Laban met zijn bloedverwanten kampeerden in het Heuvelland van Gilead.

31:26 Vervolgens, Laban zei tot Jakob,”Wat hebt gij gedaan, door mij te bedriegen, en mijn dochters weg te voeren zoals gevangenen van het zwaard?

31:27 Waarom, hebt ge heimelijk ontvlucht en mij bedrogen, en hebt me niet verteld opdat ik u zou kunnen wegzenden hebben met vreugde en met liedjes, met tamboerijn en met lier;

31:28 en mij niet toegestaan om mijn zonen en dochters te kussen? Nu hebt gij dwaas gedaan.

31:29 Het is in mijn macht om u kwaad te doen, maar de Aloha van uw vader sprak tot mij vorige nacht, zeggende,’ Wees behoedzaam om niet beide te spreken -goed of kwaad- tot

Jakob.’

31:30 Nu, gij zijt inderdaad weggegaan omdat gij zeer verlangde naar uw vader’s huis; maar waarom hebt gij mijn goden gestolen?”

31:31 Vervolgens, Jakob antwoordde tot Laban,”Omdat ik bang was, want ik dacht dat gij uw dochters met geweld van mij zou nemen.

31:32 Degene met wie gij uw goden vind zal niet leven; in de aanwezigheid van onze bloedverwanten wijs aan wat het uwe is onder mijn bezittingen en neem het voor uzelf.” Want Jakob wist niet dat Rachel deze had gestolen.

31:33 Dus, Laban ging in tot Jakob’s tent en tot in Leah’s tent en tot in de tent van de twee meiden, maar hij vond ze niet. Vervolgens, hij ging van Leah’s tent uit en ging Rachel’s tent in.

31:34 Nu, Rachel had die huishoudelijk afgoden genomen en legde die in het kamelen zadel, en zij zat op hen. En Laban taste door heel de tent maar vond ze niet.

31:35 Zij zei tot haar vader,”Laat mijn heer niet boos worden omdat ik voor u niet kan opstaan, want de wijze van vrouwen is op mij.” Dus, hij zocht maar vond de huishoudelijke afgoden niet.

31:36 Vervolgens, Jakob werd boos en twistte met Laban; en Jakob zei tot Laban,” Wat is mijn overtreding? wat is mijn zonde opdat gij mij zo fel nagejaagd hebt?

31:37 Hoewel, gij al mijn goederen hebt door tast, wat hebt gij gevonden van al uw huishoudelijke goederen? Zet het hier voor mijn bloedverwanten en uw bloedverwanten, zodat zij uitspraak kunnen doen tussen ons twee.

31:38 Deze twintig jaren ben ik bij u geweest; uw ooien en uw vrouwelijk geiten hebben niet misdragen, noch heb ik de rammen van uw kudden gegeten.

31:39 Datgene die verscheurd was door beesten heb ik niet tot u gebracht; ik droeg het verlies daarvan zelf. U eiste het van mijn hand hetzij gestolen doorheen de dag of gestolen doorheen de nacht.

31:40 Zo was ik: doorheen de dag verteerde de hitte mij, en doorheen de nacht de vorst; en mijn slaap ontvluchte uit mijn ogen.

31:41 Deze twintig jaren ben ik in uw huis geweest; ik diende u veertien jaren voor uw twee dochters en zes jaren voor uw kudde, en gij veranderde mijn loon tienmaal.

31:42 Indien de Aloha van mijn vader, de Aloha van Abraham, en de vrees van Isaac, niet voor mij was geweest, gij zou mij nu zeker hebben weggezonden met lege handen. Aloha heeft mijn ellende gezien en het zwoegen van mijn handen, dus verleende hij oordeel afgelopen nacht.”

31:43 Vervolgens, Laban antwoordde Jakob,” De dochters zijn mijn dochters, en de kinderen zijn mijn kinderen, en de kudden zijn mijn kudden, en alles dat gij ziet is het mijne. Maar wat kan ik deze dag doen aan dezen mijn dochters of aan hun kinderen die zij hebben gedragen?

31:44 Dus, kom nu, laat ons een verbond maken, gij en ik, en laat het een getuigenis zijn tussen u en mij.”

31:45 Vervolgens, Jakob nam een steen en zette die overeind als een pilaar.

31:46 Jakob zei tot zijn bloedverwanten,”Verzamel stenen.” Dus namen zij stenen en maakten een hoop, en zij aten daar bij die hoop.

31:47 Nu, Laban noemde het Jegar-sahadutha, maar Jakob noemde het Gilead.

31:48 Laban zei,”Deze hoop is een getuigenis tussen u en mij deze dag.” Daarom werd het Gilead genoemd,

31:49 en Mizpah, want hij zei” Moge Maryah toezicht houden tussen u en mij wanneer wij de een van de ander afwezig zullen zijn.

31:50 Indien ge mijn dochters mishandelt, of als ge vrouwen neemt naast mijn dochters, hoewel geen mens met ons is, zie! Aloha is getuige tussen u en mij.”

31:51 Laban zei tot Jakob,”Zie! deze hoop en zie de pilaar die ik heb gezet tussen u en mij.

31:52 Deze hoop is een getuige, en de pilaar is een getuige, dat ik u niet zal passeren bij deze hoop tot schade, en gij zult mij niet passeren bij deze hoop en deze pilaar tot schade.

31:53 De Aloha van Abraham en de Aloha van Nahor, de Aloha van hun vader, oordeelt tussen ons.” Dus, Jakob zwoer bij de vrees van zijn vader Isaac.

31:54 Vervolgens, Jakob offerde een offer op de berg, en riep zijn boelverwanten aan de maaltijd; en zij aten het maal en brachten de nacht door op de berg.

31:55 Vroeg in de ochtend, Laban stond op en kuste zijn zonen en zijn dochters en zegende hen. Vervolgens, Laban vertrok en keerde terug naar zijn plaats.

32:1-32

32:1 Nu, terwijl Jakob op zijn weg ging, ontmoetten hem de engelen van Aloha.

32:2 Jakob zei toen hij hen zag,”Dit is Aloha’s kamp.” Dus noemde hij die plaats Mahanaim.

32:3 Vervolgens, Jakob zond boodschappers voor hem uit aan zijn broer Esau in het land van Seir, de streek van Edom.