© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Malakhi Nebya

Het boek Malachi de profeet.

Malachi 1.

1:1 Het gewicht van het woord van Maryah

aan Israël

door Malachi.

1:2 “Ik heb u liefgehad,”

zegt Maryah.

Maar gij zegt,

“Hoe hebt U ons liefgehad?”

Was Esau niet Jakob’s broer?”

verklaart Maryah.

Toch hield ik van Jakob;

1:3 maar Ik heb Esau gehaat,

en Ik heb zijn bergen tot een verwoesting gemaakt

en bestemde zijn erfdeel

voor de jakhalzen van de woestijn.”

1:4 Hoewel Edom zei,

“We zijn verslagen,

maar we keren terug en bouwen de ruïnes op”;

zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Ze mogen bouwen,

maar Ik zal afbreken;

en men zal hen het goddeloos grondgebied noemen,

en het volk op wie Maryah verontwaardigd is

voor altijd en eeuwig.”

1:5 Uw ogen zullen dit zien

en gij zult zeggen,

“Maryah word groter gemaakt voorbij de grens van Israel!”

1:6 “‘Een zoon eert zijn vader,

en een knecht zijn meester.

Als IK dan een vader ben,

waar is Mijn eer?

En als Ik een meester ben,

waar is Mijn respect?’

Zegt Maryah der heirscharen tot u,

O priesters die Mijn naam verachten.

Maar Gij zegt,

‘Hoe hebben wij Uw naam veracht?’

1:7 “Gij presenteert verontreinigd voedsel op Mijn altaar.

Maar gij zegt,

‘Hoe hebben wij U verontreinigd?

Daarin zegt gij,

de tafel van Maryah is om veracht te worden.’

1:8 “Maar wanneer gij het blinde aanbied als offer,

is het geen kwaad?

En wanneer gij het kreupele en het zieke aanbied,

is het geen kwaad?

Waarom zou je het niet aanbieden aan uw gouverneur?

Zou hij tevreden met u zijn?

Of zou hij u vriendelijk ontvangen?”

Zegt Maryah van de heirscharen.

1:9 “Maar nu,

wilt gij Aloha Zijn gunst niet smeken,

opdat Hij misschien genadig voor ons is?

Met zulk een offer van uw kant,

zal Hij één van u vriendelijk ontvangen?”

Zegt Maryah van de heirscharen.

1:10 “Och dat er één onder u was

die de poorten zou sluiten,

dat gij misschien niet nutteloos vuur op Mijn altaar ontsteekt!

Ik ben niet tevreden met u,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“Ook zal Ik geen offer van u aannemen.

1:11 “Want vanaf de opkomst van de zon

tot zelfs aan haar ondergang,

zal Mijn naam groot zijn onder de naties,

en in elke plaats

zal wierook worden aangeboden aan Mijn naam,

en een graanoffer dat puur is;

want Mijn naam zal groot zijn onder de naties,”

zegt Maryah van de heirscharen.

1:12 “Maar gij ontheiligt hem,

opdat gij zegt,

‘De tafel van Maryah is verontreinigd,

en wat haar vrucht betreft,

haar spijs is om te worden veracht.’

1:13 “Gij zegt ook,

‘Lieve help,

hoe vermoeiend is het!’

En gij hebt er minachtend aan gesnuffeld,’

zegt Maryah van de heirscharen,

“En gij brengt wat er door roverij is meegenomen

en wat kreupel of ziek is;

zo brengt gij het offer!

Moet Ik dat uit uw hand aannemen?”

Zegt Maryah.

1:14 “Maar vervloekt zij de oplichter

die een mannetje in zijn kudde heeft en het plechtig belooft,

maar een onzuiver dier offert aan Maryah,

want Ik ben een grote koning,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“En Mijn naam is te vrezen onder de naties.”

Malachi 2.

2:1 “En nu,

dit gebod is voor u,

O gij priesters.

2:2 “Indien gij niet luistert,

en indien gij het niet ter harte neemt

om Mijn naam eer te bewijzen,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“dan zal Ik de vloek op u zenden

en Ik zal uw zegeningen vervloeken;

en waarlijk,

Ik heb hen reeds vervloekt,

omdat gij het niet ter harte neemt.

2:3 “Ziet,

Ik ga uw nakomelingen berispen,

en Ik zal afval over uw gezichten verspreiden,

het afval van uw feesten;

en gij zult ermee worden weggenomen.

2:4 “Dan zult ge weten

dat Ik dit gebod naar u heb gezonden,

opdat Mijn verbond met Levi moge doorgaan,”

zegt Maryah van de heirscharen.

2:5 “Mijn verbond met hem

was er een van leven en vrede,

en Ik gaf ze aan hem

als een object van eerbied;

zo vereerde hij Mij

en stond vol ontzag voor Mijn naam.

2:6 “Ware instructie was in zijn mond

en ongerechtigheid werd op zijn lippen niet gevonden;

hij wandelde met Mij in vrede

en oprechtheid,

en velen keerde hij af van ongerechtigheid.

2:7 “Want de lippen van een priester moeten de kennis bewaren,

en de mens moet onderricht uit zijn mond zoeken;

want hij is de boodschapper van Maryah van de heirscharen.

2:8 “Maar wat u betreft,

gij zijt afgeweken van de weg;

gij hebt er velen doen struikelen in het onderricht;

gij hebt het verbond van Levi verdorven,”

zegt Maryah van de heirscharen.

2:9 “Zo heb ik u ook verachtelijk gemaakt

en vernederd voor gans het volk,

net zoals jij Mijn wegen niet houdt

maar partijdigheid toont in de instructie.

2:10 “Hebben we niet allen één Vader?

Heeft niet één Aloha ons geschapen?

Waarom handelen we verraderlijk

elk tegen zijn broeder,

om zo het verbond van onze vaders te ontheiligen?

2:11 “Judah heeft trouweloos gehandeld,

en een gruwel is gepleegd in Israël

en in Jeruzalem;

want Judah heeft het heiligdom van Maryah ontheiligd

die Hij liefheeft

en heeft de dochter van een vreemde god genomen.

2:12 “Wat de man betreft die dit doet,

moge Maryah hem afsnijden uit de tenten van Jakob

hij die ontwaakt en antwoordt,

of die een offer aan Maryah van de heirscharen aanbiedt.

2:13 “Dit is nog een ding die gij doet:

het altaar van Maryah bedekt gij met tranen,

met huilen en met kreunen;

daar Hij het offer niet langer aanschouwt

noch het aanvaard met gunst

uit uw hand.

2:14 “Toch zegt gij,

‘Om welke reden?’

Omdat Maryah een getuige is geweest

tussen u en de vrouw van uw jeugd,

tegen wie gij trouweloos hebt gehandelt,

hoewel zij uw metgezelin is

en uw vrouw door uw verbond.

2:15 “Maar niet één heeft zo gedaan

die overvloed van geest had.

Want wat zoekt diegene?

een zaad gegeven van Aloha.

Let daarom op uw geest,

en laat niet één trouweloos handelen

tegen de vrouw van zijn jeugd.

2:16 “Want Ik haat scheiding,”

zegt Maryah,

de Aloha van Israël,

“En hem die zijn kleding bedekt met kwaad,”

zegt Maryah van de heirscharen.

“Let dus op uw geest,

opdat gij niet trouweloos handelt.”

2:17 Gij hebt Maryah vermoeid met uw woorden.

Toch zegt gij,

“Hoe hebben wij Hem vermoeid?”

Naar dat gij zegt,

“Iedereen die kwaad doet is goed in de ogen van Maryah,

en Hij verheugd zich in hen,”

of,

“Waar is dan de Aloha der gerechtigheid?”

Malachi 3.

3.1 “Zie!

Ik ga Mijn boodschapper zenden,

en hij zal de weg voor Mij vrijmaken.

En de Heer,

die gij zoekt,

zal plotseling naar Zijn tempel komen;

en de Boodschapper van het verbond,

in wie gij u verheugd,

zie,

Hij komt eraan,”

zegt Maryah van de heirscharen.

3:2 “Maar wie kan de dag van Zijn komst verdragen?

En wie kan standhouden wanneer Hij verschijnt?

Want Hij is als een vuur van de goudsmeden

en als de zeep van de witwassers.

3:3 “Hij zal zitten als een smelter en zuiveraar van zilver,

en Hij zal de zonen van Levi zuiveren

en hen verfijnen als goud en zilver,

opdat zij aan Maryah offers mogen presenteren

in gerechtigheid.

3:4 “Vervolgens zal het offer van Judah

en van Jeruzalem

Maryah behagen

als in de dagen vanouds

en als in de vroegere jaren.

3:5 “Vervolgens zal Ik tot u naderen om te oordelen;

en Ik zal een snelle getuige zijn tegen de tovenaars

en tegen de echtbrekers

en tegen degenen die valselijk zweren,

en tegen degenen die de dagloner onderdrukken in zijn loon,

de weduwe en de wees,

en degenen die de vreemdeling terzijde schuiven

en Mij niet vrezen,”

zegt Maryah van de heirscharen.

3:6 “Want Ik,

Maryah,

verander niet;

daarom wordt gij,

O zonen van Jakob,

niet verteerd.

3:7 “Vanaf de dagen van uw vaders

hebt gij afgewend van mijn verordeningen

en hebt hen niet gehouden.

Keer naar Mij terug,

en Ik zal tot u terugkeren,”

zegt Maryah van de heirscharen.

“Maar gij zegt,

‘Hoe zullen wij terugkeren?’

3:8 “Zal een mens Aloha beroven?

Toch berooft gij Mij!

Maar gij zegt,

‘Hoe hebben we U berooft?’

In tienden en offers.

3:9 “Gij zijt vervloekt met een vloek,

want gij berooft Mij,

het ganse volk van u!

3:10 “Brengt de volledige tiende in het pakhuis,

opdat er spijs in Mijn huis mag zijn,

en beproeft Mij nu hierin,”

zegt Maryah van de heirscharen,

als Ik de vensters van de hemel voor u niet zal openen

en voor u een zegen uitgiet

totdat deze zal overlopen.

3:11 “Vervolgens zal Ik de verslinder voor uw bestwil berispen,

zodat hij de vruchten van de grond niet zal vernietigen;

evenmin zal uw wijnstok in het veld voor de tijd zijn trossen afwerpen,”

zegt Maryah van de heirscharen.

3:12 “Al de naties zullen u gezegend noemen,

want gij zult een verrukkelijk land zijn,”

zegt Maryah van de heirscharen.

3:13 “Uw woorden zijn arrogant tegen Mij geweest,”

zegt Maryah.

“Toch zegt gij,

‘Wat hebben wij tegen U gesproken?’

3:14 “Gij hebt gezegd,

‘Het is tevergeefs om Aloha te dienen,

en wat winst is het dat wij Zijn last hebben gehouden.

en dat wij hebben gewandeld in rouw

voor Maryah van de heirscharen?

3:15 ‘Zo nu,

noemen wij die verwaanden gelukzalig;

niet enkel de doeners van goddeloosheid worden opgebouwd,

maar ook zij beproeven Aloha

en ontkomen.'”

3:16 Zij dan die Maryah vreesden spraken met elkaar,

en Maryah gaf aandacht en hoorde het,

en er werd een herdenkingsboek voor Zijn aangezicht geschreven

voor hen die Maryah vrezen

en voor hen die Zijn naam eerbiedigen.

3:17 “Zij zullen de mijnen zijn,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“Op de dag dat Ik Mijn eigen schat klaarmaak,

en Ik zal hen sparen

zoals een man zijn eigen zoon spaart

die hem dient.”

3:18 Zo zult gij opnieuw onderscheiden

tussen de rechtvaardige en de goddeloze,

tussen een die Aloha dient

en een die Hem niet dient.

Malachi 4.

4:1 “Want zie,

die dag komt eraan,

hij brand als een oven;

en al de hoogmoedigen

en elke kwaaddoener zal kaf zijn;

en die dag die komt zal hen in lichterlaaie zetten,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“Zodat het hen noch wortel noch tak zal laten.”

4:2 “Maar voor u die Mijn naam vreest,

zal de zon der gerechtigheid opgaan

met genezing in zijn vleugels;

en gij zult uitgaan

en rond huppelen als kalveren uit de stallen.

4:3 “Gij zult de goddelozen vertreden,

want zij zullen as zijn onder de zolen van uw voeten

op de dag die Ik aan het bereiden ben,”

zegt Maryah van de heirscharen.

4:4 “Gedenkt de wet van Mozes

Mijn dienaar,

zelfs de inzettingen

en de verordeningen

die Ik hem op Horeb heb geboden

voor geheel Israël.

4:5 “Zie nu,

Ik ga u Elijah zenden

de profeet

vóór de komst van de grote en vreselijke dag van Maryah.

4:6 “Hij zal de harten van de vaders

naar hun kinderen terugbrengen

en de harten van de kinderen

naar hun vaders,

opdat Ik niet komen zal

en het land met totale vernietiging tref”