© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Khagai Nebya

Het boek Hagai de profeet.

Hagai 1.

1.1 In het tweede jaar van Darius de koning,

op de eerste dag van de zesde maand,

kwam het woord van Maryah door de profeet Hagai

tot Zerubbabel de zoon van Shealtiel,

gouverneur van Judah,

en tot Joshua de zoon van Jehozadak,

de hogepriester,

zeggende,

1:2 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Dit volk zegt,

“De tijd is zelfs nog niet gekomen,

de tijd dat het huis van Maryah zal worden herbouwd.'”

1:3 Vervolgens kwam het woord van Maryah

door Hagai

de profeet,

zeggende,

1:4 “is het tijd voor uzelf

om in uw betimmerde huizen te wonen

terwijl dit huis in puin ligt?”

1:5 Nu dus,

zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Overweegt uw wegen!

1:6 “Gij hebt veel gezaaid,

maar oogst weinig;

gij eet,

maar er is niet genoeg om voldaan te zijn;

gij drinkt,

maar er is niet genoeg om dronken te worden;

gij trekt klederen aan,

maar niet één wordt warm genoeg;

en hij die verdient,

verdient lonen om in een beurs met gaten te steken.”

1:7 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Overweegt uw wegen!

1:8 “Ga op naar de heuvels,

brengt hout en herbouw de tempel,

opdat Ik ermee tevreden moge zijn

en verheerlijkt word,”

zegt Maryah.

1.9 “Gij ziet uit naar veel,

maar zie,

het blijkt te weinig;

wanneer gij het thuis brengt,

blaas Ik het weg.

Waarom?”

verklaart Maryah van de heirscharen,

“Vanwege mijn huis dat in puin ligt,

terwijl elk van u naar zijn eigen huis rent.

1:10 “Daarom,

vanwege u

heeft de hemel haar dauw achtergehouden

en de aarde heeft haar opbrengst achtergehouden.

1:11 “Want Ik riep een droogte over het land,

over de bergen,

over het graan,

over de nieuwe wijn

over de olie,

over wat de grond opbrengt,

over mensen,

over vee,

en over al het gezwoeg van uw handen.”

1:12 Vervolgens,

Zerubbabel de zoon van Shealtiel,

en Joshua de zoon van Jehozadak,

de hogepriester,

met gans het overblijfsel van het volk,

gehoorzaamden de stem van Maryah hun Aloha

en de woorden van Hagai de profeet,

zoals Maryah hun Aloha hem had gezonden.

En het volk toonde ontzag voor Maryah.

1:13 Vervolgens,

Hagai de boodschapper van Maryah,

sprak door de opdracht van Maryah tot het volk,

zeggende,

“‘Ik ben met u,’

verklaart Maryah.”

1:14 Zo wekte Maryah de geest op van Zerubbabel de zoon van Shealtiel,

gouverneur van Judah,

en de geest van Joshua de zoon van Jehozadak

de hogepriester,

en de geest van gans het overblijfsel van het volk;

en ze kwamen en werkten aan het huis van Maryah van de heirscharen,

hun Aloha,

1:15 op de vierentwintigste dag

van de zesde maand

in het tweede jaar

van Darius de koning.

Hagai 2.

2:1 Op de eenentwintigste

van de zevende maand,

het woord van Maryah

kwam door Hagai de profeet

zeggende,

2:2 “spreek nu tot Zerubbabel de zoon van Shealtiel,

gouverneur van Judah,

en tot Joshua de zoon van Jehozadak,

de hogepriester,

en tot het overblijfsel van het volk,

zeggende,

2:3 “Wie is er onder u overgelaten

wie zag deze tempel in zijn vroegere glorie?

En hoe ziet gij hem nu?

Lijkt zo één u niet als niets in uw ogen?

2:4 ‘Maar heb nu moed,

Zerubbabel,’

verklaart Maryah,

“heb ook moed,

Joshua zoon van Jehozadak,

de hoge priester,

en heb moed gans gij volk van het land,’

verklaart Maryah,

‘en werkt;

want Ik ben met u,’

verklaart Maryah van de heirscharen.

2:5 ‘Wat betreft de belofte

die Ik u heb gemaakt

toen gij uit Egypte zijt gekomen,

Mijn geest verblijft in uw midden;

vreest niet!’

2:6 “Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Nog een keer binnen een tijdje,

ga Ik de hemelen en de aarde schudden,

ook de zee

en het droge land.

2:7 ‘Ik zal al de naties schudden;

en zij zullen met de rijkdom van alle naties komen,

en Ik zal dit huis met glorie vullen,’

zegt Maryah van de heirscharen.

2:8 ‘Het zilver is het Mijne

en het goud is het Mijne,’

verklaart Maryah van de heirscharen.

2:9 ‘De heerlijkheid van dit laatste huis

zal groter zijn dan het eerste,’

zegt Maryah van de heirscharen,

‘En in deze plaats zal Ik vrede geven,’

verklaart Maryah van de heirscharen.”

2:10 Op de vierentwintigste

van de negende maand,

in het tweede jaar van Darius,

het woord van Maryah

kwam tot Hagai de profeet,

zeggende,

2:11 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘vraagt nu de priesters om een uitspraak:

2:12 ‘Indien een mens geheiligd vlees draagt

in de vouw van zijn gewaad,

en brood aanraakt met deze vouw,

of gekookt voedsel,

wijn,

olie,

of enig ander voedsel,

zal het heilig zijn?'”

En de priesters antwoordden,

“Neen.”

2:13 Vervolgens zei Hagai,

“Indien iemand,

die onrein is van een lijk,

een van deze laatstgenoemde dingen aanraakt,

zal het dan onrein worden?”

En de priesters antwoordden,

“Het zal onrein worden.”

2:14 Toen zei Hagai,

“‘Zo is dit volk.

en zo is deze natie voor Mij,’

verklaart Maryah,

‘en zo is elk werk van hun handen;

en dat wat zij daar offeren is onrein.

2:15 ‘Maar nu,

overweegt vanaf deze dag verder:

voor de ene steen op de andere werd gelegd

in de tempel van Maryah,

2:16 vanaf die tijd

toen men naar een graanhoop kwam van twintig maten,

zouden er slechts tien zijn;

en toen men naar de wijnkuip kwam

om vijftig maten op te trekken

zouden er slechts twintig zijn.

2:17 ‘Ik sloeg u

en elk werk van uw handen

met rukwind,

meeldauw en hagel;

maar toch zijt gij niet naar Mij teruggekomen,’

verklaart Maryah.

2:18 ‘Overweegt vanaf deze dag verder,

vanaf de vierentwintigste dag

van de negende maand;

zelfs vanaf de dag

waarop (het fundament van) de tempel van Maryah werd gelegd,

overweegt dat:

2:19 ‘is het zaad nog in de schuur?

De wijnstok,

zelfs de vijgenboom,

ook de granaatappel en de olijfboom,

zij hebben geen vrucht afgeworpen.

Toch zal Ik u vanaf deze dag zegenen.'”

2:20 Vervolgens,

het woord van Maryah

kwam een tweede keer naar Hagai

op de vierentwintigste dag van de maand,

zeggende,

2:21 “Spreek tot Zerubbabel

gouverneur van Judah,

zeggende,

‘Ik ga de hemelen schudden

en de aarde.

2:22 ‘Ik zal de tronen van koninkrijken omver werpen

en macht van de koninkrijken van de naties vernietigen;

en Ik zal de strijdwagens omverwerpen

en hun berijders,

en de paarden

en hun berijders

zullen neergaan,

iedereen door het zwaard van een ander.’

2:23 ‘Op die dag,’

verklaart Maryah van de heirscharen,

‘Zal Ik u nemen,

Zerubbabel,

zoon van Shealtiel,

Mijn dienaar,’

verklaart Maryah,

‘En Ik zal u als een zegelring maken,

want Ik heb u gekozen,'”

verklaart Maryah van de heirscharen.