© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Yonan Nebya

Het boek Jonah de profeet.

Jonah 1

1:1 Het woord van Maryah

kwam tot Jonah

de zoon van Amittai zeggende,

1:2 “Sta op,

ga naar Nineveh de grote stad

en huil tegen haar,

want hun zondigheid

is vóór Mij opgekomen..”

1:3 Maar Jonah stond op

om te ontvluchten naar Tarshish

vanuit de tegenwoordigheid van Maryah.

Dus ging hij neerwaarts naar Joppa,

vond een schip

dat naar Tarshish ging,

en betaalde het tarief en ging erin

om met hen mee te gaan naar Tarshish

vanuit de aanwezigheid van Maryah.

1:4 Maryah

wierp een grote wind op de zee

en er was een geweldige storm op de zee

zodat het schip op het punt stond om te breken.

1:5 Toen werden de zeelieden bevreesd

en eenieder riep tot zijn aloha

en ze gooiden de lading

dat in het schip was in zee

om het voor hen te verlichten.

Maar Jonah was naar beneden gegaan

in het ruim van het schip,

ging nederliggen en viel in een diepe slaap.

1:6 Dus benaderde de kapitein hem en zei,

“Hoe komt het dat gij slaapt?

sta op,

roep uw Aloha aan.

Misschien zal uw Aloha bezorgd over ons zijn

zodat we niet zullen vergaan.”

1:7 Elk man zei tot zijn maat,

“Kom,

laten we loten werpen

opdat we mogen vernemen

op wiens rekening deze ramp ons heeft getroffen.”

Dus wierpen ze loten

en het lot viel op Jonah.

1:8 Vervolgens

zeiden ze tot hem:

“Zeg ons,

nu!

op wiens rekening heeft deze ramp ons getroffen?

Wat is uw beroep?

En waar komt gij vandaan?

Wat is uw land?

Van welk volk zijt gij?”

1:9 Hij zei tot hen,

“Ik ben een Hebreeër,

en ik vrees Maryah-

de Aloha van de hemel

die de zee heeft gemaakt

en het droge land.”

1:10 Vervolgens

de mannen werden vreselijk bang

en ze zeiden tegen hem,

“Hoe kon je dit doen?”

Want de mannen wisten dat hij op de vlucht was

vanuit de tegenwoordigheid van Maryah,

omdat hij het hun had verteld.

1:11 Dus zeiden ze tegen hem,

“Wat moeten we met u doen

opdat de zee kalm zou worden voor ons?”

Want de zee werd hoe lang hoe meer stormachtig.

1:12 Hij zei tegen hen,

“Pak me op en gooi me in de zee,

dan zal de zee kalm voor u worden,

want ik weet dat vanwege mij

deze grote storm over u is gekomen.”

1:13 De mannen echter,

roeiden wanhopig

om terug te keren naar het land

maar dat konden ze niet,

want de zee werd zelfs nog meer stormachtiger tegen hen.

1:14 Vervolgens,

riepen ze Maryah aan en zeiden,

“Wij bidden ernstig,

O Maryah,

laat ons niet vergaan vanwege het leven van deze man

en leg geen onschuldig bloed op ons;

want U, O Maryah , hebt gedaan gelijk het U heeft behaagd.”

1:15 Dus pakten ze Jonah op,

gooiden hem in de zee,

en de zee hield op met haar geraas.

1:16 Vervolgens,

de mannen vreesden Maryah zeer,

en zij offerden een offer aan Maryah

en deden geloften.

1:17 En Maryah bestemde een grote vis

om Jonah in te slikken,

en Jonah was in de maag van de vis

drie dagen en drie nachten.

Jonah 2

2:1 Vervolgens,

Jonah bad tot Maryah zijn Aloha

vanuit de maag van de grote vis,

2:2 en hij zei,

“Ik riep vanuit mijn ellende tot Maryah,

en Hij antwoordde mij.

ik riep om hulp vanuit de diepte van Sheol;

U hebt mijn stem gehoord.

2:3 “Want U hebt mij in de diepte gegooid,

in het hart der zeeën,

en de stroming overspoelde mij.

Al Uw baren en golven sloegen over me heen.

2:4 “Dus zei ik,

‘Ik ben verbannen van voor uw aangezicht.

Niettemin zal ik opnieuw naar Uw heilige tempel uitkijken.’

2:5 ” Water omsloot mij tot het punt des dood

de grote diepte verzwolg mij,

zeewier werd rond mijn hoofd gewikkeld.

2:6 “Ik daalde af naar de inplanting van de bergen.

De aarde met zijn grendels was voor altijd om mij heen,

maar U hebt mijn leven uit de put opgehaald,

O Maryah,

mijn Aloha.

2:7 “Terwijl ik flauwviel

herinnerde ik mij Maryah,

en mijn gebed kwam tot U,

in Uw heilige tempel.

2:8 “Zij die ijdele afgoden aanschouwen

verlaten hun getrouwheid,

2:9 maar ik zal offeren aan U

met de stem van dankzegging.

dat wat ik heb beloofd zal ik betalen.

Redding komt van Maryah.”

2:10 Vervolgens,

Maryah gebood de vis,

en hij braakte Jonah uit op het droge land.

Jonah 3

3:1 Nu,

het woord van Maryah

kwam tot Jonah

de tweede keer,

zeggende,

3:2 “Sta op,

ga naar Nineveh de grote stad

en verkondigt aan haar de bekendmaking

die Ik Ben u ga vertellen.”

3:3 Dus stond Jonah op

en ging naar Nineveh

volgens het woord van Maryah.

Nu was Nineveh een bijzonder grote stad,

van drie dagen wandelen.

3:4 Vervolgens,

Jonah begon door de stad te gaan

op één dag wandelen;

en hij riep het uit en zei,

“Nog 40 dagen en Nineveh wordt omvergeworpen.”

3:5 Vervolgens,

het volk van Nineveh geloofde in Aloha;

en ze riepen een vasten uit

en trokken juten zakken aan

van de grootste tot de kleinste van hen.

3:6 Wanneer het woord de koning van Nineveh bereikte,

stond hij op van zijn troon,

legde zijn gewaad opzij van hem,

bedekte zichzelf met een geiten-haren-boetekleed

en ging op de as zitten.

3:7 Hij maakte een proclamatie bekend en het zei,

“In Nineveh,

bij het decreet van de koning

en zijn edelen:

laat een mens,

beest,

kudde schapen,

of kudde runderen niet in één ding smaak vinden.

Laat hen niet eten of water drinken.

3:8 “Maar zowel mens als beest

moeten met een geiten-haren-boetekleed worden bedekt;

en laat mensen ernstig Aloha aanroepen

opdat elk zich van zijn goddeloze weg moge afkeren

en van het geweld dat in zijn handen is.

3:9 “Wie weet,

moge Aloha zich afwenden

en zwichten

en Zijn brandende toorn terugtrekken

opdat wij niet verloren zullen gaan.”

3:10 Wanneer Aloha hun daden zag,

dat zij zich van hun boze weg afkeerden,

toen berouwde het Aloha

aangaande de rampspoed

dat Hij uitgesproken had dat Hij over hen brengen zou.

En Hij deed het niet.

Jonah 4

4:1 Maar het misnoegde Jonah te zeerste

en hij werd boos.

4:2 Hij bad tot Maryah en zei,

“Alsjeblieft Maryah,

was dit niet wat ik zei

terwijl ik nog in mijn eigen land was?

Daarom om dit te voorkomen vluchtte ik naar Tarshish,

want ik wist dat U een genadig en barmhartig Aloha bent,

langzaam tot toorn

en overvloedig in liefdevolle vriendelijkheid,

en Een die berouw heeft over rampspoed.

4:3 “Daarom nu,

O Maryah,

alsjeblieft neem mijn leven vanuit mij,

want dood is beter voor mij dan leven.”

4:4 Maryah zei,

“Heb je goede reden om boos te zijn?”

4:5 Vervolgens,

Jonah ging uit van de stad

en zat ten oosten ervan.

Daar maakte hij een scherm voor zichzelf

en zat eronder in de schaduw

tot hij zien kon wat er in de stad gebeuren zou.

4:6 Zo bestemde Maryah Aloha een plant

en die groeide op over Jonah

om een schaduw te zijn over zijn hoofd

om hem te bevrijden van zijn ongemak.

En Jonah was uiterst blij met de plant.

4:7 Maar Aloha bestemde een worm

wanneer de dageraad kwam

de volgende dag

en die taste de plant aan

en ze verdorde.

4:8 Wanneer de zon opkwam

bestemde Aloha een verschroeiende oostenwind,

en de zon sloeg neer op Jonah’s hoofd

zodat hij flauw werd

en met heel zijn ziel smeekte om te sterven,

zeggende,

“Dood is mij beter dan leven.”

4:9 Vervolgens,

Aloha zei tot Jonah,

“Heb je goede reden om boos te zijn over de plant?”

En Jonah zei,

“Ik heb goede reden om boos te zijn,

zelfs tot de dood.”

4:10 Toen zei Maryah,

“Je had medelijden met de plant

waarvoor je niet gewerkt hebt

en die je niet hebt laten groeien,

die s’nachts opkwam

maar in een ogenblik weer verging.

4:11 “Zou IK dan geen medelijden hebben met Nineveh

die grote stad

waarin meer dan 120.000 mensen zijn

die het verschil niet kennen

tussen hun rechter en hun linkerhand,

evenals de vele dieren?