© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Tishbekhat Tishbekhata

Lied der liederen.

1:1 Het lied der liederen,

welk’s Salomon’s is.

1:2 Moge hij mij kussen met de kussen van zijn mond!

want jouw liefde is beter dan wijn.

1:3 Uw oliën hebben een aangename geur,

Uw naam is als gezuiverde olie;

daarom houden de maagden van jou.

1:4 Trek mij achter u en laat ons samen lopen!

de koning heeft mij in zijn kamers gebracht.

We zullen in u verheugen en blij zijn;

we zullen uw liefde roemen meer dan wijn,

terecht houd men van u.

1:5 Ik ben zwart maar liefelijk,

O dochters van Jeruzalem,

gelijk de tenten van Kedar,

gelijk de gordijnen van Salomon.

1:6 Staar niet naar mij omdat ik donker ben,

want de zon heeft mij gebrand.

Mijn moeders zonen waren vertoornd op mij;

ze maakten mij verzorgster van de wijngaarden,

maar ik heb geen zorg gedragen voor mijn eigen wijngaard.

1:7 Vertel mij,

O gij die mijn ziel liefhebt,

waar laat gij uw kudde grazen,

waar doet gij haar neerliggen op de middag?

Want waarom moet ik zijn gelijk één die zichzelf sluiert

bij de kudden van uw metgezellen?

1:8 Indien gij het zelf niet weet,

mooiste onder de vrouwen,

ga voort op het spoor van de kudde

en laat uw jonge geiten grazen

bij de tenten van de herders.

1:9 Voor mij,

mijn lieveling,

zijt gij zoals mijn merrie onder de wagens van Farao.

1:10 Uw wangen zijn liefelijk met versiersels,

uw nek met snoeren van parels.

1:11 Wij zullen voor u versiersels maken van goud

met kralen van zilver.

1:12 Terwijl de koning aan zijn tafel was,

gaf mijn parfum zijn reuk weer.

1:13 Mijn geliefde is voor mij een zakje van mirre

die de hele nacht tussen mijn borsten rust.

1:14 Mijn geliefde is voor mij een tros van henna bloesems

in de wijngaarden van En-gedi.

1:15 Hoe mooi zijt gij,

mijn lieveling,

hoe mooi zijt gij !

uw ogen zijn gelijk duifjes.

1:16 Hoe schoon zijt gij,

mijn geliefde,

en zo aangenaam !

inderdaad,

onze rust bank is weelderig !

1:17 De balken van onze huizen zijn ceders,

onze spanten,

cipressen.

2:1 Ik ben de roos van Sharon,

de lelie van de valleien.

2:2 Gelijk een lelie onder de doornen,

zo is mijn lieveling onder de meisjes.

2:3 Als een appelboom onder de bomen van het woud,

zo is mijn geliefde onder de jonge mannen.

In zijn schaduw heb ik grote verrukking en zat eronder,

en zijn vrucht was naar mijn smaak zoet.

2:4 Hij heeft mij naar zijn banketzaal gebracht,

en liefde is zijn banier over mij.

2:5 Ondersteun mij met rozijnen koeken,

vernieuw mij met appels,

want ik ben ziek van de liefde.

2:6 Laat zijn linker hand onder mijn hoofd zijn

en zijn rechterhand mij omhelzen.

2:7 Ik bezweer u,

O dochters van Jeruzalem,

bij de gazellen of bij de hinden van het veld,

dat gij mijn liefde

niet opwekt noch wakker maakt

totdat ze behaagt.

2:8 Luister!

mijn geliefde,

zie!

hij komt,

klimmende op de bergen

springende op de heuvels!

2:9 Mijn geliefde is als een gazelle of een jong hert.

Zie!

hij staat achter onze muur,

hij kijkt door de vensters,

hij tuurt door het traliewerk.

2:10 Mijn geliefde reageerde en zei tot mij,

‘Sta op,

mijn lieveling,

mijn schone,

en kom langs.

2:11 Want zie,

de winter is voorbij,

de regen is over en weggegaan.

2:12 De bloemen zijn reeds verschenen in het land;

de tijd is aangebroken voor het snoeien van de wijnstokken,

en de stem van de tortelduif is gehoord geworden in ons land.

2:13 De vijgenboom heeft zijn vijgen gerijpt,

en de wijnstokken in bloei hebben hun geur afgegeven.

Sta op,

mijn lieveling,

mijn schone,

en kom langs!

2:14 O mijn duif,

in de kloven van de rots,

in de geheime plaats van de steile weg,

laat me uw gestalte zien,

laat me uw stem horen;

Want uw stem is zoet,

en uw gestalte is prachtig.

2:15 Vang de vossen voor ons,

de kleine vosjes die de wijngaarden verpesten,

terwijl onze wijngaarden in bloei zijn.

2:16 Mijn geliefde is de mijne,

en ik ben de zijne;

hij graast zijn kudde onder de lelies.

2:17 Tot de koelte van de dag wanneer de schaduwen wegvluchten,

draai om,

mijn geliefde,

en zijt als een gazelle of een jong hert op de bergen van Bether.

3:1 Op mijn bed nacht na nacht zocht ik hem die mijn ziel liefheeft;

ik keek naar hem uit maar vond hem niet.

3:2 Ik moet nu opstaan en in de stad in t’rond lopen;

in de straten en op de pleinen moet ik hem zoeken die mijn ziel liefheeft.

Ik keek naar hem uit maar vond hem niet.

3:3 De wachters die de rondes doen in de stad vonden mij,

en ik zei, hebt gij hem gezien die mijn ziel liefheeft?

3:4 Nauwelijks had ik hen verlaten toen ik hem vond die mijn ziel liefheeft;

ik liet hem niet los en wilde hem niet laten gaan

totdat ik hem naar mijn moeders huis had gebracht,

en in de kamer van haar die mij baarde.

3:5 Ik bezweer u,

O dochters van Jeruzalem,

bij de gazellen of bij de hinden van het veld,

dat gij mijn liefde niet zult opwekken noch wakker maken totdat zij behaagt.

3:6 Wat is dit opkomende uit de woestijn gelijk kolommen van rook,

geparfumeerd met mirre en wierook,

met alle geurende poeders van de handelaar?

3:7 Zie!

het is de reizende ligbank van Salomo;

zestig machtige mannen zijn eromheen,

van de machtige mannen van Israel.

3:8 Allen van hen zijn zwaaiers van het zwaard,

experten op gebied van oorlog;

elke man heeft zijn zwaard aan zijn zijde,

bewakende tegen de verschrikkingen van de nacht.

3:9 Koning Salomo heeft voor zichzelf een draagstoel gemaakt

van het hout van Libanon.

3:10 Hij maakte haar stijlen van zilver,

haar rug van goud en haar zitting van paars weefsel,

met haar interieur liefdevol ingericht door de dochters van Jerusalem.

3:11 Ga uit,

O dochters van Zion,

en staar naar Koning Salomo

met de kroon waarmee zijn moeder hem gekroond heeft

op de dag van zijn bruiloft,

en op de dag van zijn blijdschap van hart.

4:1 Hoe schoon zijt gij,

mijn lieveling,

hoe schoon zijt gij!

uw ogen zijn gelijk duiven achter uw sluier;

uw haar is als een kudde geiten die van de berg Gilead zijn afgedaald.

4:2 Uw tanden zijn als een kudde van pas geschoren ooien

die opgekomen zijn van hun wasbeurt,

welke allen tweelingen dragen,

en niet één onder hen heeft haar jong verloren.

4:3 Uw lippen zijn als dieprode wol,

en uw mond is liefelijk.

Uw slapen zijn als een partje van een granaatappel achter uw sluier.

4:4 Uw hals is gelijk de toren van David,

gebouwd met rijen van stenen

op welke één duizend schilden zijn gehangen,

al de ronde schilden van de machtige mannen.

4:5 Uw twee borsten zijn gelijk twee reekalveren,

tweelingen van een gazelle die onder de lelies grazen.

4:6 Totdat de koelte van de dag wanneer de schaduwen wegvluchten,

zal ik mijn weg gaan naar de berg van mirre

en naar de heuvel van wierook.

4:7 Gij zijt geheel schoon,

mijn lieveling,

en er is niets dat u ontsiert.

4:8 Kom met mij uit Libanon,

mijn bruid,

moge gij met mij meekomen uit Libanon.

Reis af van de top van Amana,

van de top van Senir en Hermon,

van de holen van leeuwen,

van de bergen van luipaarden.

4:9 Gij hebt mijn hart doen sneller slaan,

mijn zuster,

mijn bruid;

gij hebt mijn hart doen sneller slaan

met een enkel blik van uw ogen,

met een enkele streng van uw halssnoer.

4:10 Hoe schoon is uw liefde,

mijn zuster,

mijn bruid!

Hoeveel beter is uw liefde dan wijn,

en de geur van uw oliën dan alle soorten specerijen!

4:11 Uw lippen,

mijn bruid,

druipen van honing;

honing en melk zijn onder uw tong,

en de geur van uw gewaden is gelijk de geur van Libanon.

4:12 Een afgesloten tuin is mijn zuster,

mijn bruid,

een afgesloten rotstuin,

een verzegelde bron.

4:13 Uw scheuten zijn een tuin van granaatappel met keurvruchten,

henna met nardus planten,

4:14 nardus en saffraan,

kalmoes en kaneel,

met alle bomen van wierook,

mirre en aloë,

samen met al de fijnste specerijen.

4:15 Gij zijt een tuinfontein,

een put van fris water,

en stromen vloeiende van Libanon.

4:16 Ontwaakt,

O noordenwind,

en kom,

wind van het zuiden;

doe mijn tuin geurig ruiken,

laat zijn specerijen naar alle kanten zweven.

Moge mijn geliefde in zijn tuin komen,

en zijn keurvruchten eten!

5:1 Ik ben in mijn tuin gekomen,

mijn zuster,

mijn bruid,

ik heb mijn mirre samen met mijn balsam verzameld.

Ik heb mijn honingraat en mijn honing gegeten;

ik heb mijn wijn en mijn melk gedronken.

Eet,

vrienden;

drink en slurp het diep in,

gij minnaars.

5:2 Ik sliep maar mijn hart was wakker.

Een stem!

Mijn geliefde klopte:

‘Open voor mij,

mijn zuster,

mijn lieveling,

mijn duif,

mijn volmaakte!

Want mijn hoofd is doorweekt met dauw,

mijn lokken met het vocht van de nacht.’

5:3 Ik heb mijn kleed afgedaan,

hoe kan ik het opnieuw aandoen?

ik heb mijn voeten gewassen,

hoe kan ik hen opnieuw bevuilen?

5:4 Mijn geliefde strekte zijn hand uit door de opening,

en mijn gevoelens voor hem werden gewekt.

5:5 Ik stond op om te openen voor mijn geliefde;

en mijn handen dropen van mirre,

en mijn vingers van vloeibare mirre,

op de handgrepen van de grendel.

5:6 Ik opende aan mijn geliefde,

maar mijn geliefde was omgedraaid en was gegaan!

mijn hart ging naar hem uit terwijl hij sprak.

Ik zocht naar hem maar ik vond hem niet;

ik riep hem maar hij gaf mij geen antwoordt.

5:7 De wachters die de rondes maken in de stad vonden mij,

ze sloegen mij en verwonden mij;

de officier van de bewakers der muren nam mijn omslagdoek van mij weg.

5:8 Ik bezweer u,

O dochters van Jeruzalem,

als ge mijn geliefde vindt,

wat zult gij hem zeggen?

daar ik ziek ben van liefde.

5:9 Welk type van geliefde is uw geliefde,

O meest schone onder de vrouwen?

Welk type van geliefde is uw geliefde,

dat gij ons zo bezweert?

5:10 Mijn geliefde is oogverblindend en rood,

voortreffelijk te midden van tien duizend.

5:11 Zijn hoofd is als goud,

puur goud;

zijn haarlokken zijn als trossen van dadels

en zwart als een raaf.

5:12 Zijn ogen zijn als duiven aan stromen van water,

badend in melk,

en rustende in hun omgeving.

5:13 Zijn wangen zijn als een bedje van balsem,

banken van zoet-geurende kruiden;

zijn lippen zijn lelies druipend van vloeibare mirre.

5:14 Zijn handen zijn staven van goud bezet met beryl;

zijn buik is gesneden ivoor ingelegd met saffieren.

5:15 Zijn benen zijn pilaren van albast

gezet op sokkels van puur goud;

zijn uiterlijk is als Libanon, gekozen als de ceders.

5:16 Zijn mond is vol van zoetheid.

En hij is geheel begeerlijk.

Dit is mijn geliefde en dit is mijn vriend,

o dochters van Jeruzalem.

6:1 Waarheen is uw geliefde gegaan,

O gij meest mooie onder de vrouwen?

Waarheen heeft uw geliefde omgedraaid,

opdat wij hem met u kunnen zoeken?

6:2 Mijn geliefde is naar beneden gegaan naar zijn tuin,

naar de bedden van balsem,

om zijn kudde te weiden in de tuinen

en lelies te verzamelen.

6:3 Ik ben mijn geliefde’s en mijn geliefde is de mijne,

hij die zijn kudde weid onder de lelies.

6:4 Gij zijt zo schoon als Tirza,

mijn lieveling,

zo liefelijk als Jeruzalem,

zo ontzagwekkend als een legermacht met banieren.

6:5 Draai uw ogen van mij weg,

want ze hebben mij verward;

uw haar is als een kudde geiten

welke afgedaald zijn van Gilead.

6:6 Uw tanden zijn als een kudde ooien

die opgekomen zijn van hun wassing,

allen van hen baren tweelingen,

en niet één onder hun heeft haar jong verloren.

6:7 Uw slapen zijn als een stukje van een granaatappel achter uw sluier.

6:8 Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen,

en maagden zonder getal;

6:9 maar mijn duif,

mijn perfecte,

is uniek:

zij is haar moeder’s enige dochter;

zij is het pure kind van degene die haar baarde.

De maagden zagen haar en noemden haar gezegend,

de koninginnen en de bijvrouwen ook,

en zij prezen haar,

zeggende,

6:10 wie is deze die toeneemt als het ochtendgloren,

zo schoon als de volle maan,

zo zuiver als de zon,

zo ontzagwekkend als een legermacht met banieren?

6:11 Ik ging afwaarts naar de boomgaard van notenbomen

om de bloesems van de vallei te zien,

om te zien of de wijnstok was ontsproten

of de granaatappels hadden gebloeid.

6:12 Alvorens ik bewust was,

zette mijn ziel mij op de strijdwagens van mijn edele volk.

6:13 Kom terug,

kom terug,

O Sulammitische;

kom terug,

kom terug,

dat we u kunnen aanstaren!

Waarom zou je de Sulammitische aanstaren,

als naar de dans van de twee gezelschappen?

7:1 Hoe liefelijk zijn uw voeten in sandalen,

O prinsen dochter!

De rondingen van uw heupen zijn als juweeltjes,

het werk van de handen van een kunstenaar.

7:2 Uw navel is als een ronde beker

die nooit gemixte wijn ontbreekt;

uw buik is als een hoop tarwe

rondom omheind met lelies.

7:3 Uw twee borsten zijn als twee jongen,

tweelingen van een gazelle.

7:4 Uw hals is als een toren van ivoor,

uw ogen als de baden in Heshbon bij de poort van Bath-rabbim;

uw neus is als de toren van Libanon,

die gericht is naar Damascus.

7:5 Uw hoofd kroont u als Carmel,

en de golvende lokken van uw hoofd zijn als paarse draden;

de koning is gefascineerd door uw vlechten.

7:6 Hoe schoon en hoe verrukkelijk zijt gij,

mijn liefste,

met al uw charmes!

7:7 Uw gestalte is als een palmboom,

en uw borsten zijn als zijn kronkels.

7:8 Ik zei,

ik zal de palmboom beklimmen,

ik zal vastgrijpen aan zijn vruchtstengels.

Oh,

mochten uw borsten als trossen van de wijnstok zijn,

en de geur van uw adem als appels,

7:9 en uw mond als de beste wijn!

Die soepel neerwaarts gaat tot mijn geliefde,

zachtjes vloeiend door de lippen van deze die in slaap valt.

7:10 Ik ben mijn’s geliefde,

en zijn verlangen is tot mij.

7:11 Kom,

mijn geliefde,

laten ons uitgaan in het open veld,

laten ons de nacht doorbrengen in de dorpen.

7:12 Laat ons vroeg opstaan en naar de wijngaarden gaan;

laat ons eens zien of de wijnstok ontloken is

en zijn bloesems zijn geopend,

en of de granaatappelbomen hebben gebloeid.

Daar zal ik u mijn liefde geven.

7:13 De mandrakes hebben geur afgegeven;

en over onze deuren zijn alle keurvruchten,

beide de nieuwe en de oude,

die ik heb opgespaard voor u,

mijn geliefde.

8:1 Oh dat gij als een broer waart voor mij

die zoogt aan mijn moeders borsten.

Indien ik u buiten vond,

zou ik u kussen;

niet één zou mij verachten,

beide.

8:2 Ik zou u leiden en u brengen in het huis van mijn moeder,

die mij gebruikelijk onderricht;

ik zou u gekruide wijn geven om te drinken

en van het sap van mijn granaatappels.

8:3 Laat zijn linker hand onder mijn hoofd zijn

en zijn rechter hand mij omhelzen.

8:4 IK wil dat gij zweert,

O dochters van Jeruzalem,

wek of ontwaak mijn liefde niet totdat ze behaagt.

8:5 Wie is deze opkomende uit de woestijn leunend op haar geliefde?

Onder de appelboom maak ik u wakker;

daar was uw moeder met u in arbeid,

daar was zij in arbeid en gaf u geboorte.

8:6 Leg mij als een zegel over uw hart,

als een zegel op uw arm.

Want liefde is zo sterk als de dood,

na-ijver is zo hard als sheol;

haar gensters zijn gensters van vuur,

de vlammen van Maryah.

8:7 Vele wateren kunnen liefde niet doven,

noch zullen rivieren haar overstromen;

indien een man al de rijkdommen van zijn huis gaf voor liefde,

het zou volkomen verachtelijk zijn.

8:8 We hebben een kleine zuster,

en ze heeft geen borsten;

wat zullen we doen voor onze zuster

op de dag waarop zij wordt uit gesproken?

8:9 Als ze een muur is,

zullen wij op haar een kanteel van zilver bouwen;

maar als ze een deur is,

zullen wij haar barricaderen met planken van cederhout.

8:10 Ik was een muur,

en mijn borsten waren als torens;

toen werd ik in zijn ogen als iemand die vrede vindt.

8:11 Solomon had een wijngaard op Baal-hamon;

hij vertrouwde de wijngaard aan de huisbewaarders toe.

Elkeen bracht voor zijn vrucht één duizend sikkels van zilver .

8:12 Mijn hoogst eigen wijngaard staat tot mijn beschikking;

de duizend sikkels zijn voor u,

Solomon,

en tweehonderd zijn voor diegenen die zorg dragen voor zijn vrucht.

8:13 O gij die in de tuinen zit,

mijn metgezellen luisteren naar uw stem

laat ze mij horen!