© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Zekarya Nebya

Het boek Zechariah de profeet.

Zechariah 1.

1:1 In de achtste maand

van het tweede jaar van Darius,

het woord van Maryah

kwam tot Zechariah de profeet,

de zoon van Berechiah,

de zoon van Iddo,

zeggende,

1:2 “Maryah was zeer ontstemd over uw vaders.

1:3 “Zeg daarom tegen hen

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Keert terug naar Mij,”

verklaart Maryah van de heirscharen,

“Dat Ik moge terugkeren naar u,”

zegt Maryah van de heirscharen.

1:4 “Wees niet als uw vaders,

tot wie de voormalige profeten proclameerden,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Keert nu terug van uw kwade wegen

en van uw kwade daden.'”

Maar ze luisterden niet-

en ze gaven evenmin aandacht aan Mij,”

verklaart Maryah.

1:5 “Uw vaders,

waar zijn ze?

en de profeten,

leven zij voor eeuwig?

1:6 “Maar hebben Mijn woorden en Mijn inzettingen,

die Ik aan Mijn dienaren de profeten heb geboden,

uw vaders niet ingehaald?

Vervolgens kwamen zij tot inkeer en zeiden,

‘Zoals Maryah van de heirscharen

van plan was om aan ons te doen

overeenkomstig onze wegen en onze daden,

zo heeft Hij dus met ons gehandeld.'”

1:7 Op de vierentwintigste dag

van de elfde maand,

die de Shebat maand is,

in het tweede jaar van Darius,

het woord van Maryah

kwam naar de profeet Zechariah,

de zoon van Berechiah,

de zoon van Iddo,

zoals volgt:

1:8 Ik zag in de nacht,

en zie,

een man reed op een rood paard,

en hij stond tussen de mirtebomen

die in de ravijn waren,

met roodachtige,

rosachtige,

en spierwitte paarden achter hem.

1:9 Toen zei ik,

“Mijn Heer,

wat zijn deze?”

En de engel

die met mij sprak

zei tegen mij,

“Ik zal u laten zien wat deze zijn.”

1:10 En de man die tussen de mirtebomen stond

antwoordde en zei,

“Dit zijn degenen

die Maryah heeft uitgezonden

om op de aarde te patrouilleren.”

1:11 Zo antwoordden zij de engel van Maryah

die tussen de mirtebomen stond

en zeiden,

“Wij hebben op de aarde gepatrouilleerd ,

en zie,

gans de aarde is vredig en stil.”

1:12 Vervolgens zei de engel van Maryah,

“O Maryah van de heirscharen,

hoelang nog zult U geen mededogen hebben

voor Jeruzalem en de steden van Judah,

waarop Gij verontwaardigd zijt geweest

deze zestig en tien jaren?”

1:13 Maryah beantwoordde de engel die met mij sprak,

met hoffelijke woorden,

troostende woorden.

1:14 Zo zei de engel

die met mij sprak

tegen mij,

“Verkondigt,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Ik ben buitengewoon ijverzuchtig voor Jeruzalem en Zion.

1:15 “Maar Ik ben zeer verontwaardigd

over de naties die zich op hun gemak voelen;

want terwijl Ik maar een weinig verontwaardigd was,

bevorderden zij het onheil.”

1:16 ‘Daarom dus zegt Maryah,

“Ik zal terugkeren naar Jeruzalem met mededogen;

Mijn huis zal daarin worden gebouwd,”

verklaart Maryah van de heirscharen,

“En een meetlijn zal over Jeruzalem worden uitgestrekt.”‘

1:17 “Nogmaals,

verkondigt,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Mijn steden zullen opnieuw overstromen van voorspoed,

en Maryah zal Zion opnieuw troosten

en Jeruzalem opnieuw verkiezen.”‘

1:18 Toen hief ik mijn ogen op en keek,

en zie,

er waren vier hoornen.

1:19 Dus zei ik tegen de engel

die met mij sprak,

“Wat zijn dit?”

En hij antwoordde mij,

“Dit zijn de hoornen die Judah,

Israël en Jeruzalem hebben verstrooid.”

1:20 Vervolgens toonde Maryah mij vier ambachtslieden.

1:21 Ik zei,

“Wat zijn deze komen doen?”

En Hij zei,

“Deze zijn de hoornen

die Judah hebben verstrooid

zodat geen mens zijn hoofd verheft;

maar deze ambachtslieden zijn gekomen om hen bang te maken,

om de hoornen van de naties neder te werpen

die hun hoornen hebben verheven tegen het land van Judah

om dat te verstrooien.”

Zechariah 2.

2:1 Vervolgens,

Ik hief mijn ogen op en keek,

en zie,

er was een man met een meetlijn in zijn hand.

2:2 Dus zei ik,

“Waar ga je heen?”

En hij zei tegen mij,

“Naar Jeruzalem opmeten,

om te zien hoe breed het is

en hoe lang het is.”

2:3 En zie,

de engel die met mij sprak

ging uit,

en een andere engel

kwam naar buiten om hem te ontmoeten,

2:4 en zei tegen hem,

“Ren,

en spreek tegen die jongeman,

zeggende,

‘Jeruzalem zal bewoond worden zonder muren

vanwege de menigte van mensen

en vee daarin.

2:5 ‘Want Ik’

verklaart Maryah,

zal een muur van vuur rondom haar zijn,

en Ik zal de glorie in haar midden zijn.'”

2:6 “Ho daar!

vlucht uit het land van het noorden,”

verklaart Maryah,

“Want Ik heb u verstrooid

als de vier winden van de hemelen,”

verklaart Maryah.

2:7 “Ho,

Zion,

ontsnapt,

gij die leeft

met de dochter van Babylon.”

2:8 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Die mij na de heerlijkheid heeft gezonden

tot de naties die u hebben geplunderd,

“want hij die u aanraakt,

raakt de appel van Zijn oog aan.

2:9 “Want zie

Ik zal Mijn hand over hen zwaaien

zodat zij een beroving tot hun slaven zullen zijn.”

Dan zult gij weten

dat Maryah van de heirscharen mij heeft gezonden.

2:10 “Zingt van vreugde en wees blij,

O dochter van Zion;

want zie Ik kom

en Ik zal in uw midden wonen,”

verklaart Maryah.

2:11 “Vele naties

zullen zich op die dag aansluiten bij Maryah

en zullen Mijn volk zijn,

dan zal Ik in uw midden wonen;”

en gij zult weten dat Maryah van de heirscharen mij tot u heeft gezonden.

2:12 “Maryah zal Judah beërven

als Zijn deel in het heilige land,

en zal Jeruzalem opnieuw verkiezen.

2:13 “Wees stil,

alle vlees,

voor het aangezicht van Maryah;

want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.”

Zechariah 3.

3:1 Vervolgens toonde hij mij Joshua

de hogepriester

staande voor de engel van Maryah,

en satan stond aan zijn rechterhand

om hem te beschuldigen.

3:2 Maryah zei tot satan,

“Maryah bestraft u,

satan!

inderdaad,

Maryah die Jeruzalem heeft verkozen bestraft u!

Is deze (man) niet een brandend stuk hout

die uit het vuur is gerukt?”

3:3 Joshua nu

was gekleed met smerige gewaden

en hij stond voor de engel.

3:4 Hij sprak en zei

tegen degenen die voor hem stonden,

zeggende,

“Verwijder de smerige gewaden van hem.”

Opnieuw zei hij tegen hem,

“zie,

ik heb uw ongerechtigheden van u weggenomen

en zal u met feestelijke gewaden kleden.”

3:5 Toen zei ik,

“Laat hen een schone tulband op zijn hoofd leggen.”

dus plaatsten ze een schone tulband op zijn hoofd

en bekleden hem met gewaden,

terwijl de engel van Maryah bij hem stond.

3:6 En de engel van Maryah

waarschuwde Joshua vooraf,

zeggende,

3:7 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Indien gij in Mijn wegen zult wandelen

en indien gij mijn dienst zult verrichten,

dan zult ge ook Mijn huis regeren

en ook de zorg hebben over Mijn hoven,

en Ik zal u vrije toegang verlenen

onder degenen die hier staan.

3:8 ‘Luister nu,

Joshua de hogepriester,

gij en uw vrienden die voor u zitten-

zij zijn inderdaad mannen die een teken zijn,

want zie!

Ik ga Mijn knecht de Sheut inbrengen.

3:9 ‘Want zie!

de steen die Ik voor Joshua heb gelegd;

op die ene steen zijn zeven facetten.

Ziet,

Ik zal er een inscriptie op graveren,’

verklaart Maryah van de heirscharen,

‘en Ik zal de ongerechtigheid van dat land

in één dag verwijderen.

3:10 ‘Op die dag,’

verklaart Maryah van de heirscharen,

‘Iedereen van u zal zijn naaste uitnodigen

om onder zijn wijnstok

en onder zijn vijgenboom te gaan zitten.'”

Zechariah 4.

4:1 Vervolgens,

de engel die met mij sprak

keerde terug

en wekte mij,

als een man die ontwaakt is uit zijn slaap.

4:2 Hij zei tegen mij,

“Wat ziet gij?”

En ik zei,

“Ik zie,

en aanschouw,

een kandelaar helemaal van goud

met zijn kommetje op de top ervan,

en zijn zeven lampen erop

met zeven tuiten

behorend bij elk van de lampen

die op de top ervan zijn;

4:3 ook twee olijfbomen erbij,

één aan de rechterkant van het kommetje

en de andere aan de linkerkant.”

4:4 Toen zei ik tegen de engel

die met mij sprak,

zeggende,

“Wat zijn deze,

mijn Heer?”

4:5 Dus de engel

die met mij sprak

antwoordde

en zei tegen mij:

“Weet gij niet wat deze zijn?”

en ik zei,

“Neen mijn Heer.”

4:6 Toen zei hij tegen mij,

“Dit is het woord van Maryah

aan Zerubbabel

zeggende,

‘Niet door macht

evenmin door kracht,

maar door Mijn Geest,’

zegt Maryah van de heirscharen.

4:7 ‘Wat zijt gij,

O grote berg?

Voor Zerubbabel wordt gij een vlakte;

en hij zal de top-steen voortbrengen

met kreten van

“Genade,

genade aan hem!”‘

4:8 Bovendien kwam het woord van Maryah tot mij,

zeggende,

4:9 “de handen van Zerubbabel

hebben het fundament van dit huis gelegd,

en zijn handen zullen het afmaken.

Dan zult gij weten

dat Maryah van de heirscharen mij tot u gezonden heeft.

4:10 “Want wie heeft de dag der kleine dingen veracht?

Maar die zeven zullen verblijd zijn

wanneer zij de loodlijn zien

in de hand van Zerubbabel-

dit zijn de ogen van Maryah

die zich heen en weer over de aarde uitstrekken.”

4:11 Toen zei ik tegen hem,

“Wat zijn die twee olijfbomen

rechts van de kandelaar – en links daarvan?”

4:12 En ik antwoordde de tweede maal

en zei tegen hem,

“Wat zijn de twee olijftakken

die naast de twee gouden tuiten zijn,

die de gouden olie uit zichzelf ledigen?”

4:13 Dus antwoordde hij mij,

zeggende,

“Weet gij niet wat deze zijn?”

En ik zei,

“Neen,

mijn Heer.”

4:14 Toen zei hij,

“Dit zijn de twee gezalfden

die voor de Heer van de ganse aarde staan.”

Zechariah 5.

5:1 Vervolgens,

ik hief mijn ogen weer op

en keek,

en ziet,

er was een vliegende rol.

5:2 En hij zei tegen mij,

“Wat ziet gij?”

En ik antwoordde,

“Ik zie een vliegende rol;

haar lengte is twintig voorarm-lengtes

en haar breedte tien voorarm-lengtes.”

5:3 Toen zei hij tegen mij,

“Dit is de vloek

die over het aangezicht van het hele land uitgaat;

iedereen die steelt

zal zeker weggevaagd worden

volgens het schrijven aan één kant,

en iedereen die zweert

zal weggevaagd worden

volgens het schrijven aan de andere kant.

5:4 “Ik zal die laten voortgaan,”

verklaart Maryah van de heirscharen,

“en hij zal het huis van de dief binnentreden

en het huis van degene die valselijk zweert bij Mijn naam;

en hij zal de nacht doorbrengen in dat huis

en zal het verteren samen met zijn hout en stenen.”

5:5 Vervolgens,

de engel die met mij sprak

ging uit en zei tegen mij,

“hef nu uw ogen op

en zie wat dit is

dat voortgaat.”

5:6 Ik zei,

“wat is het?”

En hij zei,

“Dit is de maat (ephah) die voortgaat.”

Weer zei hij,

“Dit is hun verschijning in gans het land-

5:7 en zie,

een loden deksel werd opgetild-

en dit was een vrouw

zittende middenin de maat (ephah).”

5:8 Toen zei hij,

“Deze is goddeloosheid!”

En hij gooide haar neerwaarts tot in het midden van de maat (Ephah)

en wierp het loden gewicht op de mond daarvan.

5:9 Vervolgens

ik hief mijn ogen op en keek,

en daar kwamen twee vrouwen tevoorschijn

met de wind in hun vleugels;

en zij hadden vleugels als de vleugels van een ooievaar,

en zij tilden de maat (ephah) opwaarts

tussen de aarde en de hemelen.

5:10 Ik zei tegen de engel

die met mij sprak,

“Waar dragen deze de maat heen (ephah)?”.

5:11 Toen zei hij tegen mij,

“Naar het land van Shinar

om een huis te bouwen voor haar

en wanneer het klaar is,

zal zij daar worden neergezet

op haar eigen plaats.”

Zechariah 6.

6:1 Nu,

ik hief mijn ogen nogmaals op en keek,

en zie,

vier strijdwagens kwamen tevoorschijn

van tussen de twee bergen;

en die bergen waren bronzen bergen.

6:2 samen met de eerste strijdwagen

waren rode paarden,

samen met de tweede strijdwagen

waren zwarte paarden,

6:3 samen met de derde strijdwagen

waren witte paarden,

en samen met de vierde strijdwagen

waren sterke grijs-gespikkelde paarden.

6:4 Toen sprak ik

en zei tegen de engel

die met mij sprak,

“Wat zijn deze,

mijn Heer?”

6:5 De engel beantwoordde mij,

“deze zijn de vier geesten van de hemel,

die uitgaan nadat zij voor de Heer

van de ganse aarde stonden,

6:6 diegene van wie de zwarte paarden zijn

gaat uit naar het noordelijke land;

en de witte paarden gaan deze achterna,

terwijl de gespikkelde paarden naar het zuidelijke land uitgaan.

6:7 “Toen de sterke paarden uitgingen,

waren ze vurig om op de aarde te gaan patrouilleren.”

En Hij zei,

“Ga, en patrouilleer over de aarde.”

Dus patrouilleerden ze over de aarde.

6:8 Vervolgens,

Hij schreeuwde naar mij

en sprak tegen mij

zeggende,

“Zie,

diegenen die naar het het noordelijke land gaan

hebben Mijn toorn gesust

in het noordelijke land.”

6:9 Het woord van Maryah

kwam ook tot mij,

zeggende,

6:10 “Neemt van de ballingen een offer,

van Heldia,

Tobijah en Jedaiah;

en gaat gij dezelfde dag

en gaat het huis van Josiah binnen

de zoon van Zephaniah,

waarin zij uit Babylon aangekomen zijn.

6:11 “Neemt zilver en goud,

maak een sierlijke kroon

en zet die op het hoofd van Joshua

de zoon van Jehozadak,

de hogepriester.

6:12 “Zeg dan tegen hem,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“ziedaar,

een man wiens naam Sheut is,

want Hij zal opschieten van waar Hij is;

en Hij zal de tempel van Maryah bouwen.

6:13 “Ja,

het is Hij die de tempel van Maryah zal bouwen,

en Hij die de eer zal dragen

en Hij zal op Zijn troon zitten en heersen.

Zo zal Hij een priester zijn op Zijn troon,

en de raad van vrede

zal tussen die twee ambten zijn.”‘

6:14 “Nu zal de kroon een nagedachtenis worden

in de tempel van Maryah

aan Helem,

Tobijah,

Jedaiah,

en Hen

de zoon van Zephaniah.

6:15 “Degenen die ver weg zijn zullen komen

en de tempel van Maryah bouwen.”

Dan zult gij weten

dat Maryah van de heirscharen

mij naar u heeft gezonden.

En het zal plaatsvinden

wanneer gij Maryah uw Aloha

volledig zult gehoorzamen.

Zechariah 7.

7:1 In het vierde jaar

van Koning Darius,

het woord van Maryah kwam tot Zechariah

op de vierde dag

van de negende maand,

welke Chislev is.

7:2 Nu had de stad Bethel

Sharezer en Regemmelech

en hun mannen gestuurd

om de gunst van Maryah te zoeken,

7:3 sprekende tot de priesters

die tot het huis van Maryah van de heirscharen behoren,

en tot de profeten,

zeggende,

“Zal ik in de vijfde maand wenen en mij onthouden,

zoals ik deze vele jaren heb gedaan?”

7:4 Toen kwam het woord van Maryah van de heirscharen tot mij,

zeggende,

7:5 “Zeg tot gans het volk van het land

en tot de priesters,

‘Toen gij vastte en rouwde

in de vijfde en zevende maand

deze zeventig jaren,

was het eigenlijk voor Mij dat gij vastte?

7:6 ‘Terwijl gij eet en drinkt

eet gij dan niet voor uzelf

en drinkt gij dan niet voor uzelf?

7:7 ‘Zijn dit niet de woorden

welke Maryah uitriep

door de voormalige profeten,

toen Jeruzalem bewoond en welvarend was

samen met haar steden eromheen,

en de Negev en de uitlopers bewoond waren?'”

7:8 Vervolgens,

het woord van Maryah

kwam naar Zechariah

zeggende,

7:9 “Zo heeft Maryah van de heirscharen gezegd,

‘Verdeelt ware gerechtigheid

en beoefent goedheid en mededogen

elk aan zijn broeder;

7:10 en verdrukt de weduwe niet noch de vaderloze,

de vreemdeling noch de behoeftige;

en bedenkt geen kwaad in uw harten

de één tegen de ander.’

7:11 “Maar ze weigerden om aandacht te schenken

en draaiden koppig de schouder om

en stopten hun oren toe om niet meer te horen.

7:12 “Zij maakten hun harten als vuursteen

zo dat zij de wet en de woorden niet konden horen

welke Maryah van de heirscharen

door Zijn Geest had gezonden

door de voormalige profeten;

daarom kwam er een grote toorn

van Maryah van de heirscharen.

7:13 En precies zoals Hij riep en zij niet wilden luisteren,

zo riepen zij en Ik wilde niet luisteren,”

zegt Maryah van de heirscharen;

7:14 “maar Ik verstrooide hen door een stormwind

onder al de naties

die zij niet hebben gekend.

Zo is het land achter hun verlaten

zo dat niet één heen en terug ging,

want ze maakten het aangename land tot een woestenij.”

Zechariah 8.

8:1 Vervolgens,

het woord van Maryah van de heirscharen kwam,

zeggende,

8:2 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Ik ben bijzonder ijverig voor Zion,

ja,

met grote gramschap ben ik ijverig voor haar.’

8:3 “Zo zegt Maryah,

‘Ik zal naar Zion terugkeren

en zal in het midden van Jeruzalem wonen.

Vervolgens,

Jeruzalem zal de Stad der Waarheid worden genoemd

en de berg van Maryah van de heirscharen

zal de Heilige Berg worden genoemd.’

8:4 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Oude mannen en oude vrouwen

zullen terug in de straten van Jeruzalem zitten,

ieder mens met de stok in de hand

vanwege de ouderdom.

8:5 ‘En de straten van de stad

zullen worden gevuld met jongens en meisjes

die in haar straten spelen.’

8:6 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Als het te moeilijk is

in de ogen van het overblijfsel van dit volk in die dagen,

zal het dan ook te moeilijk zijn in Mijn ogen?’

verklaart Maryah van de heirscharen.

8:7 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Ziet,

Ik ga Mijn volk redden

uit het land van het oosten

en uit het land van het westen;

8:8 en Ik zal hen terugbrengen

en zij zullen wonen

in het midden van Jeruzalem;

en zij zullen Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn

in waarheid en gerechtigheid.’

8:9 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Laat uw handen sterk zijn,

gij die in deze dagen

naar deze woorden luistert

uit de mond der profeten,

zij die spraken op die dag

dat het fundament van het huis van Maryah van de heirscharen werd gelegd,

tot het einde,

dat de tempel gebouwd zou worden.

8:10 ‘Want voor die dagen

was er geen loon voor de mens

nog enig loon voor het beest;

en voor hem die uitging of inkwam

was er geen vrede vanwege zijn vijanden,

want Ik stel alle mannen

de één tegenover de ander

8:11 ‘Maar nu zal ik het overblijfsel van dit volk

niet behandelen als in de vorige dagen,’

verklaart Maryah van de heirscharen.

8:12 ‘Want er zal vrede zijn voor het zaad:

de wijnstok zal zijn vrucht voortbrengen,

het land zal zijn opbrengts voortbrengen

en de hemelen zullen hun dauw geven;

en Ik zal het overblijfsel van dit volk

al deze dingen doen erven.

8:13 ‘Het zal gebeuren dat

gij zowat gelijk een vloek geweest zijt onder de naties,

O huis van Judah

en huis van Israël,

dus zal Ik u redden

dat gij een zegen moogt zijn.

Vreest niet;

laat uw handen sterk zijn.’

8:14 “Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Net zoals Ik het voornemen had om kwaad aan u te doen

toen uw vaders Mij tot toorn verwekten,’

zegt Maryah van de heirscharen,

‘en Ik heb niet toegegeven,

8:15 Dus heb Ik Mij in deze dagen nogmaals voorgenomen

om goed te doen aan Jeruzalem

en aan het huis van Judah.

Vreest niet!

8:16 ‘Dit zijn de dingen die gij moet doen:

spreekt de waarheid tegen elkaar;

oordeelt met waarheid

en het oordeel voor vrede in uw poorten.

8:17 ‘Laat ook niet één van u

kwaad bedenkt in zijn hart

tegen een ander,

en hebt meineed niet lief;

want deze zijn allemaal dingen die Ik haat,’

verklaart Maryah.”

8:18 Vervolgens,

het woord van Maryah van de heirscharen kwam tot mij,

zeggende,

8:19 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Het vasten van de vierde,

het vasten van de vijfde,

het vasten van de zevende

en het vasten van de tiende maanden zal vreugde worden,

blijdschap,

en vrolijke feesten voor het huis van Judah;

hou dus van waarheid en vrede.’

8:20 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Het zal toch zijn dat er volken zullen komen,

zelfs de inwoners van vele steden.

8:21 ‘De inwoners van de ene zal naar de andere gaan,

zeggende,

“Laat ons onmiddellijk gaan

om de gunst van Maryah te smeken,

en om Maryah van de heirscharen te zoeken;

ik zal ook gaan.”

8:22 ‘Zo veel volken

en machtige naties

zullen komen om Maryah van de heirscharen te zoeken in Jeruzalem

en om de gunst van Maryah te smeken.’

8:23 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘In die dagen zullen tien mannen uit alle volken het gewaad van een Jood grijpen,

zeggende,

“Laat ons met u gaan,

want wij hebben gehoord dat Aloha met u is.”‘”

Zechariah 9.

9:1 De last van het woord van Maryah,

Is tegen het land van Hadrach,

met Damascus als Zijn rustplaats-

(want de ogen van de mannen,

vooral van alle stammen van Israël

zijn naar Maryah gericht ),

9:2 en ook tegen Hamath,

die eraan grenst;

Tyre en Sidon,

al zijn zij erg wijs.

9:3 Want Tyre bouwde haarzelf een vesting

en stapelde zilver op als stof,

en goud als het slijk van de straten.

9:4 Zie!

Maryah zal haar onteigenen

en haar pracht in de zee werpen;

en zij zal worden verteerd door vuur.

9:5 Ashkelon zal het zien en bevreesd zijn.

Ook Gaza zal zich in grote smart kronkelen;

ook Ekron,

want haar verwachting is beschaamd geworden.

Bovendien,

zal de koning van Gaza omkomen,

en Ashkelon zal niet bewoond worden.

9:6 En een bastaardras zal in Ashdod wonen,

en ik zal de trots van de Filistijnen afsnijden.

9:7 En ik zal hun bloed uit hun mond weghalen

en hun verfoeilijke dingen van tussen hun tanden.

Dan zullen zij ook een overblijfsel zijn voor onze Aloha,

en als een stam in Judah zijn,

en Ekron als een Jebusiet.

9:8 Maar Ik zal rondom Mijn huis kamperen vanwege een leger,

vanwege hem die er voorbij komt en terugkeert;

en geen geweldenaar zal er meer doorheen gaan,

want nu heb Ik het met Mijn ogen gezien.

9:9 Verheugt u zeer,

O dochter van Sion!

Schreeuwt in triomf,

O dochter van Jeruzalem!

ziet,

uw koning komt naar u toe;

Hij is rechtvaardig en begiftigd met redding,

nederig,

en op een ezel gezet,

op een jong veulen zelfs

het veulen van een ezelin.

9:10 Ik zal de strijdwagen van Ephraim afsnijden

en het paard van Jeruzalem;

en de oorlogsboog zal worden afgesneden.

En Hij zal vrede spreken aan de naties;

en Zijn heerschappij zal van zee tot zee zijn,

en van de rivier tot aan de uiteinden van de aarde.

9:11 Ook wat u betreft,

vanwege het bloed van Mijn verbond met u,

heb Ik uw gevangen bevrijd

uit de waterloze put.

9:12 Keer terug naar het bolwerk,

O gevangenen die de hoop hebben;

deze dag maak Ik bekend

dat Ik aan u dubbel zal teruggeven.

9:13 Want Ik zal Judah als Mijn boog spannen,

Ik zal de boog met Ephraim vullen.

En Ik zal uw zonen aanwakkeren,

O Zion,

tegen uw zonen,

O Yawan;

en Ik zal u maken als het strijders-zwaard.

9:14 Vervolgens,

Maryah zal over hun verschijnen,

en Zijn pijl zal uitgaan als een bliksem;

en Maryah Aloha zal de bazuin blazen,

en Hij zal oprukken in de storm-winden van het zuiden.

9:15 Maryah van de heirscharen zal hen verdedigen.

En zij zullen verslinden

en op de slingerstenen vertrappen;

en zij zullen drinken

en luidruchtig worden zoals van de wijn;

en zij zullen gevuld worden zoals een offerbekken,

doorweekt zoals de hoeken van het altaar.

9:16 En Maryah hun Aloha zal hen redden op die dag

als de kudde Zijns volk;

want zij zijn gelijk de stenen van een kroon,

glinsterend over Zijn land.

9:17 Want welke bevalligheid en schoonheid zal het hunne zijn!

Het koren zal de jonge mannen doen bloeien,

en nieuwe wijn de maagden.

Zechariah 10.

10:1 Vraagt regen van Maryah

ten tijde van de voorjaarsregen-

Maryah die de onweerswolken maakt;

en Hij zal hen regenbuien geven,

gewas in het veld voor iedereen.

10:2 Want de teraphim (voorspellende voorwerpen)

spreken ongerechtigheid

en de zieners zien leugenachtige visioenen

en zij vertellen bedrieglijke dromen;

zij troosten tevergeefs.

Daarom dwaalt het volk als schapen,

ze worden verdrukt,

want er is geen herder.

10:3 “Mijn toorn is ontstoken tegen de herders,

en Ik zal de mannelijke geiten straffen;

want Maryah van de heirscharen heeft Zijn kudde bezocht,

het huis van Judah,

en maakt hun als

Zijn majestueuze paard in de strijd.

10:4 “Vanuit hen zal de hoeksteen komen,

vanuit hen de tentpin,

vanuit hen de boog der strijd,

vanuit hen elke heerser,

allen van hen tezamen.

10:5 “Zij zullen als machtige mannen zijn,

de vijand vertredende

in het slijk van de straten tijdens de strijd;

en zij zullen strijden,

want Maryah zal met hen zijn;

en de ruiters op paarden zullen worden beschaamd.

10:6 “Ik zal het huis van Judah versterken,

en Ik zal het huis van Joseph redden,

en Ik zal hen terugbrengen,

want Ik heb medelijden met hen gehad;

en zij zullen zijn alsof Ik hen niet had verworpen,

want Ik ben Maryah hun Aloha

en Ik zal hen beantwoorden.

10:7 “Ephraim zal als een sterke man zijn,

en hun hart zal blij zijn als van wijn;

inderdaad,

hun kinderen zullen het zien en blij zijn,

hun hart zal zich verheugen in Maryah.

10:8 “Ik zal fluiten naar hen om ze te-zamen bijeen-te-brengen,

want Ik heb hen verlost;

en ze zullen zo talrijk zijn

als zij voorheen waren.

10:9 “Wanneer Ik hen verspreid onder de volken,

zullen ze Mij herinneren in verre landen,

en zij met hun kinderen

zullen leven

en terugkomen.

10:10 “Ik zal hen terugbrengen uit het land van Egypte,

en hun verzamelen vanuit Assyria;

en Ik zal hen in het land van Gilead en Lebanon brengen

totdat er voor hen geen plaatsje meer te vinden is.

10:11 “En zij zullen door de zee van benauwdheid gaan

en Hij zal de golven in de zee slaan,

zodat alle diepten van de Nijl zullen opdrogen;

en de hoogmoed van Assyria zal worden neergehaald

en de scepter van Egypte zal weggaan.

10:12 “En Ik zal hen versterken in Maryah,

en zij zullen op en neer wandelen in Zijn naam,”

maakt Maryah bekend.

Zechariah 11.

11:1 Open uw deuren,

O Lebanon,

opdat een vuur zich met uw ceders zou kunnen voeden.

11:2 Jammert,

O cipresboom,

want de cederen zijn gevallen,

omdat de glorieuze bomen vernietigd geworden zijn;

jammert,

O eiken van Bashan,

want het ondoordringbare woud is naar beneden gekomen.

11:3 Hoort het geluid van het gejammer van de herders,

want hun heerlijkheid is verwoest;

hoort het geluid van het gebrul van de jonge leeuwen,

want het struikgewas van de Jordaan is verwoest.

11:4 Zo zegt Maryah mijn Aloha,

“Weidt de kudde gedoemd om te slachten.

11:5 “Degenen die hun kopen slachten hen en gaan ongestraft,

en elk van degenen die hen verkopen zegt,

‘Gezegend zij Maryah,

want ik ben rijk geworden!’

En hun eigen herders

hebben met hen geen medelijden.

11:6 “Want Ik zal niet langer medelijden hebben met de inwoners van het land,”

verklaart Maryah;

“Maar zie,

Ik zal de mannen doen vallen,

elk in een ander’s macht

en in de macht van zijn koning;

en zij zullen het land slaan,

en Ik zal hen niet uit hun macht bevrijden.”

11:7 Zo weidde ik de kudde gedoemd om te slachten,

de ellendigen van de kudde dus.

En ik nam twee stokken voor mijzelf:

de ene noemde ik Genade

en de ander noemde ik Verbond;

zo weidde ik de kudde.

11:8 Vervolgens,

ik vernietigde de drie herders in één maand,

want mijn ziel was ongeduldig met hen,

en ook werd hun ziel afgemat van mij.

11:9 Toen zei ik,

“Ik zal u niet meer weiden.

Wat om te sterven is,

laat het sterven,

en wat moet worden vernietigd,

laat het vernietigd worden;

en laat degenen die achtergelaten worden

elkaars vlees eten.”

11:10 Ik nam mijn stok Genade

en brak het in stukken,

om mijn verbond te verbreken

die ik met al deze volken had gesloten.

11:11 Zo werd het op die dag verbroken,

en zo beseften de ellendigen van de kudde

die naar mij keken

dat dit het woord van Maryah was.

11:12 Ik zei tegen hen,

“Als het goed is in uw ogen,

geef mij mijn loon;

maar zo niet,

laat het dan maar!”

Dus wogen ze dertig sjekels van zilver uit als mijn loon.

11:13 Toen zei Maryah tegen mij,

“Gooi het maar naar de pottenbakker,

die prachtige prijs naar welke Ik werd gewaardeerd door hun.”

Dus nam ik de dertig sjekels van zilver

en gooide hen naar de pottenbakker

in het huis van Maryah.

11:14 Vervolgens,

ik brak mijn tweede staf Verbond in stukken,

om de broederschap tussen Judah en Israël te verbreken.

11:15 Maryah zei tegen mij,

“Neemt de uitrusting van een dwaze herder nogmaals tot u.

11:16 “Want zie,

Ik ga een herder doen opstaan in dit land

die zich niet bekommert om het vergankelijke,

het verstrooide niet zoekt

het verbrokene niet geneest,

of hetgeen die stilstaat niet ondersteunt,

maar het vlees van de vette schapen zal verslinden

en hun hoeven afrukken.

11:17 “Wee de waardeloze herder

die de kudde verlaat!

Een zwaard zal op zijn arm zijn

en op zijn rechteroog!

Zijn arm zal helemaal verschrompeld zijn

en zijn rechteroog zal blind worden.”

Zechariah 12.

12:1 De last van het woord

van Maryah met betrekking tot Israël.

Zo maakt Maryah bekend

die de hemelen uitstrekt,

het fundament van de aarde legt,

en de geest in-hem -van de mens- vormt,

12:2 “Zie,

Ik ga Jeruzalem een beker maken

die oprispingen veroorzaakt aan alle volken rondom;

en wanneer de belegering tegen Jeruzalem is,

zal het ook tegen Judah zijn.

12:3 “Het zal zowat komen in die dag

dat Ik Jeruzalem

tot een zwaar gesteente zal maken voor al de volken;

allen die het opheffen

zullen zwaar gewond raken.

En alle naties van de aarde

zullen tegen haar worden verzameld.

12:4 “In die dag,”

maakt Maryah bekend,

“Ik zal elk paard met verbijstering slaan

en zijn berijder met waanzin.

Maar over het huis van Judah zal Ik waken,

terwijl ik elk paard van de volken

met blindheid tref.

12:5 “Dan zullen de stammen van Judah in hun harten zeggen,

‘De inwoners van Jeruzalem

zijn voor ons een sterke ondersteuning,

door Maryah van de heirscharen,

hun Aloha.’

12:6 “In die dag,

zal Ik de stammen van Judah

maken als een vuurpot

onder de stukken hout,

en als een brandende fakkel

onder de schoven,

zodat zij aan de rechterkant

en aan de linkerkant

al de omringende volken zullen verteren,

terwijl de inwoners van Jeruzalem

weer op hun eigen vaste plaatsen zullen wonen,

in Jeruzalem.

12:7 “Ook zal Maryah ten eerste de tenten van Judah behouden,

opdat de heerlijkheid van het huis van David

en de heerlijkheid van de inwoners van Jeruzalem

niet boven Judah zal worden vergroot.

12:8 “In die dag,

Maryah zal de inwoners van Jeruzalem verdedigen,

en degene onder hun die zwak is op die dag

zal zoals David zijn,

en het huis van David zal zoals een goddelijk wezen zijn,

zoals de engel van Maryah voor hun aangezicht.

12:9 “En op die dag

zal ik op het punt staan

om al de naties te vernietigen

die tegen Jeruzalem opkomen.

12:10 “Ik zal op het huis van David

en op de inwoners van Jeruzalem

de Geest van genade en smekingen uitstorten,

zodat zij naar Mij zullen kijken die zij hebben doorstoken;

en zij zullen over Hem treuren,

zoals men treurt over een enige zoon,

en zij zullen bitter wenen over Hem

zoals het bittere geween over een eerstgeborene.

12:11 “In die dag,

er zal grote rouw zijn in Jeruzalem,

zoals de rouw van Hadadrimmon

in de vlakte van Megiddo.

12:12 “Het land zal rouwen,

elke familie afzonderlijk;

de familie van het huis van David op zichzelf

en hun vrouwen op zichzelf;

de familie van Nathan op zichzelf

en hun vrouwen op zichzelf;

12:13 de familie van het huis van Levi op zichzelf

en hun vrouwen op zichzelf;

de familie van de Shimeites op zichzelf

en hun vrouwen op zichzelf;

12:14 alle families die overblijven,

elke familie op zichzelf

en hun vrouwen afzonderlijk.

Zechariah 13.

13:1 “In die dag,

een fontein zal worden geopend

voor het huis van David

en voor de inwoners van Jeruzalem,

tot reiniging en tot besprenkeling.

13:2 “Het zal zowat komen in die dag,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend,

“Dat Ik de namen van de afgoden zal afsnijden uit het land,

en ze zullen niet langer worden herinnerd;

en Ik zal ook de profeten verwijderen

en de onreine geest uit het land.

13:3 “En als iemand nog altijd profeteert,

dan zullen zijn vader en moeder

die hem ter wereld brachten tot hem zeggen,

‘Gij zult niet leven,

want gij hebt valselijk gesproken in de naam van Maryah’;

en zijn vader en moeder

die hem ter wereld brachten

zullen hem doorsteken wanneer hij profeteert.

13:4 “Ook zal het zowat komen in die dag

dat elk van de profeten zich zal schamen

elk voor zijn visioen

wanneer hij profeteert,

en ze zullen geen harige mantel aantrekken

om te misleiden;

13:5 maar hij zal zeggen,

‘Ik ben geen profeet;

ik ben een man die het land bewerkt,

want een man verkocht mij

als een slaaf in mijn jeugd.’

13:6 “En iemand zal zeggen tegen hem,

hoe komen die wonden onderaan uw armen?’

Dan zal hij zeggen,

‘Door datgene die mij heeft verwond

in het huis van mijn vrienden.’

13:7 “Ontwaakt,

O zwaard,

tegen Mijn herder,

en tegen de man,

Mijn metgezel,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.

“Sla de herder opdat de schapen kunnen worden verstrooit;

en Ik zal Mijn hand tegen de kleintjes keren.

13:8 “Het zal zowat komen in het ganse land,”

maakt Maryah bekend,

“dat twee delen daarin zullen worden afgesneden en vergaan;

maar het derde zal daarin worden achtergelaten.

13:9 “En Ik zal het derde deel door het vuur brengen,

hen veredelen zoals zilver is veredelt,

en hen beproeven zoals goud is beproefd.

Zij zullen Mijn naam aanroepen,

en Ik zal hen antwoordden;

Ik zal zeggen,

‘Ze zijn Mijn volk,’

en zij zullen zeggen,

‘Maryah is m’n Aloha.'”

Zechariah 14.

14:1 Zie,

een dag van Maryah komt eraan

wanneer de van u afgenomen buit

onder u zal worden verdeeld.

14:2 Want Ik zal al de naties verzamelen

tegen Jeruzalem om te strijden,

en de stad zal worden veroverd,

de huizen worden geplunderd,

de vrouwen worden verkracht

en de helft van de stad worden verbannen,

maar de rest van het volk

zal niet afgesneden worden van de stad.

14:3 Vervolgens,

Maryah zal uitgaan

en tegen die naties strijden,

zoals wanneer Hij streed op een dag der strijd.

14:4 In die dag,

Zijn voeten zullen op de Berg van olijven staan

welke voor Jeruzalem ligt

op het oosten;

en de Berg van olijven zal worden gespleten van in zijn midden

van oost naar west door een zeer grote vallei,

zodat de helft van de berg zal bewegen naar het noorden

en de andere helft naar het zuiden.

14:5 Gij zult vluchten door de vallei van Mijn bergen,

want de vallei van de bergen zal tot Azel reiken;

ja,

gij zult vluchten

precies zoals gij vluchtte voor de aardbeving

in de dagen van Uzziah

koning van Judah.

Maryah dan,

mijn Aloha,

zal komen,

en al de heiligen met Hem!

14:6 In die dag zal er geen licht zijn;

de hemellichamen zullen afnemen.

14:7 Want het zal een unieke dag zijn

die bij Maryah bekend is.

geen dag en ook geen nacht,

maar het zal komen

dat er tegen de avondtijd licht zal zijn.

14:8 En in die dag,

levende wateren zullen vanuit Jeruzalem stromen,

de helft van hen naar de oostelijke zee

en de andere helft naar de westelijke zee;

het zal zowel in de zomer

als in de winter zijn.

14:9 En Maryah zal koning zijn over de ganse aarde;

in die dag zal Maryah

de enige ENE zijn,

en Zijn naam

de enige ENE.

14:10 Het hele land,

zal worden veranderd in een vlakte van Geba tot Rimmon

ten zuiden van Jeruzalem;

maar Jeruzalem

zal opstaan en op haar plaats blijven vanaf Benjamin’s Poort

tot aan de plaats van de Eerste Poort tot de Hoek Poort,

en van de Toren van Hananel

tot de Koning’s wijnpersen.

14:11 Mensen zullen daarin leven,

en er zal niet langer een vloek zijn,

want Jeruzalem zal in veiligheid wonen.

14:12 Dit zal nu de plaag zijn

waarmee Maryah al de volken zal treffen

die ten strijde zijn getrokken tegen Jeruzalem;

hun vlees zal rotten

terwij ze op hun voeten staan,

en hun ogen zullen in hun kassen rotten,

en hun tong zal in hun mond rotten.

14:13 Het zal zowat komen in die dag

dat een grote paniek van Maryah over hun zal vallen;

en ze zullen een anders hand grijpen,

en de hand van de ene zal worden opgeheven

tegen de hand van een ander.

14:14 Judah zal ook strijden in Jeruzalem;

en de rijkdom van alle omliggende naties

zal worden verzameld,

goud en zilver en kleding

in grote overvloed.

14:15 Zo ook

zoals deze plaag

zal de plaag over het paard zijn,

de muilezel,

de kameel,

de ezel en al het vee

dat in die kampen zal zijn.

14:16 Vervolgens,

zal het zowat komen

dat allen die overblijven

van al de naties

welke tegen Jeruzalem optrokken

van jaar tot jaar zullen opgaan

om de KONING te aanbidden,

MARYAH VAN DE HEIRSCHAREN,

en om HET FEEST te vieren.

14:17 En het zal zijn,

dat welke dan ook van de families van de aarde

niet naar Jeruzalem opgaat

om de KONING te aanbidden,

MARYAH VAN DE HEIRSCHAREN,

er zal geen regen over hen komen.

14:18 Als de familie van Egypte niet opgaat of ingaat,

dan zal er geen regen over hen vallen;

het zal die plaag zijn

waarmee Maryah de naties slaat

die niet opgaan om HET FEEST te vieren.

14:19 Dit zal de straf zijn van Egypte,

en de straf van al de naties

die niet opgaan om HET FEEST te vieren.

14:20 In die dag,

zal er op de bellen van de paarden ingeschreven staan,

“Heilig voor Maryah.”

En de kookpotten in het huis van Maryah

zullen zijn als de schalen voor het altaar.

14:21 Iedere kookpot in Jeruzalem en in Judah

zal voor Maryah van de heirscharen heilig zijn ;

en allen die offeren zullen opkomen

en van deze nemen en erin koken.

En er zal geen handelaar meer zijn

in het huis van Maryah van de heirscharen,

op die dag.