© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Zefanya Nebya

Het boek Zephaniah de profeet.

Zephaniah 1.

1:1 Het woord van Maryah

die tot Zephaniah kwam

zoon van Cushi,

zoon van Gedaliah,

zoon van Amaraih,

zoon van Hezekiah,

in de dagen van Josiah

zoon van Amon,

koning van Judah:

1:2 “Ik zal alle dingen compleet wegnemen

van de aardbodem,”

verklaart Maryah.

1:3 “Ik zal mens en beest wegnemen;

Ik zal de vogels uit de lucht wegnemen

en de vissen uit de zee,

en het verdorvene samen met de goddelozen;

en Ik zal de mens afsnijden van de aardbodem,”

verklaart Maryah.

1:4 “Zo zal Ik Mijn hand uitstrekken tegen Judah

en tegen al de inwoners van Jeruzalem.

En Ik zal uit deze plaats het overblijfsel van Baal afsnijden,

en de namen van de afgodische priesters

samen met de priesters.

1:5 “En degenen die neerbuigen

op de daken voor het heir van de hemel,

en degenen die neerbuigen

en geloften doen aan Maryah

maar toch zweren bij Milcom,

1:6 en degenen die zijn teruggekeerd van het volgen van Maryah,

en degenen die Maryah niet hebben gezocht

of naar Hem hebben gevraagd.”

1:7 Wees stil in de tegenwoordigheid van Maryah Aloha!

Want de dag van Maryah is nabij,

want Maryah heeft een slacht-offer bereid,

Hij heeft Zijn genodigden geheiligd.

1:8 “Dan zal het komen

zowat op de dag van Maryah Zijn slacht-offer

dat Ik de prinsen zal straffen,

de zonen van de koning

en allen die zich kleden met vreemde kleding.

1:9 “En op die dag zal Ik allen straffen

die over de tempel-dorpel springen,

die het huis van hun meesters vullen

met geweld en bedriegerij.

1:10 “Op die dag”,

verklaart Maryah,

zal er het geluid zijn van een schreeuw uit de Vispoort ,

een gejammer uit het Tweede Kwartier,

en een luid gekraak uit de heuvels.

1:11 “Jammert,

O inwoners van de Mortar,

want gans het volk van Kanaän

zal het zwijgen worden opgelegd;

allen die zilver uitwegen zullen worden afgesneden.

1:12 “Het zal zowat op dat moment komen

dat Ik Jeruzalem met lampen zal zoeken,

en ik zal de mannen straffen

die stilstaand zijn in geest,

die in hun harten zeggen,

‘Maryah zal geen goed of kwaad doen!’

1:13 “Bovendien,

hun rijkdom zal buit worden

en hun huizen een verlatenheid;

ja,

zij zullen huizen bouwen maar hen niet bewonen,

en wijngaarden planten maar niet hun wijn drinken.”

1:14 Nabij is de grote dag van Maryah,

nabij en heel snel komende;

hoort,

de dag van Maryah!

Daarin schreeuwt de krijger het bitter uit.

1:15 Een dag van toorn is die dag,

een dag van kwelling en nood,

een dag van vernietiging en verlatenheid,

een dag van duisternis en somberheid,

een dag van wolken en dikke donkerheid,

1:16 een dag van de bazuin en strijdgeschreeuw

tegen de versterkte steden

en tegen de hoge hoektorens.

1:17 Ik zal verontrusting brengen op de mensen

zodat ze zullen wandelen als de blinden,

omdat zij hebben gezondigd tegen Maryah;

en hun bloed zal als stof worden uitgestort

en hun vlees als drek.

1:18 Noch hun zilver noch hun goud

is in staat om hen te redden

op de dag van Maryah Zijn toorn;

en gans de aarde zal worden verslonden in het vuur van Zijn ijver,

want Hij zal een compleet einde maken,

jazeker een angstaanjagend,

van al de inwoners van de aarde.

Zephaniah 2.

2:1 Verzamelt uzelf tezamen,

ja,

verzamelt,

O natie zonder schaamte,

2:2 voordat het besluit van kracht wordt

de dag voorbijgaat zoals het kaf

voordat de brandende toorn van Maryah over u komt,

voordat de dag van de toorn van Maryah over u komt.

2:3 Zoek Maryah,

al gij nederigen der aarde

die Zijn verordeningen hebt uitgedragen;

zoek gerechtigheid,

zoek nederigheid.

Misschien zult gij worden verborgen

op de dag van de toorn van Maryah.

2:4 Want Gaza zal verlaten worden

en Ashkelon een verwoesting;

Ashdod zal s’middags verdreven worden

en Ekron zal ontworteld worden.

2:5 O ellende aan de inwoners van de zeekust,

de natie van de Cherethites!

Het woord van Maryah is tegen u,

O Kanaän,

land van de Filistijnen;

en ik zal u vernietigen

zodat er geen inwoner zal zijn.

2:6 Zo zal de zeekust weiland zijn

met grotten voor de herders

en kooien voor de kuddes.

2:7 En de kust zal voor het overblijfsel zijn

van het huis van Judah,

zij zullen erop weiden.

In de huizen van Ashkelon

zullen ze in de avond gaan neerliggen;

Want Maryah hun Aloha zal voor hen zorgen

en hun bestemming herstellen.

2:8 “Ik heb het getreiter van Moab gehoord

en de beschimpingen van de zonen van Ammon,

waarmee zij Mijn volk hebben bespot

en verwaand zijn geworden tegen hun grondgebied.

2:9 “Daarom,

aangezien Ik dus leef,”

verklaart Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Zal Moab zeker als Sodom zijn

en de zonen van Ammon als Gomorrah

een plaats door netels en zoutputten in bezit genomen,

en een eeuwige verwoesting.

Het overblijfsel van Mijn volk zal hen plunderen

en het overblijfsel van Mijn natie zal hen beërven.”

2:10 Dit zullen zij hebben in ruil voor hun trots,

omdat zij hebben bespot

en verwaand zijn geworden

tegen het volk van Maryah van de heirscharen.

2:11 Maryah zal angstaanjagend voor hun zijn,

want Hij zal alle goden van de aarde verhongeren;

en al de kustlanden van de naties

zullen voor Hem neerbuigen,

ieder vanuit zijn eigen plaats.

2:12 “Ook gij,

O Ethiopiërs,

zult door Mijn zwaard worden gedood .”

2:13 En Hij zal Zijn hand uitstrekken tegen het noorden

en Assyria vernietigen,

en Hij zal Nineveh tot een verwoesting maken,

uitgedroogd als de woestijn.

2:14 Kuddes zullen in haar midden neerliggen,

alle beesten die zich in kuddes uitstrekken;

de pelikaan en de egel

beide zullen in de toppen van haar pilaren wonen;

vogels zullen zingen in het raam,

verwoesting zal op de drempel zijn;

want Hij heeft het ceder werk blootgelegd.

2:15 Dit is de jubelende stad die veilig woont,

die in haar hart zegt,

“ik ben (het),

en naast mij is er niet één .”

Hoe is zij tot een verwoesting geworden,

een rustplaats voor beesten!

Iedereen die langs haar passeert zal sissen

en uit minachting met zijn hand wuiven.

Zephaniah 3.

3:1 Wee aan haar

die opstandig

en verontreinigd is,

de tirannieke stad!

3:2 Zij hoorde geen stem,

zij accepteerde geen instructie.

Zij vertrouwde niet op Maryah,

zij naderde niet tot haar Aloha.

3:3 Haar prinsen zijn brullende leeuwen in haar,

haar rechters zijn wolven in de avond;

zij laten niets over voor de morgen.

3:4 Haar profeten zijn roekeloze verraderlijke mannen;

haar priesters hebben het heiligdom ontheiligd.

Zij hebben de wet geweld aangedaan.

3:5 Maryah is rechtvaardig in haar;

Hij zal geen onrecht doen.

Elke morgen brengt Hij Zijn gerechtigheid in het licht;

Hij faalt niet.

Maar de onrechtvaardige kent geen schaamte.

3:6 “Ik heb naties afgesneden;

hun hoektorens liggen in puin.

Ik heb hun straten verlaten gemaakt,

met niet één die passeert;

hun steden zijn verwoest,

zonder één mens,

zonder één inwoner.

3:7 “Ik zei,

‘Gij zult Mij zeker vereren,

accepteer instructie.’

Zo zal haar woning niet worden afgesneden

volgens alles wat Ik betreffende haar heb bestemd.

Maar ze waren gretig om al hun daden te verderven.

3:8 “Wacht daarom op Mij,”

verklaart Maryah,

“Tot de dag waarop Ik opsta als een getuige.

Inderdaad,

Mijn beslissing is om naties te verzamelen,

om koninkrijken bijeen te brengen,

om op hen Mijn verontwaardiging uit te gieten,

al Mijn brandende toorn;

want de ganse aarde zal worden verslonden

door het vuur van Mijn ijver.

3:9 “Want dan zal Ik aan de volken gereinigde lippen geven,

opdat allen van hen de naam van Maryah mogen aanroepen,

om Hem schouder aan schouder te dienen.

3:10 “Van achter de rivieren van Ethiopië

Mijn aanbidders

Mijn verstrooiden

zullen Mijn offergaven brengen.

3:11 “Op die dag zult gij geen schaamte voelen

vanwege al uw daden

waarmee gij tegen Mij hebt gerebelleerd;

want dan zal Ik uit uw midden verwijderen,

uw hoogmoedige jubelenden,

en gij zult nooit meer hoogmoedig zijn

op Mijn heilige berg.

3:12 “Maar Ik zal onder u achterlaten

een bescheiden en nederig volk,

en zij zullen toevlucht nemen

in de naam van Maryah.

3:13 “Het overblijfsel van Israël zal geen kwaad doen

en geen leugens vertellen,

noch zal een bedrieglijke tong

in hun mond worden gevonden;

want zij zullen weiden en neder liggen

met niet één om hen te doen beven.”

3:14 Juicht van vreugde,

O dochter van Zion!

Juicht in triomf,

O Israel!

Wees blij en jubel met gans uw hart,

O dochter van Jeruzalem!

3:15 Maryah heeft Zijn oordelen tegen u weggenomen,

Hij heeft uw vijanden weggevaagd.

De koning van Israël,

Maryah ,

is in uw midden;

gij zult geen rampspoed meer vrezen.

3:16 Op die dag zal aan Jeruzalem worden gezegd:

“Wees niet bevreesd,

O zion;

laat uw handen niet lusteloos hangen.

3:17 “Maryah uw Aloha is in uw midden,

een zegevierende krijger.

Hij zal over u juichen van vreugde,

Hij zal stil zijn in Zijn liefde,

Hij zal zich over u verheugen

met kreten van vreugde.

3:18 “Ik zal diegenen verzamelen

die treuren over de aangestelde feesten-

zij kwamen van u,

O Zion;

de schande van ballingschap is een last op hen.

3:19 “Zie,

in die tijd

ga Ik handelen

met al uw onderdrukkers,

Ik zal het kreupele redden

en het uitgeworpene verzamelen,

en Ik zal hun schaamte in lof en roem veranderen

op de ganse aarde.

3:20 “In die tijd zal Ik u inbrengen,

zelfs op die tijd wanneer Ik u samenbreng;

Jazeker,

Ik zal u roem en lof geven

onder al de volken op de aarde,

wanneer Ik uw lot voor uw ogen herstel,”

zegt Maryah.