© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Mazmore d’David

Boek psalmen van David

Psalmen 67-150

Tehelim 67

67:1 Voor de koor leider;

met besnaarde instrumenten.

Een psalm.

Een lied.

67:2 Aloha is genadig aan ons

en zegent ons,

en doet Zijn aangezicht op ons schijnen

Selah.

67:3 Opdat Uw weg moge bekend zijn op de aarde,

Uw heil onder alle naties.

67:4 Laat de volken U loven,

O Aloha;

laat de volken,

allen,

U loven.

67:5 Laat de naties verblijd zijn

en zingen van vreugde;

want Gij zult de volken richten in oprechtheid

en de naties op de aarde leiden.

Selah.

67:6 Laat de volken U loven,

O Aloha,

laat de volken,

allen,

U loven.

67:7 De aarde heeft haar opbrengst opgebracht;

Aloha,

onze Aloha,

zegent ons.

67:8 Aloha zegen ons,

dat al de einden van de aarde Hem mogen vrezen.

Tehelim 68

68:1 Voor de koor leider

een psalm van David.

Een lied.

68:2 Laat Aloha opstaan,

laat Zijn vijanden verstrooid worden,

en laat degenen die Hem haten voor Hem vluchten

68:3 Gelijk de rook wordt weggedreven,

drijft hen alzo weg;

gelijk was voor het vuur smelt,

laat de goddelozen alzo vergaan voor Aloha.

68:4 Maar laat de rechtvaardigen blij zijn;

laat hen juichen voor Aloha;

ja,

laat hen met blijdschap vreugde-betonen.

68:5 Zing tot Aloha,

zingt lof-prijs tot Zijn naam;

heft een lied aan voor Hem die door de woestijn rijd,

wiens naam Maryah is,

en juicht voor Hem.

68:6 Een Vader voor de vaderloze

en een Rechter voor de weduwe,

is Aloha in Zijn heilige bewoning.

68:7 Aloha maakt een thuis voor de eenzame;

Hij leidt de gevangene uit tot in welvaart,

slechts de opstandige woont in een verdord land.

68:8 O Aloha,

terwijl Gij uitging voor Uw volk,

terwijl Gij marcheerde door de woestijn,

Selah.

68:9 Beefde de aarde;

ook de hemelen dropen regen bij de aanwezigheid van Aloha;

Sinai zelve beefde bij de aanwezigheid van Aloha,

de Aloha van Israel.

68:10 Gij stort alom een overvloedige regen,

O Aloha;

Gij bevestigde Uw erfdeel

toen het verdord was.

68:11 Uw schepselen vestigden daarin;

Gij voorzag in Uw goedheid voor de armen,

O Aloha.

68:12 Maryah gaf de opdracht;

de vrouwen,

welke de goede tijdingen verkondigen zijn een grote menigte:

68:13 “Koningen van legers vluchten,

ze vluchten,

en zij die thuis blijft

zal de buit verdelen!”

68:14 Wanneer ge neerligt te-midden-van de schaapskooien,

zijt ge gelijk de vleugels van een duif bedekt met zilver,

en haar slagpennen met glinsterend goud.

68:15 Toen de Almachtige de koningen daar verstrooide,

was het in Zalmon aan het sneeuwen.

68:16 Een berg van Aloha

is de berg van Bashan;

een berg van vele pieken

is de berg van Bashan.

68:17 Waarom kijken jullie met afgunst,

o bergen met vele pieken,

naar de berg die Aloha heeft verkozen tot Zijn woonplaats?

Maryah zal er immers voor eeuwig en altijd wonen.

68:18 De strijdwagens van Aloha zijn ontelbare,

duizenden bij duizenden;

Maryah is onder hen -zoals bij- Sinai,

in heiligheid.

68:19 Gij zijt opgevaren in de hoogte,

Gij hebt Uw gevangenen in gevangenschap geleid;

Gij hebt gaven ontvangen onder mensen,

ook zelfs onder de weerspannige,

opdat Maryah Aloha daar moge wonen.

68:20 Gezegend is Maryah,

die dagelijks onze last draagt,

de Aloha die onze zaligheid is.

Selah.

68:21 Aloha is voor ons een Aloha van verlossingen;

en bij Aloha Maryah behoren ontsnappingen uit de dood.

68:22 Aloha zal immers het hoofd verbrijzelen van Zijn vijanden,

de harige kruin van hem die in zijn schuldige daden verdergaat.

68:23 Maryah zei,

“Ik zal hen terugbrengen vanuit Bashan.

Ik zal hen terugbrengen vanuit de diepten van de zee;

68:24 opdat uw voet hen moge verpletteren tot bloedens toe,

de tongen van uw honden hun deel van uw vijanden moge hebben.”

68:25 Zij hebben Uw processie gezien,

O Aloha,

de processie van mijn Aloha,

mijn koning,

in het heiligdom.

68:26 De zangers gaande voorop,

de muzikanten na hen,

in het midden van hen

op tamboerijnen trommelende maagden.

68:27 Lovende Aloha in de gemeenten,

Maryah,

gij die uit de fontein van Israel zijt.

68:28 Daar is Benjamin,

de jongste,

heersend over hun,

de prinsen van Judah in hun drommen,

de prinsen van Zebulon,

de prinsen van Naphtali.

68:29 Uw Aloha heeft uw kracht bevolen;

toon Uzelf krachtig,

O Aloha,

die gehandeld heeft namens ons.

68:30 Vanwege Uw tempel te Jeruzalem

zullen koningen geschenken tot U brengen.

68:31 Berisp de beesten in het riet,

de kudde van stieren met de kalveren van de volken,

de stukken van zilver onder de voet vertrappelende;

Hij heeft de volkeren verstrooid die zich in oorlog verheugen.

68:32 Gezanten zullen uit Egypte komen;

Ethiopië zal snel haar handen uitstrekken naar Aloha.

68:33 Zingt tot Aloha,

O koninkrijken der aarde,

zingt lof-prijs tot Maryah,

Selah.

68:34 Aan Hem die rijdt op de hoogste hemelen,

welke van oude tijden zijn;

Zie,

Hij spreekt met Zijn stem uit,

een machtige stem.

68:35 Schrijft aan Aloha sterkte toe;

Zijn majesteit is over Israel

en Zijn sterkte is in de lucht.

68:36 O Aloha,

Gij zijt ontzagwekkend vanuit Uw heiligdom.

De Aloha van Israel Hemzelf

geeft sterkte en kracht aan het volk.

Gezegend is Aloha!

Tehelim 69

69:1 Voor de koor leider;

volgens Shoshannim.

Een psalm van David.

69:2 Red mij,

O Aloha,

want de wateren hebben mijn leven bedreigt.

69:3 Ik ben in een diepe modderpoel gezonken,

en daar is geen vaste voet;

ik ben in diepe wateren gekomen,

en een vloed overstroomt mij.

69:4 Ik ben vermoeid van mijn schreeuwen;

mijn keel is opgedroogd;

mijn ogen falen

terwijl ik wacht op mijn Aloha.

69:5 Degenen die mij zonder reden haten

zijn meer dan de haren op mijn hoofd;

Degenen die mij willen vernietigen zijn machtig,

zijn ten onrechte mijn vijanden;

wat ik nooit heb geplunderd,

heb ik vervolgens terug te brengen.

69:6 O Aloha,

het is U die mijn dwaasheid kent,

en mijn kwade (daden) zijn voor U niet verborgen.

69:7 Mogen degenen die op U wachten

door mij niet beschaamd worden,

O Maryah Aloha der heerscharen;

mogen degenen die U zoeken

door mij niet te schande worden gemaakt,

O Aloha van Israel,

69:8 Omdat ik om uwentwil smaad heb gebaard;

heeft oneer mijn aangezicht bedekt.

69:9 Ik ben vervreemd geworden van mijn broers

en een vreemdeling aan mijn moeders zonen.

69:19 Want ijver voor Uw huis heeft mij geconsumeerd,

en de smaad van degenen die U smaden

zijn op mij gevallen.

69:11 Wanneer ik met vasten weende in mijn ziel,

werd het m’n smaad.

69:12 Toen ik een geitenharen zak tot m’n kleding maakte,

werd ik een spotnaam voor hen.

69:13 Degenen die in de poort zitten praten over mij,

en ik ben het lied van de dronkaards.

69:14 Maar wat mijzelf betreft,

mijn gebed is tot U,

O Maryah,

op een aanvaardbaar tijdstip;

O Aloha,

in de grootheid van Uw liefdevolle vriendelijkheid,

antwoordt mij met Uw reddende waarheid.

69:15 Verlos mij uit het slijk

en laat mij niet zinken;

moge ik worden verlost van mijn vijanden

en vanuit diepe wateren.

69:16 Moge de vloed van water mij niet overstromen

noch de diepte mij opslokken,

noch de put zijn mond over mij toesluiten”

69:17 Antwoord mij,

O Maryah,

want Uw liefdevolle vriendelijkheid is goed;

volgens de grootheid van Uw mededogen,

keer U tot mij,

69:18 en verbergt Uw aangezicht niet voor Uw dienaar,

want ik ben in nood;

antwoordt me snel.

69:19 Oh nader dicht tot mijn ziel

en verlos haar;

koop mij vrij omwille van m’n vijanden!

69:20 Gij kent mijn smaad en mijn schaamte en mijn oneer;

al mijn tegenstanders zijn voor U.

69:21 Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zo ziek.

En ik zag uit naar sympathie,

maar er was geen,

en naar troosters,

maar ik vond niet één.

69:22 Ook gaven ze mij gal

tot mijn spijs

en voor mijn dorst

gaven ze mij azijn te drinken.

69:23 Moge hun tafel voor hen een hinderlaag worden;

en wanneer zij in rust zijn,

moge het een valstrik worden.

69:24 Moge hun ogen verduisterd worden

zodat zij niet kunnen zien,

en doe hun lendenen voortdurend wankelen.

69:25 Stort Uw gramschap op hen uit,

en moge Uw brandende woede hen inhalen.

69:26 Moge hun kamp verlaten zijn,

moge niet één in hun tenten wonen.

69:27 Want ze hebben hem vervolgd

die Gij zelf hebt geslagen,

en ze vertellen van de smart

van degenen die Gij hebt verwond.

69:28 Voeg ongerechtigheid toe aan hun ongerechtigheid,

en moge zij niet in Uw gerechtigheid komen.

69:29 Moge zij worden uitgewist uit het boek van leven

en moge zij niet worden opgeschreven met de rechtvaardigen.

69:30 Maar ik ben gekweld en in smart;

moge Uw heil,

O Aloha,

mij veilig stellen op hoogten.

69:31 Ik zal de naam van Aloha met een lied prijzen,

en Hem groot maken met dankzegging.

69:32 En het zal Maryah behagen

beter dan een os

of een jonge stier met horens en hoeven.

69:33 De ootmoedige heeft het gezien en is verblijd;

Gij die Aloha zoekt

laat uw hart nieuw leven geven.

69:34 Want Maryah hoort de behoeftigen

en veracht niet de Zijnen

die gevangenen zijn.

69:35 Laat de hemel en aarde Hem prijzen,

de zeeën en elk ding dat in hen beweegt.

69:36 Want Aloha wil Zion verlossen

en de steden van Judah bouwen,

opdat zij daarin mogen wonen en het bezitten.

69:37 De nakomelingen van Zijn dienaren zullen het beërven,

en degenen die Zijn naam liefhebben

zullen daarin wonen.

Tehelim 70

70:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David;

voor een herdenking.

70:2 O Aloha,

verhaast om mij te verlossen;

O Maryah,

verhaast tot mijn hulp!

70:3 Laat degenen beschaamd en vernederd worden

die mijn leven zoeken;

laat degenen omgedraaid en onteerd worden

die behagen scheppen in mijn kwaad.

70:4 Laat degenen omgedraaid worden

omwille van hun schaamte

die zeggen,

“Aha, aha!”

70:5 Laat allen die U zoeken zich verheugen

en blij zijn in U;

en laat degenen die Uw zaligheid liefhebben voortdurend zeggen,

“Laat Aloha groot gemaakt worden.”

70:6 Maar ik ben gekweld en behoeftig;

verhaast tot mij,

O Aloha!

Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder;

O Maryah,

vertraag niet.

Tehelim 71

71:1 In U,

O Maryah,

heb ik toevlucht genomen;

laat mij nooit beschaamd worden.

71:2 Bevrijd mij en red mij

in Uw gerechtigheid;

neig Uw oor tot mij

en verlos mij.

71:3 Wees tot mij een steenrots van bewoning

tot welke ik voortdurend moge komen;

Gij hebt opdracht gegeven om mij te verlossen,

want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting.

71:4 Bevrijd mij,

O mijn Aloha,

uit de hand van de goddelozen,

uit de greep van de kwaad doener

en meedogenloze mens,

71:5 Want Gij zijt mijn hoop;

O Maryah Aloha,

Gij zijt mijn vertrouwen vanuit mijn jeugd.

71:6 Door U ben ik ondersteund geweest vanaf mijn geboorte:

Gij zijt Hem die mij uit mijn moeder’s baarmoeder heeft genomen;

mijn lof-prijs is voortdurend voor U.

71:7 Ik ben een wonder geworden tot velen,

want Gij zijt mijn sterk toevluchtsoord.

71:8 Mijn mond is gevuld met Uw lof-prijs

en met Uw heerlijkheid de hele dag lang.

71:9 Werp mij niet weg in de tijd van ouderdom;

verlaat mij niet wanneer mij kracht ontbreekt.

71:10 Want mijn vijanden hebben tegen mij gesproken;

en degenen die bespieden op mijn leven

hebben samen beraadslaagd,

71:11 Zeggende;

“Aloha heeft hem verlaten;

vervolgt en grijpt hem,

want er is geen één om te verlossen.”

71:12 O Aloha,

Wees niet verre van mij;

O mijn Aloha,

verhaast tot mijn hulp!

71:13 Laat degenen die tegenstanders zijn van mijn ziel

beschaamd en verteerd worden;

laat hen bedekt worden met blaam en oneer

die mij zoeken te kwetsen.

71:14 Maar wat mij betreft,

ik zal voortdurend hopen,

en zal U nog meer-en-meer lof-prijzen.

71:15 Mijn mond zal vertellen van Uw gerechtigheid

en van Uw redding de hele dag lang;

alhoewel ik de hoeveelheid van hen niet weet.

71:16 Ik zal komen met de machtige daden van Maryah Aloha;

ik zal melding maken van Uw gerechtigheid,

d’uwe alleen.

71:17 O Aloha,

Gij hebt mij geleerd vanaf mijn jeugd,

en nog altijd

maak ik Uw wonderbaarlijke daden bekend.

71:18 En zelfs wanneer ik oud en grijs ben,

O Aloha,

verlaat mij niet,

totdat ik Uw kracht bekend maak aan deze generatie,

en Uw macht aan allen die zullen komen.

71:19 Want Uw gerechtigheid,

O Aloha,

reikt tot aan de hemelen,

Gij die grote dingen hebt gedaan;

O Aloha,

wie is U gelijk?

71:20 Gij die mij vele moeite’s en kwellingen hebt laten zien

zult mij opnieuw doen herleven,

en zult mij opnieuw omhoog brengen

uit de diepten van de aarde.

71:21 Gij zult mijn grootheid vermeerderen

en mij omtrekkend troosten.

71:22 Ook zal ik U loven met een harp,

zelfs Uw waarheid,

O mijn Aloha;

tot U zal ik lof-zingen met de lier,

O Heilige ene van Israël.

71:23 Mijn lippen zullen van vreugde juichen

wanneer ik tot U lof-zing;

en mijn ziel,

die Gij verlost hebt.

71:24 Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid uiten

de hele dag lang;

want zij zijn beschaamd,

want zij zijn vernederd

die mijn kwaad zoeken.

Tehelim 72

72:1 Een psalm van Solomon.

Geef de koning Uw gerichten,

O Aloha,

en Uw gerechtigheid aan de koning’s zoon.

72:2 Moge hij Uw volk richten met gerechtigheid

en Uw gekwelden met rechtvaardigheid.

72:3 Laat de bergen aan het volk vrede brengen,

en de heuvels,

in gerechtigheid.

72:4 Moge hij de ellendigen van het volk verdedigen,

de kinderen van de behoeftigen redden

en de onderdrukker verpletteren.

72:5 Laten ze U vrezen

zolang de zon en zo lang als de maan voortduurt,

dwars doorheen alle generaties.

72:6 Moge hij neerkomen als regen op het gemaaid gras,

zoals plensbuien die de aarde bewateren.

72:7 Moge in zijn dagen de rechtvaardige bloeien,

en de overvloed van vrede

tot de maan niet meer is.

72:8 Moge hij ook regeren van zee tot zee

en van de rivier tot aan de uiteinden van de aarde.

72:9 Laat de nomaden van de woestijn voor hem buigen,

en zijn vijanden het stof likken.

72:10 Laat de koningen van Tarshish

en van de eilanden geschenken meebrengen;

de koningen van Sheba en Seba giften aanbieden.

72:11 En laat alle koningen neerbuigen voor hem,

alle naties hem dienen.

72:12 Want hij zal de behoeftige verlossen wanneer hij om hulp schreeuwt,

alsook de gekwelde,

en hem die geen helper heeft.

72:13 Hij zal medelijden hebben

met de armen en behoeftigen,

en de levens van de behoeftigen

zal hij redden.

72:14 Hij zal hun leven redden

van onderdrukking en geweld,

en hun bloed

dat zal kostbaar zijn in zijn ogen;

72:15 Dus moge hij leven,

en moge het goud van Sheba aan hem worden gegeven;

en laat ze voortdurend voor hem bidden;

laat ze hem zegenen de hele dag lang.

72:16 Moge er overvloed van graan zijn

in het land op de top der bergen;

haar vrucht zal wuiven als de ceders van Libanon;

en moge die van de stad bloeien zoals de vegetatie van de aarde.

72:17 Moge zijn naam eeuwig voortduren;

moge zijn naam toenemen zolang als de zon schijnt;

en laat mannen zichzelf zegenen door hem;

laat alle naties hem gezegend noemen.

72:18 Gezegend is Maryah Aloha,

de Aloha van Israël,

die alleen wonderen werkt.

72:19 En gezegend is Zijn glorierijke naam voor altijd;

en moge de gehele aarde worden gevuld met Zijn heerlijkheid.

Amen, en amen.

72:20 De gebeden van David

zoon van Isaï

zijn beëindigd.

Tehelim 73

73:1 Een psalm van Asaph.

Zeker,

Aloha is goed voor Israël,

aan degenen die rein zijn van hart!

73:2 Maar wat mijzelf betreft,

kwamen mijn voeten dichtbij struikelen,

mijn stappen waren bijna uitgegleden.

73:3 Want ik was jaloers op de verwaanden

en ik zag de welvaart van de goddelozen.

73:4 Want er zijn geen pijnen tot hun dood,

en hun lichaam is vet.

73:5 Ze zijn niet in moeite

zoals andere mensen,

evenmin worden zij geplaagd

zoals andere mensen.

73:6 Daarom is hoogmoed hun halssnoer;

het gewaad van geweld bedekt hun.

73:7 Hun oog puilt uit van vetheid;

de verbeeldingen van hun hart voeren een oproer.

73:8 Ze bespotten

en spreken goddeloos van onderdrukking;

ze spreken vanuit de hoogte.

73:9 Ze hebben hun mond tegen de hemel gezet,

en hun tong paradeert over de aarde.

73:10 Daarom keert zijn volk terug naar deze plek,

en wateren van overvloed worden door hen dronken.

73:11 Ze zeggen,

“Hoe weet Aloha het?

en is er kennis bij de Meest Hoge?”

73:12 Zie!

deze zijn de goddelozen,

en immer in rust,

zijn zij in rijkdom toegenomen.

73:13 Immers,

tevergeefs heb ik mijn hart zuiver gehouden

en waste mijn handen in onschuld;

73:14 Want ik ben de hele dag lang zwaar beproefd

en elke morgen gekastijd.

73:15 Indien ik had gezegd,

“Ik zal op deze wijze spreken,”

zie,

ik zou het geslacht van Uw kinderen hebben verraden.

73:16 Toen ik nadacht om dit te verstaan,

was het lastig in mijn ogen

73:17 totdat ik in het heiligdom van Aloha kwam;

vervolgens bemerkte ik hun einde.

73:18 Immers,

Gij zet hun op glibberige plaatsen;

Gij werpt hun neer tot verwoesting.

73:19 Hoe worden zij als in een oogwenk verwoest!

zij worden geheel en al weggevaagd

door plotselinge verschrikkingen!

73:20 Zoals een droom wanneer iemand ontwaakt,

O Maryah,

wanneer ontwaakt,

zult Gij hun gedaante verachten.

73:21 Wanneer mijn hart verbitterd was

en ik vanbinnen werd doorboord,

73:22 toen was ik redeloos en onwetend;

ik was als een beest voor U.

73:23 Niettemin ben ik voortdurend bij U;

Gij hebt mij vastgehouden bij mijn rechterhand.

73:24 Met Uw raad zult Gij mij leiden,

en mij daarna in heerlijkheid opnemen.

73:25 Wie heb ik in de hemel behalve U?

en behalve U;

verlang ik niets op aarde.

73:26 Mijn vlees en mijn hart kunnen falen,

maar Aloha is de sterkte van mijn hart

en voor eeuwig mijn deel.

73:27 Want,

zie!

degenen die verre van U zijn zullen vergaan;

Gij hebt al degenen vernietigd die ontrouw aan U zijn.

73:28 Maar wat mij betreft,

de nabijheid van Aloha is m’n goed;

ik heb Maryah Aloha mijn toevlucht gemaakt,

opdat ik moge vertellen van al Uw werken.

Tehelim 74

74:1 Een maskil van Asaph.

O Aloha,

waarom hebt Gij ons voor eeuwig verworpen?

Waarom rookt Uw toorn tegen de schapen van Uw weiland?

74:2 Herinner Uw congregatie,

die Gij hebt verworven vanouds,

die Gij hebt verlost om het geslacht te zijn van Uw erfdeel;

en deze Berg Zion,

waar Gij hebt gewoond.

74:3 Keer Uw voetstappen naar de eeuwigdurende verwoestingen;

de vijand heeft alles beschadigd in het heiligdom.

74:4 Uw tegenstanders hebben gebruld

in het midden van Uw ontmoetingsplaats;

ze hebben hun eigen vaandels opgericht als tekens.

74:5 Het leek alsof één zijn bijl had opgetild in een woud van bomen.

74:6 En nu

al haar gesneden werk sloegen ze stuk

met hakmessen en hamers.

74:7 Ze hebben Uw heiligdom tot op de grond afgebrand;

ze hebben de woonplaats van Uw naam ontheiligd.

74:8 Ze zeiden in hun hart,

“Laat ons hen volledig onderwerpen.”

Zij hebben alle ontmoetingsplaatsen van Aloha in het land verbrand.

74:9 Wij zien onze tekenen niet;

er is niet langer een profeet,

noch is er iemand onder ons die weet hoe lang nog.

74:10 Hoe lang nog,

O Aloha,

zal de tegenstander smaden,

en de vijand Uw naam eeuwig verachten?

74:11 Waarom trekt Gij Uw hand af,

zelfs Uw rechter hand?

Van binnen Uw boezem,

vernietig hen!

74:12 Toch is Aloha mijn koning vanouds,

die daden van verlossing werkt

in het midden van de aarde.

74:13 U verdeelde de zee door Uw sterkte;

U verbrak de koppen van de zeemonsters in de wateren.

74:14 U verpletterde de koppen van Leviathan;

U gaf hem als spijs voor de schepsels der woestijn.

74:15 U brak springbronnen en bergstromen open;

U droogde altijd stromende beken op.

74:16 De Uwe is de dag,

de nacht is ook de Uwe;

Gij hebt het licht en de zon bereid.

74:17 Gij hebt al de grenzen van de aarde gevestigd,

Gij hebt zomer en winter gemaakt.

74:18 Herinner dit,

O Aloha,

dat de vijand heeft beschimpt,

en een dwaas volk Uw naam heeft versmaad.

74:19 Lever de ziel van Uw tortelduif niet over aan het wild beest;

vergeet niet het leven van Uw voor altijd gekwelde.

74:20 Aanzie het verbond;

want de donkere plaatsen van het land

zijn vol van de woningen van geweld.

74:21 Laat de onderdrukte niet onteerd terugkeren;

laat de gekwelde en behoeftige Uw naam lof-prijzen.

74:22 Sta op,

O Aloha,

en bepleit Uw eigen zaak;

herinner hoe de dwaze mens U smaad

de hele dag lang.

74:23 Vergeet niet de stem van Uw tegenstanders,

het tumult van degenen die tegen U opstaan

welke voortdurend opstijgt.

Tehelim 75

75:1 Voor de koor leider;

ingesteld voor Al-tashheth.

Een psalm van Asaph,

een lied.

75:2 Wij geven dank aan U,

O Aloha,

wij geven dank,

want Uw naam is nabij;

mensen maken Uw wonderlijke werken bekend.

75:3 “Wanneer ik een bestemden tijd kies,

is het ik die met billijkheid richt.

75:4 De aarde en allen die daarin wonen smelten;

het is ik die haar pilaren stevig heb gezet.

Selah.

75:5 Ik zei tot de bluffers,

‘ Bluf niet’

en tot de goddelozen,

‘Hef de hoorn niet op.

75:6 Hef uw hoorn niet op in de hoogte,

spreekt niet met brutale hoogmoed.'”

75:7 Want niet vanuit het oosten,

noch vanuit het westen,

noch vanuit de woestijn komt verhoging;

75:8 Enkel Aloha is de rechter;

Hij werpt de één neer

en verhoogt een ander.

75:9 Want een beker is in de hand van Maryah,

en de wijn schuimt;

het is goed vermengd,

en Hij giet daarvan uit;

doch,

al de goddelozen van de aarde

moeten de droesems onderaan opzuigen en drinken.

75:10 Maar wat mijzelf betreft,

ik zal het bekend maken voor eeuwig;

ik zal lof-prijs zingen tot de Aloha van Jakob.

75:11 En al de hoornen van de goddelozen zal Hij afbreken,

maar de hoornen van de rechtvaardigen zullen omhoog worden getild.

Tehelim 76

76:1 Voor de koor leider;

op besnaarde instrumenten.

Een psalm van Asaph,

een lied.

76:2 Aloha is gekend in Judah;

Zijn naam is groot in Israël.

76:3 Zijn tabernakel is in Salem;

tegelijkertijd is Zijn woning in Zion.

76:4 Daar verbrak Hij de vlammende pijlen,

het schild en het zwaard

en de wapenen der oorlog.

Selah.

76:5 Gij zijt grandiozer,

en majestueuzer dan de “Bergen van prooi.”

76:6 De stout-moedigen van hart werden geplunderd,

ze zonken in slaap;

en niet één van de strijders kon de handen gebruiken.

76:7 Op Uw berisping,

O Aloha van Jakob,

werden zowel ruiter en paard

in een diepe slaap geworpen.

76:8 Gij,

zelfs Gij,

zijt te vrezen;

en wie kan in Uw aanwezigheid gaan staan

wanneer Gij bij een gelegenheid toornig wordt?

76:9 Gij deed oordeel om gehoord te worden uit de hemel;

de aarde vreesde en was stil-

76:10 toen Aloha opstond tot oordeel,

om allen die nederig zijn op de aarde te verlossen.

Selah.

76:11 Want de boosheid van de mens

zal U lof-prijzen;

met een overblijfsel van boosheid

zult Gij uzelf omgorden.

76:12 Maak geloften aan Maryah uw Aloha en vervul hen;

laat allen die rondom Hem zijn geschenken brengen

aan Hem die te vrezen is.

76:13 Hij zal de geest van heersers afsnijden;

Hij wordt door de koningen van de aarde gevreesd.

Tehelim 77

77:1 Voor de koor leider;

volgens Jeduthun.

Een psalm van Asaph.

77:2 Mijn stem stijgt op tot Aloha,

en ik zal luid schreeuwen;

Mijn stem stijgt op tot Aloha,

en Hij zal mij horen.

77:3 Op de dag van mijn kwellingen

zocht ik Maryah;

in de nacht was mijn hand uitgestrekt zonder moe te worden;

mijn ziel weigerde om te worden vertroost.

77:4 Wanneer ik Aloha gedenk,

dan ben ik verontrust;

wanneer ik zucht,

dan wordt mijn geest zwak.

Selah.

77:5 Gij hebt mijn oogleden open gehouden;

ik ben zo verontrust dat ik niet kan spreken.

77:6 Ik heb de dagen van weleer overwogen,

de jaren van lang geleden.

77:7 Ik zal mijn lied gedenken in de nacht;

ik zal mediteren met mijn hart,

en mijn geest overweegt:

77:8 zal Maryah voor altijd verwerpen?

en zal Hij nooit meer opnieuw gunstig zijn?

77:9 Is Zijn liefdevolle vriendelijkheid voor altijd opgehouden?

Is Zijn belofte voor altijd tot een einde gekomen?

77:10 Is Aloha vergeten om genadig te zijn,

of heeft Hij in toorn zijn mededogen teruggetrokken?

77:11 Vervolgens zei ik,

“Het is mijn droefheid,

dat de rechterhand van de Meest Hoge is veranderd.”

77:12 Ik zal de daden van Maryah niet vergeten;

ik zal immers Uw wonderen van weleer onthouden.

77:13 Ik zal over al Uw werk mediteren

en over Uw daden mijmeren.

77:14 Uw weg,

O Aloha,

is heilig;

welke god is ontzagwekkend,

gelijk onze Aloha?

77:15 Gij zijt de Aloha die wonderen werkt;

Gij hebt Uw sterkte kenbaar gemaakt

onder de volken.

77:16 Gij hebt door Uw kracht Uw volk verlost,

de zonen van Jakob en Jozef.

Selah.

77:17 De wateren hebben U gezien,

O Aloha;

de wateren hebben U gezien,

ze waren in angst;

ook de diepten beefden.

77:18 De wolken goten water uit;

het uitspansel gaf een geluid weer;

Uw pijlen flitsten hier en daar.

77:19 Het geluid van Uw donderslagen was in de wervelwind;

de bliksemschichten verlichtten de wereld;

de aarde beefde en schudde.

77:20 Uw weg was in de zee

en Uw paden in de machtige wateren,

en Uw voetafdrukken

mochten niet geweten zijn.

77:21 Gij leidde Uw volk als een kudde

door de hand van Mozes en Aaron.

Tehelim 78

78:1 Een maskil van Asaph.

Luistert,

O mijn volk,

naar mijn instructie;

neig uw oren tot het woord van mijn mond.

78:2 Ik zal mijn mond openen in een gelijkenis;

ik zal verborgen gezegden uitbrengen van weleer,

78:3 Die wij hebben gehoord en gekend,

en onze vaders ons hebben verteld.

78:4 We zullen ze niet verstoppen voor hun kinderen,

maar aan de komende generatie de lof van Maryah vertellen,

en Zijn sterkte

en Zijn wonderlijke werken die Hij heeft verricht.

78:5 Want Hij richtte een getuigenis op in Jakob

en bestemde een wet in Israël,

die Hij onze vaders gebood

dat zij ze aan hun kinderen moeten leren,

78:6 opdat zelfs de komende generatie moge weten;

de kinderen die nog geboren worden,

dat zij mogen opstaan

en zij ze aan hun kinderen vertellen,

78:7 opdat zij hun vertrouwen in Aloha zouden stellen

en de werken van Aloha niet vergeten,

maar Zijn geboden houden,

78:8 en niet zijn zoals hun vaders,

een koppig en rebellerende generatie,

een generatie die haar hart niet bereidde

en wiens geest niet trouw was aan Aloha.

78:9 De zonen van Ephraim waren boogschutters

uitgerust met bogen,

toch keerden zij terug op de dag van de strijd.

78:10 Zij hielden het verbond van Aloha niet

en weigerden om in Zijn wet te wandelen;

78:11 zij vergaten Zijn daden

en Zijn wonderen

die Hij hun getoond had.

78:12 Hij werkte wonderen voor hun vaders in het land van Egypte,

in het veld van Zoan.

78:13 Hij verdeelde de zee

en deed hen doorgaan,

en Hij deed de wateren opstaan

als een massa.

78:14 Vervolgens leidde Hij hen met de wolk

overdag

en heel de nacht

met een licht van vuur.

78:15 Hij spleet de rotsen in de woestijn

en gaf hen overvloedig drinken

als de oceaan diepten.

78:16 Hij bracht ook stromen voort vanuit de rotsteen

en deed wateren afwaarts lopen als rivieren.

78:17 Toch gingen zij nog steeds door om te zondigen tegen Hem;

om te rebelleren tegen de Meest Hoogste

in de woestijn.

78:18 En in hun hart stelden ze Aloha op de proef

door voedsel te vragen

naar hun begeerte.

78:19 Toen spraken zij tegen Aloha;

ze zeiden,

“Kan Aloha een tafel bereiden in de woestijn?

78:20 Zie!

Hij sloeg de rots zodat wateren uit gutsten,

en stromen overvloeiende waren;

kan Hij ook brood geven?

zal Hij vlees voorzien voor Zijn volk?”

78:21 Dus hoorde Maryah en was vol van toorn;

en een vuur werd ontstoken tegen Jakob

en boosheid klom ook op tegen Israël,

78:22 omdat zij niet in Aloha geloofden

en niet vertrouwden op Zijn zaligheid.

78:23 Toch gebood Hij de wolken van hierboven

en opende de deuren van de hemel;

78:24 Hij regende het manna op hun neer om te eten

en gaf hun eten uit de hemel.

78:25 De mens at het brood van engelen;

Hij zond hen eten in overvloed.

78:26 Hij maakte dat de Oosten-wind blies uit de hemelen

en door Zijn sterkte regisseerde Hij de Zuiden-wind.

78:27 Wanneer Hij op hen vlees regende

als het stof,

zoals gevleugeld gevogelte

als het zand van de zeeën,

78:28 vervolgens liet Hij het vallen in het midden van hun kamp,

rondom hun woningen.

78:29 Dus aten zij,

en waren goed gevuld,

en hun begeerte gaf Hij aan hen.

78:30 Voordat zij hun begeerte hadden bevredigd,

terwijl hun voedsel nog in hun monden was,

78:31 de toorn van Aloha stond tegen hen op

en doodde sommigen van hun zwaarlijvigen,

en onderwierp de uitgelezen mannen van Israël.

78:32 Ondanks dit alles

zondigden zij nog steeds

en geloofden niet in Zijn wonderlijke werken.

78:33 Dus bracht Hij een einde aan hun dagen in nutteloosheid

en aan hun jaren in plotselinge verschrikking.

78:34 Toen Hij hen doodde,

vervolgens zochten zij Hem,

en keerden terug en zochten ijverig naar Aloha;

78:35 en zij herinnerden zich

dat Aloha hun rots was,

en de Meest Hoge Aloha

hun Verlosser.

78:36 Maar zij bedrogen Hem met hun mond

en logen tegen Hem met hun tong.

78:37 Want hun hart was Hem niet standvastig gewillig,

noch waren zij getrouw in Zijn verbond.

78:38 Maar Hij,

medelevend zijnde,

vergaf hun ongerechtigheid en vernietigde hen niet;

en menigmaal hield Hij Zijn boosheid in

en wekte niet gans Zijn gramschap op.

78:39 Dus herinnerde Hij zich

dat zij maar vlees waren,

een wind die voorbij en niet terugkomt.

78:40 Hoe dikwijls rebelleerden zij tegen Hem in de woestijn

en bedroefden zij Hem in de woestenij!

78:41 Opnieuw en opnieuw verzochten zij Aloha,

en pijnigden de Heilige Ene van Israël.

78:42 Zij dachten niet aan Zijn macht,

de dag wanneer Hij hen verloste van de tegenstander,

78:43 wanneer Hij Zijn tekenen verrichte in Egypte

en Zijn wonder-dingen in het veld van Zoan,

78:44 en hun rivieren tot bloed veranderde,

en hun beken,

konden ze niet drinken.

78:45 Hij zond zwermen van vliegen onder hen

die hen verslonden,

en kikkers die hen vernietigden.

78:46 Ook gaf Hij hun gewassen aan de sprinkhaan

en de vrucht van hun arbeid aan de treksprinkhaan.

78:47 Hij vernietigde hun wijnstokken met hagelstenen

en hun esdoorn bomen met vorst.

78:48 Hij gaf hun vee ook over aan de hagelstenen

en hun kuddes aan het rollen van de bliksem.

78:49 Hij zond Zijn brandende toorn op hun,

woede en verontwaardiging en ellende,

een schare van verwoestende boodschappers.

78:50 Hij nivelleerde een pad voor Zijn toorn,

Hij spaarde hun ziel niet van de dood,

maar gaf hun leven aan de pest over,

78:51 En sloeg al de eerstgeborenen in Egypte,

de eerste opbrengst van hun mannelijkheid

in de tenten van Ham.

78:52 Maar Hij wees Zijn eigen volk de weg als schapen

en gidste hun in de woestijn als een kudde;

78:53 Hij wees hen veilig de weg,

zodat zij niet vreesden;

maar de zee verzwolg hun vijanden.

78:54 Zo bracht Hij hen naar Zijn heilig land,

naar dit heuvelland

die Zijn rechterhand had verkregen.

78:55 Ook dreef Hij de naties voor hun aangezicht uit

en wees hen een erfenis toe door meting,

en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.

78:56 Toch verzochten zij

en rebelleerden tegen de Meest Hoge Aloha

en bewaarden Zijn getuigenissen niet,

78:57 maar keerden om

en handelden trouweloos zoals hun vaders;

zij draaiden zijwaarts als een verraderlijke boog.

78:58 En zij tergden Hem met hun hoge plaatsen

en wekten Zijn jaloersheid met hun gesneden beelden.

78:59 Wanneer Aloha het hoorde,

werd Hij gevuld met toorn

en verafschuwde Israël sterk;

78:60 zodat Hij de woon-plaats bij Shiloh verliet,

de tent die Hij onder de mensen had geplaatst,

78:61 en Zijn sterkte op-gaf tot gevangenschap

en Zijn heerlijkheid in de hand van de tegenstander.

78:62 Ook leverde Hij Zijn volk over aan het zwaard,

en werd gevuld met toorn tegen Zijn erfdeel.

78:63 Vuur verslond Zijn jonge mannen,

en Zijn maagden kregen geen bruiloft-liedjes.

78:64 Zijn priesters vielen door het zwaard,

en Zijn weduwen konden niet schreien.

78:65 Vervolgens ontwaakte Maryah gelijk als uit de slaap,

zoals een krijger door de wijn overwonnen.

78:66 Hij dromde Zijn tegenstanders achteruit;

Hij legde een eeuwigdurend verwijt op hen.

78:67 Hij verwierp ook de tent van Jozef,

en Hij verkoos de stam van Ephraim niet,

78:68 maar verkoos de stam van Judah,

berg Zion,

welke Hij liefhad.

78:69 En Hij bouwde Zijn heiligdom zoals de hoogten,

zoals de aarde welke Hij heeft gegrondvest

voor eeuwig.

78:70 Hij verkoos ook David

Zijn dienaar

en nam hem van uit de schaapskooien;

78:71 van uit de verzorging van de ooien met zuigende lammeren

bracht Hij hem om Jacob te weiden Zijn volk,

en Israël Zijn erfdeel.

78:72 Zo loodste hij hen volgens de integriteit van zijn hart,

en gidste hen met zijn bekwame handen.

Tehelim 79

79:1 Een psalm van Asaph.

O Aloha,

de naties zijn Uw erfdeel binnengedrongen;

ze hebben Uw heilige tempel verontreinigd;

ze hebben Jeruzalem in puin gelegd.

79:2 Ze hebben de dode lichamen van Uw dienaren

als voedsel gegeven

aan het gevogelte van het uitspansel,

en het vlees van Uw vromen

aan de beesten der aarde.

79:3 Ze hebben hun bloed uitgegoten

als water rondom Jeruzalem;

en er was niet één om hen te begraven.

79:4 We zijn tot een schande geworden

voor onze naasten,

een beschimping en bespotting

voor degenen rondom ons.

79:5 Hoe lang,

O Maryah?

zult Gij toornig zijn,

voor eeuwig?

zal Uw na-ijver als vuur branden?

79:6 Giet Uw gramschap uit

over de naties die U niet kennen,

en over de koninkrijken

die Uw naam niet aanroepen

79:7 Want ze hebben Jacob verslonden

en zijn woning in puin gelegd.

79:8 Gedenk de ongerechtigheden van onze voorouders niet tegen ons;

laat ons Uw mededogen snel tegemoet komen,

want we zijn zeer laag gebracht.

79:9 Help ons,

O Aloha van onze zaligheid,

vanwege de heerlijkheid van Uw naam;

en verlos ons

en vergeef onze zonden

om Uw naam’s wil.

79:10 Waarom zouden de naties zeggen,

“Waar is hun Aloha?”

laat daarginds onder de naties,

voor onze ogen bekend worden ,

de wraak voor het bloed van Uw dienaren

dat vergoten is geweest.

79:11 Laat het kermen van de gevangene voor U komen;

volgens de grootheid van Uw sterkte

bewaar diegenen die gedoemd zijn om te sterven.

79:12 En geef tot onze naasten zevenvoudig terug in hun schoot

de smaad waarmede ze U hebben gesmaad,

O Maryah.

79:13 Zo zullen wij Uw volk

en de schapen van uw grasland

eeuwig dank geven aan U;

aan alle generaties

zullen wij vertellen van Uw roem.

Tehelim 80

80:1 Voor de koor leider;

ingesteld op El Shoshannim; Eduth.

Een psalm van Asaph.

80:2 Oh,

geef gehoor,

Herder Israëls,

Gij die Joseph leidde als een kudde;

Gij die zijt getroond boven de cherubim,

weerschijn!

80:3 Voor Ephraim

en Benjamin

en Manasseh,

aanwakker Uw macht

en kom om ons te redden!

80:4 O Aloha,

herstel ons

en doe Uw aangezicht over ons schitteren,

en wij zullen worden gered.

80:5 O Maryah Aloha van heerscharen,

hoe lang zult Gij verbolgen zijn

door het gebed van Uw volk?

80:6 Gij hebt hen gevoed met het brood van tranen,

en Gij hebt hen tranen laten drinken

in vrijgevige mate.

80:7 Gij maakt ons tot een mikpunt van twist bij onze buren,

en onze vijanden lachen onder elkaar.

80:8 O Aloha van heerscharen,

herstel ons

en doe uw aangezicht over ons schitteren,

en wij zullen worden gered.

80:9 U haalde een wijnstok weg uit Egypte;

U dreef de naties uit en plantte haar.

80:10 U maakte de grond vrij voor haar,

en zij kreeg diepe wortel

en vulde het land.

80:11 De bergen waren bedekt

met haar schaduw,

en de ceders van Aloha

met haar takken.

80:12 Zij zond haar takken uit naar de zee,

en haar scheuten naar de rivier.

80:13 Waarom hebt Gij haar hagen afgebroken,

zo dat allen die de weg passeren

haar vrucht plukken?

80:14 Een mannelijk zwijn uit het woud wroet haar uit

en wat er ook beweegt in het veld

vreet haar af.

80:15 O Aloha van de heerscharen,

keer nu terug,

wij smeken U;

kijk naar beneden vanuit de hemel en zie!

en draag zorg voor deze wijnstok,

80:16 gelijk voor de scheut die Uw rechterhand heeft geplant,

en over de zoon die Gij hebt gesterkt voor Uzelf.

80:17 verbrand met vuur is zij,

zij is neer gehakt;

zij vergaan door de tuchtiging van Uw aanschijn.

80:18 Laat Uw hand op die man van Uw rechterhand zijn,

op de zoon des mensen

die Gij sterk maakte voor Uzelf.

80:19 Dan zullen wij van U niet achterwaarts omdraaien;

doe ons herleven,

en wij zullen Uw naam aanroepen.

80:20 O Maryah Aloha van heerscharen,

herstel ons;

laat Uw aangezicht op ons schijnen,

en we zullen worden gered.

Tehelim 81

81:1 Voor de koor leider;

op de Gittith.

Een psalm van Asaph.

81:2 Zingt van vreugde

tot Aloha onze sterkte;

juicht vreugdevol

tot de Aloha van Jacob.

81:3 Hef een lied aan,

slaat op de tamboerijn,

klinkt de liefelijke harp samen met de lier.

81:4 Blaas de bazuin bij nieuwe maan,

bij volle maan,

op onze feestdag.

81:5 Want het is een instructie voor Israël,

een voorschrift van de Aloha van Jacob.

81:6 Hij vestigde het tot een getuigenis in Joseph

wanneer hij dwars door het land van Egypte ging.

Ik hoorde een taal die ik niet kende:

81:7 “Ik heb zijn schouder verlicht van de last,

zijn handen werden van de mand bevrijd.

81:8 In moeite’s riep je en Ik redde u uit;

Ik antwoordde u uit de schuilplaats van donder;

Ik beproefde u bij de wateren van Meribah.

Selah.

81:9 Hoort,

O Mijn volk,

en Ik zal u vermanen;

O Israël,

indien gij naar Mij zou willen luisteren!

81:10 Laat er geen vreemde aloha onder u zijn;

ook zult gij geen uitheemse aloha aanbidden.

81:11 Ik,

Maryah,

ben uw Aloha,

die u opbracht uit het land van Egypte;

open uw mond wijd-open

en Ik zal hem vullen.

81:12 Maar Mijn volk luisterde niet naar Mijn stem,

en Israël gehoorzaamde Mij niet.

81:13 Dus gaf Ik hen over aan de koppigheid van hun hart,

om in hun eigen plannen te wandelen.

81:14 Oh dat Mijn volk naar Mij zou willen luisteren,

dat Israël in mijn wegen zou wandelen!

81:15 Ik zou hun vijanden snel onderwerpen

en Mijn hand tegen hun tegenstanders keren.

81:16 Diegenen die Maryah haten

zouden gehoorzaamheid aan Hem voorwenden,

en hun tijd van bestraffing zou voor eeuwig zijn.

81:17 Maar u zou Ik voeden

met het zuiverste van de tarwe,

en met honing van de rots

zou ik u verzadigen.”

Tehelim 82

82:1 Een psalm van Asaph.

Aloha neemt Zijn positie in

in Zijn eigen congregatie;

Hij oordeelt in het midden van de heersers.

82:2 Hoelang zullen jullie onrechtvaardig oordelen

en voorkeur betonen aan de goddelozen?

Selah.

82:3 Rechtvaardigt de zwakke en vaderloze;

doe recht aan de gekwelde en berooide.

82:4 Red de zwakken en behoeftigen;

bevrijd hen vanuit de hand van de goddelozen.

82:5 Zij weten niet

noch begrijpen zij;

zij wandelen in’t rond in de duisternis;

al de fundamenten van de aarde worden geschud.

82:6 Ik zei,

” Gij zijt machtigen,

en allen van u zijn kinderen van de Meest Hoge.

82:7 Toch zullen jullie sterven als mensen

en gelijk iemand van de prinsen neervallen .”

82:8 Sta op,

O Aloha,

oordeelt de aarde!

Want het is aan U die alle naties bezit.

Tehelim 83

83:1 Een lied,

een psalm van Asaph.

83:2 O Aloha,

blijft niet in stilte;

zijt niet sprakeloos en,

O Aloha,

zijt niet stil.

83:3 Want zie,

U vijanden maken een kabaal,

en degenen die U haten hebben zichzelf verhoogd.

83:4 Zij maken sluwe plannen tegen Uw volk,

en spannen tezamen

tegen Uw gekoesterden.

83:5 Zij hebben gezegd,

“Komt,

en laat ons hen als een volk uitvegen,

opdat de naam van Israël niet meer wordt herinnerd.”

83:6 Want zij hebben samengespannen

één van geest;

tegen U maken zij een verbond:

83:7 de tenten van Edom en de Ismaëlieten,

Moab en de Hagarenen;

83:8 Gebal en Ammon en Amalek,

Philistia met de inwoners van Tyrus;

83:9 Assyrië heeft zich ook met hen samengevoegd;

zij zijn een hulp aan de kinderen van Lot geworden.

Selah.

83:10 Handel met hen als met Midian,

als met Sisera en Jabin aan de bergstroom van Kishon,

83:11 die werden vernietigd te En-dor,

die als bemesting voor de grond werden.

83:12 Maak hun edelen als Oreb en Zeeb

en al hun prinsen als Zebah en Zalmunna,

83:13 die zeiden,

“Laten we voor onszelf bezit nemen van de weilanden van Aloha.”

83:14 O mijn Aloha,

maak hen als het wervelende stof,

als kaf voor de wind.

83:15 Als vuur

die het bos afbrandt

en als een vlam

die de bergen in vuur zet,

83:16 dus vervolg hen met Uw orkaan

en verschrik hen met Uw wervelstorm.

83:17 Bekleed hun aangezichten met schande,

opdat zij Uw naam zouden zoeken,

O Maryah.

83:18 Laat hen beschaamd worden en eeuwig verschrikt,

en laat hen vernederd worden en verloren gaan,

83:19 opdat zij mogen weten dat Gij alleen,

wiens naam Maryah is,

de Meest Hoogste zijt over de ganse aarde.

Tehelim 84

84:1 Voor de koor leider;

op de gittith.

Een psalm van de zonen van Korah.

84:2 Hoe prachtig zijn Uw woonplaatsen,

O Maryah der heerscharen!

84:3 Mijn ziel verlangde en hunkerde zelfs

naar de hoven van Maryah;

mijn hart en mijn vlees zingen van vreugde

tot de levende Aloha.

84:4 De vogel heeft ook een huis gevonden,

en de zwaluw een nest voor haarzelf,

waar zij haar jongen kan leggen,

bij Uw altaren,

O Maryah der heerscharen,

mijn koning en mijn Aloha.

84:5 Hoe gezegend zijn degenen die in Uw huis wonen!

immer prijzen zij U.

Selah.

84:6 Hoe gezegend is de mens wiens sterkte in U is,

in wiens hart de verharde wegen zijn

naar Zion!

84:7 De vallei van Baca doortrekkende

maakt Hij hen een springbron;

ook de vroege regen bedekt hen met zegeningen.

84:8 Zij gaan van sterkte tot sterkte,

elk één van hen verschijnt voor Aloha in Zion.

84:9 O Maryah Aloha der heerscharen,

hoort mijn gebed;

geef gehoor,

O Aloha van Jacob!

Selah.

84:10 Zie ons schild,

O Aloha,

en aanzie het aangezicht van Uw gezalfde.

84:11 Want één dag in uw hoven is beter dan duizend dagen daarbuiten

liever zou ik op de drempel staan van het huis van mijn Aloha

dan in de tenten der goddeloosheid te wonen.

84:12 Want Maryah Aloha is een zon en schild;

Maryah geeft genade en heerlijkheid;

Hij weerhoud geen goed ding

van degenen die oprecht wandelen.

84:13 O Maryah der heerscharen,

hoe gezegend is de mens

die in U vertrouwen stelt!

Tehelim 85

85:1 Voor de koor leider.

Een psalm van de zonen van Korah.

85:2 O Maryah,

U betoonde gunst aan Uw land;

de gevangenschap van Jacob heeft U omgewend.

85:3 U vergaf de ongerechtigheid van Uw volk;

U bedekte al hun zonden.

Selah.

85:4 U trok al Uw woede terug;

U wendde af van Uw brandende toorn.

85:5 Breng ons terug,

O Aloha van onze zaligheid,

en doe Uw verontwaardiging naar ons toe ophouden.

85:6 Zult Gij door ons eeuwig vertoornd zijn?

zult Gij Uw toorn naar alle generaties verlengen?

85:7 Zult Gij ons niet zelf weer doen herleven,

opdat Uw volk in U moge verheugen?

85:8 Toon ons Uw liefdevolle vriendelijkheid,

O Maryah,

en schenkt ons Uw heil.

85:9 Ik zal horen wat Aloha Maryah zal zeggen;

want Hij zal vrede spreken tot Zijn volk,

tot degenen die god-vrezen;

maar laat hen niet terugkeren naar dwaasheid.

85:10 Zijn heil is immers dichtbij

voor degenen die Hem vrezen,

opdat heerlijkheid in ons land moge wonen.

85:11 Liefdevolle goedheid en waarheid

hebben elkaar ontmoet;

gerechtigheid en vrede

hebben elkaar gekust.

85:12 Waarheid ontspringt uit de aarde,

en gerechtigheid kijkt uit de hemel naar beneden.

85:13 Inderdaad zal Maryah geven wat goed is,

en ons land zal haar voortbrengsel voortbrengen.

85:14 Gerechtigheid zal voor Hem uitgaan

en zal een weg maken

voor Zijn voetstappen.

Tehelim 86

86:1 Een gebed van David.

Neig Uw oor,

O Maryah,

en antwoord mij;

want ik ben gekweld en behoeftig.

86:2 Behoud mijn ziel,

want ik ben een godvruchtig mens;

O Gij mijn Aloha,

verlos Uw dienaar die in U vertrouwt.

86:3 Wees genadig tot mij,

O Maryah,

want ik aanroep U

de hele dag lang.

86:4 Maak de ziel van Uw dienaar blij,

want tot U,

O Maryah,

verhef ik mijn ziel.

86:5 Want Gij,

Maryah,

zijt goed,

en klaar om te vergeven,

en overvloedig aan liefdevolle goedheid

voor allen die U aanroepen.

86:6 Geef gehoor,

O Maryah,

aan mijn gebed;

en sla acht op de stem van mijn smeekbeden!

86:7 Op de dag van mijn moeite

zal ik U aanroepen,

want Gij zult mij verhoren.

86:8 Er is niet één onder de machtigen

zoals U ,

O Maryah,

er zijn ook geen werken

zoals de Uwe.

86:9 Alle naties die Gij hebt gemaak

zullen komen en aanbidden voor U,

O Maryah,

en zij zullen Uw naam verheerlijken.

86:10 Want U bent groot

en doet wonderbaarlijke daden;

U alleen bent Aloha.

86:11 Leer mij Uw weg,

O Maryah;

ik zal wandelen in Uw waarheid;

verenigd mijn hart

om Uw naam te eerbiedigen.

86:12 Ik zal aan U dankzegging geven,

O Maryah mijn Aloha,

met geheel mijn hart,

en zal Uw naam eeuwig prijzen.

86:13 Want Uw liefdevolle goedheid naar mij toe

is kostbaar,

en Gij hebt mijn ziel verlost

vanuit de diepten van Sheol.

86:14 O Aloha,

verwaande mannen zijn opgestaan tegen mij,

en een bende van gewelddadige mannen hebben mijn leven gezocht,

en zij hebben U niet vóór hun gesteld.

86:15 Maar Gij,

O Maryah,

zijt een Aloha barmhartig en genadig,

traag tot toorn

en royaal in liefdevolle goedheid en waarheid.

86:16 Wend naar mij,

en wees genadig tot mij;

oh verleen Uw sterkte aan Uw dienaar,

en verlos de zoon van Uw dienstmaagd.

86:17 Toon mij een teken ten goede,

opdat degenen die mij haten

het mogen zien

en beschaamd worden,

want Gij,

O Maryah,

hebt mij geholpen

en mij getroost.

Tehelim 87

87:1 Een psalm van de zonen van Korah.

Een lied.

Zijn fundament is op de heilige bergen.

87:2 Maryah heeft de poorten van Zion lief

meer dan al de andere woonplaatsen van Jakob.

87:3 Glorieuze dingen worden over u gesproken,

O stad van Aloha.

Selah.

87:4 “Ik zal gewag maken van Rahab en Babylon

te midden van degenen die mij kennen;

Aanschouw!

Philistia en Tyrus samen met Ethiopia:

‘Deze is daarginds geboren.'”

87:5 Maar van Zion zal worden gezegd,

“Deze hier en die daar zijn in haar geboren”;

en de Meest Hoge zelf zal haar vestigen.

87:6 Maryah zal hen tellen wanneer Hij de volken registreert,

“Deze is daarginds geboren.”

87:7 Dan zullen degenen die zingen

zowel als degenen die de fluit spelen zeggen,

“Al mijn bronnen van vreugde zijn in u.”

Tehelim 88

88:1 Een lied.

Een psalm van de zonen van Korah.

Voor de koor leider;

volgens Mahalath Leannoth.

een maskil van Heman de Ezrahite.

88:2 O Maryah,

Aloha van mijn heil,

bij dag en bij nacht

aanriep ik vóór U.

88:3 Laat mijn gebed vóór U komen;

neigt Uw oor naar mijn gejammer!

88:4 Want mijn ziel heeft genoeg kwellingen gehad,

en mijn leven is nabij Sheol getrokken.

88:5 Ik ben gerekend onder diegenen die naar de put afdalen;

ik ben als een man zonder kracht geworden,

88:6 Verlaten te-midden-van de doden,

zoals de gedoden die in het graf liggen,

die Gij niet meer gedenkt,

en zij zijn van Uw hand afgesneden.

88:7 En Gij hebt mij in de onderste put gelegd,

in duistere plaatsen,

in kolken.

88:8 Uw toorn rustte op mij,

en met al Uw golven hebt Gij mij gekweld.

Selah.

88:9 Gij hebt mijn kennissen verre van mij verwijderd;

Gij hebt mij voor hen een object van afkeer gemaakt;

ik ben opgesloten

en kan niet uitgaan.

88:10 Mijn oog heeft verspild

vanwege smart;

ik heb U elke dag aangeroepen,

O Maryah;

ik heb mijn handen naar U uitgespreid.

88:11 Zult Gij mirakels doen voor de doden?

zullen de vertrokken geesten opstaan en U prijzen?

Selah.

88:12 Zal Uw liefdevolle goedheid worden bekend gemaakt in het graf,

Uw trouw in Abaddon?

88:13 Zullen uw mirakels bekend gemaakt worden in de duisternis?

en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?

88:14 Maar ik,

O Maryah,

riep tot U uit om hulp,

en in de morgen komt mijn gebed voor U.

88:15 O Maryah,

waarom verwerpt Gij mijn ziel?

waarom verbergt Gij Uw aangezicht voor mij?

88:16 Ik was gekweld en zowat stervende van mijn jeugd af aan;

ik draag Uw verschrikkingen;

ik ben overweldigd.

88:17 Uw gloeierige toorn is over mij gegaan;

Uw verschrikkingen hebben mij vernietigd.

88:18 Ze hebben mij omringd als water

de hele dag lang;

ze hebben mij te samen omgeven.

88:19 Gij hebt geliefde en vriend verwijderd

verre van mij;

mijn kennissen zijn in duisternis.

Tehelim 89

89:1 Een Maskil van Ethan de Ezrahite.

89:2 Ik zal zingen van de liefdevolle goedheid van Maryah

voor eeuwig;

aan alle generaties zal ik Uw trouw bekend maken

met mijn mond.

89:3 Want Ik heb gezegd,

“Liefdevolle goedheid zal voor eeuwig worden opgebouwd

in de hemelen zult Gij uw trouw vestigen.”

89:4 “Ik heb een verbond gemaakt met Mijn gekozene;

ik heb gezworen aan David Mijn dienaar,

89:5 Ik zal uw zaad vestigen

voor eeuwig

en uw troon opbouwen tot alle generaties.”

Selah.

89:6 De hemelen zullen Uw wonderwerken loven,

O Maryah;

evenals Uw trouw

in de samenkomst van de heiligen.

89:7 Want wie in de hemelen

is vergelijkbaar aan Maryah?

wie onder de zonen van de machtige

is gelijk Maryah,

89:8 de Aloha zeer gevreesd in de raad van de heiligen,

en ontzagwekkend boven al degenen die rondom Hem zijn?

89:9 O Maryah Aloha der heerscharen,

wie is gelijk U,

O machtige Maryah?

ook Uw trouw omringt U.

89:10 Gij bestuurt de zwelling van de zee;

wanneer haar golven oprijzen,

kalmeert Gij hen.

89:11 Gij zelf,

Gij verpletterde Rahab als iemand die gedood is;

Gij verstrooide Uw vijanden met Uw machtige arm.

89:12 De hemelen zijn de uwe,

ook de aarde is de uwe;

de wereld en alles daarin,

Gij hebt hen gegrond.

89:13 Het noorden en het zuiden,

Gij hebt hen geschapen;

Tabor en Hermon juichen van vreugde in Uw naam.

89:14 Gij hebt een sterke arm;

Uw hand is machtig,

Uw rechterhand is verheven.

89:15 Gerechtigheid en rechtvaardigheid

zijn de basis van Uw troon;

liefdevolle goedheid en waarheid

gaan voor U heen.

89:16 Hoe gezegend is het volk

die de heugelijke klank kent!

O Maryah,

zij wandelen in het licht van Uw aangezicht.

89:17 In Uw naam verheugen zij zich de gehele dag,

en door Uw gerechtigheid worden zij verhoogd.

89:18 Want Gij zijt de heerlijkheid van hun sterkte,

en door Uw gunst is onze hoorn verhoogd.

89:19 Want ons schild behoort aan Maryah toe,

en onze koning aan de Heilige Ene van Israël.

89:20 Op een keer sprak U in een visioen tot Uw vromen,

en zei,

“Ik heb hulp verleent aan iemand die machtig is;

ik heb iemand verhoogd

gekozen uit het volk.

89:21 “Ik heb David gevonden

mijn dienaar;

met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd,

89:22 die zal worden vastgesteld door Mijn hand;

ook zal Mijn arm hem versterken.

89:23 “De vijand zal hem niet misleiden,

evenmin zal de zoon der goddeloosheid hem kwellen

89:24 “Maar Ik zal zijn tegenstanders verpletteren voor zijn aangezicht,

en diegenen treffen die hem haten.

89:25 “Mijn trouw en Mijn liefdevolle goedheid zullen met hem zijn,

en in Mijn naam zal zijn hoorn worden verhoogd.

89:26 Ook zal Ik zijn hand over de zee stellen

en zijn rechterhand over de rivieren.

89:27 “Hij zal tot Mij roepen,

‘Gij zijt mijn vader,

Mijn Aloha,

en de rotssteen van mijn heil.’

89:28 “Ook zal ik hem Mijn eerstgeborene maken,

de hoogste der koningen van de aarde?

89:29 “Mijn liefdevolle goedheid zal ik aan hem voor altijd nakomen,

en Mijn verbond zal aan hem worden bevestigd.

89:30 “Zo zal ik zijn nazaten voor eeuwig vestigen

en zijn troon

als de dagen des hemel.

89:31 “Indien zijn zonen Mijn wet verzaken

en niet wandelen naar Mijn zienswijzen,

89:32 indien zij Mijn inzettingen geweld aandoen

en Mijn geboden niet houden,

89:33 dan zal Ik hun overtredingen bestraffen met de roede

en hun ongerechtigheid met strepen.

89:34 “Maar Ik zal Mijn liefdevolle goedheid naar hem niet verbreken,

evenmin valselijk handelen

in Mijn getrouwheid.

89:35 “Mijn verbond zal Ik geen geweld aandoen,

evenmin zal Ik de uiting van Mijn lippen veranderen.

89:36 “Eens heb ik gezworen bij Mijn heiligheid;

Ik zal niet liegen tegen David.

89:37 “Zijn nazaten zullen voor eeuwig voortbestaan

en zijn troon voor Mij gelijk de zon.

89:38 “Het zal voor eeuwig worden vastgesteld

gelijk de maan,

en in de hemel is de getuige getrouw.”

Selah.

89:39 Maar Gij hebt afgestoten en verworpen,

Gij zijt vol van toorn geweest

tegen Uw gezalfde.

89:40 Gij hebt het verbond van Uw dienaar met verachting afgewezen;

Gij hebt zijn kroon

in het stof ontwijd.

89:41 Gij hebt al zijn muren afgebroken;

Gij hebt zijn bolwerken tot val gebracht.

89:42 Allen die langs de weg passeren plunderen hem;

hij is een schande geworden tot zijn naasten.

89:43 Gij hebt de rechterhand van zijn tegenstanders verhoogd;

Gij hebt al zijn vijanden verheugd gemaakt.

89:44 Ook wendde U de snede van zijn zwaard af

en hebt hem niet doen opstaan in de strijd.

89:45 Gij hebt zijn pracht doen ophouden

en zijn troon ten gronde geworpen.

89:46 Gij hebt de dagen van zijn jeugd verkort;

Gij hebt hem bedekt met schaamte.

Selah.

89:47 Hoelang,

O Maryah?

Zult Gij uzelf altijd verbergen?

Zal Uw toorn branden als vuur?

89:48 Bedenk welke mijn tijdspanne van leven is;

nietigheid

voor welke Gij al de zonen der mensen hebt geschapen!

89:49 Welk mens kan leven en de dood niet zien?

kan hij zijn ziel bevrijden van de macht van Sheol.

Selah.

89:50 Waar zijn Uw eerste liefdevolle goedheden,

O Maryah,

die Gij aan David hebt gezworen bij Uw getrouwheid?

89:51 Bedenk,

O Maryah,

de smaad over Uw dienaren;

hoe ik de smaad draag in mijn boezem

van alle vele volkeren,

89:52 Met welke Uw vijanden hebben gesmaad,

O Maryah,

met welke zij de voetstappen van Uw gezalfde hebben gesmaad.

89:53 Gezegend is Maryah voor eeuwig!

Amen en Amen.

Tehelim 90

90:1 Een gebed van Mozes,

de man van Aloha.

Maryah,

Gij zijt onze woning plaats geweest

in alle generaties.

90:2 Voor de bergen geboren waren

en Gij geboorte hebt gegeven aan de aarde en de wereld,

zelfs van eeuwigheid tot eeuwigheid,

zijt Gij Aloha.

90:3 Gij doet mensen wederkeren tot stof en zegt,

“keert weder, O kinderen der mensen.”

90:4 Want één duizend jaren voor Uw aanblik

zijn als de dag van gisteren

zo die verstreken is,

of als een wake in de nacht.

90:5 Gij hebt hen weggevaagd als een overstroming,

zij vallen in slaap;

in de morgen zijn ze als gras die opnieuw ontspruit.

90:6 In de morgen bloeit het en ontspruit opnieuw;

naar de avond toe verwelkt het en kwijnt weg

90:7 Want we zijn verteerd geweest door Uw woede

en door Uw toorn zijn we verschrikt geweest.

90:8 Gij hebt onze ongerechtigheden voor U geplaatst,

onze geheime zonden in het licht van Uw tegenwoordigheid.

90:9 Want al onze dagen zijn afgenomen

in Uw grimmigheid;

we hebben onze jaren beëindigd

als een zucht.

90:10 Wat betreft de dagen van ons leven,

ze bevatten zeventig jaren,

of als gevolg van sterkte,

tachtig jaren,

toch is hun trots maar arbeid en smart;

want snel is het vervlogen

en we vliegen heen.

90:11 Wie begrijpt de kracht van Uw boosheid

en Uw woede,

volgens het ontzag dat U verschuldigd is?

90:12 Leer ons dus om onze dagen te tellen,

opdat wij U een hart van wijsheid mogen aanbieden.

90:13 Keer terug,

O Maryah,

hoe lang zal het zijn?

en heb spijt om Uw dienaars.

90:14 O kom ons tegemoet in de ochtend

met uw liefdevolle goedheid,

dat wij van vreugde mogen zingen

en verblijd zijn al onze dagen.

90:15 Maak ons blij

naar de dagen Gij ons hebt getroffen,

en de jaren wij kwaad hebben gezien.

90:16 Laat Uw werk aan Uw dienaren verschijnen

en Uw majesteit aan hun kinderen.

90:17 Laat de gunst van Maryah onze Aloha op ons zijn;

en bevestigt het werk van onze handen aan ons;

ja,

bevestigt het werk van onze handen.

Tehelim 91

91:1 Hij die in de schuilplaats van de Meest Hoge woont

zal in de schaduw van de Almachtige verblijven.

91:2 Ik zal tot Maryah zeggen,

“Mijn toevlucht en mijn vesting,

mijn Aloha,

op wie ik vertrouw!”

91:3 Want het is Hij die U verlost

uit de valstrik van de strikkenzetter

en van de dodelijke pest.

91:4 Hij zal u bedekken met Zijn vlerken,

en onder Zijn vleugels moogt ge toevlucht zoeken;

Zijn getrouwheid is een schild en een bolwerk.

91:5 Gij zult niet bevreesd zijn

van de verschrikking in de nacht,

of van de pijl die bij daglicht vliegt;

91:6 van de pest die besluipt in duisternis,

of van de vernieling die verwoesting aanricht op de middag.

91:7 Aan uw zijde kunnen er één duizend vallen

en tienduizend aan uw rechterhand;

maar het zal u niet naderen.

91:8 Gij zult het alleen met uw ogen aanschouwen

en de vergelding van de goddelozen zien.

91:9 Want gij hebt Maryah,

mijn toevlucht,

de Meest Hoge zelf,

tot uw woningplaats gemaakt.

91:10 Geen kwaad zal u overkomen,

noch zal enige plaag nabij uw tent komen.

91:11 Want Hij zal Zijn engelen opdracht geven aangaande u,

om u te beschermen in al uw wegen.

91:12 Zij zullen u op hun handen dragen,

opdat gij uw voet niet tegen een steen stoot.

91:13 Op de leeuw en cobra zult gij treden

de jonge leeuw en het serpent zult gij vertrappen

91:14 “Omdat hij Mij heeft liefgehad,

daarom zal Ik hem verlossen;

Ik zal hem veilig stellen op hoogten,

omdat hij Mijn naam heeft gekend.

91:15 “Hij zal Mij aanroepen,

en Ik zal hem antwoorden;

Ik zal met hem zijn in moeite;

Ik zal hem verlossen en hem eren.

91:16 “Met een lang levensduur zal Ik hem verzadigen

en hem Mijn heil laten zien.”

Tehelim 92

92:1 Een psalm,

een lied voor de sabbatdag.

92:2 Het is goed om dank te geven aan Maryah

en om lof-prijs te zingen tot Uw naam,

O Meest Hoge;

92:3 om Uw liefdevolle goedheid te verkondigen in de morgen

en Uw getrouwheid in de nacht,

92:4 met de tien snarige luit en met de harp,

met weergalmende muziek op de lier.

92:5 Want Gij,

O Maryah,

hebt mij blij gemaakt

door wat Gij hebt gedaan,

ik zal van vreugde zingen

over de werken van Uw handen.

92:6 Hoe groot zijn Uw werken,

O Maryah!

uitermate diep zijn Uw gedachten.

92:7 Een onverstandig mens heeft er geen kennis van,

ook een dwaze mens verstaat dit niet:

92:8 dat wanneer de goddelozen opgroeien als gras

en allen die ongerechtigheid doen floreren,

het is enkel dat zij zouden worden vernietigd

voor immer en altijd.

92:9 Maar Gij,

O Maryah,

zijt in den hoge

voor eeuwig.

92:10 Want,

zie!

Uw vijanden,

O Maryah,

want,

zie!

Uw vijanden zullen omkomen;

allen die ongerechtigheid doen zullen worden verstrooid.

92:11 Maar Gij hebt mijn hoorn verhoogd

als die van de wilde os;

ik ben gezalfd geweest

met verse olie.

92:12 En mijn oog heeft juichend toegekeken op mijn vijanden,

mijn oren horen van de boosdoeners die opstaan tegen mij.

92:13 De rechtschapen mens zal floreren als de palmboom,

als een ceder in Libanon zal hij groeien.

92:14 Geplant in het huis van Maryah,

zal men floreren in de hoven van onze Aloha.

92:15 Ze zullen nog steeds vrucht opbrengen op oude leeftijd;

ze zullen vol van sap zijn

en zeer groen,

92:16 om bekend te maken dat Maryah oprecht is;

Hij is mijn rotsteen,

en er is geen onrechtvaardigheid in Hem.

Tehelim 93

93:1 Maryah regeert,

Hij is bekleed met majesteit;

Maryah heeft zichzelf bekleed en omgord

met sterkte;

jazeker,

de wereld is krachtig gevestigd,

zij zal niet worden bewogen.

93:2 Uw troon is vanaf vanouds gevestigd;

Gij zijt vanaf de eeuwigheid.

93:3 De stormvloeden hebben verheft,

O Maryah,

de stormvloeden hebben hun geluid verheft,

de stormvloeden verheffen hun beukende golven.

93:4 Meer dan de geluiden van de vele wateren,

dan de machtige branding van de zee,

is Maryah in den hoge machtig.

93:5 Uw getuigenissen worden ten-volle bevestigd;

heiligheid past bij Uw huis,

O Maryah,

voor immer en altijd.

Tehelim 94

94:1 O Maryah,

Aloha van de wraak,

Aloha van de wraak,

verschijn glinsterend!

94:2 Sta op,

O Rechter der aarde,

geef aan de trotsen beloning.

94:3 Hoelang zullen de goddelozen,

O Maryah,

hoelang zullen de goddelozen jubelen?

94:4 Ze gieten praatjes uit,

ze spreken arrogant;

allen die goddeloos handelen roemen over zichzelf.

94:5 Ze verpletteren Uw volk,

O Maryah,

en teisteren Uw erfdeel.

94:6 Ze slaan de weduwe en de vreemdeling dood

en vermoorden de wezen.

94:7 Ze hebben gezegd,

“Maryah ziet het niet,

evenmin besteed de Aloha van Jakob aandacht.”

94:8 Weest aandachtig,

gij redelozen onder het volk;

en wanneer zult ge verstaan,

dwazen?

94:9 Hij die het oor plante,

hoort Hij niet?

Hij die het oog vormde,

ziet Hij niet?

94:10 Hij die de naties kastijdt,

zal Hij niet terechtwijzen,

Hij die zelfs de mens kennis onderwijst?

94:11 Maryah weet de gedachten van de mensen,

dat zij slechts een zuchtje zijn.

94:12 Gezegend is de man die Gij kastijdt,

O Maryah,

en die Gij leert vanuit Uw wet;

94:13 opdat Gij hem ontlasting moge schenken

vanaf de dagen van tegenspoed,

totdat een put is gegraven voor de goddelozen.

94:14 Want Maryah zal Zijn volk niet opgeven,

noch zal Hij Zijn erfdeel in de steek laten.

94:15 Want het oordeel zal wederom rechtvaardig zijn,

en al de oprechten van hart zullen het navolgen.

94:16 Wie zal voor mij opkomen tegen de boosdoeners?

wie zal zijn standplaats innemen voor mij tegen degenen die goddeloosheid doen?

94:17 Zo Maryah mijn hulp niet was geweest,

mijn ziel zou spoedig hebben gewoond

in de verblijfplaats van stilte.

94:18 Zo ik zeggen zou,

“Mijn voet is uitgegleden,”

Uw liefdevolle goedheid,

O Maryah,

zal mij vasthouden.

94:19 Wanneer mijn angstige gedachten

zich in mij vermenigvuldigen,

maken Uw vertroostingen mijn ziel blij.

94:20 Kan een troon van verderf met U worden verbonden,

één die ellende bedenkt door besluit?

94:21 Ze horden zich samen

tegen het leven van de rechtvaardigen

en veroordelen de onschuldigen ter dood.

94:22 Maar Maryah is mijn burcht geweest,

en mijn Aloha de steenrots van mijn toevlucht.

94:23 Hij heeft hun goddeloosheid op hen teruggebracht

en zal hen vernietigen in hun kwaad;

Maryah onze Aloha zal hen vernietigen.

Tehelim 95

95:1 O kom,

laat ons zingen van vreugde

tot Maryah,

laat ons vreugdevol juichen

tot de rotssteen van onze zaligheid.

95:2 Laat ons voor Zijn aanschijns verschijnen

met dankzegging,

laat ons vreugdevol juichen

tot Hem

met psalmen.

95:3 Want Maryah is een groot Aloha

en een groot koning

boven alle machtigen,

95:4 in wiens hand

de diepten van de aarde zijn,

ook de pieken van de bergen

zijn de Zijne.

95:5 De zee is de Zijne;

want het was Hij die haar maakte,

en Zijn handen vormden het droge land.

95:6 Komt,

laat ons aanbidden en neerwaarts buigen,

laat ons knielen voor Maryah onze Maker.

95:7 Want onze Aloha is Hij;

en het volk van Zijn weide zijn wij

en de schapen van Zijn hand.

Vandaag,

indien gij Zijn stem zou horen,

95:8 verhardt uw harten niet,

als in Meribah,

als op de dagen van Massah

in de woestijn,

95:9 “Wanneer uw vaders Mij beproefden,

probeerden ze Mij uit,

hoewel ze Mijn werk hadden gezien.

95:10 “Want veertig jaren walgde Ik van die generatie,

en Ik zei,

ze zijn een volk die dwalen in hun hart,

en ze kennen Mijn wegen niet.

95:11 “Dus zwoer Ik in Mijn toorn,

zij zullen echt niet in Mijn rust binnentreden.”

Tehelim 96

96:1 Zingt tot Maryah een nieuw lied;

zingt tot Maryah,

heel de aarde.

96:2 Zingt tot Maryah,

zegent Zijn naam;

verkondigd goede tijdingen

van Zijn zaligheid

van dag tot dag.

96:3 Vertel van Zijn heerlijkheid onder de naties,

Zijn wonderlijke daden onder al de volken.

96:4 Want Maryah is groot en krachtig

om te worden geprezen;

Hij is te duchten

boven alle goden.

96:5 Want al de goden van de volken zijn afgoden,

maar Maryah maakte de hemelen.

96:6 Pracht en majesteit zijn voor Hem,

sterkte en schoonheid zijn in Zijn heiligdom.

96:7 Geeft aan Maryah,

O families van de volken,

geeft heerlijkheid en sterkte aan Maryah.

96:8 Geeft aan Maryah de heerlijkheid van Zijn naam;

brengt een offer en kom in Zijn hoven.

96:9 Aanbidt Maryah in heilige tooi;

siddert voor Hem,

geheel de aarde.

96:10 Zeg onder de naties,

“Maryah regeert;

jazeker,

de wereld is sterk gevestigd,

zij zal niet worden verplaatst;

Hij zal de volken oordelen door rechtvaardigheid.”

96:11 Laat de hemelen verblijd zijn,

en laat de aarde verheugen;

laat de zee razen,

en alles daarin;

96:12 Laat het veld jubelen,

en alles wat daarin is.

Vervolgens zullen al de bomen van het woud zingen van vreugde-

96:13 voor Maryah,

want Hij is komende,

want Hij is komende om de aarde te oordelen.

Hij zal de wereld oordelen in gerechtigheid

en de volken in Zijn getrouwheid.

Tehelim 97

97:1 Maryah regeert,

laat de aarde zich verheugen,

laat de vele eilanden verblijd zijn.

97:2 Wolken en dichte donkerheid omringen Hem;

gerechtigheid en rechtvaardigheid zijn het fondement van Zijn troon.

97:3 Vuur gaat voor Hem uit

en verschroeit Zijn tegenstanders rondom.

97:4 Zijn hemelvuur verlicht de wereld;

de aarde zag het en zij sidderde.

97:5 De bergen smolten als was voor het aangezicht van Maryah

voor het aangezicht van Maryah der ganse aarde.

97:6 De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid,

en al de volken hebben Zijn heerlijkheid gezien.

97:7 Laat al diegenen beschaamd zijn

die gebeitelde beelden dienen,

die zich beroemen op afgoden;

aanbidt Hem

al gij goden.

97:8 Zion hoorde dit en was verblijd,

en de dochters van Judah hebben zich verheugd

vanwege Uw oordelen,

O Aloha.

97:9 Want Gij zijt Maryah

de Meest Hoge over geheel de aarde;

Gij zijt verheven

verre boven alle goden.

97:10 Haat het kwaad,

gij die houdt van Maryah,

Die de zielen behoudt van Zijn godvruchtigen;

Hij bevrijd hen uit de hand van de goddelozen.

97:11 Licht wordt gezaaid als zaad

voor de rechtvaardigen

en blijdschap

voor de oprechten van hart.

97:12 Weest verheugd in Maryah,

gij rechtvaardigen,

en geef dankzegging aan Zijn heilige naam.

Tehelim 98

98:1 Een psalm.

O zingt Maryah een nieuw lied,

want Hij heeft wonderlijke dingen gedaan,

Zijn rechterhand en Zijn heilige arm

hebben voor Hem de victorie verworven.

98:2 Maryah heeft Zijn heil kenbaar gemaakt;

Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard

voor het oog van de naties.

98:3 Hij is Zijn liefdevolle goedheid niet vergeten

en Zijn getrouwheid

aan het huis van Israël;

al de einden van de aarde

hebben het heil van onze Aloha gezien.

98:4 Juicht tot Maryah,

vreugdevol,

gij ganse aarde;

breekt uit en zingt van vreugde

en zingt lof-prijs.

98:5 Zingt lof-prijs tot Maryah met de lier,

met de lier en de klank van de melodie.

98:6 Met de bazuinen en het geluid van de ramshoorn

juicht vreugdevol voor de koning,

Maryah.

98:7 Laat de zee razen

en al wat het bevat,

de wereld

en degenen die daarin wonen.

98:8 Laat de rivieren in hun handen klappen,

laat de bergen met elkaar van vreugde zingen

98:9 voor Maryah,

want Hij is komende om de aarde te oordelen;

Hij zal de wereld oordelen met gerechtigheid

en de volken met rechtvaardigheid.

Tehelim 99

99:1 Maryah regeert,

laat de volken sidderen;

Hij is boven de cherubim getroond,

laat de aarde schudden!

99:2 Maryah is groot in Zion,

en Hij is verheven boven al de volken.

99:3 Laat hen Uw grote en ontzagwekkende naam prijzen;

heilig is Hij.

99:4 De sterkte van de koning is gerechtigheid liefhebben;

Gij hebt billijkheid gegrondvest;

Gij hebt rechtvaardigheid en gerechtigheid verricht in Jakob.

99:5 Verheerlijkt Maryah onze Aloha

en aanbidt voor Zijn voetbank;

heilig is Hij.

99:6 Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,

en Samuel was onder degenen die Zijn naam aanriepen;

zij aanriepen Maryah

en Hij antwoordde hun.

99:7 Hij sprak tot hen in de wolkpilaar;

zij hielden Zijn getuigenissen

en de verordening die Hij hen gaf.

99:8 O Maryah onze Aloha,

Gij antwoordde hun;

Gij waart een vergevende Aloha tot hen,

en toch een wreker van hun kwade daden.

99:9 Verheerlijkt Maryah onze Aloha

en aanbidt voor Zijn heilige heuvel,

want heilig is Maryah onze Aloha.

Tehelim 100

100:1 Een psalm van dankzegging.

Jubelt vreugdevol tot Maryah,

gans de aarde.

100:2 Dient Maryah met blijdschap;

komt voor Hem met vreugdevol gezang.

100:3 Weet dat Maryah zelf Aloha is;

het is Hij die ons heeft gemaakt,

en niet wij onszelf;

wij zijn Zijn volk

en de schapen van Zijn weide.

100:4 Ga Zijn poorten binnen met dankzegging

en Zijn hoven met lof.

Geef dank aan Hem,

zegent Zijn naam.

100:5 Want Maryah is goed;

Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend

en Zijn getrouwheid

(is) aan alle generaties.

Tehelim 101

101:1 Een psalm van David.

Ik zal zingen van liefdevolle goedheid en rechtvaardigheid,

tot U,

O Maryah,

zal ik lof zingen.

101:2 Ik zal aandacht geven op de onberispelijke weg.

Wanneer zult Gij tot mij komen?

ik zal wandelen

binnenin mijn huis

in de integriteit van mijn hart.

101:3 Ik zal geen waardeloos ding voor mijn ogen stellen;

ik haat het gedrag van degenen die afvallen;

het zal zijn greep op mij niet vasthouden.

101:4 Een verdorven hart zal van mij wijken;

ik zal geen kwaad kennen.

101:5 Al wie heimelijk zijn naaste belastert,

die zal ik vernietigen;

al die een hooghartige uiterlijk heeft

en een verwaand hart

die zal ik niet verdragen.

101:6 Mijn ogen zullen op de getrouwen van het land zijn,

opdat zij met mij mogen verblijven;

hij die op een onberispelijke weg wandelt

is degene die mij zal dienen.

101:7 Hij die bedrog beoefent

zal binnen mijn huis niet verblijven;

hij die leugen spreekt

zal zijn positie voor mij niet behouden.

101:8 Elke morgen zal ik al de goddelozen van het land vernietigen,

teneinde uit de stad van Maryah

allen die ongerechtigheid doen

uit te snijden.

Tehelim 102

102:1 Een gebed van de ellendige

wanneer hij zwak is

en zijn klacht uitgiet voor Maryah.

102:2 Hoort mijn gebed,

O Maryah!

en laat mijn schreeuw om hulp tot U komen.

102:3 Verbergt Uw aangezicht niet voor mij

op de dag van mijn nood;

neig Uw oor tot mij;

op de dag wanneer ik roep

antwoord mij haastig.

102:4 Want mijn dagen

zijn verbruikt geweest in rook,

en mijn botten

zijn verschroeid geweest als een vuurhaard.

102:5 Mijn hart is geslagen geweest als gras

en is verdord,

jazeker,

ik vergat om mijn brood te eten.

102:6 Vanwege het volume van mijn gekerm

kleven mijn botten aan mijn vlees.

102:7 Ik gelijk op een pelikaan van de woestijn;

ik ben als een uil van de woeste plaatsen geworden.

102:8 Ik lig wakker,

ik ben als een eenzame vogel geworden

bovenop een huis.

102:9 Mijn vijanden hebben mij de hele dag lang verweten;

degenen die mij bespotten

hebben mijn naam gebruikt als een vloek.

102:10 Want ik heb as gegeten als brood

en mijn drankje vermengd met geschrei –

102:11 vanwege Uw verontwaardiging en Uw toorn,

want Gij hebt mij opgetild en weggeworpen.

102:12 Mijn dagen zijn als een langgerekte schaduw,

en ik verdor als gras.

102:13 Maar Gij ,

O Maryah,

verblijft voor eeuwig,

en Uw naam is tot alle generaties.

102:14 Gij zult opstaan en compassie hebben met Zion;

want het is tijd om genadig te zijn aan haar,

want de bestemde tijd is gekomen.

102:15 Jazeker Uw dienaren vinden welbehagen in haar stenen

en hebben medelijden vanwege haar stof.

102:16 Zo zullen de naties de naam van Maryah vrezen

en al de koningen van de aarde Uw heerlijkheid.

102:17 Want Maryah heeft Zion opgebouwd;

Hij is verschenen in Zijn heerlijkheid.

102:18 Hij heeft het gebed aanschouwd van de behoeftige

en heeft hun bidden niet veracht.

102:19 Dit zal worden geschreven voor de generatie die komt,

opdat een nog te creëren volk

Maryah moge loven.

102:20 Want Hij keek neer vanuit Zijn heilige hoogte;

vanuit de hemel aanschouwde Maryah op de aarde,

102:21 om het gekreun te horen van de gevangenen,

om diegenen te bevrijden

die gedoemd waren tot de dood,

102:22 opdat mensen zouden vertellen

van de naam van Maryah

in Zion

en van Zijn lof in Jeruzalem,

102:23 wanneer de volken bij elkaar worden verzameld,

en de koninkrijken,

om Maryah te dienen.

102:24 Hij heeft mijn sterkte verzwakt op de weg;

Hij heeft mijn dagen verkort.

102:25 Ik zeg,

“O mijn Aloha,

neem mij niet weg te-midden van mijn dagen,

Uw jaren zijn doorheen alle generaties.

102:26 “Vanouds fundeerde U de aarde,

en de hemelen zijn het werk van Uw handen.

102:27 “Ze zullen zelfs vergaan,

maar Gij zult voortbestaan;

en allen van hen zullen afslijten als een kleed;

als kleding zult U hen verwisselen

en zij zullen worden veranderd.

102:28 “Maar Gij zijt dezelfde,

en Uw jaren zullen niet tot een einde komen.

102:29 “De kinderen van Uw dienaren zullen verdergaan,

en hun nazaten zullen voor Uw aangezicht worden gevestigd.”

Tehelim 103

103:1 Een psalm van David.

Zegen Maryah,

O mijn ziel,

en al wat binnen in mij is,

zegen Zijn heilige naam.

103:2 Zegen Maryah,

O mijn ziel,

en vergeet geen van Zijn goedheden;

103:3 die al uw ongerechtigheden vergeeft,

die al uw ziekten geneest;

103:4 die uw leven verlost

vanuit de put,

die u kroont

met liefdevolle goedheid en mededogen;

103:5 die uw jaren verzadigt

met goede dingen,

zodat uw jeugd wordt vernieuwd

zoals de adelaar.

103:6 Maryah voert rechtvaardige handelingen en oordelen uit

voor allen die onderdrukt worden.

103:7 Hij maakte Zijn wegen bekend aan Mozes,

Zijn handelingen aan de zonen van Israël.

103:8 Maryah is barmhartig en genadig,

traag tot toorn

en overvloedig in liefdevolle goedheid.

103:9 Hij zal niet steeds met ons twisten,

noch zal Hij Zijn toorn voor altijd behouden.

103:10 Hij heeft niet met ons gehandeld

volgens onze zonden,

noch ons vergolden

volgens onze ongerechtigheden.

103:11 Want zo hoog als de hemelen boven de aarde zijn,

zo groot is Zijn liefdevolle goedheid

naar diegenen toe die Hem vrezen.

103:12 Zover als het oosten is van het westen,

zover heeft Hij onze overtredingen van ons verwijderd.

103:13 Net zo als een vader compassie heeft met zijn kinderen,

zo heeft Maryah compassie met degenen die Hem vrezen.

103:14 Want Hij zelf kent onze vorming;

Hij is indachtig dat wij maar stof zijn.

103:15 Wat betreft de mens,

zijn dagen zijn als gras;

als een bloem van het veld,

zo bloeit hij.

103:16 Wanneer de wind er overheen gegaan is,

is zij niet meer,

en haar plaats accepteert haar niet langer.

103:17 Maar de liefdevolle goedheid van Maryah

is van eeuwigheid tot eeuwigheid

over degenen die Hem vrezen,

en Zijn gerechtigheid over de kinder’s kinderen,

103:18 aan degenen die Zijn verbond houden

en aan Zijn voorschriften denken

om ze te doen.

103:19 Maryah heeft Zijn troon gevestigd in de hemelen,

en Zijn soevereiniteit regeert over alles.

103:20 zegent Maryah,

gij Zijn engelen,

machtigen in sterkte,

die Zijn woord uitvoert,

gehoor gevende aan de stem van Zijn woord!

103:21 zegent Maryah,

gij allen Zijn heerscharen,

gij die Hem dient,

doende Zijn wil.

103:22 zegent Maryah,

al gij werken van Hem,

in alle plaatsen van Zijn heerschappij;

zegent Maryah,

O mijn ziel!

Tehelim 104

104:1 Zegent Maryah,

O mijn ziel!

O Maryah mijn Aloha,

Gij zijt zeer groot;

Gij zijt gekleed met glorie en majesteit,

104:2 Uzelf bedekkende met licht

als met een mantel,

de hemel uitrekkende als een tentgordijn.

104:3 Hij legt de balken van Zijn opper-kamers in de wateren;

Hij maakt de wolken tot Zijn strijdwagen;

Hij wandelt op de vleugels van de wind;

104:4 Hij maakt de winden tot Zijn boodschappers,

vlammend vuur tot Zijn dienaars.

104:5 Hij vestigde de aarde op Zijn grondvesten,

zo dat zij niet voor eeuwig en altijd zal wankelen.

104:6 Gij overdekte haar met de diepte

als met een kleed;

de wateren stonden boven de bergen.

104:7 Op Uw berisping ontvluchtten zij,

op het klinken van Uw donder

haasten zij zich weg.

104:8 De bergen stonden op;

de valleien zonken neer

naar de plaats die Gij voor hen gevestigd hebt.

104:9 Gij stelde een grenspaal

opdat zij die niet zouden kunnen passeren,

zodat zij niet zullen terugkeren

om de aarde te bedekken.

104:10 Hij zend bronnen vooruit in de valleien;

zij stromen tussen de bergen;

104:11 Ze geven drinken aan elk beest van het veld;

de wilde ezels lessen hun dorst.

104:12 Naast hen verblijven de vogels van de hemelen;

zij verheffen hun stemmen te-midden van de takken.

104:13 Hij bewatert de bergen vanuit Zijn opperkamers;

de aarde is voldaan met de vrucht van Zijn werken.

104:14 Hij laat het gras groeien voor het vee,

en vegetatie voor de arbeid van de mens,

zo dat hij voedsel moge voortbrengen vanuit de aarde,

104:15 en wijn die het hart van de mens verheugd maakt,

zo dat hij zijn aangezicht blinkend kan maken met olie,

en voedsel dat het hart van de mens ondersteund.

104:16 De bomen van Maryah drinken hun verzadiging,

de ceders van Libanon die Hij plantte,

104:17 alwaar de vogels hun nesten bouwen,

en de ooievaar,

wiens huis de sparren-bomen zijn.

104:18 De hoge bergen zijn voor de wilde geiten;

de kliffen zijn een toevluchtsoord voor de shephanim.

104:19 Hij maakte de maan voor de seizoenen;

de zon weet de plaats van haar omgeving.

104:20 Gij benoemt duisternis en het word nacht,

in dewelke al de beesten van het woud rondsluipen.

104:21 De jonge leeuwen brullen naar hun prooi

en zoeken hun voedsel van Aloha.

104:22 Wanneer de zon opkomt trekken zij zich terug

en liggen neer in hun holen.

104:23 De mens gaat dan uit tot zijn arbeid

en naar zijn gezwoeg tot aan de avond.

104:24 O Maryah,

hoe vele zijn Uw werken!

in wijsheid hebt Gij hen allemaal gemaakt;

de aarde is vol van Uw bezittingen.

104:25 Er is de zee,

groot en breed,

in welke gewriemel is zonder aantal,

beide kleine en grote dieren.

104:26 Daar bewegen de schepen langs,

en Leviathan,

die Gij hebt geformeerd om daarin te spelen.

104:27 Zij wachten allen op U

om hen hun voedsel te geven op de gepaste tijd.

104:28 Gij geeft aan hen,

zij verzamelen het;

Gij opent Uw hand,

zij worden met goed voldaan.

104:29 Gij verbergt Uw aangezicht,

zij zijn verbijsterd;

Gij neemt hun levenskracht weg,

zij blazen de laatste adem uit

en keren terug naar het stof dat ze waren.

104:30 Gij zend Uw geest uit,

zij worden geschapen;

en Gij vernieuwt het aangezicht van de grond.

104:31 Laat de heerlijkheid van Maryah voor eeuwig duren;

laat Maryah verheugd zijn in Zijn werken;

104:32 Hij kijkt naar de aarde,

en zij beeft;

Hij raakt de bergen aan,

en ze roken.

104:33 Ik zal zingen van Maryah

zo lang als ik leef;

ik zal lof zingen tot mijn Aloha

terwijl ik mijn bestaan heb.

104:34 Laat mijn meditatie aan Hem welgevallig zijn;

wat mij betreft,

ik zal verblijd zijn in Maryah.

104:35 Laat zondaren worden verteerd door de aarde

en laat de goddelozen niet meer zijn.

Zegent Maryah,

O mijn ziel.

prijst Maryah.

Tehelim 105

105:1 Oh geef dank aan Maryah,

roep Zijn naam aan;

maak Zijn daden bekend onder de volkeren.

105:2 Zingt tot Hem;

zingt lof tot Hem;

spreekt van al Zijn wonderen.

105:3 Glorie in Zijn heilige naam;

laat het hart van degenen die Maryah zoeken verblijd zijn.

105:4 Zoekt Maryah en Zijn sterkte;

zoekt voortdurend Zijn aangezicht.

105:5 Gedenk Zijn wonderen

die Hij heeft gedaan,

Zijn verwonderingen

en Zijn oordelen door Zijn mond geuit,

105:6 O zaad van Abraham,

Zijn dienaar,

O zonen van Jakob,

Zijn uitverkorenen!

105:7 Hij is Maryah onze Aloha;

Zijn oordelen zijn over de ganse aarde.

105:8 Hij heeft Zijn verbond voor eeuwig herinnerd,

het woord die Hij gebood aan één duizend generaties,

105:9 het verbond dat Hij met Abraham maakte,

en Zijn eed aan Isaac.

105:10 Vervolgens bevestigde Hij het aan Jakob tot een verordening,

aan Israël als een eeuwigdurend verbond,

105:11 zeggende,

“Aan u zal ik het land van Kanaän geven

als het deel van uw erfenis,”

105:12 wanneer zij enkel met een weinig mensen in aantal waren,

heel weinig,

en vreemdelingen daarin.

105:13 En ze liepen rond van volk naar volk,

van één koninkrijk

naar een andere gemeenschap.

105:14 Hij stond geen mens toe om hun te onderdrukken,

en Hij berispte koningen om hunnentwil:

105:15 “Raak Mijn gezalfden niet aan,

en doe Mijn profeten geen kwaad.”

105:16 En Hij riep een hongersnood over het land;

Hij verbrak de hele staf des brood.

105:17 Hij zond één man vóór hen,

Joseph,

die verkocht werd als slaaf.

105:18 Ze kwelden zijn voeten

met belemmeringen,

hijzelf werd in boeien geslagen;

105:19 tot het moment dat zijn woord geschiedde,

beproefde het woord van Maryah hem.

105:20 De koning zond en gaf hem vrij,

de heerser der volkeren,

en stelde hem vrij.

105:21 Hij maakte hem Mar van zijn huis

en heerser over al zijn bezittingen,

105:22 om zijn prinsen gevangen te nemen naar zijn wil,

dat hij zijn ouderlingen wijsheid zou onderwijzen.

105:23 Ook Israël kwam naar Egypte;

alzo verbleef Jacob in het land van Ham.

105:24 En Hij maakte Zijn volk zeer vruchtbaar,

en maakte hun sterker dan hun tegenstanders.

105:25 Hij keerde hun hart om,

om Zijn volk te haten,

om listig om te gaan met Zijn dienaren.

105:26 Hij zond Mozes Zijn dienaar,

en Aaron,

die Hij had uitverkoren.

105:27 Zij droegen onder hen Zijn wonderlijke daden uit,

en de wonderen in het land van Ham.

105:28 Hij zond duisternis en maakte het donker;

en zij rebelleerden niet tegen Zijn woord.

105:29 Hij veranderde hun wateren in bloed

en maakte dat hun vis stierf.

105:30 Hun land krioelde van de kikkers

zelfs in de kamers van hun koningen.

105:31 Hij sprak,

en er kwam een zwerm van vliegen en steekmuggen

in geheel hun grondgebied.

105:32 Hij gaf hen hagel voor regen,

en vlammend vuur in hun land.

105:33 Hij sloeg ook hun wijnstokken neer

en hun vijgenbomen,

en verbrijzelde de bomen van hun grondgebied.

105:34 Hij sprak,

en sprinkhanen kwamen,

en jonge sprinkhanen,

zelfs zonder getal,

105:35 en aten alle vegetatie op in hun land,

en aten de vrucht op van hun grond.

105:36 Hij sloeg ook alle eerstgeborenen neer in hun land,

de eerstelingen van al hun kracht.

105:37 Vervolgens bracht Hij hun uit

met zilver en goud,

en onder Zijn stammen

was er niet één die struikelde.

105:38 Egypte was blij toen zij vertrokken,

want de schrik van hun

was op hen gevallen.

105:39 Hij spreidde een wolk tot een bedekking,

en vuur om bij nacht te verlichten.

105:40 Zij vroegen,

en Hij bracht kwakkels,

en voldeed hen met het brood des hemels.

105:41 Hij opende de rots

en water stroomde eruit;

het liep in de droge plaatsen

als een rivier.

105:42 Want Hij gedacht Zijn heilig woord met Abraham Zijn dienaar;

105:43 En Hij bracht Zijn volk uit met vreugde,

Zijn uitverkorenen met een vreugdevolle schreeuw.

105:44 Hij gaf hen ook de landen van de naties,

zodat zij bezit zouden kunnen nemen

van de vrucht van de arbeid van de volkeren,

105:45 opdat zij Zijn inzettingen mogen houden

en Zijn wetten in acht nemen,

Prijst Maryah!

Tehelim 106

106:1 Prijst Maryah!

Oh geef dank aan Maryah,

want Hij is goed;

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

106:2 Wie kan de machtige daden van Maryah uitspreken,

of kan al Zijn lof laten zien?

106:3 Hoe gezegend zijn zij die de rechtvaardigheid behouden,

die gerechtigheid beoefenen

ten allen tijde!

106:4 Gedenk mij,

O Maryah,

naar Uw gunst tot Uw volk;

bezoek mij met Uw heil,

106:5 dat ik moge zien de welvaart van Uw uitverkorenen,

dat ik moge verheugen in de blijdschap van Uw volk,

dat ik moge roemen met uw erfdeel.

106:6 We hebben gezondigd zoals onze vaders,

we hebben ongerechtigheid begaan,

we hebben ons goddeloos gedragen.

106:7 Onze vaders in Egypte hebben Uw wonderen niet begrepen;

zij herinnerden zich Uw overvloedige vriendelijkheid niet,

maar rebelleerden bij de zee,

aan de rode zee.

106:8 Toch verloste Hij hen

omwille van Zijn naam,

opdat Hij Zijn kracht bekend zou kunnen maken.

106:9 Dus berispte Hij de rode zee en droogde haar op,

en Hij leidde hen door de diepten,

als door de woestijn.

106:10 Zo redde Hij hen

vanuit de hand van degene die hen haatte,

en verloste hen

vanuit de hand van de vijand.

106:11 De wateren bedekten hun tegenstanders;

niet één van hen bleef over.

106:12 Toen geloofden zij Zijn woorden;

ze zongen Zijn lof.

106:13 Ze vergaten snel Zijn werken;

ze hebben niet op Zijn raad gewacht,

106:14 maar begeerden intens

in de woestijn,

en verzochten Aloha

in die woestenij.

106:15 Dus gaf Hij hen hun verzoek,

maar zond een verwoestende ziekte onder hen.

106:16 Toen zij jaloers werden van Mozes in het kamp,

en van Aaron,

de heilige van Maryah,

106:17 opende de aarde en slokte Dathan op,

en verzwolg het gezelschap van Abiram.

106:18 En een vuur laaide op in hun gezelschap;

de hitte verteerde de goddelozen.

106:19 Ze maakten een kalf bij Horeb

en aanbaden het gesmolten beeld.

106:20 Zij wisselden alzo hun heerlijkheid

voor het beeld van een os die gras eet.

106:21 Ze vergaten Aloha hun redder,

die grote dingen had gedaan in Egypte,

106:22 wonderen in het land van Ham

en ontzagwekkende dingen bij de rode zee.

106:23 Daarom zei Hij dat Hij hun zou vernietigen,

had Mozes

Zijn uitverkorene

niet in de bres gestaan voor Hem,

om Zijn toorn af te wenden

van hun vernietiging.

106:24 Vervolgens smaalden zij het aangename land;

ze geloofden niet in Zijn woord,

106:25 maar mopperden in hun tenten;

ze luisterden niet naar de stem van Maryah.

106:26 Daarom zwoer Hij aan hen

dat Hij hen zou neerwerpen in de woestijn,

106:27 en dat Hij hun zaad zou werpen onder de naties

en hen verstrooien in de landen.

106:28 Ze sloten zichzelf ook aan bij Baal-peor,

en aten de aangeboden offers aan de doden.

106:29 Dus tergden zij Hem tot toorn met hun daden,

en de plaag brak uit onder hen.

106:30 Vervolgens,

stond Pinehas op en stapte tussenbeide,

en zo werd de plaag gestopt.

106:31 En het werd hem aangerekend als gerechtigheid,

tot alle geslachten

voor eeuwig.

106:32 Ze tergden Hem ook tot toorn

bij de wateren van Meribah,

zo dat het op hun rekening

met Mozes zwaar ging;

106:33 omdat zij rebels waren tegen Zijn geest,

sprak hij onbezonnen met zijn lippen.

106:34 Ze vernietigden de volken niet,

zoals Maryah hen gebood,

106:35 maar ze vermengden met de naties

en ze leerden hun praktijken,

106:36 en dienden hun afgodsbeelden,

welke een valstrik voor hun werden.

106:37 Ze offerden zelfs hun zonen en dochters aan de demonen,

106:38 en vergoten onschuldig bloed,

het bloed van hun zonen en hun dochters,

die zij offerden aan de afgoden van Canaan;

en het land werd met het bloed bevlekt.

106:39 Zo werden zij onrein door hun praktijken,

en speelden de hoer door hun handelingen.

106:40 Daarom was de toorn van Maryah ontstoken

tegen Zijn volk

en Hij gruwde van Zijn erfdeel.

106:41 Vervolgens gaf Hij hun in de hand van de naties,

en degenen die hun haten

heersten over hen.

106:42 Hun vijanden onderdrukten hen ook,

en zij werden onderworpen onder hun macht.

106:43 Vele malen zou Hij hen redden;

zij,

echter,

waren rebels in hun raad,

en zonken zo dieper in hun ongerechtigheid.

106:44 Niettemin,

aanschouwde Hij hun nood

toen Hij hun gejammer hoorde;

106:45 En Hij herinnerde Zijn verbond voor hun bestwil,

en liet zich vermurwen

naar de grootheid van Zijn liefdevolle goedheid.

106:46 Hij maakte hen ook tot voorwerp van compassie

in het bijzijn van al hun gevangen-nemers.

106:47 Red ons,

O Maryah onze Aloha,

en verzamel ons vanonder de naties,

om aan Uw heilige naam dankzegging te geven

en roemen in Uw lof.

106:48 Gezegend is Maryah,

de Aloha van Israël,

van eeuwigheid

tot eeuwigheid zelfs.

En laat al de mensen zeggen,

“Amien.”

Prijst Maryah!

Tehelim 107

107:1 Oh geef dankzegging aan Maryah,

want Hij is goed,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

107:2 Laat de verlosten van Maryah zo zeggen,

die Hij heeft verlost

uit de hand van de tegenstander –

107:3 en verzameld uit de landen,

uit het oosten en vanuit het westen,

uit het noorden en vanuit het zuiden.

107:4 Ze dwaalden in de woestijn

in een onbewoonde streek;

ze vonden geen weg

naar een bewoonde stad.

107:5 Ze waren hongerig en dorstig;

hun ziel bezwijmde in hen.

107:6 Vervolgens,

schreeuwden ze het uit naar Maryah in hun kwelling;

Hij verloste hen vanuit hun ellende.

107:7 Hij leidde hen ook door een rechte weg,

om naar een bewoonde stad te gaan.

107:8 Laat hen dankzegging geven aan Maryah

voor Zijn liefdevolle goedheid,

en voor Zijn wonderen aan de zonen der mensen!

107:9 Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd,

en Hij heeft de hongerige ziel gevuld met wat goed is.

107:10 Daar waren degenen die in duisternis leefden

en in de schaduw des doods,

gevangenen in ellende en kettingen,

107:11 Omdat zij hadden gerebelleerd tegen de woorden van Aloha

en de raad van de Meest Hoge verwierpen.

107:12 Daarom verootmoedigde Hij hun hart door moeite;

zij struikelden en er was niet één om te helpen.

107:13 Vervolgens,

schreeuwden zij het uit naar Maryah in hun kwelling;

Hij verloste hen vanuit hun ellende.

107:14 Hij haalde hen uit de duisternis en de schaduw des doods

en brak hun banden uit elkaar.

107:15 Laat hen dankzegging geven aan Maryah

voor Zijn liefdevolle goedheid,

en voor Zijn wonderen aan de zonen der mensen!

107:16 Want Hij verbrijzelde poorten van brons

en brak de tralies van ijzer in stukken.

107:17 Dwazen,

vanwege hun rebels pad,

en vanwege hun ongerechtigheden,

werden zij gekweld.

107:18 Hun ziel verafschuwde alle soorten van voedsel,

en zij kwamen tot dichtbij de poorten des doods.

107:19 Vervolgens schreeuwden zij het uit naar Maryah in hun kwelling;

Hij verloste hen vanuit hun ellende.

107:20 Hij zond Zijn woord en genas hen,

en bevrijdde hen van hun verwoestingen.

107:21 Laat hen dankzegging geven aan Maryah

voor Zijn liefdevolle goedheid,

en voor Zijn wonderen aan de zonen der mensen!

107:22 Laat hen ook offers van dankzegging aanbieden,

en van Zijn werken vertellen

met vreugdevol gezang.

107:23 Degenen die in schepen ter zee afvaren,

die zaken doen op de grote wateren;

107:24 zij hebben de werken van Maryah gezien,

en Zijn wonderen in de diepte.

107:25 Want Hij sprak en wekte een stormachtige wind op,

die de golven van de zee optilde.

107:26 Ze stegen op naar de hemelen,

ze gingen neerwaarts naar de diepten;

hun ziel smolt weg in hun miserie.

107:27 Ze waggelden en wankelden als een dronken man,

en waren aan het einde van hun verstand.

107:28 Vervolgens schreeuwden zij het uit naar Maryah in hun kwelling,

en Hij haalde hen uit hun ellende.

107:29 Hij zorgde ervoor dat de storm stil was,

zodat de golven van de zee werden gesust.

107:30 Toen waren ze blij omdat ze stil waren,

zo leidde Hij hen naar hun verlangde haven.

107:31 Laat hen dankzegging geven aan Maryah

voor Zijn liefdevolle goedheid,

en voor Zijn wonderen aan de zonen der mensen!

107:32 Laten zij Hem ook verhogen

in de samenkomst van het volk,

en Hem roemen

in de stoel van de oudsten.

107:33 Hij verandert rivieren in een woestijn

en wellen van water in een dorstige grond;

107:34 een vruchtbaar land in een zoute leegte,

vanwege de goddeloosheid van degenen die daarin wonen.

107:35 Hij verandert een woestijn in een poel van water

en een dor land in wellen van water;

107:36 en daar doet Hij de hongerigen wonen,

zodat zij een bewoonde stad zouden stichten,

107:37 en velden zaaien en wijngaarden aanplanten,

en een vruchtbare oogst vergaren.

107:38 Ook zegent Hij hen

en ze vermenigvuldigen veel,

en hun vee laat Hij niet verminderen.

107:39 Als zij worden verminderd

en neer buigen door onderdrukking,

miserie en leed,

107:40 giet Hij verachting uit over prinsen

en doet hen verdwalen

in een woestenij zonder paden.

107:41 Maar Hij stelt de behoeftige veilig in hoogten

weg uit de kwelling,

en maakt zijn families als een kudde.

107:42 De oprechten zien het en zijn verblijd;

maar alle ongerechtigheid sluit haar mond.

107:43 Wie is verstandig?

laat hem aandacht schenken aan deze dingen,

en de liefdevolle goedheid overwegen van Maryah.

Tehelim 108

108:1 Een lied,

een psalm van David.

108:2 Mijn hart is standvastig,

O Aloha;

ik zal zingen,

ik zal lof zingen,

zelfs met mijn ziel.

108:3 Ontwaakt,

harp en lier;

ik zal het morgenrood wekken!

108:4 Ik zal aan U dankzegging geven,

O Maryah,

te midden van de volken,

en ik zal tot U lof zingen,

te midden van de naties.

108:5 Want Uw liefdevolle goedheid

is tot hoog boven de hemelen gesteld,

en Uw waarheid reikt tot het uitspansel.

108:6 Wees verheerlijkt,

O Aloha,

boven de hemelen,

en Uw heerlijkheid over de ganse aarde.

108:7 Opdat Uw geliefden bevrijd mogen worden,

verlos met Uw rechter hand,

en antwoord mij!

108:8 Aloha heeft gesproken in Zijn heiligheid:

“Ik zal juichen,

ik zal Schehem verdelen

en de vallei van Sukkot uitmeten.

108:9 Gilead is de Mijne,

Manasseh is de Mijne;

Ephraim is bovendien de helm van Mijn hoofd;

Judah is Mijn scepter.

108:10 Moab is Mijn waskom;

over Edom zal ik Mijn schoen gooien;

over Philistia zal Ik hardop juichen.”

108:11 Wie zal mij in de belegerde stad brengen?

wie zal mij naar Edom leiden?

108:12 Hebt Gij niet zelf,

O Aloha,

ons verworpen?

En zult Gij niet uitgaan met onze heerscharen,

O Aloha?

108:13 Oh geef ons hulp tegen de tegenstander,

want bevrijding door mensen is tevergeefs.

108:14 Door Aloha zullen we dapper handelen,

en het is Hij

die zal vertreden

onze tegenstanders.

Tehelim 109

109:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

O Aloha van mijn lof,

wees niet stil!

109:2 Want zij hebben de goddeloze en bedrieglijke mond tegen mij geopend;

zij hebben tegen mij gesproken met een leugenachtige tong.

109:3 Ze hebben mij ook omringd

met woorden van haat,

en streden tegen mij zonder reden.

109:4 In ruil voor mijn liefde

handelden ze als mijn aanklagers;

maar ik ben in gebed.

109:5 Dus hebben ze mij kwaad voor goed terugbetaald

en haat voor mijn liefde.

109:6 Stel een goddeloos man over hem aan,

en laat een aanklager aan zijn rechterhand gaan staan.

109:7 Wanneer hij is geoordeeld,

laat hem schuldig naar buiten komen,

en laat zijn gebed zonde worden.

109:8 Laat zijn dagen weinig zijn;

laat een ander zijn ambt nemen.

109:9 Laat zijn kinderen vaderloos worden

en zijn vrouw een weduwe.

109:10 Laat zijn kinderen rondzwerven en bedelen;

en laat ze voeding zoeken

verre van hun verwoeste huizen.

109:11 Laat de schuldeiser alles grijpen wat hij heeft,

en laat vreemdelingen het voortbrengsel van zijn arbeid plunderen.

109:12 Laat er niet één zijn

om liefdevolle goedheid over hem uit te strekken,

noch één

om genadig te zijn aan zijn vaderloze kinderen.

109:13 Laat zijn nageslacht worden neergemaaid;

in een volgende generatie

laat hun namen worden uitgewist.

109:14 Laat de ongerechtigheid van zijn vaders

herinnerd worden voor het aangezicht van Maryah,

en laat de zonde van zijn moeder niet uitgewist worden.

109:15 Laat hun voortdurend voor het aangezicht van Maryah zijn,

dat Hij hun herinnering moge wegmaaien van de aarde;

109:16 omdat hij niet heeft gedacht

om liefdevolle goedheid te tonen,

maar de gekwelde en behoeftige man vervolgde,

en de wanhopige van hart,

om ze ter dood te brengen.

109:17 Hij hield ook van vervloeking,

dus kwam het tot hem;

en hij had geen behagen in zegen,

dus was het verre van hem.

109:18 Maar hij kleedde zichzelf met vervloeking

als met zijn kleed,

en het drong in zijn lichaam binnen

als water

en als olie in zijn botten.

109:19 Laat het aan hem als een kleed zijn

met welke hij zichzelf bedekt,

en tot een gordel

met welke hij zichzelf altijd omgordt.

109:20 Laat dit de beloning voor mijn aanklagers zijn

van Maryah,

en van degenen die kwaad spreken tegen mijn ziel.

109:21 Maar Gij,

O Aloha,

Maryah,

handelt goedaardig met mij omwille van Uw naam;

want Uw liefdevolle vriendelijkheid is goed,

verlos mij;

109:22 want ik ben gekweld

en behoeftig,

en mijn hart is verwond

binnenin mij.

109:23 Ik ben voorbij gegaan

als een schaduw

wanneer zij langer wordt;

ik ben afgeschud als sprinkhaan.

109:24 Mijn knieën zijn krachteloos van het vasten,

en mijn vlees is mager geworden,

zonder vetheid.

109:25 Ik ben ook een schande tot hen geworden;

wanneer zij mij zien,

schudden zij met hun hoofd.

109:26 Help mij,

O Maryah mijn Aloha;

verlos mij volgens Uw liefdevolle vriendelijkheid.

109:27 En laat hen weten dat dit Uw hand is;

Gij,

Maryah,

hebt het gedaan.

109:28 Laat hen vervloeken,

maar Gij zegent;

wanneer zij opstaan,

zullen zij beschaamd worden,

maar Uw dienstknecht zal verheugd zijn.

109:29 Laat mijn aanklagers worden bekleed met oneer,

en laat ze zich met hun eigen schaamte bedekken

als met een mantel.

109:30 Met mijn mond zal ik overvloedig dankzegging geven aan Maryah;

en te-midden-van velen zal ik Hem loven.

109:31 Want Hij staat aan de rechter hand van de behoeftige,

om hem te redden van degenen die zijn ziel oordelen.

Tehelim 110

110:1 Een psalm van David.

Maryah zegt tot mijn Heer (*’imarya’ naam die verwijst naar Yeshu):

“Zit aan Mijn rechterhand

tot ik Uw vijanden een voetbankje maak

voor Uw voeten.”

110:2 Maryah zal Uw krachtige scepter uitstrekken uit Zion,

zeggende,

“Heers te-midden-van Uw vijanden.”

110:3 Uw mensen zullen zich vrijwillig melden op de dag van Uw macht;

in heilige uitdossing,

vanuit de schoot van het morgenrood,

zijn Uw jongeren als de dauw voor U.

110:4 Maryah heeft gezworen

en zal Zijn gedachten niet veranderen,

“Gij zijt een priester voor altijd

volgens de orde van Melchizedek.”

110:5 Maryah is aan Uw rechter-hand;

Hij zal Koningen verpletteren

op de dag van Zijn toorn.

110:6 Hij zal oordelen onder de naties,

Hij zal ze vullen met lijken,

de hoofdman over een uitgestrekt land

zal Hij verpletteren.

110:7 Hij zal drinken uit de beek aan de kant van de weg;

daarom zal Hij Zijn hoofd opheffen.

Tehelim 111

111:1 Prijst Maryah!

Ik zal dankzegging geven aan Maryah met heel mijn hart,

in het gezelschap van de oprechten

en in de samenkomst.

111:2 Groot zijn de werken van Maryah;

ze worden bestudeerd door allen die behagen in hen scheppen.

111:3 Prachtig en majestueus is Zijn werk,

en Zijn gerechtigheid duurt voor eeuwig.

111:4 Hij heeft Zijn wonderen gemaakt om herinnerd te worden;

Maryah is genadig en barmhartig.

111:5 Hij heeft voedsel gegeven

aan degenen die Hem vrezen;

Hij zal Zijn verbond voor eeuwig gedenken.

111:6 Hij heeft aan Zijn volk de kracht van Zijn werken bekend gemaakt,

hun gevende het erfdeel van de naties.

111:7 De werken van Zijn handen zijn waarachtigheid en gerechtigheid;

al Zijn voorschriften zijn betrouwbaar.

111:8 Ze worden nageleefd

voor eeuwig en altijd;

ze worden uitgevoerd

in waarheid en oprechtheid.

111:9 Hij heeft verlossing gezonden aan Zijn volk;

Hij heeft Zijn verbond verordend voor eeuwig;

heilig en ontzagwekkend is Zijn naam.

111:10 Het ontzag voor Maryah

is het begin van wijsheid;

een goed inzicht hebben al degenen die Zijn geboden doen;

Zijn lof voor eeuwig blijvende.

Tehelim 112

112:1 Prijst Maryah!

hoe gezegend is de man die ontzag heeft voor Maryah,

die buitengewoon behagen schept in Zijn geboden.

112:2 Zijn nakomelingen zullen bekwaam worden op aarde;

de generatie van de oprechten zal worden gezegend.

112:3 Welvaart en rijkdom zijn in zijn huis,

en zijn gerechtigheid voor eeuwig blijvende.

112:4 Licht rijst op in de duisternis voor de oprechten;

hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig.

112:5 Het gaat goed met de man die genadig is en uitleent;

hij zal zijn aangelegenheden naar recht onderhouden.

112:6 Want hij zal nimmer wankelen;

de rechtvaardige zal voor altijd worden herinnerd.

112:7 Hij zal kwade tijdingen niet vrezen;

zijn hart is standvastig,

vertrouwende op Maryah.

112:8 Zijn hart wordt gekoesterd,

hij zal niet vrezen,

totdat hij met tevredenheid ziet op zijn tegenstanders.

112:9 Hij heeft vrijelijk gegeven aan de armen,

zijn gerechtigheid blijft voor eeuwig;

zijn hoorn zal in ere worden verhoogd.

112:10 De goddeloze zal het zien en verontwaardigd zijn,

hij zal zijn tanden knarsen en wegsmelten;

de wens van de goddeloze zal vergaan.

Tehelim 113

113:1 Prijst Maryah!

Prijst,

O dienaren van Maryah,

prijst de naam van Maryah.

113:2 Gezegend zij de naam van Maryah

vanaf deze tijd

en voor eeuwig.

113:3 Vanaf de opstijging van de zon,

tot haar ondergang

de naam van Maryah is om te worden geprezen.

113:4 Maryah is hoog boven alle naties;

Zijn heerlijkheid is boven de hemelen.

113:5 Wie is als Maryah onze Aloha,

die in de hoogte troont,

113:6 wie verlaagt zichzelf

om de dingen te zien

die in de hemel zijn

en op de aarde?

113:7 Hij doet de armen opstaan uit het stof

en tilt de behoeftigen op uit de ashoop,

113:8 om hen te laten zitten bij prinsen,

bij de prinsen van Zijn volk.

113:9 Hij laat de onvruchtbare vrouw in het huis vertoeven

als een vreugdevolle moeder van kinderen.

Prijst Maryah!

Tehelim 114

114:1 Toen Israël uitging van Egypte,

het huis van Jakob

van een volk vreemd ter taal,

114:2 werd Judah Zijn heiligdom,

Israël,

Zijn heerschappij.

114:3 De zee keek en vluchtte;

de Jordaan keerde achterwaarts om.

114:4 De bergen sprongen op als rammen,

de heuvels,

als lammeren.

114:5 Wat scheelde u,

O zee,

dat gij vluchtte?

O Jordaan,

dat gij achterwaarts omkeerde?

114:6 O bergen,

dat gij opsprong als rammen?

O heuvels,

als lammeren?

114:7 Beef,

O aarde,

voor het aangezicht van Maryah,

voor het aangezicht van de Aloha van Jakob,

114:8 Die de rotssteen veranderde in een poel van water,

de kiezelsteen in een fontein van water.

Tehelim 115

115:1 Niet aan ons,

O Maryah,

niet aan ons,

maar aan Uw naam

geef glorie vanwege Uw liefdevolle goedheid,

vanwege Uw waarheid.

115:2 Waarom zouden de naties zeggen,

“Waar, nu, is hun Aloha?”

115:3 Maar onze Aloha is in de hemelen;

Hij doet wat Hij wil.

115:4 Hun afgoden zijn zilver en goud,

het werk van s’mensen handen.

115:5 Zij hebben monden,

maar spreken kunnen ze niet;

zij hebben ogen,

maar zien kunnen ze niet;

115:6 ze hebben oren,

maar horen kunnen ze niet;

ze hebben neuzen,

maar ruiken kunnen ze niet;

115:7 Zij hebben handen,

maar voelen kunnen ze niet;

zij hebben voeten,

maar wandelen kunnen ze niet;

ze kunnen niet één geluid vormen door hun keelgat.

115:8 Degenen die hen maken

zullen worden als hun,

iedereen die op hen vertrouwt.

115:9 O Israël,

vertrouwt op Maryah;

hun helper en hun beschermer is Hij.

115:10 O huis van Aaron,

vertrouwt op Maryah;

hun helper en hun beschermer is Hij.

115:11 Gij die Maryah vreest,

vertrouwt op Maryah;

hun helper en hun beschermer is Hij.

115:12 Maryah is ons indachtig geweest;

Hij zal ons zegenen;

Hij zal het huis van Israël zegenen;

Hij zal het huis van Aaron zegenen.

115:13 Hij zal diegenen zegenen die Maryah vrezen,

de kleinen samen met de groten.

115:14 Moge Maryah u vermeerdering geven,

u en uw kinderen.

115:15 Moge gij worden gezegend van Maryah,

Schepper van hemel en aarde.

115:16 De hemelen zijn de hemelen van Maryah,

maar de aarde

heeft Hij gegeven aan de zonen der mensen.

115:17 De doden prijzen Maryah niet,

eenieder die in de stilte afdaalt evenmin;

115:18 Maar wat ons betreft,

wij zullen Maryah zegenen

vanaf dit moment en voor altijd.

Prijst Maryah!

Tehelim 116

116:1 Ik heb Maryah lief,

want Hij hoort mijn stem

en mijn smeekbeden.

116:2 Want Hij heeft Zijn oor naar mij geneigd,

daarom zal ik Hem aanroepen

zolang als ik leef.

116:3 De koorden des doods omvatten mij

en de verschrikkingen van sheol kwamen over mij;

ik ondervond ellende en verdriet.

116:4 Vervolgens riep ik op de naam van Maryah:

” O Maryah,

ik smeek U,

red mijn leven!”

116:5 Genadig is Maryah,

en rechtvaardig;

ja,

onze Aloha is medelijdend.

116:6 Maryah bewaart de eenvoudige;

ik werd laag gebracht,

en Hij redde mij.

116:7 Keer terug tot uw rust,

O mijn ziel,

want Maryah heeft weldadig met u gehandeld.

116:8 Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood,

mijn ogen van tranen,

mijn voeten van struikelen.

116:9 Ik zal wandelen voor het aanschijn van Maryah

in het land van de levenden.

116:10 Ik geloofde terwijl ik zei,

“Ik ben zeer geintimideert.”

116:11 Ik zei in mijn alarmering,

“Alle mensen zijn leugenaars.”

116:12 Wat zal ik terug geven aan Maryah

voor al Zijn gunsten naar mij toe?

116:13 Ik zal de beker van verlossing optillen

en aanroepen de naam van Maryah.

116:14 Ik zal mijn geloften betalen aan Maryah,

Oh,

moge het zijn in het bijzijn van al zijn volk.

116:15 Onschatbaar,

in de ogen van Maryah,

is de dood van Zijn goddelijken.

116:16 O Maryah,

ongetwijfeld ik ben Uw dienaar,

ik ben Uw dienaar,

de zoon van Uw dienstmaagd,

Gij hebt mijn banden losgemaakt.

116:17 Aan U

zal ik een offer van dankzegging aanbieden,

en de naam van Maryah aanroepen.

116:18 Ik zal mijn geloften betalen aan Maryah,

oh moge het zijn in het bijzijn van al Zijn volk,

116:19 in de hoven van het huis van Maryah,

in het midden van u,

O Jeruzalem.

Prijst Maryah!

Tehelim 117

117:1 Prijst Maryah,

alle naties;

looft Hem,

alle volken!

117:2 Want Zijn liefdevolle goedheid is geweldig jegens ons,

en de waarheid van Maryah is eeuwigdurend.

Prijst Maryah!

Tehelim 118

118:1 Geef dank aan Maryah,

want Hij is goed;

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.!

118:2 Oh laat Israël zeggen,

“Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.”

118:3 Oh laat het huis van Aaron zeggen,

“Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.”

118:4 Oh laat degenen die Maryah vrezen zeggen,

“Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.”

118:5 Uit mijn ellende riep ik Maryah aan;

Maryah antwoordde mij

en stelde mij in een grote ruimte.

118:6 Maryah is voor mij;

ik zal niet vrezen;

wat kan kan de mens aan mij doen?

118:7 Maryah is voor mij onder degenen die mij helpen;

daarom zal ik met voldoening zien

op hen die mij haten.

118:8 Het is beter om toevlucht te nemen in Maryah

dan om op de mens te vertrouwen.

118:9 Het is beter om toevlucht te nemen in Maryah

dan om op prinsen te vertrouwen.

118:10 Alle naties omringden mij;

in de naam van Maryah

zal ik hen zeker doorsteken.

118:11 Ze omringden mij,

ja,

ze omringden mij;

in de naam van Maryah

ik zal hen zeker doorsteken.

118:12 Ze omringden mij als bijen;

ze werden uitgeblust als een vuur van doornen;

in de naam van Maryah

zal ik hen zeker doorsteken.

118:13 Je stootte mij gewelddadig

zodat ik viel,

maar Maryah hielp me.

118:14 Maryah is mijn kracht en gezang,

en Hij is mijn heil geworden.

118:15 Het geluid van vreugdevol gejuich en heil

is in de tenten van de rechtvaardigen;

de rechterhand van Maryah doet dapperheid.

118:16 De rechterhand van Maryah is verhoogd;

de rechterhand van Maryah doet dapperheid.

118:17 Ik zal niet sterven,

maar leven,

en van de werken van Maryah vertellen.

118:18 Maryah heeft mij zwaar gedisciplineerd,

maar Hij heeft mij aan de dood niet overgegeven.

118:19 Open voor mij de poorten van gerechtigheid;

ik zal ingaan door hen,

ik zal dankzegging geven aan Maryah.

118:20 Dit is de poort van Maryah;

de rechtvaardigen zullen erdoorheen gaan.

118:21 Ik zal dankzegging geven aan U,

want Gij hebt mij geantwoord,

en Gij zijt mijn heil geworden.

118:22 De steen die de bouwers verwierpen

is de hoofd hoeksteen geworden.

118:23 Dit is Maryah zijn doen;

het is wonderbaar in onze ogen.

118:24 Dit is de dag die Maryah heeft gemaakt;

laat ons daarop verheugen

en verblijd zijn.

118:25 O Maryah,

breng redding,

wij smeken U;

O Maryah,

wij smeken U,

zendt voorspoed!

118:26 Gezegend is degene

die komt in de naam van Maryah;

we hebben u gezegend

uit het huis van Maryah.

118:27 Maryah is Aloha,

en Hij heeft ons licht gegeven;

bind het feestoffer met koorden aan de hoornen van het altaar.

118:28 Gij zijt mijn Aloha,

en ik geef dankzegging aan U;

Gij zijt mijn Aloha,

ik verheerlijk U.

118:29 Geef dankzegging aan Maryah,

want Hij is goed;

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

Tehelim 119

119:1 Alef.

Hoe gezegend zijn zij

wiens weg onberispelijk is,

die wandelen in de wet van Maryah.

119:2 Hoe gezegend zijn zij

die Zijn getuigenis in acht nemen,

die Hem zoeken

met gans hun hart.

119:3 Ook doen ze geen ongerechtigheid;

ze wandelen in Zijn wegen.

119:4 Gij hebt Uw voorschriften bevolen,

dat we ze vol overgave moeten houden.

119:5 Oh dat mijn wegen vast mochten worden

om Uw verordeningen te behouden!

119:6 Dan zal ik niet beschaamd worden

wanneer ik zie op al Uw geboden.

119:7 Ik geef dankzegging aan U met oprechtheid van hart,

wanneer ik Uw rechtvaardige oordelen leer.

119:8 Ik zal Uw verordeningen behouden;

verlaat mij niet geheel en al!

Beth.

119:9 Hoe kan een jonge man zijn pad zuiver houden?

door het te bewaken volgens Uw woord.

119:10 Met heel mijn hart heb ik U gezocht;

laat mij niet afdwalen van Uw geboden.

119:11 Uw woord heb ik gekoesterd in mijn hart,

opdat ik niet zou zondigen tegen U.

119:12 Gezegend zijt Gij,

O Maryah;

leer mij Uw verordeningen.

119:13 Met mijn lippen heb ik verteld

van alle verordeningen van Uw mond.

119:14 Ik ben verheugder

in de weg van Uw getuigenissen,

dan over alle rijkdom.

119:15 Uw voorschriften

zal ik overpeinzen

en acht geven

op Uw paden.

119:16 Ik zal verheugen in Uw verordeningen;

ik zal Uw woord niet vergeten.

Gamal.

119:17 Handel gul met Uw dienaar,

dat ik moge leven

en Uw woord bewaren.

119:18 Open mijn ogen,

dat ik wondermooie dingen moge zien vanuit Uw wet.

119:19 Ik ben een vreemde op aarde;

verberg Uw geboden niet voor mij.

119:20 Mijn ziel wordt verpletterd

door het verlangen naar Uw verordeningen

te alle tijden.

119:21 Gij tuchtigt de arroganten,

de vervloekten,

die van Uw geboden afdwalen.

119:22 Neem smaad en verachting van mij weg,

want ik heb Uw getuigenissen in acht genomen.

119:23 Zelfs als prinsen zitten

en tegen mij praten,

Uw dienaar mediteert over Uw inzettingen.

119:24 Uw getuigenissen zijn ook mijn vreugde;

ze zijn mijn raadgevers.

Dalat.

119:25 Mijn ziel kleeft aan het stof;

doe mij herleven naar Uw woord.

119:26 Ik vertelde van mijn wegen,

en Gij hebt mij geantwoord;

leer mij Uw inzettingen.

119:27 Doe mij verstaan

de weg van Uw voorschriften,

zo zal ik mediteren over Uw wonderen.

119:28 Mijn ziel huilt van droefheid;

versterk mij naar Uw woord.

119:29 Haal mij van de valse weg af,

en verleen mij genadig Uw wet.

119:30 Ik heb gekozen voor de getrouwe weg;

ik heb Uw verordeningen voor mij geplaatst.

119:31 Ik klamp vast aan Uw getuigenissen;

O Maryah,

zet mij niet te schande!

119:32 Ik zal de weg van Uw geboden lopen,

want Gij zult mijn hart verruimen

Hey.

119:33 Leer mij,

O Maryah,

de weg van Uw verordeningen,

en ik zal die in acht nemen

tot het einde.

119:34 Geef me begrip,

opdat ik Uw wet moge in acht nemen

en die houden met heel mijn hart.

119:35 Doe mij stappen op het pad van Uw geboden,

want daarin schep ik behagen.

119:36 Buig mijn hart naar Uw getuigenissen

en niet naar oneerlijke voordeel.

119:37 Wend mijn ogen af

van het kijken naar ijdelheid,

en doe mij herleven op Uw wegen.

119:38 Bevestig Uw woord aan Uw dienaar,

daar dat ontzag voor U teweegbrengt.

119:39 Wend mijn blaam af die ik vrees,

want Uw verordeningen zijn goed.

119:40 Zie!

ik verlang naar Uw voorschriften;

doe mij herleven

door Uw gerechtigheid.

Waw.

119:41 Moge Uw liefdevolle goedheid ook over mij komen,

O Maryah,

Uw redding volgens Uw woord;

119:42 Zo zal ik een antwoord hebben

voor hem die mij smaad,

want ik vertrouw op Uw woord.

119:43 En neem het woord van waarheid niet geheel en al uit mijn mond,

want ik wacht op Uw verordeningen.

119:44 Zo zal ik Uw wet voortdurend houden,

voor eeuwig en altijd.

119:45 En ik zal wandelen in de weidsheid,

want ik zoek Uw voorschriften.

119:46 Ik zal ook van Uw getuigenissen spreken voor koningen

en zal niet beschaamd worden.

119:47 Ik zal behagen scheppen in Uw geboden,

die ik liefheb.

119:48 En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden,

die ik liefheb;

en ik zal Uw verordeningen overpeinzen.

Zayn.

119:49 Gedenk het woord aan Uw dienaar,

op welke Gij mij hoop hebt doen stellen.

119:50 Dit is mijn troost in mijn ellende,

dat Uw woord mij heeft doen herleven.

119:51 De verwaande bespotte mij geheel en al,

toch wijk ik niet af van Uw wet.

119:52 Ik heb Uw verordeningen herinnerd

sedert vanouds,

O Maryah,

en troostte mezelf.

119:53 Gloeiende verontwaardiging heeft mij aangegrepen

vanwege de goddelozen,

die Uw wet verlaten.

119:54 Uw verordeningen zijn m’n gezangen

in het huis van mijn pelgrimstocht.

119:55 O Maryah,

ik herinnerde me Uw naam in de nacht,

en bewaarde Uw wet.

119:56 Dit is het mijne geworden,

omdat ik Uw voorschriften in acht genomen heb.

Het.

119:57 Maryah is mijn deel;

ik heb beloofd om Uw woorden te houden.

119:58 Ik zocht Uw gunst met heel mijn hart;

wees genadig tot mij naar Uw woord.

119:59 Ik overdacht mijn wegen

en keerde mijn voeten naar Uw getuigenissen.

119:60 Ik verhaastte en talmde niet

om Uw geboden te houden.

119:61 De koorden van de goddelozen hebben mij omsloten,

maar ik heb Uw wet niet vergeten.

119:62 Om middernacht zal ik opstaan

om dankzegging aan U te geven

vanwege Uw rechtvaardige verordeningen.

119:63 Ik ben een metgezel

van al degenen die U vrezen,

en van degenen die Uw voorschriften houden.

119:64 De aarde is vol van Uw liefdevolle goedheid,

O Maryah;

leer mij Uw verordeningen.

Tet.

119:65 Gij hebt goed gehandeld met Uw dienaar,

O Maryah,

volgens Uw woord.

119:66 Leer mij goed onderscheiden

en kennis,

want ik geloof in Uw geboden.

119:67 Ik werd gekweld tevoren

ik dwaalde af,

maar nu houd ik Uw woord.

119:68 Gij zijt goed

en doet goed;

leer mij Uw verordeningen.

119:69 De hoogmoedigen

hebben een leugen tegen mij verzonnen;

met geheel mijn hart

zal ik Uw voorschriften in acht nemen.

119:70 Hun hart is bedekt met vettigheid,

maar ik schep behagen in Uw wet.

119:71 Het is goed voor mij

dat ik gekweld werd,

opdat ik Uw verordeningen moge leren.

119:72 De wet van Uw mond is beter voor mij

dan duizenden van goud

en zilver stukken.

Yod.

119:73 Uw handen maakten mij

en vormden mij;

geef mij begrip,

opdat ik Uw geboden moge leren

119:74 Moge degenen die U vrezen

mij zien

en blij zijn,

omdat ik op Uw woord wachtte.

119:75 Ik weet,

O Maryah,

dat Uw oordelen rechtvaardig zijn,

en dat Gij mij in getrouwheid hebt gekweld.

119:76 O moge Uw liefdevolle goedheid mij troosten,

volgens Uw woord aan Uw dienaar.

119:77 Moge Uw compassie tot mij komen

dat ik moge leven,

want Uw wet is mijn vreugde.

119:78 Moge de hoogmoedigen beschaamd zijn,

want zij brengen mij ten val door een leugen;

maar ik zal mediteren over Uw voorschriften.

119:79 Moge degenen die U vrezen

tot mij keren,

Zelfs degenen die Uw getuigenissen kennen.

119:80 Moge mijn hart onberispelijk zijn in Uw verordeningen;

zo dat ik niet zal beschaamd worden.

Kaf.

119:81 Mijn ziel smacht naar Uw heil;

ik wacht op Uw woord.

119:82 Mijn ogen falen van verlangen naar Uw woord,

terwijl ik zeg,

“Wanneer zult Gij mij vertroosten?”

119:83 Hoewel ik ben geworden

als een wijnzak in de rook,

ik vergeet Uw verordeningen niet.

119:84 Hoe velen zijn de dagen van Uw dienaar?

wanneer zult Gij oordeel uitvoeren

over degenen die mij vervolgen?

119:85 De hoogmoedigen hebben kuilen gegraven voor mij,

mannen die niet in overeenstemming zijn met Uw wet.

119:86 Al Uw geboden zijn getrouw;

zij hebben mij vervolgd met een leugen;

help me!

119:87 Ze vernietigden mij bijna op aarde,

maar wat mij betreft,

k’heb Uw voorschriften niet verlaten.

119:88 Doe mij herleven

volgens Uw liefdevolle goedheid,

zo dat ik de getuigenis van Uw mond moge houden.

Lamad.

119:89 Voor altijd,

O Maryah,

is Uw woord gevestigd in de hemel.

119:90 Uw getrouwheid blijft

doorheen alle generaties;

Gij bracht de aarde tot stand,

en zij staat.

119:91 Zij staan deze dag

naar Uw verordeningen,

want alle dingen zijn Uw dienaren.

119:92 Als Uw wet mijn vreugde niet had geweest,

dan zou ik zijn omgekomen

in mijn ellende.

119:93 Ik zal nooit Uw voorschriften vergeten,

want door hen hebt Gij mij doen herleven.

119:94 Ik ben de Uwe,

red mij;

want ik heb Uw voorschriften gezocht.

119:95 De goddelozen wachten op mij

om me te vernietigen;

ik zal zorgvuldig overdenken

Uw getuigenissen.

119:96 Ik heb een limiet gezien aan alle perfectie;

Uw gebod is buitengewoon ruim.

Mim.

119:97 O hoe hou ik van Uw wet !

zij is mijn overdenking gans de dag.

119:98 Uw geboden maken mij wijzer dan mijn vijanden,

want zij zijn steeds de mijne.

119:99 Ik heb meer inzicht dan al mijn leraars,

want Uw getuigenissen zijn mijn meditatie.

119:100 Ik begrijp meer dan de ouden,

omdat ik Uw voorschriften heb nageleefd.

119:101 Ik heb mijn voeten weerhouden

van elke kwade weg,

opdat ik Uw woord moge houden.

119:102 Ik heb niet afgeweken van Uw verordeningen,

want Gij

Gij-zelf hebt mij geleerd.

119:103 Hoe zoet zijn Uw woorden naar mijn smaak!

Ja,

zoeter dan honing naar mijn mond!

119:104 Vanuit Uw voorschriften verkrijg ik begrip;

daarom haat ik elk bedrieglijk pad.

Nun.

119:105 Uw woord is een lamp voor mijn voet

en een licht op mijn pad.

119:106 Ik heb gezworen en zal het bevestigen,

dat ik Uw rechtvaardige verordeningen zal houden.

119:107 Ik ben buitengewoon gekweld;

doe mij herleven,

O Maryah,

volgens Uw woord.

119:108 O accepteer de vrijwillige offers van mijn mond,

O Maryah,

en leer mij Uw verordeningen.

119:109 Mijn leven is permanent in mijn hand,

toch vergeet ik Uw wet niet.

119:110 De goddelozen hebben een valstrik voor mij gelegd,

toch heb ik niet afgedwaald van Uw voorschriften.

119:111 Ik heb Uw getuigenissen voor eeuwig geërfd,

want zij zijn de blijdschap van mijn hart.

119:112 Ik heb mijn hart geneigd

om Uw verordeningen

voor altijd te doen,

zelfs tot het einde.

Sim kath.

119:113 Ik haat degenen die besluiteloos zijn,

maar ik hou van Uw wet.

119:114 Gij zijt mijn schuilplaats

en mijn schild;

ik wacht op Uw woord.

119:115 Wijk van mij,

kwaaddoeners,

dat ik moge handelen

volgens de geboden van mijn Aloha.

119:116 Ondersteun mij

volgens Uw woord,

opdat ik moge leven;

en laat mij niet beschaamd worden over mijn hoop.

119:117 Ondersteun mij

dat ik veilig moge zijn,

opdat ik aandacht moge hebben

voor Uw verordeningen

voortdurend.

119:118 Gij hebt verworpen

al diegenen die afdwalen van Uw verordeningen,

want hun bedrieglijkheid is nutteloos.

119:119 Gij hebt verwijderd

al de goddelozen van de aarde

als droesem;

daarom heb ik Uw getuigenissen lief.

119:120 Mijn vlees beeft van schrik voor U,

en ik ben bevreesd voor Uw oordelen.

Ayn.

119:121 Ik heb recht gedaan

en gerechtigheid;

laat mij niet over aan mijn onderdrukkers.

119:122 Wees een onderpand ten goede

voor Uw dienaar;

laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.

119:123 Mijn ogen zijn verzwakt van verlangen naar Uw heil

en naar Uw rechtvaardig woord.

119:124 Handel met Uw dienaar

volgens Uw liefdevolle goedheid

en leer mij Uw verordeningen.

119:125 Ik ben Uw dienaar;

geef mij begrip

zodat ik kan begrijpen

Uw getuigenissen.

119:126 Het is tijd voor Maryah

om handelend op te treden,

want zij hebben verbroken

Uw wet.

119:127 Daarom bemin ik Uw geboden boven goud,

ja,

boven fijn goudwerk.

119:128 Daarom acht ik al Uw voorschriften correct

betreffende alles,

ik haat ieder bedrieglijk pad.

Peh.

119:129 Uw getuigenissen zijn wonderlijk;

daarom volgt mijn ziel hen op.

119:130 De ontplooiing van Uw woorden geeft licht;

het geeft inzicht aan de eenvoudige.

119:131 Ik opende mijn mond wijd en snakte,

want ik verlangde naar Uw geboden.

119:132 Draai naar mij en wees genadig aan mij,

naar Uw wijze met degenen die Uw naam liefhebben.

119:133 Stel mijn voetstappen vast

in Uw woord,

en laat niet om het even welke ongerechtigheid

heerschappij over mij hebben.

119:134 Verlos mij van de onderdrukking van de mens,

opdat ik Uw voorschriften moge houden.

119:135 Doe Uw aangezicht stralen op Uw dienaar,

en leer mij Uw verordeningen.

119:136 Mijn ogen plengen stromen van water,

omdat zij Uw wet niet houden.

Sadhe.

119:137 Rechtvaardig zijt Gij,

O Maryah,

en oprecht zijn Uw oordelen.

119:138 Gij hebt Uw getuigenissen geboden

in gerechtigheid

en overtreffende getrouwheid.

119:139 Mijn ijver heeft mij verteerd,

omdat mijn tegenstanders Uw woorden hebben vergeten.

119:140 Uw woord is zeer zuiver,

daarom houdt Uw dienaar ervan.

119:141 Ik ben gering en geminacht,

toch vergeet ik Uw voorschriften niet.

119:142 Uw gerechtigheid is een eeuwigdurende gerechtigheid,

en Uw wet is waarheid.

119:143 Kwelling en angst is op mij gekomen,

maar,

Uw geboden zijn mijn blijdschap.

119:144 Uw getuigenissen zijn rechtvaardig voor altijd;

geef mij inzicht

opdat ik moge leven.

Qof.

119:145 Ik riep met gans mijn hart;

antwoord mij,

O Maryah!

ik zal Uw verordeningen in acht nemen.

119:146 Ik riep tot U;

red mij,

en ik zal Uw getuigenissen houden.

119:147 Ik sta op voor de dageraad

en schrei om hulp;

want ik verwacht Uw woorden.

119:148 Mijn ogen voorzien de nacht waken,

zodat ik Uw woord kan overdenken.

119:149 Hoor mijn stem

volgens Uw liefdevolle goedheid;

doe mij herleven,

O Maryah,

volgens Uw verordeningen.

119:150 Zij die goddeloosheid nalopen

trekken nabij;

zij zijn verre van Uw wet.

119:151 Gij zijt nabij,

O Maryah,

en al Uw geboden zijn waarheid.

119:152 Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen

dat Gij hen hebt gegrondvest

voor altijd.

Resh.

119:153 Aanzie mijn ellende

en bevrijd mij,

want Uw wet vergeet ik niet.

119:154 Bepleit mijn zaak

en verlos mij;

doe mij herleven

volgens Uw woord.

119:155 Redding is verre van de goddelozen,

want naar Uw verordeningen zijn ze niet op zoek .

119:156 Groot zijn Uw barmhartigheden,

O Maryah;

doe mij herleven

volgens Uw verordeningen.

119:157 Vele zijn mijn vervolgers

en mijn tegenstanders,

nochtans,

wijk ik van Uw getuigenissen niet af.

119:158 Ik aanschouw degenen die dubbelhartig zijn

en verafschuw hen,

omdat ze Uw woord niet houden.

119:159 Overweeg hoe ik van Uw voorschriften hou;

doe mij herleven,

O Maryah,

volgens Uw liefdevolle goedheid.

119:160 De uitkomst van Uw woord is waarheid,

en elkeen van Uw rechtvaardige verordeningen

is eeuwigdurend.

Shin.

119:161 Prinsen vervolgen mij zonder reden,

maar mijn hart staat in ontzag voor Uw woorden.

119:162 Ik verheug me op Uw woord,

gelijk één die een grote verwennerij vindt.

119:163 Ik haat en veracht onwaarheid,

maar ik hou van Uw wet.

119:164 Zeven maal per dag loof ik U,

vanwege Uw rechtvaardige verordeningen.

119:165 Zij die Uw wet liefhebben

hebben grootste vrede,

en niets doet hun struikelen.

119:166 Ik hoop op Uw redding,

O Maryah,

en doe Uw geboden.

119:167 Mijn ziel behoud Uw getuigenissen,

en ik hou zeer veel van hen.

119:168 Ik behoud Uw voorschriften

en Uw getuigenissen,

want al mijn wegen zijn voor U.

Taw.

119:169 Laat mijn geroep voor U naderen,

O Maryah;

geef mij begrip volgens Uw woord.

119:170 Laat mijn smeekbede voor U naderen;

verlos mij volgens Uw woord.

119:171 Laat mijn lippen lof uiten,

want Gij leert mij Uw verordeningen.

119:172 Laat mijn tong Uw woord bezingen,

want al Uw geboden zijn gerechtigheid.

119:173 Laat Uw hand klaar zijn om mij te helpen,

want Uw geboden heb ik verkozen.

119:174 Ik verlang naar Uw heil,

O Maryah,

en Uw wet is mijn verukking.

119:175 Laat mijn ziel leven

opdat zij U moge prijzen,

en laat Uw verordeningen mij helpen.

119:176 Ik ben op een dwaalspoor gegaan

als een verloren schaap;

zoek Uw dienaar,

want ik vergeet Uw geboden niet.

Tehelim 120

120:1 Een lied van opklimming.

In mijn ellende riep ik tot Maryah,

en Hij antwoordde mij.

120:2 Verlos mijn ziel,

O Maryah,

van leugenachtige lippen,

van een bedrieglijke tong.

120:3 Wat zal worden gegeven

aan u,

en wat zal meer worden gedaan

aan u,

gij bedrieglijke tong?

120:4 Scherpe pijlen van de krijger,

met de gloeiende kolen van de bremboom.

120:5 Wee is mij,

want ik vertoef in Meshech,

want ik woon onder de tenten van Kedar!

120:6 Te lang reeds heeft mijn ziel haar woning gehad

met degenen die vrede haten.

120:7 Ik ben voor de vrede,

maar wanneer ik spreek,

zijn zij voor de strijd.

Tehelim 121

121:1 Een lied van opklimming.

Ik zal mijn ogen opheffen naar de bergen;

vanwaar zal mijn hulp komen?

121:2 Mijn hulp komt van Maryah,

die hemel en aarde maakte.

121:3 Hij zal uw voet niet toestaan om te slippen;

Hij,

uw bewaarder

zal niet sluimeren.

121:4 Zie!

Hij die Israël bewaart

zal niet sluimeren

noch slapen.

121:5 Maryah is uw bewaarder,

Maryah is uw schaduw

aan uw rechterhand.

121:6 De zon zal u niet treffen overdag,

noch de maan s’nachts.

121:7 Maryah zal u beschermen tegen alle kwaad;

Hij zal uw ziel bewaren.

121:8 Maryah zal bewaken

uw uitgaan en uw inkomen

van deze tijd aan en tot eeuwig.

Tehelim 122

122:1 Een lied van opklimming,

van David.

Ik was blij toen ze zeiden tegen mij,

“Laat ons gaan naar het huis van Maryah.”

122:2 Onze voeten staan binnen uw poorten,

O Jeruzalem,

122:3 Jeruzalem,

dat is gebouwd

als een stad die opeen-gedrongen is;

122:4 tot welke de stammen opgaan,

zelfs de stammen van Maryah

een verordening voor Israël

om dankzegging te geven aan de naam van Maryah.

122:5 Want daar waren tronen des oordeel’s gezet,

de tronen van het huis van David.

122:6 Bid voor de vrede van Jeruzalem:

“Mogen ze welvaren deze die u beminnen.

122:7 Moge vrede binnen uw muren zijn,

en welvaart binnen uw paleizen.”

122:8 Omwille van mijn broeders en mijn vrienden,

zal ik nu zeggen,

“Moge vrede binnen u zijn.”

122:9 Omwille van het huis van Maryah onze Aloha,

zal ik uw goed betrachten.

Tehelim 123

123:1 Een lied van opklimming.

Tot U hef ik mijn ogen op,

O Gij die gezeten zijt op een troon in de hemelen!

123:2 Zie,

gelijk de ogen van dienstknechten naar de hand van hun meester kijken,

gelijk de ogen van een meid naar de hand van haar meesteres,

zo kijken onze ogen naar Maryah onze Aloha,

totdat Hij genadig aan ons is.

123:3 Wees genadig aan ons,

O Maryah,

wees genadig aan ons,

want wij zijn zwaar opgevuld met verachting.

123:4 Onze ziel is zwaar opgevuld

met het gespot van zij die op hun gemak zijn,

en met de verachting van de hovaardige.

Tehelim 124

124:1 Een lied van opklimming,

van David.

“Was het niet Maryah geweest die aan onze kant was,”

laat Israël nu zeggen,

124:2 was het niet Maryah geweest

die aan onze kant was

toen mannen tegen ons opstonden!

124:3 Dan zouden zij ons levend hebben verslonden,

wanneer hun toorn was ontstoken tegen ons;

124:4 dan zouden de wateren ons hebben overspoeld,

de stroom zou over onze ziel zijn gejaagd;

124:5 dan zouden de razende wateren over onze ziel zijn gejaagd.”

124:6 Gezegend is Maryah,

die ons niet heeft overgegeven

om te worden verscheurd door hun tanden.

124:7 Onze ziel is ontsnapt

als een vogel uit de valstrik van de strikkenzetter;

de strik is gebroken

en wij zijn ontsnapt.

124:8 Onze hulp is in de naam van Maryah,

die hemel en aarde maakte.

Tehelim 125

125:1 Een lied van opklimming.

Zij die vertrouwen in Maryah

zijn als Berg Sion,

welke niet kan worden bewogen

maar voor eeuwig blijft.

125:2 Zoals de bergen Jeruzalem omringen,

zo omringt Maryah Zijn volk

van deze tijd aan

en voor altijd.

125:3 Want de scepter van goddeloosheid

zal niet rusten op het land van de rechtvaardigen,

zo dat de rechtvaardigen hun handen niet zullen uitsteken

om onrecht te doen.

125:4 Doe goed,

O Maryah,

aan degenen die goed zijn

en aan degenen die oprecht zijn in hun harten.

125:5 Maar wat betreft degenen

die zijwaarts afwenden

naar hun kromme wegen,

Maryah zal hen weg leiden

met de doeners van ongerechtigheid.

Vrede zij op Israël.

Tehelim 126

126:1 Een lied van opklimming.

Wanneer Maryah terug bracht

de gevangenen van Sion;

we waren gelijk degenen die dromen.

126:2 Vervolgens was onze mond gevuld met gelach

en onze tong met vreugdevol geschreeuw;

toen zeiden ze onder de naties,

“Maryah heeft grote dingen voor hen gedaan.”

126:3 Maryah heeft grote dingen voor ons gedaan;

we zijn verblijd.

126:4 Herstel onze gevangenschap,

O Maryah,

als de stromen in het zuiden.

126:5 Degenen die in tranen zaaien

zullen met vreugdevol gejuich maaien.

126:6 Hij die heen en weer gaat,

wenend zijn draagtas met zaad dragende,

zal inderdaad wederkomen met een gejuich van vreugde,

zijn schoven met hem brengende.

Tehelim 127

127:1 Een lied van opklimming,

van Solomon.

Tenzij Maryah het huis bouwt,

tevergeefs zwoegen zij die het bouwen;

tenzij Maryah de stad bewaart,

tevergeefs blijft de wachter wakker.

127:2 Het is tevergeefs voor u om vroeg op te staan,

om u laat terug te trekken,

het brood te eten van pijnlijke arbeid;

want Hij geeft het immers aan Zijn beminden in den slaap

127:3 Zie!

kinderen zijn een gave van Maryah,

de vrucht van de schoot is een beloning.

127:4 Als pijlen in de hand van een krijger,

zo zijn de kinderen van iemands jeugd.

127:5 Hoe gezegend is de man

wiens pijlkoker met hen is gevuld;

zij zullen niet beschaamd worden

wanneer zij met hun vijanden spreken in de poort.

Tehelim 128

128:1 Een lied van opklimming.

Hoe gezegend is eenieder die Maryah vreest,

die in Zijn wegen wandelt.

128:2 Wanneer gij zult eten van de vrucht van uw handen,

zult gij gelukkig zijn

en het zal wel met u zijn.

128:3 Uw vrouw zal als een vruchtbare wijnstok zijn binnen uw huis,

uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.

128:4 Zie!

want alzo zal de mens gezegend worden

die Maryah vreest.

128:5 Moge Maryah u zegenen uit Sion,

dat gij de voorspoed van Jeruzalem moogt zien,

al de dagen van uw leven.

128:6 Jazeker,

dat gij uw kinder’s kinderen moogt zien.

Vrede zij op Israël!

Tehelim 129

129:1 Een lied van opklimming.

“Vele malen hebben zij me vervolgd vanaf mijn jeugd,”

Laat Israël nu zeggen,

129:2 “Vele malen hebben zij me vervolgd vanaf mijn jeugd;

nochtans hebben zij tegen mij niet overheerst.

129:3 De ploegers ploegden op mijn rug;

zij verlengden hun groeven.”

129:4 Maryah is rechtvaardig;

de koorden van de goddelozen

heeft Hij in tweeën gesneden.

129:5 Moge allen die Sion haten

tot schaamte worden gebracht

en achterwaarts worden gekeerd;

129:6 laat hen als gras worden

op de toppen der huizen,

die verdort voordat het opgroeit;

129:7 met welke de maaier zijn hand niet vult,

of de binder van schoven zijn schoot;

129:8 noch zeggen zij die voorbijgaan,

“De zegen van Maryah zij bij u;

in de naam van Maryah

zegenen we u.”

Tehelim 130

130:1 Een lied van opklimming.

Vanuit de diepten heb ik tot U geschreeuwd,

O Maryah.

130:2 Maryah,

hoor mijn stem!

Laat Uw oren attent zijn

op de stem van mijn smeekbeden.

130:3 Zo Gij,

Maryah,

ongerechtigheden moet markeren,

O Maryah,

wie kan bestaan?

130:4 Maar er is vergeving bij U,

dat Gij moge gevreesd worden.

130:5 Ik wacht op Maryah,

mijn ziel wacht,

en op Zijn woord hoop ik.

130:6 Mijn ziel wacht op Maryah

meer dan de wachters op de morgen;

ja,

meer dan de wachters op de morgen.

130:7 O Israël,

hoop op Maryah;

want bij Maryah is er liefdevolle goedheid,

en bij Hem is overvloedige verlossing.

130:8 En Hij zal Israël verlossen

van al zijn ongerechtigheden.

Tehelim 131

131:1 Een lied van opklimming,

van David.

O Maryah,

mijn hart is niet hoogmoedig,

noch mijn ogen trots;

noch betrek ik mezelf in grote zaken,

of in ingewikkelde dingen voor mij.

131:2 Zeer zeker heb ik mijn ziel bedaard en gekalmeerd;

als een gespeend kind die tegen zijn moeder rust,

mijn ziel is als een gespeend kind in mij.

131:3 O Israël,

hoop op Maryah

vanaf deze tijd en voor eeuwig.

Tehelim 132

132:1 Een lied van opklimming.

Gedenk,

O Maryah,

namens David,

al zijn ellende;

132:2 Hoe hij zwoer aan Maryah

en aan de Machtige Ene van Jakob beloofde,

132:3 “Zeer zeker zal ik mijn huis niet ingaan,

noch neerliggen op mijn bed;

132:4 ik zal geen slaap geven aan mijn ogen

of sluimering aan mijn oogleden,

132:5 totdat ik een plaats ontdek voor Maryah,

een woonplaats voor de Machtige Ene van Jakob.”

132:6 Zie!

we hoorden ervan in Ephrathah,

we vonden het in het veld van Jaar.

132:7 Laat ons ingaan in Zijn woonplaats;

laat ons aanbidden aan Zijn voetbankje.

132:8 Sta op,

O Maryah,

naar Uw rustplaats,

Gij en de ark van Uw sterkte.

132:9 Laat Uw priesters worden bekleed met gerechtigheid,

en laat Uw goddelijken zingen van blijdschap.

132:10 Ter wille van David

Uw dienaar,

wend het aangezicht niet af van Uw gezalfde.

132:11 Maryah heeft gezworen aan David

een waarheid van welke Hij niet zal terugkeren:

“Van de vrucht van uw lichaam

zal Ik op uw troon zetten.

132:12 Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden

en Mijn getuigenis die Ik hun zal leren,

ook hun zonen zullen op uw troon zitten

voor altijd.”

132:13 Want Maryah heeft Sion verkoren;

Hij heeft het begeerd tot Zijn bewoning.

132:14 “Dit is Mijn rustplaats voor eeuwig;

hier zal Ik wonen,

want Ik heb het begeerd.

132:15 Ik zal haar proviand overvloedig zegenen;

Ik zal haar behoeftigen met brood verzadigen.

132:16 Ook haar priesters zal ik bekleden met heil,

en haar goddelijken zullen luid zingen van vreugde.

132:17 Daar zal Ik de hoorn van David doen ontspringen;

Ik heb een lamp bereid voor Mijn gezalfde.

132:18 Met schaamte zal Ik zijn vijanden bekleden,

maar zijn kroon zal op hem schitteren.”

Tehelim 133

133:1 Een lied van opklimming,

van David.

Zie!

hoe goed en hoe aangenaam is het

voor broeders om tezamen in eenheid te verblijven!

133:2 Het is gelijk de kostbare olie op het hoofd,

neerkomende op de baard,

gelijk Aaron zijn baard,

neerkomende op de zoom van zijn kleden.

133:3 Het is gelijk de dauw van Hermon

neerkomende op de bergen van Zion;

want daar gebied Maryah de zegen

voor eeuwig leven.

Tehelim 134

134:1 Een lied van opklimming.

Zie!

Prijst Maryah,

alle dienaren van Maryah,

die dienen bij nacht in het huis van Maryah!

134:2 Heft uw handen op naar het heiligdom

en prijst Maryah.

134:3 Moge Maryah u zegenen uit Zion,

Hij die hemel en aarde maakte.

Tehelim 135

135:1 Prijst Maryah!

prijst de naam van Maryah;

prijst Hem,

O dienaars van Maryah,

135:2 gij die staat in het huis van Maryah,

in de hoven van het huis van onze Aloha!

135:3 Prijst Maryah,

want Maryah is goed;

zingt lofprijzingen tot Zijn naam,

want die is liefelijk.

135:4 Want Maryah heeft Jakob voor Hemzelf uitgekozen,

Israël tot Zijn eigen bezit.

135:5 Want ik weet dat Maryah groot is

en dat onze Maryah boven alle goden is.

135:6 Al wat Maryah behaagt,

doet Hij,

in de hemel en op de aarde,

in de zeeën en in alle diepten.

135:7 Hij zorgt ervoor dat de dampen opstijgen

van de einden van de aarde;

die bliksemschichten maakt bij de regen,

die de wind voortbrengt uit Zijn schatkisten.

135:8 Hij sloeg de eerstgeborenen van Egypte,

beide,

van mens en dier.

135:9 Hij zond tekenen en wonderen in uw midden,

O Egypte,

aan Farao en al zijn dienaren.

135:10 Hij sloeg vele naties

en doodde machtige koningen,

135:11 Sihon,

koning van de Amorieten,

en Og,

koning van Bashan,

en al de koninkrijken van Kanaän;

135:12 En hun land gaf Hij als een erfdeel,

een erfdeel aan Israël

Zijn volk.

135:13 Uw naam,

O Maryah,

is eeuwigdurend,

Uw nagedachtenis,

O Maryah,

door alle generaties.

135:14 Want Maryah zal Zijn volk rechtspreken

en zal medelijden hebben over Zijn dienaren.

135:15 De afgoden van de naties zijn maar zilver en goud,

het werk van s’mensen-handen

135:16 Zij hebben monden,

maar zij spreken niet;

zij hebben ogen,

maar zij zien niet;

135:17 zij hebben oren,

maar zij horen niet,

ook is er helemaal geen adem in hun monden.

135:18 Degenen die ze maken

zullen zoals hun zijn,

ja,

iedereen die op hen vertrouwt.

135:19 O huis van Israël,

prijst Maryah;

O huis van Aaron,

prijst Maryah;

135:20 O huis van Levi,

prijst Maryah;

gij die Maryah vereert,

prijst Maryah.

135:21 Gezegend is Maryah van Zion,

die woont in Jeruzalem.

Prijst Maryah!

Tehelim 136

136:1 Geef dankzegging aan Maryah,

want Hij is goed,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:2 Geef dankzegging aan de Aloha over de goddelijken,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:3 Geef dankzegging aan Maryah over heren,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:4 Aan Hem die grote wonderen doet alleen,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:5 aan Hem die de hemelen met vaardigheid maakte,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:6 aan Hem die de aarde boven de wateren uitspreidde,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:7 aan Hem die de grote lichten maakte,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend:

136:8 de zon om te heersen over de dag,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:9 de maan en sterren om te heersen over de nacht,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:10 Aan Hem die de Egyptenaren sloeg in hun eerstgeborenen,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:11 en Israël vanuit hun midden bracht,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:12 met een sterke hand en een uitgestrekte arm,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:13 Aan Hem die de Rode Zee splijtend deelde,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:14 en Israël deed passeren door het midden ervan,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:15 maar Farao en zijn leger versloeg Hij aan de Rode Zee,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:16 Aan Hem die Zijn volk door de woestijn leidde,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:17 aan Hem die grote koningen sloeg,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:18 en machtige koningen doodde,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend:

136:19 Sihon,

koning van de Amorieten,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:20 en Og,

koning van Bashan,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:21 en gaf hun land als een erfdeel,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:22 een erfdeel zelfs aan Israël Zijn dienaar,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:23 Die ons gedacht in onze lage staat,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend,

136:24 en ons van onze tegenstanders terugnam,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend;

136:25 die spijs geeft aan alle vlees,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

136:26 Geef dankzegging aan Aloha van de hemel,

want Zijn liefdevolle goedheid is eeuwigdurend.

Tehelim 137

137:1 Bij de rivieren van Babel,

daar zaten wij neer en weenden,

wanneer wij Zion gedachten.

137:2 Aan de wilgen,

in het midden ervan,

hingen wij onze harpen.

137:3 Want daar verlangden onze vangers liedjes van ons,

en onze kwellers vrolijkheid,

zeggende,

“Zing ons één van de liedjes van Zion.”

137:4 Hoe kunnen we het lied van Maryah zingen,

in een vreemd land?

137:5 Als ik u vergeet,

O Jeruzalem,

moge mijn rechterhand haar vaardigheid vergeten.

137:6 Moge mijn tong aan het gewelf van mijn mond kleven

als ik u niet gedenk,

als ik Jeruzalem niet verhef

boven mijn hoogste blijdschap.

137:7 Gedenk,

O Maryah,

aan de zonen van Edom –

aan den dag van Jeruzalem,

dewelke zeiden,

“Verwoest ze,

verwoest ze

tot haar laatste fundament.”

137:8 O dochter van Babel,

gij verwoestte,

hoe gezegend zal degene zijn

die u vergeld met die vergelding waarmede gij ons hebt vergeld.

137:9 Hoe gezegend zal degene zijn

die uw kleintjes grijpt

en tegen de steenrots smakt.

Tehelim 138

138:1 Een psalm van David.

Ik zal U dankzegging geven met gans mijn hart;

ik zal voor U lof zingen

in het bijzijn van de goden.

138:2 Ik zal neerbuigen naar Uw heilige tempel

en dankzegging geven tot Uw naam

voor Uw liefdevolle goedheid en Uw waarheid;

want Gij hebt Uw woord vergroot

omwille van Uw ganse naam.

138:3 Op de dag riep ik,

U antwoordde mij;

U maakte mij vrijmoedig met kracht in mijn ziel.

138:4 Al de koningen van de aarde zullen dankzegging aan U geven,

O Maryah,

wanneer zij de woorden gehoord hebben

vanuit Uw mond.

138:5 En zij zullen zingen

van de wegen van Maryah,

want groots is de glorie van Maryah.

138:6 Want hoewel Maryah hoog is,

toch aanziet Hij de lage,

maar de hooghartige

kent Hij van veraf.

138:7 Al wandel ik te midden van ellende,

Gij zult mij doen herleven;

Gij zult Uw hand uitstrekken

tegen de toorn van mijn vijanden

en Uw rechterhand zal mij behouden.

138:8 Maryah zal het volbrengen

wat mij betreft;

Uw liefdevolle goedheid,

O Maryah,

is eeuwigdurend;

verzaak de werken van Uw handen niet.

Tehelim 139

139:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

O Maryah,

Gij hebt mij doorzocht

en kent mij.

139:2 Gij weet wanneer ik ga zitten

en wanneer ik opsta;

Gij begrijpt mijn gedachte

van veraf.

139:3 Gij onderzoekt nauwkeurig mijn pad

en mijn neerliggen,

en zijt innerlijk vertrouwd met al mijn wegen.

139:4 Nog voordat er een woord op mijn tong is,

zie!

O Maryah,

Gij kent het volkomen.

139:5 Gij hebt mij omsloten

achter en voor,

en legde Uw hand op mij.

139:6 Zulke kennis is te wonderlijk voor mij;

zij is te hoog,

ik kan het niet bereiken.

139:7 Waar kan ik heengaan voor Uw geest?

of waar kan ik vluchten voor Uw aanwezigheid?

139:8 Als ik opklim naar de hemel,

Gij zijt daar;

als ik mijn rustplaats maak in She’ol,

zie,

Gij zijt daar.

139:9 Als ik de vleugels van de dageraad neem,

als ik in het meest afgelegen deel van de zee woon,

139:10 zelfs daar zal Uw hand mij geleiden,

en Uw rechterhand zal mij vastgrijpen.

139:11 Als ik zeg,

“Zeker, de duisternis zal mij overweldigen,

en het licht om mij heen zal nacht worden,”

139:12 zelfs de duisternis is niet donker voor U,

en de nacht is zo helder als de dag.

Duisternis en licht zijn gelijk voor U.

139:13 Want Gij vormde mijn inwendige delen;

Gij weefde mij in mijn moeders buik.

139:14 Ik zal dankzegging geven aan U,

want ik ben bangelijk en verbazend mooi gemaakt;

wonderlijk zijn Uw werken,

en mij ziel weet het zeer goed.

139:15 Mijn geraamte was niet verborgen voor U,

toen ik in geheim werd gemaakt,

en behendig gewrocht in de diepten der aarde;

139:16 Uw ogen hebben mijn vormeloze bestaan gezien;

en in Uw boek waren al de dagen geschreven

die voor mij waren bepaald,

toen er nog niet één van hen was.

139:17 Hoe kostbaar ook zijn Uw gedachten aan mij,

O Aloha!

Hoe enorm groot is het totaal van hen!

139:18 Zo ik hen moet tellen,

ze zouden de zandkorrels overtreffen.

Wanneer ik ontwaak,

ben ik nog steeds bij U.

139:19 Oh dat Gij de goddelozen ombrengen zou,

O Aloha;

ga weg van mij,

daarom,

mannen van bloedvergieten.

139:20 Omdat zij goddeloos tegen U spreken,

en Uw vijanden gebruiken Uw naam ijdel.

139:21 Haat ik niet deze

die U haten,

O Maryah?

en verafschuw ik niet deze

die tegen U opstaan?

139:22 Met de grootste haat

haat ik hen;

mijn vijanden

zijn ze geworden.

139:23 Zoek mij,

O Aloha,

en ken mijn hart;

toets mij

en ken mijn ongemakkelijke gedachten;

139:24 en zie of er een verderfelijke weg bij me is,

en leid mij op de eeuwigdurende weg.

Tehelim 140

140:1 Voor de koor leider.

Een psalm van David.

140:2 Red mij,

O Maryah,

van boze mensen;

bewaar mij van gewelddadige mannen-

140:3 die kwaadaardige dingen in hun hart beramen;

ze hitsen voortdurend tot oorlogen op.

140:4 Ze scherpen hun tongen

zoals een serpent;

vergif van een adder

is onder hun lippen.

Selah.

140:5 Behoed mij,

O Maryah,

voor de handen van de goddelozen;

bewaar mij voor gewelddadige mannen

die hebben besloten

om mijn voeten te doen struikelen.

140:6 De hoogmoedigen hebben een valstrik voor mij verborgen,

en koorden;

ze hebben een net uitgespreid bij de kant van de weg;

ze hebben valstrikken voor mij uitgezet.

Selah.

140:7 Ik zei tot Maryah,

“Gij zijt mijn Aloha;

geef gehoor,

O Maryah,

aan de stem van mijn smeekbeden.

140:8 O Aloha Maryah,

de sterkte van mijn zaligheid,

Gij hebt mijn hoofd bedekt

op de dag der strijd.

140:9 Willig niet in,

O Maryah,

de verlangens van de goddeloze;

bevorder zijn snood plan niet,

opdat zij niet worden verheven.

Selah.

140:10 Hetzelfde voor het hoofd van degenen die mij omringen,

het onheil van hun lippen moge hen bedekken.

140:11 brandende kolen mogen op hun vallen;

in het vuur mogen zij worden geworpen;

in diepe kuilen

uit welke ze niet kunnen opstaan.

140:12 Moge een lasteraar op de aarde niet worden gevestigd;

moge het kwaad snel de gewelddadige man opjagen.”

140:13 Ik weet dat Maryah de zaak van de ellendige

en de rechtvaardigheid voor de armen

zal verdedigen.

140:14 Ongetwijfeld

de rechtvaardigen

zullen dankzegging geven aan Uw naam;

de oprechten

zullen in Uw aanwezigheid verblijven.

Tehelim 141

141:1 Een psalm van David.

O Maryah,

ik roep U aan;

haast U tot mij!

Geef gehoor aan mijn stem

wanneer ik tot U roep!

141:2 Moge mijn gebed worden gerekend

als wierook voor U:

de opheffing van mijn handen

als het offer van de avond.

141:3 Stel een wachter,

O Maryah

bij mijn mond;

houd de wacht bij de deur van mijn lippen.

141:4 Neig mijn hart niet naar enig kwaad ding,

om daden van goddeloosheid te beoefenen

met mannen die ongerechtigheid doen;

en laat mij niet eten van hun heerlijkheden.

141:5 Laat de rechtvaardigen

mij in liefheid slaan

en mij tuchtigen;

het is olie op het hoofd;

laat mijn hoofd niet weigeren,

want mijn gebed is nog steeds tegen hun boze daden.

141:6 Hun rechters zijn neergeworpen

langs de zijden van de steenrots,

en ze hoorden mijn woorden,

want ze zijn aangenaam.

141:7 Gelijk wanneer men ploegt

en de aarde open-splijt,

zijn onze botten verstrooid geweest

aan de mond van Sheol.

141:8 Want mijn ogen zijn op U,

O Aloha,

Maryah,

in U neem ik toevlucht;

laat mij niet ontbloot achter.

141:9 Houd mij uit de kaken van de val

die ze voor mij hebben gezet,

en uit de strikken

van degenen die ongerechtigheid doen.

141:10 Laat de goddelozen in hun eigen netten vallen,

terwijl ik veilig voorbij ga.

Tehelim 142

142:1 Maskil van David,

toen hij in de grot was.

142:2 Een gebed.

Ik roep hardop met mijn stem tot Maryah;

ik doe smeekbede met mijn stem tot Maryah.

142:3 Ik stort mijn klacht vóór Hem uit;

ik maakte mijn kwelling vóór Hem bekend.

142:4 Wanneer mijn geest in mij werd overmeesterd,

kende u mijn pad.

Op de weg waar ik loop

hebben ze een val voor mij verborgen.

142:5 Uitziende naar rechts, en zie;

er is daar geen één die zich bekommerd om mij;

er is geen ontsnapping voor mij;

niemand geeft om mijn ziel.

142:6 Ik riep tot U uit,

O Maryah,

ik zei,

“Gij zijt mijn toevlucht,

mijn deel in het land van de levenden.

142:7 Schenk aandacht aan mijn noodkreet,

want ik ben zeer laag gebracht;

verlos mij van mijn vervolgers,

want zij zijn te sterk voor mij.

142:8 Breng mijn ziel uit de gevangenis,

zo dat ik dankzegging moge geven tot Uw naam;

de rechtvaardigen zullen mij omringen,

want Gij zult mij gul behandelen.”

Tehelim 143

143:1 Een psalm van David.

Hoor mijn gebed,

O Maryah,

geef gehoor aan mijn smeekbeden!

Antwoord mij naar Uw getrouwheid,

naar Uw gerechtigheid!

143:2 En ga geen gericht aan met Uw dienaar,

want geen levend mens

is voor Uw aangezicht rechtvaardig

143:3 Want de vijand heeft mijn ziel vervolgd;

hij heeft mijn leven verpletterd op de aarde;

hij heeft me doen verblijven op duistere plaatsen,

gelijk degenen die al lang gestorven zijn.

143:4 Daarom is mijn geest in mij overweldigd;

mijn hart is binnenin mij geschrokken.

143:5 Ik gedenk de dagen vanouds;

ik mediteer over al Uw daden;

ik mijmer over het werk van Uw handen.

143:6 Ik strek mijn handen uit naar U;

mijn ziel verlangt naar U,

als een verdord land.

Selah.

143:7 Antwoord me haastig,

O Maryah,

mijn geest faalt;

verberg Uw aangezicht niet voor mij,

of ik zal worden gelijk degenen die afdalen naar de put.

143:8 Laat mij Uw liefdevolle goedheid in de ochtend horen;

want op U vertrouw ik;

leer mij de weg

op welke ik moet stappen;

want tot U hef ik mijn ziel op.

143:9 Verlos me,

O Maryah,

van mijn vijanden;

ik neem toevlucht in U.

143:10 Leer mij om Uw wil te doen,

want Gij zijt mijn Aloha;

laat Uw goede geest mij geleiden op vlakke grond.

143:11 Omwille van Uw naam,

O Maryah,

doe mij herleven.

Breng mijn ziel vanuit ellende

naar Uw gerechtigheid

143:12 En in Uw liefdevolle goedheid,

roei mijn vijanden uit

en vernietig al degenen die mijn ziel kwellen,

want ik ben Uw dienaar.

Tehelim 144

144:1 Een psalm van David.

Gezegend is Maryah,

mijn rots,

die mijn handen opleid voor den strijd,

en mijn vingers voor den slag;

144:2 Mijn liefdevolle goedheid en mijn vesting,

mijn burcht en mijn bevrijder,

mijn schild en Hij in wie ik toevlucht vind,

die mijn volk onder mij onderwerpt.

144:3 O Maryah,

wat is de mens,

dat Gij kennis van hem neemt?

Of de zoon van de mens,

dat Gij denkt aan hem?

144:4 De mens is slechts als een ademtocht;

zijn dagen zijn als een passerende schaduw.

144:5 Buig Uw hemelen,

O Maryah,

en daal af;

raak de bergen aan,

dat zij moge walmen.

144:6 Flits bliksem voort

en verstrooi hen;

zend Uw pijlen uit

en verwar hen.

144:7 Strek Uw hand uit

vanuit den hoge;

red mij

en verlos mij vanuit grote wateren,

vanuit de hand van vreemdelingen-

144:8 wiens monden bedriegerij spreken,

en wiens rechterhand

een rechterhand is van valsheid.

144:9 Ik zal een nieuw lied tot U zingen,

O Maryah,

op een harp van tien snaren

zal ik tot U lofprijs zingen.

144:10 Die heil geeft aan koningen,

die David Zijn dienaar bevrijdt

van het kwaadaardige zwaard.

144:11 Bevrijd mij

en verlos mij vanuit de hand van vreemdelingen,

wiens mond bedriegerij spreekt

en wiens rechterhand

een rechterhand is van valsheid.

144:12 Laat onze zonen

als volwassen planten zijn in hun jeugd,

en onze dochters

als hoekpijlers pasklaar gemaakt als voor een paleis;

144:13 laat onze graanschuren gevuld zijn,

verschaffende elke soort van opbrengst,

en onze kuddes

duizenden en tien duizenden voortbrengen

in onze velden;

144:14 laat onze runderen dragen

zonder tegenslag en zonder verlies,

laat er geen geschreeuw in onze straten zijn!

144:15 Hoe gezegend zijn de mensen die zo zijn gevestigd;

hoe gezegend zijn de mensen

wiens Aloha Maryah is!

Tehelim 145

145:1 Een psalm van lofprijs,

van David.

Ik zal U roemen,

mijn Aloha,

O koning,

en ik zal Uw naam zegenen

voor eeuwig en altijd.

145:2 Elke dag zal ik U zegenen,

en ik zal Uw naam loven

voor eeuwig en altijd.

145:3 Groot is Maryah,

en hoogst om geprezen te worden,

en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.

145:4 Één generatie zal Uw werken roemen

aan de ander,

en zal Uw machtige daden bekend maken.

145:5 Over de roemrijke pracht van Uw majesteit

en over Uw wonderlijke werken,

zal ik mediteren.

145:6 Mensen zullen spreken

van Uw ontzagwekkende handelingen,

en ik zal vertellen van Uw grootheid.

145:7 Ze zullen de nagedachtenis

van Uw overvloedige goedheid verlangend uiten

en zullen vreugdevol juichen over Uw gerechtigheid.

145:8 Maryah is genadig en barmhartig;

traag tot toorn

en groot in liefdevolle goedheid.

145:9 Maryah is voor ieder goed,

en Zijn barmhartigheden

zijn over al Zijn werken.

145:10 Al Uw werken

zullen aan U dankzegging geven,

O Maryah,

en Uw goddelijken zullen U zegenen.

145:11 Zij zullen het over de heerlijkheid van Uw koninkrijk hebben

en spreken over uw oppermacht;

145:12 om bekend te maken

aan de zonen van mensen

Uw machtige daden

en de heerlijkheid

van de majesteit van Uw koninkrijk.

145:13 Uw koninkrijk is een eeuwigdurend koninkrijk,

en Uw heerschappij houd stand doorheen alle generaties.

145:14 Maryah ondersteunt allen die vallen

en doet allen opstaan die neergebogen zijn.

145:15 De ogen van allen zien uit naar U,

en Gij geeft ze hun voedsel

op de gepaste tijd.

145:16 Gij opent Uw hand

en verzadigd het verlangen van elk levend schepsel.

145:17 Maryah is rechtvaardig in al Zijn wegen

en goed in al Zijn daden.

145:18 Maryah is nabij

tot allen die Hem aanroepen,

tot allen die Hem aanroepen

in waarheid.

145:19 Hij zal de wens vervullen

van degenen die Hem vrezen;

ook zal Hij hun geroep horen

en zal hen verlossen.

145:20 Maryah bewaart allen die Hem liefhebben,

maar al de goddelozen zal Hij verdelgen.

145:21 Mijn mond

zal de lof van Maryah spreken,

en alle vlees

zal Zijn heilige naam zegenen

voor eeuwig en altijd.

Tehelim 146

146:1 Prijst Maryah!

Prijst Maryah,

O mijn ziel!

146:2 Ik zal Maryah prijzen

terwijl ik leef;

ik zal lof-prijs zingen aan mijn Aloha

terwijl ik mijn bestaan heb.

146:3 Vertrouw niet op prinsen,

op de sterfelijke mens,

bij wie er geen heil is.

146:4 Zijn geest gaat heen,

hij keert terug naar de aarde;

op die zelfde dag

gaan zijn gedachten ten onder.

146:5 Hoe gezegend is hij

wiens hulp de Aloha van Jakob is,

wiens hoop op Maryah is

zijn Aloha,

146:6 die hemel en aarde maakte,

de zee en alles dat in hen is;

die trouw blijft voor altijd;

146:7 die gerechtigheid uitvoert voor de verdrukten;

die voedsel geeft aan de hongerige.

Maryah zet de gevangenen vrij.

146:8 Maryah opent de ogen van de blinden;

Maryah doet degenen opstaan die neder-gebogen zijn;

Maryah heeft de rechtvaardigen lief;

146:9 Maryah beschermt de vreemdelingen;

Hij ondersteunt de wees en de weduwe,

maar het pad van de goddelozen dwarsboomt Hij.

146:10 Maryah zal eeuwig regeren,

uw Aloha,

O Zion,

van alle generaties.

Prijst Maryah!

Tehelim 147

147:1 Prijst Maryah!

Want het is goed

om lof-prijs te zingen aan onze Aloha;

want het is aangenaam

en lof is betamelijk.

147:2 Maryah bouwt Jeruzalem op;

Hij verzamelt de verdrevenen van Israël.

147:3 Hij geneest de ontroostbaren

en verbind hun wonden.

147:4 Hij telt het sterrenaantal;

Hij geeft namen aan allen van hen.

147:5 Groot is onze Maryah

en overvloedig in sterkte;

oneindig is Zijn begrip.

147:6 Maryah ondersteunt de gekwelden;

Hij haalt de goddelozen omlaag tot op de grond.

147:7 Zingt tot Maryah met dankzegging;

zingt lof-prijs op de lier tot onze Aloha,

147:8 die de hemelen met wolken bedekt,

die voor de aarde regen voorziet,

die op de bergen gras doet groeien.

147:9 Hij geeft aan het beest zijn voeder,

en aan de jonge raven die krijsen.

147:10 Hij heeft geen vreugde in de sterkte van het paard;

Hij heeft geen tevredenheid in de benen van een mens.

147:11 Maryah begunstigd degenen die Hem vrezen,

degenen die op Zijn liefdevolle goedheid wachten.

147:12 Prijst Maryah,

O Jeruzalem!

Prijst uw Aloha,

O Zion!

147:13 Want

Hij heeft de afsluitingen van uw poorten versterkt;

Hij heeft uw zonen te-midden-van u gezegend.

147:14 Hij brengt vrede in uw grensgebieden;

Hij verzadigd u met het fijnste van de tarwe.

147:15 Hij zend Zijn bevel uit tot op de aarde;

Zijn woord rent zeer snel.

147:16 Hij geeft sneeuw gelijk wol;

Hij strooit de rijm gelijk as.

147:17 Hij werpt Zijn ijs uit gelijk brokstukken;

wie is in staat om voor Zijn koude staan?

147:18 Hij zendt Zijn woord uit

en smelt ze;

Hij wekt Zijn wind op om te blazen

en de wateren om te stromen.

147:19 Zijn woorden maakt Hij bekend aan Jakob,

Zijn inzettingen en Zijn verordeningen aan Israël.

147:20 Hij heeft alzo niet gehandeld met enige natie;

en wat betreft Zijn verordeningen,

zij hebben hun niet gekend.

Prijst Maryah!

Tehelim 148

148:1 Prijst Maryah!

Prijst Maryah van de hemelen;

prijst Hem in de hoogten!

148:2 Prijst Hem,

al Zijn engelen:

prijst Hem,

al Zijn heerscharen!

148:3 Prijst Hem,

zon en maan;

prijst Hem,

alle stralende sterren!

148:4 Prijst Hem,

hoogste hemelen,

en de wateren

die boven de hemelen zijn!

148:5 Laat ze de naam van Maryah prijzen,

want Hij gebood en zij werden geschapen.

148:6 Hij heeft hen ook vastgesteld

voor eeuwig en altijd;

Hij heeft een besluit gemaakt

die niet zal voorbijgaan.

148:7 Prijst Maryah van de aarde,

kolossen van de zee en al de diepten;

148:8 vuur en hagel,

sneeuw en wolken;

stormachtige wind,

volbrengende Zijn woord;

148:9 bergen en alle heuvels;

vruchtenbomen en alle ceders;

148:10 beesten en alle vee;

kruiperige dingen en gevleugelde vliegers;

148:11 koningen van de aarde en alle volkeren;

prinsen en alle rechters van de aarde;

148:12 beide,

jonge mannen en maagden;

oude mannen en kinderen.

148:13 Laat ze de naam van Maryah loven,

want Zijn naam alleen is verheven;

Zijn heerlijkheid is boven aarde en hemel.

148:14 En Hij heeft een hoorn opgetild voor Zijn volk,

roem voor al Zijn goddelijken;

zelfs voor de zonen van Israël,

een volk nabij Hem.

Prijst Maryah!

Tehelim 149

149:1 Prijst Maryah!

Zingt aan Maryah een nieuw lied,

en Zijn lof in de samenkomst van de goddelijken.

149:2 Laat Israël zich verblijden in zijn Maker;

laat de zonen van Zion vreugde betonen aan hun koning.

149:3 Laat ze Zijn naam lof prijzen

al springend en dansend;

laat ze lof prijs zingen tot Hem

met tamboerijn en lier.

149:4 Want Maryah vindt genoegen in Zijn volk;

Hij zal de getroffenen verfraaien met heil.

149:5 Laat de goddelijken juichen in heerlijkheid;

laat ze zingen van blijdschap op hun ligbedden.

149:6 Laat de krachtige verheerlijkingen van Aloha in hun mond zijn,

en een tweesnijdend zwaard in hun hand,

149:7 om wraak uit te voeren over de naties

en bestraffing over de volken,

149:8 om hun koningen te binden met kettingen

en hun edelen met kluisters van ijzer,

149:9 om het geschreven vonnis over hun te voltrekken;

dit is een eer voor al Zijn goddelijken.

Prijst Maryah!

Tehelim 150

150:1 Prijst Maryah!

Prijst Aloha in Zijn heiligdom;

prijst Hem in Zijn machtig uitspansel.

150:2 Prijst Hem voor Zijn machtige daden;

prijst Hem volgens Zijn uitmuntende grootheid.

150:3 Prijst Hem met trompet geluid;

prijst Hem met harp en lier.

150:4 Prijst Hem met tamboerijn,

gespring en gedans;

prijst Hem met besnaarde instrumenten en pijpen.

150:5 Prijst Hem met luid klinkende cimbalen;

prijst Hem met weergalmende cimbalen.

150:6 Laat alles wat adem heeft Maryah prijzen.

Prijst Maryah!