Blog Image

Aramaic Peshitta Tanakh

Ketava d’Roth

Ruth Posted on Wed, September 19, 2018 14:01:56

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Roth

Het boek Ruth.

Ruth 1

1:1 Nu gebeurde het ongeveer in die dagen

dat de rechters regeerden,

dat er een hongersnood in het land was.

En een zeker man van Beth-lehem in Judah

ging om in het land van Moab te verblijven

met zijn vrouw en zijn twee zonen.

1:2 De naam van de man was Elimelech,

en de naam van zijn vrouw,

Naomi;

en de namen van zijn twee zonen waren

Mahlon en Chilion,

Efrathers van Beth-lechem in Judah.

Nu gingen ze het land van Moab binnen

en bleven daar.

1:3 Vervolgens,

Elimelech,

Naomi’s echtgenoot,

stierf;

en zij bleef achter met haar twee zonen.

1:4 Ze namen Moabitische vrouwen

als echtgenotes voor zichzelf ;

de naam van de ene was Orpah

en de naam van de andere was Ruth.

En zij leefden daar ongeveer tien jaren.

1:5 Vervolgens,

zowel Mahlon als Chilion stierven ook,

en de vrouw was beroofd van haar twee kinderen

en van haar echtgenoot.

1:6 Vervolgens,

zij stond met haar schoondochters op

opdat ze zou terugkeren vanuit het land van Moab,

want zij had in het land van Moab gehoord

dat Maryah Zijn volk bezocht had

om hun voedsel te geven.

1:7 Zo vertrok ze van de plaats waar ze was,

en haar twee schoondochters met haar;

en ze gingen op de weg

om terug te keren naar het land van Judah.

1:8 En Naomi zei tegen haar twee schoondochters,

“Gaat,

keert terug,

ieder van jullie naar haar moeders huis.

Moge Maryah met jullie zo goedaardig omgaan

zoals jullie de doden en mij hebben behandeld.

1:9 “Moge Maryah toestaan dat jullie rust moge vinden,

elk in het huis van haar echtgenoot.”

Toen kuste ze hun,

en zij verhieven hun stemmen

en weenden.

1:10 En zij zeiden tegen haar,

“Neen,

maar we zullen zeker met u terugkeren naar uw volk.”

1:11 Maar Naomi zei,

“Ga terug,

mijn dochters.

Waarom zouden jullie met mij gaan?

Heb ik dan nog zonen in mijn baarmoeder,

dat zij uw echtgenoten kunne zijn?

1:12 “Ga toch terug,

mijn dochters!

Gaat,

want ik ben te oud om een echtgenoot te hebben.

Zo ik al zou zeggen,

ik heb hoop,

zo ik zelfs vanavond al een echtgenoot zou hebben

en ook zonen zou dragen,

1:13 zou je daarom wachten

tot ze volgroeid waren?

Zou je daarom afzien

van het ‘tot vrouw nemen’?

Neen mijn dochters;

want het is zwaarder voor mij

dan voor jullie,

daar de hand van Maryah tegen mij is uitgegaan.”

1:14 En zij verhieven hun stemmen

en weenden opnieuw;

en Orpah kuste haar schoonmoeder,

maar Ruth klampte haar aan.

1:15 Toen zei ze,

“Zie,

uw schoonzuster is teruggegaan

naar haar volk en haar goden;

keer terug met uw schoonzuster.”

1:16 Maar Ruth zei,

“Verzoek mij niet om u te verlaten

of om te draaien wanneer ik u volg;

want waar u heen gaat,

zal ik ook gaan,

en waar u verblijft,

zal ik verblijven.

Uw volk zal mijn volk zijn,

en uw Aloha,

zal mijn Aloha zijn.

1:17 “Waar u sterft,

zal ik sterven,

en daar zal ik begraven worden.

Zo moge Maryah mij doen,

en erger,

zo iets anders dan de dood

u en mij scheidt.”

1:18 Wanneer zij zag

dat ze vastberaden was om met haar mee te gaan,

zei ze niets meer tegen haar.

1:19 Zo gingen ze beiden

tot ze bij Beth-lechem kwamen.

En wanneer zij bij Beth-lechem waren gekomen,

was de hele stad bewogen om hen,

en de vrouwen zeiden:

“Is dit Naomi?”

1:20 Ze zei tegen hen,

“Noem mij niet Naomi;

noem mij Mara,

want de Almachtige heeft zeer bitter met mij gehandeld.

1:21 “Ik ben vol uitgegaan,

maar Maryah heeft mij leeg terug gebracht.

Waarom noem je mij Naomi,

sinds Maryah tegen mij getuigd heeft

en de Almachtige mij gekweld heeft ?”

1:22 Zo keerde Naomi terug,

en met haar Ruth de Moabietische,

haar schoondochter,

die terugkeerde vanuit het land van Moab.

En zij kwamen naar Beth-lechem

bij het begin van de gerstoogst.

Ruth 2

2:1 Nu had Naomi een bloedverwant van haar echtgenoot,

een man van grote rijkdom,

van de familie van Elimelech,

wiens naam Boaz was.

2:2 En Ruth de Moabietische zei tot Naomi,

“Laat me alsjeblieft naar het veld gaan

om te-midden-van het graan de aren te lezen

achter één in wiens ogen ik gunst moge vinden.”

En ze zei tegen haar,

“Ga,

mijn dochter.”

2:3 Zo vertrok zij en ging

en verzamelde in het veld achter de oogsters;

en ze kwam toevallig aan een gedeelte van het veld

toebehorende aan Boaz,

die van de familie van Elimelech was.

2:4 Kijk nu,

Boaz kwam van Beth-lechem

en zei tegen de oogsters,

“Moge Maryah met u zijn.”

En zij zeiden tegen hem,

“Moge Maryah u zegenen.”

2:5 Vervolgens,

Boaz zei tegen zijn dienaar

die de leiding had over de oogsters,

“Wiens jonge vrouw is deze?”

2:6 De dienaar die de leiding had over de oogsters antwoordde,

“Zij is de jonge Moabietische vrouw

die terugkeerde met Naomi

vanuit het land van Moab.

2:7 “En ze zei,

‘alsjeblieft laat me aren lezen

en verzamelen achter de oogsters bij de schoven.’

Zo is zij gekomen en van de ochtend tot nu toe gebleven;

ze heeft maar een korte tijd in het huis gezeten.”

2:8 Vervolgens,

Boaz zei tegen Ruth,

“Luister aandachtig,

mijn dochter.

Ga niet naar een ander veld om aren te lezen;

bovendien,

ga hier van deze niet voort,

maar blijf hier bij mijn dienstmeisjes.

2:9 “Laat uw ogen op het veld zijn dat zij oogsten,

en ga hen achterna.

Jazeker,

ik heb de dienaars bevolen om u niet aan te raken.

Wanneer gij dorstig zijt,

ga naar de waterkruiken

en drinkt van wat de dienaren aftappen.”

2:10 Toen viel ze op haar aangezicht,

boog op de grond en zei tegen hem,

“Waarom heb ik gunst gevonden in uw ogen

dat u mij zou moeten opmerken,

aangezien ik een vreemdelinge ben?”

2:11 Boaz antwoordde haar,

“Alles wat gij hebt gedaan voor uw schoonmoeder

na de dood van je echtgenoot is volledig aan mij gemeld,

en hoe gij uw vader

en uw moeder

en het land van uw geboorte verliet,

en kwam tot een volk

dat gij eerder niet kende.

2:12 “Moge Maryah uw werk belonen,

en uw loon verzadigd zijn door Maryah,

de Aloha van Israël

onder wiens vleugels u bent gekomen

om toevlucht te zoeken.”

2:13 Toen zei ze,

“Ik heb gunst gevonden in uw ogen,

mijn heer,

want gij hebt mij getroost

en gij hebt werkelijk vriendelijk tot uw dienstmaagd gesproken,

hoewel ik niet ben als een van uw dienstmaagden.”

2:14 Bij de maaltijd zei Boaz tegen haar,

“Kom hier,

dat gij van het brood kunt eten

en dompel uw stuk brood in de azijn.”

Zo zat zij naast de oogsters;

en hij serveerde haar geroosterd graan,

en ze at

en was voldaan

maar hield wat over.

2:15 Toen ze opstond om te verzamelen,

beval Boaz zijn dienaren,

zeggende,

“Laat haar zelfs onder de schoven verzamelen,

en beledig haar niet.

2:16 “Ook zult gij opzettelijk wat graan voor haar uit de bundels trekken

en laat het daar

dat zij kan verzamelen,

en berisp haar niet.”

2:17 Zo verzamelde zij in het veld tot ‘s avonds.

Vervolgens sloeg ze uit wat ze had verzameld,

en het was ongeveer één ephah van gerst.

2:18 Ze nam het op en ging naar de stad,

en haar schoonmoeder zag wat ze had verzameld.

Ze haalde het er ook uit

en gaf Naomi wat ze had overgelaten

nadat ze was verzadigd.

2:19 Haar schoonmoeder zei toen tegen haar,

“Waar hebt gij vandaag verzameld

en waar hebt gij gewerkt?

moge hij die u opgemerkt heeft gezegend zijn.”

Zo vertelde ze haar schoonmoeder bij wie ze had gewerkt

en zei,

“De naam van de man bij wie ik vandaag werkte is Boaz.”

2:20 Naomi zei tegen haar schoondochter,

“Moge hij gezegend worden van Maryah

die zijn vriendelijkheid niet heeft ingetrokken

aan de levenden en aan de doden.”

Opnieuw zei Naomi tegen haar,

“Die man is ons familielid

hij is één van onze naaste familieleden.”

2:21 Vervolgens,

Ruth de Moabietische zei,

“Bovendien,

zei hij tegen mij,

‘Gij moet dicht tegen mijn dienstknechten blijven

tot ze al mijn oogst hebben afgewerkt.'”

2:22 Naomi zei tegen Ruth haar schoondochter,

“Het is goed,

mijn dochter,

dat ge uitgaat met zijn maagden,

zodat anderen niet op je vallen in een ander veld.”

2:23 Dus bleef ze dicht bij de maagden van Boaz

om te verzamelen tot het einde van de gerstoogst

en de tarweoogst,

en ze woonde bij haar schoonmoeder.

Ruth 3

3:1 Vervolgens,

Naomi,

haar schoonmoeder

zei tegen haar

“Mijn dochter,

zou ik geen zekerheid voor u zoeken,

dat het goed moge gaan met u?

3:2 “Nu dan,

is niet Boaz onze bloedverwant,

met wiens dienstmaagden je was?

Zie,

hij zift gerst uit

vanavond op de dorsvloer.

3:3 “Dus was uzelf,

en zalf uzelf

en trek je beste kleren aan,

en ga naar de dorsvloer;

maar maak jezelf niet bekend aan de man

totdat hij klaar is met eten en drinken.

3:4 “Het zal zijn wanneer hij neerligt,

dat gij de plaats zult opmerken waar hij ligt,

en gij zult gaan

en zijn voeten ontbloten

en gaan nederliggen;

dan zal hij u vertellen wat gij doen zult.”

3:5 Zij zei tegen haar,

“Al wat gij zegt zal ik doen.”

3:6 Zo ging ze naar de dorsvloer

en deed deze dingen

het eens zijnde

met wat haar schoonmoeder haar bevolen had.

3:7 Wanneer Boaz gegeten en gedronken had

en zijn hart vrolijk was,

ging hij

om aan het eind van de hoop gerst te gaan liggen;

en zij kwam heimelijk

en ontblootte zijn voeten

en ging neder liggen.

3:8 Het gebeurde midden in de nacht

dat die man schrok

en voorover boog;

en zie,

een vrouw lag aan zijn voeten.

3:9 Hij zei,

“Wie zijt gij?”

En zij antwoordde,

“Ik ben Ruth uw dienstmaagd.

Spreid dus uw deken uit over uw dienstmaagd,

want u bent een nauw verwant.”

3:10 Toen zei hij,

“Moge je gezegend worden van Maryah,

mijn dochter.

Gij hebt uw laatste vriendelijkheid bewezen

om beter te zijn dan de eerste

door geen jonge mannen achteraan te gaan,

hetzij arm of rijk.

3:11 “Nu dan,

mijn dochter,

vreest niet.

Ik zal voor u doen wat gij vraagt,

want al mijn mensen in de stad weten

dat gij een voortreffelijke vrouw zijt.

3:12 “Nu dan,

het is waar

ik ben een nauw verwant;

echter,

er is één verwant

dichterbij dan ik.

3:13 “Blijf deze nacht,

en wanneer de morgen komt,

als hij wil doen wat goed voor u is,

goed;

laat hem doen wat goed is.

Maar als hij niet wil doen wat goed voor u is,

dan zal ik u doen wat goed is,

zo (waar) als Maryah leeft.

Lig neder tot de morgen.”

3:14 Zo lag ze aan zijn voeten

tot de morgen

en stond op

nog voor iemand een ander herkennen kon;

en hij zei,

“Laat het niet bekend zijn

dat de vrouw naar de dorsvloer kwam.”

3:15 Hij zei verder,

“Geef mij de mantel

welke over u is

en houd hem goed vast.”

dus hield ze hem goed vast,

en hij mat zes maten gerst

en legde dat erop.

En toen ging ze de stad in.

3:16 Toen zij bij haar schoonmoeder aankwam,

zei ze,

“Hoe is het gegaan,

mijn dochter?”

En ze vertelde haar alles wat de man voor haar had gedaan.

3:17 Ze zei,

“Deze zes maten gerst gaf hij aan mij,

want hij zei,

‘Ga niet naar uw schoonmoeder met lege handen.'”

3:18 Toen zei zij,

“Wacht,

mijn dochter,

totdat ge weet hoe de zaak uitpakt;

want de man zal niet rusten

totdat hij het vandaag nog geregeld heeft.”

Ruth 4

4:1 Nu ging Boaz op naar de poort

en zat daar neder,

en zie,

de nauwe verwant van wie Boaz sprak

kwam voorbij,

zo zei hij,

“Draai u om opzij,

vriend,

ga hier zitten,

en hij draaide om en ging zitten.

4:2 Hij nam tien mannen

van de oudsten van de stad

en zei,

“Zit hier neder.”

Dus zaten zij neder.

4:3 Vervolgens,

hij zei tegen de nauwste verwant,

“Naomi,

die terug is gekomen uit het land van Moab,

moet het stuk land verkopen

die behoorde aan onze broer Elimelech.

4:4 “Dus ik dacht u te informeren,

zeggende,

‘Koop het voor het aangezicht van degenen die hier zitten,

en de oudsten van mijn volk,

Indien gij het wilt loskopen,

koop het;

maar indien niet,

vertel me dat ik het moge weten;

want er is niet één behalve u om het los te kopen,

en na u ben ik.'”

En hij zei,

“Ik zal het afkopen.”

4:5 Toen zei Boaz,

“Op de dag dat je het veld koopt uit de hand van Naomi,

moet je het ook van Ruth de Moabietische kopen,

de weduwe van de overledene,

teneinde de naam van de overledene te verhogen

op zijn erfdeel.”

4:6 De nauwste verwant zei,

“Ik kan het niet voor mezelf kopen,

omdat ik mij eigen erfdeel in gevaar zou brengen.

Koop het voor uzelf;

gij moogt mijn recht van terugkoop hebben,

want ik kan het niet inlossen.”

4:7 Nu was dit de gewoonte in vroegere tijden in Israël

betreffende de terugkoop

en de ruil van land

om elke kwestie te bevestigen:

een man verwijderde zijn sandaal

en gaf deze aan een andere;

en dit was de wijze van getuigenis in Israël.

4:8 Zo zei de nauwste verwant tegen Boaz,

“Koop het voor uzelf.”

En hij verwijderde zijn sandaal.

4:9 Vervolgens,

Boaz zei tegen de oudsten en gans het volk,

“Gij zijt vandaag getuigen

dat ik alles dat behoorde aan Elimelech

en alles dat behoorde aan Chilion en Mahlon

gekocht heb van de hand van Naomi.

4:10 “Bovendien,

heb ik Ruth de Moabietische verworven,

de weduwe van Mahlon,

om mijn vrouw te zijn teneinde de naam te verhogen

van de overledene op zijn erfdeel,

zodat de naam van de overledene

niet zal worden afgesneden van zijn broers

of van het gerecht van zijn geboorteplaats;

gij zijt vandaag getuigen.”

4:11 Alle mensen die in het gerecht waren,

en de oudsten zeiden,

“Wij zijn getuigen.

Moge Maryah de vrouw

die in uw huis komt maken zoals Rachel en Leah,

die beiden het huis van Israël bouwden;

en moge je welstand verwerven in Ephrathah

en vermaard worden in Beth-lechem.

4:12 “Bovendien,

moge uw huis worden als het huis van Perez

die Tamar aan Judah baarde,

door de nakomelingen

die Maryah u geven zal

door deze jonge vrouw.”

4:13 Zo nam Boaz Ruth,

en zij werd zijn vrouw,

en hij ging tot haar in.

En Maryah stelde haar in staat om zwanger te worden,

en zij gaf geboorte aan een zoon.

4:14 Vervolgens,

de vrouwen zeiden tegen Naomi,

“Gezegend is Maryah

die u vandaag niet zonder redder heeft gelaten,

en moge zijn naam vermaard worden in Israël.

4:15 “Moge hij ook een hersteller van leven zijn aan u

en een ondersteuner voor uw oude dag;

want uw schoondochter,

die u liefheeft en beter voor u is dan zeven zonen

heeft hem geboorte gegeven.”

4:16 Vervolgens,

Naomi nam het kind

en legde hem in haar schoot,

en werd zijn voedster.

4:17 De buurvrouwen gaven hem een naam,

zeggende,

“Een zoon is aan Naomi geboren!”

Zo noemden zij hem Obed.

Hij is de vader van Jesse,

die de vader van David is.

4:18 Deze zijn nu de generaties van Perez:

aan Perez

werd Hezron geboren,

4:19 en aan Hezron

werd Ram geboren,

en aan Ram,

Amminadab,

4:20 en aan Amminadab

werd Nahshon geboren,

en aan Nahshon

Salmon,

4:21 en aan Salom

werd Boaz geboren,

en aan Boaz,

Obed.

4:22 en aan Obed

werd Jesse geboren,

en aan Jesse

David.



Ketava d’Malakhi Nebya

Maliachi Posted on Wed, September 19, 2018 13:59:26

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Malakhi Nebya

Het boek Malachi de profeet.

Malachi 1.

1:1 Het gewicht van het woord van Maryah

aan Israël

door Malachi.

1:2 “Ik heb u liefgehad,”

zegt Maryah.

Maar gij zegt,

“Hoe hebt U ons liefgehad?”

Was Esau niet Jakob’s broer?”

verklaart Maryah.

Toch hield ik van Jakob;

1:3 maar Ik heb Esau gehaat,

en Ik heb zijn bergen tot een verwoesting gemaakt

en bestemde zijn erfdeel

voor de jakhalzen van de woestijn.”

1:4 Hoewel Edom zei,

“We zijn verslagen,

maar we keren terug en bouwen de ruïnes op”;

zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Ze mogen bouwen,

maar Ik zal afbreken;

en men zal hen het goddeloos grondgebied noemen,

en het volk op wie Maryah verontwaardigd is

voor altijd en eeuwig.”

1:5 Uw ogen zullen dit zien

en gij zult zeggen,

“Maryah word groter gemaakt voorbij de grens van Israel!”

1:6 “‘Een zoon eert zijn vader,

en een knecht zijn meester.

Als IK dan een vader ben,

waar is Mijn eer?

En als Ik een meester ben,

waar is Mijn respect?’

Zegt Maryah der heirscharen tot u,

O priesters die Mijn naam verachten.

Maar Gij zegt,

‘Hoe hebben wij Uw naam veracht?’

1:7 “Gij presenteert verontreinigd voedsel op Mijn altaar.

Maar gij zegt,

‘Hoe hebben wij U verontreinigd?

Daarin zegt gij,

de tafel van Maryah is om veracht te worden.’

1:8 “Maar wanneer gij het blinde aanbied als offer,

is het geen kwaad?

En wanneer gij het kreupele en het zieke aanbied,

is het geen kwaad?

Waarom zou je het niet aanbieden aan uw gouverneur?

Zou hij tevreden met u zijn?

Of zou hij u vriendelijk ontvangen?”

Zegt Maryah van de heirscharen.

1:9 “Maar nu,

wilt gij Aloha Zijn gunst niet smeken,

opdat Hij misschien genadig voor ons is?

Met zulk een offer van uw kant,

zal Hij één van u vriendelijk ontvangen?”

Zegt Maryah van de heirscharen.

1:10 “Och dat er één onder u was

die de poorten zou sluiten,

dat gij misschien niet nutteloos vuur op Mijn altaar ontsteekt!

Ik ben niet tevreden met u,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“Ook zal Ik geen offer van u aannemen.

1:11 “Want vanaf de opkomst van de zon

tot zelfs aan haar ondergang,

zal Mijn naam groot zijn onder de naties,

en in elke plaats

zal wierook worden aangeboden aan Mijn naam,

en een graanoffer dat puur is;

want Mijn naam zal groot zijn onder de naties,”

zegt Maryah van de heirscharen.

1:12 “Maar gij ontheiligt hem,

opdat gij zegt,

‘De tafel van Maryah is verontreinigd,

en wat haar vrucht betreft,

haar spijs is om te worden veracht.’

1:13 “Gij zegt ook,

‘Lieve help,

hoe vermoeiend is het!’

En gij hebt er minachtend aan gesnuffeld,’

zegt Maryah van de heirscharen,

“En gij brengt wat er door roverij is meegenomen

en wat kreupel of ziek is;

zo brengt gij het offer!

Moet Ik dat uit uw hand aannemen?”

Zegt Maryah.

1:14 “Maar vervloekt zij de oplichter

die een mannetje in zijn kudde heeft en het plechtig belooft,

maar een onzuiver dier offert aan Maryah,

want Ik ben een grote koning,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“En Mijn naam is te vrezen onder de naties.”

Malachi 2.

2:1 “En nu,

dit gebod is voor u,

O gij priesters.

2:2 “Indien gij niet luistert,

en indien gij het niet ter harte neemt

om Mijn naam eer te bewijzen,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“dan zal Ik de vloek op u zenden

en Ik zal uw zegeningen vervloeken;

en waarlijk,

Ik heb hen reeds vervloekt,

omdat gij het niet ter harte neemt.

2:3 “Ziet,

Ik ga uw nakomelingen berispen,

en Ik zal afval over uw gezichten verspreiden,

het afval van uw feesten;

en gij zult ermee worden weggenomen.

2:4 “Dan zult ge weten

dat Ik dit gebod naar u heb gezonden,

opdat Mijn verbond met Levi moge doorgaan,”

zegt Maryah van de heirscharen.

2:5 “Mijn verbond met hem

was er een van leven en vrede,

en Ik gaf ze aan hem

als een object van eerbied;

zo vereerde hij Mij

en stond vol ontzag voor Mijn naam.

2:6 “Ware instructie was in zijn mond

en ongerechtigheid werd op zijn lippen niet gevonden;

hij wandelde met Mij in vrede

en oprechtheid,

en velen keerde hij af van ongerechtigheid.

2:7 “Want de lippen van een priester moeten de kennis bewaren,

en de mens moet onderricht uit zijn mond zoeken;

want hij is de boodschapper van Maryah van de heirscharen.

2:8 “Maar wat u betreft,

gij zijt afgeweken van de weg;

gij hebt er velen doen struikelen in het onderricht;

gij hebt het verbond van Levi verdorven,”

zegt Maryah van de heirscharen.

2:9 “Zo heb ik u ook verachtelijk gemaakt

en vernederd voor gans het volk,

net zoals jij Mijn wegen niet houdt

maar partijdigheid toont in de instructie.

2:10 “Hebben we niet allen één Vader?

Heeft niet één Aloha ons geschapen?

Waarom handelen we verraderlijk

elk tegen zijn broeder,

om zo het verbond van onze vaders te ontheiligen?

2:11 “Judah heeft trouweloos gehandeld,

en een gruwel is gepleegd in Israël

en in Jeruzalem;

want Judah heeft het heiligdom van Maryah ontheiligd

die Hij liefheeft

en heeft de dochter van een vreemde god genomen.

2:12 “Wat de man betreft die dit doet,

moge Maryah hem afsnijden uit de tenten van Jakob

hij die ontwaakt en antwoordt,

of die een offer aan Maryah van de heirscharen aanbiedt.

2:13 “Dit is nog een ding die gij doet:

het altaar van Maryah bedekt gij met tranen,

met huilen en met kreunen;

daar Hij het offer niet langer aanschouwt

noch het aanvaard met gunst

uit uw hand.

2:14 “Toch zegt gij,

‘Om welke reden?’

Omdat Maryah een getuige is geweest

tussen u en de vrouw van uw jeugd,

tegen wie gij trouweloos hebt gehandelt,

hoewel zij uw metgezelin is

en uw vrouw door uw verbond.

2:15 “Maar niet één heeft zo gedaan

die overvloed van geest had.

Want wat zoekt diegene?

een zaad gegeven van Aloha.

Let daarom op uw geest,

en laat niet één trouweloos handelen

tegen de vrouw van zijn jeugd.

2:16 “Want Ik haat scheiding,”

zegt Maryah,

de Aloha van Israël,

“En hem die zijn kleding bedekt met kwaad,”

zegt Maryah van de heirscharen.

“Let dus op uw geest,

opdat gij niet trouweloos handelt.”

2:17 Gij hebt Maryah vermoeid met uw woorden.

Toch zegt gij,

“Hoe hebben wij Hem vermoeid?”

Naar dat gij zegt,

“Iedereen die kwaad doet is goed in de ogen van Maryah,

en Hij verheugd zich in hen,”

of,

“Waar is dan de Aloha der gerechtigheid?”

Malachi 3.

3.1 “Zie!

Ik ga Mijn boodschapper zenden,

en hij zal de weg voor Mij vrijmaken.

En de Heer,

die gij zoekt,

zal plotseling naar Zijn tempel komen;

en de Boodschapper van het verbond,

in wie gij u verheugd,

zie,

Hij komt eraan,”

zegt Maryah van de heirscharen.

3:2 “Maar wie kan de dag van Zijn komst verdragen?

En wie kan standhouden wanneer Hij verschijnt?

Want Hij is als een vuur van de goudsmeden

en als de zeep van de witwassers.

3:3 “Hij zal zitten als een smelter en zuiveraar van zilver,

en Hij zal de zonen van Levi zuiveren

en hen verfijnen als goud en zilver,

opdat zij aan Maryah offers mogen presenteren

in gerechtigheid.

3:4 “Vervolgens zal het offer van Judah

en van Jeruzalem

Maryah behagen

als in de dagen vanouds

en als in de vroegere jaren.

3:5 “Vervolgens zal Ik tot u naderen om te oordelen;

en Ik zal een snelle getuige zijn tegen de tovenaars

en tegen de echtbrekers

en tegen degenen die valselijk zweren,

en tegen degenen die de dagloner onderdrukken in zijn loon,

de weduwe en de wees,

en degenen die de vreemdeling terzijde schuiven

en Mij niet vrezen,”

zegt Maryah van de heirscharen.

3:6 “Want Ik,

Maryah,

verander niet;

daarom wordt gij,

O zonen van Jakob,

niet verteerd.

3:7 “Vanaf de dagen van uw vaders

hebt gij afgewend van mijn verordeningen

en hebt hen niet gehouden.

Keer naar Mij terug,

en Ik zal tot u terugkeren,”

zegt Maryah van de heirscharen.

“Maar gij zegt,

‘Hoe zullen wij terugkeren?’

3:8 “Zal een mens Aloha beroven?

Toch berooft gij Mij!

Maar gij zegt,

‘Hoe hebben we U berooft?’

In tienden en offers.

3:9 “Gij zijt vervloekt met een vloek,

want gij berooft Mij,

het ganse volk van u!

3:10 “Brengt de volledige tiende in het pakhuis,

opdat er spijs in Mijn huis mag zijn,

en beproeft Mij nu hierin,”

zegt Maryah van de heirscharen,

als Ik de vensters van de hemel voor u niet zal openen

en voor u een zegen uitgiet

totdat deze zal overlopen.

3:11 “Vervolgens zal Ik de verslinder voor uw bestwil berispen,

zodat hij de vruchten van de grond niet zal vernietigen;

evenmin zal uw wijnstok in het veld voor de tijd zijn trossen afwerpen,”

zegt Maryah van de heirscharen.

3:12 “Al de naties zullen u gezegend noemen,

want gij zult een verrukkelijk land zijn,”

zegt Maryah van de heirscharen.

3:13 “Uw woorden zijn arrogant tegen Mij geweest,”

zegt Maryah.

“Toch zegt gij,

‘Wat hebben wij tegen U gesproken?’

3:14 “Gij hebt gezegd,

‘Het is tevergeefs om Aloha te dienen,

en wat winst is het dat wij Zijn last hebben gehouden.

en dat wij hebben gewandeld in rouw

voor Maryah van de heirscharen?

3:15 ‘Zo nu,

noemen wij die verwaanden gelukzalig;

niet enkel de doeners van goddeloosheid worden opgebouwd,

maar ook zij beproeven Aloha

en ontkomen.'”

3:16 Zij dan die Maryah vreesden spraken met elkaar,

en Maryah gaf aandacht en hoorde het,

en er werd een herdenkingsboek voor Zijn aangezicht geschreven

voor hen die Maryah vrezen

en voor hen die Zijn naam eerbiedigen.

3:17 “Zij zullen de mijnen zijn,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“Op de dag dat Ik Mijn eigen schat klaarmaak,

en Ik zal hen sparen

zoals een man zijn eigen zoon spaart

die hem dient.”

3:18 Zo zult gij opnieuw onderscheiden

tussen de rechtvaardige en de goddeloze,

tussen een die Aloha dient

en een die Hem niet dient.

Malachi 4.

4:1 “Want zie,

die dag komt eraan,

hij brand als een oven;

en al de hoogmoedigen

en elke kwaaddoener zal kaf zijn;

en die dag die komt zal hen in lichterlaaie zetten,”

zegt Maryah van de heirscharen,

“Zodat het hen noch wortel noch tak zal laten.”

4:2 “Maar voor u die Mijn naam vreest,

zal de zon der gerechtigheid opgaan

met genezing in zijn vleugels;

en gij zult uitgaan

en rond huppelen als kalveren uit de stallen.

4:3 “Gij zult de goddelozen vertreden,

want zij zullen as zijn onder de zolen van uw voeten

op de dag die Ik aan het bereiden ben,”

zegt Maryah van de heirscharen.

4:4 “Gedenkt de wet van Mozes

Mijn dienaar,

zelfs de inzettingen

en de verordeningen

die Ik hem op Horeb heb geboden

voor geheel Israël.

4:5 “Zie nu,

Ik ga u Elijah zenden

de profeet

vóór de komst van de grote en vreselijke dag van Maryah.

4:6 “Hij zal de harten van de vaders

naar hun kinderen terugbrengen

en de harten van de kinderen

naar hun vaders,

opdat Ik niet komen zal

en het land met totale vernietiging tref”



Ketava d’Zekarya Nebya

Zacharia Posted on Wed, September 19, 2018 13:57:52

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Zekarya Nebya

Het boek Zechariah de profeet.

Zechariah 1.

1:1 In de achtste maand

van het tweede jaar van Darius,

het woord van Maryah

kwam tot Zechariah de profeet,

de zoon van Berechiah,

de zoon van Iddo,

zeggende,

1:2 “Maryah was zeer ontstemd over uw vaders.

1:3 “Zeg daarom tegen hen

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Keert terug naar Mij,”

verklaart Maryah van de heirscharen,

“Dat Ik moge terugkeren naar u,”

zegt Maryah van de heirscharen.

1:4 “Wees niet als uw vaders,

tot wie de voormalige profeten proclameerden,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Keert nu terug van uw kwade wegen

en van uw kwade daden.'”

Maar ze luisterden niet-

en ze gaven evenmin aandacht aan Mij,”

verklaart Maryah.

1:5 “Uw vaders,

waar zijn ze?

en de profeten,

leven zij voor eeuwig?

1:6 “Maar hebben Mijn woorden en Mijn inzettingen,

die Ik aan Mijn dienaren de profeten heb geboden,

uw vaders niet ingehaald?

Vervolgens kwamen zij tot inkeer en zeiden,

‘Zoals Maryah van de heirscharen

van plan was om aan ons te doen

overeenkomstig onze wegen en onze daden,

zo heeft Hij dus met ons gehandeld.'”

1:7 Op de vierentwintigste dag

van de elfde maand,

die de Shebat maand is,

in het tweede jaar van Darius,

het woord van Maryah

kwam naar de profeet Zechariah,

de zoon van Berechiah,

de zoon van Iddo,

zoals volgt:

1:8 Ik zag in de nacht,

en zie,

een man reed op een rood paard,

en hij stond tussen de mirtebomen

die in de ravijn waren,

met roodachtige,

rosachtige,

en spierwitte paarden achter hem.

1:9 Toen zei ik,

“Mijn Heer,

wat zijn deze?”

En de engel

die met mij sprak

zei tegen mij,

“Ik zal u laten zien wat deze zijn.”

1:10 En de man die tussen de mirtebomen stond

antwoordde en zei,

“Dit zijn degenen

die Maryah heeft uitgezonden

om op de aarde te patrouilleren.”

1:11 Zo antwoordden zij de engel van Maryah

die tussen de mirtebomen stond

en zeiden,

“Wij hebben op de aarde gepatrouilleerd ,

en zie,

gans de aarde is vredig en stil.”

1:12 Vervolgens zei de engel van Maryah,

“O Maryah van de heirscharen,

hoelang nog zult U geen mededogen hebben

voor Jeruzalem en de steden van Judah,

waarop Gij verontwaardigd zijt geweest

deze zestig en tien jaren?”

1:13 Maryah beantwoordde de engel die met mij sprak,

met hoffelijke woorden,

troostende woorden.

1:14 Zo zei de engel

die met mij sprak

tegen mij,

“Verkondigt,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Ik ben buitengewoon ijverzuchtig voor Jeruzalem en Zion.

1:15 “Maar Ik ben zeer verontwaardigd

over de naties die zich op hun gemak voelen;

want terwijl Ik maar een weinig verontwaardigd was,

bevorderden zij het onheil.”

1:16 ‘Daarom dus zegt Maryah,

“Ik zal terugkeren naar Jeruzalem met mededogen;

Mijn huis zal daarin worden gebouwd,”

verklaart Maryah van de heirscharen,

“En een meetlijn zal over Jeruzalem worden uitgestrekt.”‘

1:17 “Nogmaals,

verkondigt,

zeggende,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Mijn steden zullen opnieuw overstromen van voorspoed,

en Maryah zal Zion opnieuw troosten

en Jeruzalem opnieuw verkiezen.”‘

1:18 Toen hief ik mijn ogen op en keek,

en zie,

er waren vier hoornen.

1:19 Dus zei ik tegen de engel

die met mij sprak,

“Wat zijn dit?”

En hij antwoordde mij,

“Dit zijn de hoornen die Judah,

Israël en Jeruzalem hebben verstrooid.”

1:20 Vervolgens toonde Maryah mij vier ambachtslieden.

1:21 Ik zei,

“Wat zijn deze komen doen?”

En Hij zei,

“Deze zijn de hoornen

die Judah hebben verstrooid

zodat geen mens zijn hoofd verheft;

maar deze ambachtslieden zijn gekomen om hen bang te maken,

om de hoornen van de naties neder te werpen

die hun hoornen hebben verheven tegen het land van Judah

om dat te verstrooien.”

Zechariah 2.

2:1 Vervolgens,

Ik hief mijn ogen op en keek,

en zie,

er was een man met een meetlijn in zijn hand.

2:2 Dus zei ik,

“Waar ga je heen?”

En hij zei tegen mij,

“Naar Jeruzalem opmeten,

om te zien hoe breed het is

en hoe lang het is.”

2:3 En zie,

de engel die met mij sprak

ging uit,

en een andere engel

kwam naar buiten om hem te ontmoeten,

2:4 en zei tegen hem,

“Ren,

en spreek tegen die jongeman,

zeggende,

‘Jeruzalem zal bewoond worden zonder muren

vanwege de menigte van mensen

en vee daarin.

2:5 ‘Want Ik’

verklaart Maryah,

zal een muur van vuur rondom haar zijn,

en Ik zal de glorie in haar midden zijn.'”

2:6 “Ho daar!

vlucht uit het land van het noorden,”

verklaart Maryah,

“Want Ik heb u verstrooid

als de vier winden van de hemelen,”

verklaart Maryah.

2:7 “Ho,

Zion,

ontsnapt,

gij die leeft

met de dochter van Babylon.”

2:8 Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

Die mij na de heerlijkheid heeft gezonden

tot de naties die u hebben geplunderd,

“want hij die u aanraakt,

raakt de appel van Zijn oog aan.

2:9 “Want zie

Ik zal Mijn hand over hen zwaaien

zodat zij een beroving tot hun slaven zullen zijn.”

Dan zult gij weten

dat Maryah van de heirscharen mij heeft gezonden.

2:10 “Zingt van vreugde en wees blij,

O dochter van Zion;

want zie Ik kom

en Ik zal in uw midden wonen,”

verklaart Maryah.

2:11 “Vele naties

zullen zich op die dag aansluiten bij Maryah

en zullen Mijn volk zijn,

dan zal Ik in uw midden wonen;”

en gij zult weten dat Maryah van de heirscharen mij tot u heeft gezonden.

2:12 “Maryah zal Judah beërven

als Zijn deel in het heilige land,

en zal Jeruzalem opnieuw verkiezen.

2:13 “Wees stil,

alle vlees,

voor het aangezicht van Maryah;

want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.”

Zechariah 3.

3:1 Vervolgens toonde hij mij Joshua

de hogepriester

staande voor de engel van Maryah,

en satan stond aan zijn rechterhand

om hem te beschuldigen.

3:2 Maryah zei tot satan,

“Maryah bestraft u,

satan!

inderdaad,

Maryah die Jeruzalem heeft verkozen bestraft u!

Is deze (man) niet een brandend stuk hout

die uit het vuur is gerukt?”

3:3 Joshua nu

was gekleed met smerige gewaden

en hij stond voor de engel.

3:4 Hij sprak en zei

tegen degenen die voor hem stonden,

zeggende,

“Verwijder de smerige gewaden van hem.”

Opnieuw zei hij tegen hem,

“zie,

ik heb uw ongerechtigheden van u weggenomen

en zal u met feestelijke gewaden kleden.”

3:5 Toen zei ik,

“Laat hen een schone tulband op zijn hoofd leggen.”

dus plaatsten ze een schone tulband op zijn hoofd

en bekleden hem met gewaden,

terwijl de engel van Maryah bij hem stond.

3:6 En de engel van Maryah

waarschuwde Joshua vooraf,

zeggende,

3:7 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Indien gij in Mijn wegen zult wandelen

en indien gij mijn dienst zult verrichten,

dan zult ge ook Mijn huis regeren

en ook de zorg hebben over Mijn hoven,

en Ik zal u vrije toegang verlenen

onder degenen die hier staan.

3:8 ‘Luister nu,

Joshua de hogepriester,

gij en uw vrienden die voor u zitten-

zij zijn inderdaad mannen die een teken zijn,

want zie!

Ik ga Mijn knecht de Sheut inbrengen.

3:9 ‘Want zie!

de steen die Ik voor Joshua heb gelegd;

op die ene steen zijn zeven facetten.

Ziet,

Ik zal er een inscriptie op graveren,’

verklaart Maryah van de heirscharen,

‘en Ik zal de ongerechtigheid van dat land

in één dag verwijderen.

3:10 ‘Op die dag,’

verklaart Maryah van de heirscharen,

‘Iedereen van u zal zijn naaste uitnodigen

om onder zijn wijnstok

en onder zijn vijgenboom te gaan zitten.'”

Zechariah 4.

4:1 Vervolgens,

de engel die met mij sprak

keerde terug

en wekte mij,

als een man die ontwaakt is uit zijn slaap.

4:2 Hij zei tegen mij,

“Wat ziet gij?”

En ik zei,

“Ik zie,

en aanschouw,

een kandelaar helemaal van goud

met zijn kommetje op de top ervan,

en zijn zeven lampen erop

met zeven tuiten

behorend bij elk van de lampen

die op de top ervan zijn;

4:3 ook twee olijfbomen erbij,

één aan de rechterkant van het kommetje

en de andere aan de linkerkant.”

4:4 Toen zei ik tegen de engel

die met mij sprak,

zeggende,

“Wat zijn deze,

mijn Heer?”

4:5 Dus de engel

die met mij sprak

antwoordde

en zei tegen mij:

“Weet gij niet wat deze zijn?”

en ik zei,

“Neen mijn Heer.”

4:6 Toen zei hij tegen mij,

“Dit is het woord van Maryah

aan Zerubbabel

zeggende,

‘Niet door macht

evenmin door kracht,

maar door Mijn Geest,’

zegt Maryah van de heirscharen.

4:7 ‘Wat zijt gij,

O grote berg?

Voor Zerubbabel wordt gij een vlakte;

en hij zal de top-steen voortbrengen

met kreten van

“Genade,

genade aan hem!”‘

4:8 Bovendien kwam het woord van Maryah tot mij,

zeggende,

4:9 “de handen van Zerubbabel

hebben het fundament van dit huis gelegd,

en zijn handen zullen het afmaken.

Dan zult gij weten

dat Maryah van de heirscharen mij tot u gezonden heeft.

4:10 “Want wie heeft de dag der kleine dingen veracht?

Maar die zeven zullen verblijd zijn

wanneer zij de loodlijn zien

in de hand van Zerubbabel-

dit zijn de ogen van Maryah

die zich heen en weer over de aarde uitstrekken.”

4:11 Toen zei ik tegen hem,

“Wat zijn die twee olijfbomen

rechts van de kandelaar – en links daarvan?”

4:12 En ik antwoordde de tweede maal

en zei tegen hem,

“Wat zijn de twee olijftakken

die naast de twee gouden tuiten zijn,

die de gouden olie uit zichzelf ledigen?”

4:13 Dus antwoordde hij mij,

zeggende,

“Weet gij niet wat deze zijn?”

En ik zei,

“Neen,

mijn Heer.”

4:14 Toen zei hij,

“Dit zijn de twee gezalfden

die voor de Heer van de ganse aarde staan.”

Zechariah 5.

5:1 Vervolgens,

ik hief mijn ogen weer op

en keek,

en ziet,

er was een vliegende rol.

5:2 En hij zei tegen mij,

“Wat ziet gij?”

En ik antwoordde,

“Ik zie een vliegende rol;

haar lengte is twintig voorarm-lengtes

en haar breedte tien voorarm-lengtes.”

5:3 Toen zei hij tegen mij,

“Dit is de vloek

die over het aangezicht van het hele land uitgaat;

iedereen die steelt

zal zeker weggevaagd worden

volgens het schrijven aan één kant,

en iedereen die zweert

zal weggevaagd worden

volgens het schrijven aan de andere kant.

5:4 “Ik zal die laten voortgaan,”

verklaart Maryah van de heirscharen,

“en hij zal het huis van de dief binnentreden

en het huis van degene die valselijk zweert bij Mijn naam;

en hij zal de nacht doorbrengen in dat huis

en zal het verteren samen met zijn hout en stenen.”

5:5 Vervolgens,

de engel die met mij sprak

ging uit en zei tegen mij,

“hef nu uw ogen op

en zie wat dit is

dat voortgaat.”

5:6 Ik zei,

“wat is het?”

En hij zei,

“Dit is de maat (ephah) die voortgaat.”

Weer zei hij,

“Dit is hun verschijning in gans het land-

5:7 en zie,

een loden deksel werd opgetild-

en dit was een vrouw

zittende middenin de maat (ephah).”

5:8 Toen zei hij,

“Deze is goddeloosheid!”

En hij gooide haar neerwaarts tot in het midden van de maat (Ephah)

en wierp het loden gewicht op de mond daarvan.

5:9 Vervolgens

ik hief mijn ogen op en keek,

en daar kwamen twee vrouwen tevoorschijn

met de wind in hun vleugels;

en zij hadden vleugels als de vleugels van een ooievaar,

en zij tilden de maat (ephah) opwaarts

tussen de aarde en de hemelen.

5:10 Ik zei tegen de engel

die met mij sprak,

“Waar dragen deze de maat heen (ephah)?”.

5:11 Toen zei hij tegen mij,

“Naar het land van Shinar

om een huis te bouwen voor haar

en wanneer het klaar is,

zal zij daar worden neergezet

op haar eigen plaats.”

Zechariah 6.

6:1 Nu,

ik hief mijn ogen nogmaals op en keek,

en zie,

vier strijdwagens kwamen tevoorschijn

van tussen de twee bergen;

en die bergen waren bronzen bergen.

6:2 samen met de eerste strijdwagen

waren rode paarden,

samen met de tweede strijdwagen

waren zwarte paarden,

6:3 samen met de derde strijdwagen

waren witte paarden,

en samen met de vierde strijdwagen

waren sterke grijs-gespikkelde paarden.

6:4 Toen sprak ik

en zei tegen de engel

die met mij sprak,

“Wat zijn deze,

mijn Heer?”

6:5 De engel beantwoordde mij,

“deze zijn de vier geesten van de hemel,

die uitgaan nadat zij voor de Heer

van de ganse aarde stonden,

6:6 diegene van wie de zwarte paarden zijn

gaat uit naar het noordelijke land;

en de witte paarden gaan deze achterna,

terwijl de gespikkelde paarden naar het zuidelijke land uitgaan.

6:7 “Toen de sterke paarden uitgingen,

waren ze vurig om op de aarde te gaan patrouilleren.”

En Hij zei,

“Ga, en patrouilleer over de aarde.”

Dus patrouilleerden ze over de aarde.

6:8 Vervolgens,

Hij schreeuwde naar mij

en sprak tegen mij

zeggende,

“Zie,

diegenen die naar het het noordelijke land gaan

hebben Mijn toorn gesust

in het noordelijke land.”

6:9 Het woord van Maryah

kwam ook tot mij,

zeggende,

6:10 “Neemt van de ballingen een offer,

van Heldia,

Tobijah en Jedaiah;

en gaat gij dezelfde dag

en gaat het huis van Josiah binnen

de zoon van Zephaniah,

waarin zij uit Babylon aangekomen zijn.

6:11 “Neemt zilver en goud,

maak een sierlijke kroon

en zet die op het hoofd van Joshua

de zoon van Jehozadak,

de hogepriester.

6:12 “Zeg dan tegen hem,

‘Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“ziedaar,

een man wiens naam Sheut is,

want Hij zal opschieten van waar Hij is;

en Hij zal de tempel van Maryah bouwen.

6:13 “Ja,

het is Hij die de tempel van Maryah zal bouwen,

en Hij die de eer zal dragen

en Hij zal op Zijn troon zitten en heersen.

Zo zal Hij een priester zijn op Zijn troon,

en de raad van vrede

zal tussen die twee ambten zijn.”‘

6:14 “Nu zal de kroon een nagedachtenis worden

in de tempel van Maryah

aan Helem,

Tobijah,

Jedaiah,

en Hen

de zoon van Zephaniah.

6:15 “Degenen die ver weg zijn zullen komen

en de tempel van Maryah bouwen.”

Dan zult gij weten

dat Maryah van de heirscharen

mij naar u heeft gezonden.

En het zal plaatsvinden

wanneer gij Maryah uw Aloha

volledig zult gehoorzamen.

Zechariah 7.

7:1 In het vierde jaar

van Koning Darius,

het woord van Maryah kwam tot Zechariah

op de vierde dag

van de negende maand,

welke Chislev is.

7:2 Nu had de stad Bethel

Sharezer en Regemmelech

en hun mannen gestuurd

om de gunst van Maryah te zoeken,

7:3 sprekende tot de priesters

die tot het huis van Maryah van de heirscharen behoren,

en tot de profeten,

zeggende,

“Zal ik in de vijfde maand wenen en mij onthouden,

zoals ik deze vele jaren heb gedaan?”

7:4 Toen kwam het woord van Maryah van de heirscharen tot mij,

zeggende,

7:5 “Zeg tot gans het volk van het land

en tot de priesters,

‘Toen gij vastte en rouwde

in de vijfde en zevende maand

deze zeventig jaren,

was het eigenlijk voor Mij dat gij vastte?

7:6 ‘Terwijl gij eet en drinkt

eet gij dan niet voor uzelf

en drinkt gij dan niet voor uzelf?

7:7 ‘Zijn dit niet de woorden

welke Maryah uitriep

door de voormalige profeten,

toen Jeruzalem bewoond en welvarend was

samen met haar steden eromheen,

en de Negev en de uitlopers bewoond waren?'”

7:8 Vervolgens,

het woord van Maryah

kwam naar Zechariah

zeggende,

7:9 “Zo heeft Maryah van de heirscharen gezegd,

‘Verdeelt ware gerechtigheid

en beoefent goedheid en mededogen

elk aan zijn broeder;

7:10 en verdrukt de weduwe niet noch de vaderloze,

de vreemdeling noch de behoeftige;

en bedenkt geen kwaad in uw harten

de één tegen de ander.’

7:11 “Maar ze weigerden om aandacht te schenken

en draaiden koppig de schouder om

en stopten hun oren toe om niet meer te horen.

7:12 “Zij maakten hun harten als vuursteen

zo dat zij de wet en de woorden niet konden horen

welke Maryah van de heirscharen

door Zijn Geest had gezonden

door de voormalige profeten;

daarom kwam er een grote toorn

van Maryah van de heirscharen.

7:13 En precies zoals Hij riep en zij niet wilden luisteren,

zo riepen zij en Ik wilde niet luisteren,”

zegt Maryah van de heirscharen;

7:14 “maar Ik verstrooide hen door een stormwind

onder al de naties

die zij niet hebben gekend.

Zo is het land achter hun verlaten

zo dat niet één heen en terug ging,

want ze maakten het aangename land tot een woestenij.”

Zechariah 8.

8:1 Vervolgens,

het woord van Maryah van de heirscharen kwam,

zeggende,

8:2 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Ik ben bijzonder ijverig voor Zion,

ja,

met grote gramschap ben ik ijverig voor haar.’

8:3 “Zo zegt Maryah,

‘Ik zal naar Zion terugkeren

en zal in het midden van Jeruzalem wonen.

Vervolgens,

Jeruzalem zal de Stad der Waarheid worden genoemd

en de berg van Maryah van de heirscharen

zal de Heilige Berg worden genoemd.’

8:4 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Oude mannen en oude vrouwen

zullen terug in de straten van Jeruzalem zitten,

ieder mens met de stok in de hand

vanwege de ouderdom.

8:5 ‘En de straten van de stad

zullen worden gevuld met jongens en meisjes

die in haar straten spelen.’

8:6 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Als het te moeilijk is

in de ogen van het overblijfsel van dit volk in die dagen,

zal het dan ook te moeilijk zijn in Mijn ogen?’

verklaart Maryah van de heirscharen.

8:7 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Ziet,

Ik ga Mijn volk redden

uit het land van het oosten

en uit het land van het westen;

8:8 en Ik zal hen terugbrengen

en zij zullen wonen

in het midden van Jeruzalem;

en zij zullen Mijn volk zijn,

en Ik zal hun Aloha zijn

in waarheid en gerechtigheid.’

8:9 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Laat uw handen sterk zijn,

gij die in deze dagen

naar deze woorden luistert

uit de mond der profeten,

zij die spraken op die dag

dat het fundament van het huis van Maryah van de heirscharen werd gelegd,

tot het einde,

dat de tempel gebouwd zou worden.

8:10 ‘Want voor die dagen

was er geen loon voor de mens

nog enig loon voor het beest;

en voor hem die uitging of inkwam

was er geen vrede vanwege zijn vijanden,

want Ik stel alle mannen

de één tegenover de ander

8:11 ‘Maar nu zal ik het overblijfsel van dit volk

niet behandelen als in de vorige dagen,’

verklaart Maryah van de heirscharen.

8:12 ‘Want er zal vrede zijn voor het zaad:

de wijnstok zal zijn vrucht voortbrengen,

het land zal zijn opbrengts voortbrengen

en de hemelen zullen hun dauw geven;

en Ik zal het overblijfsel van dit volk

al deze dingen doen erven.

8:13 ‘Het zal gebeuren dat

gij zowat gelijk een vloek geweest zijt onder de naties,

O huis van Judah

en huis van Israël,

dus zal Ik u redden

dat gij een zegen moogt zijn.

Vreest niet;

laat uw handen sterk zijn.’

8:14 “Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Net zoals Ik het voornemen had om kwaad aan u te doen

toen uw vaders Mij tot toorn verwekten,’

zegt Maryah van de heirscharen,

‘en Ik heb niet toegegeven,

8:15 Dus heb Ik Mij in deze dagen nogmaals voorgenomen

om goed te doen aan Jeruzalem

en aan het huis van Judah.

Vreest niet!

8:16 ‘Dit zijn de dingen die gij moet doen:

spreekt de waarheid tegen elkaar;

oordeelt met waarheid

en het oordeel voor vrede in uw poorten.

8:17 ‘Laat ook niet één van u

kwaad bedenkt in zijn hart

tegen een ander,

en hebt meineed niet lief;

want deze zijn allemaal dingen die Ik haat,’

verklaart Maryah.”

8:18 Vervolgens,

het woord van Maryah van de heirscharen kwam tot mij,

zeggende,

8:19 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Het vasten van de vierde,

het vasten van de vijfde,

het vasten van de zevende

en het vasten van de tiende maanden zal vreugde worden,

blijdschap,

en vrolijke feesten voor het huis van Judah;

hou dus van waarheid en vrede.’

8:20 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Het zal toch zijn dat er volken zullen komen,

zelfs de inwoners van vele steden.

8:21 ‘De inwoners van de ene zal naar de andere gaan,

zeggende,

“Laat ons onmiddellijk gaan

om de gunst van Maryah te smeken,

en om Maryah van de heirscharen te zoeken;

ik zal ook gaan.”

8:22 ‘Zo veel volken

en machtige naties

zullen komen om Maryah van de heirscharen te zoeken in Jeruzalem

en om de gunst van Maryah te smeken.’

8:23 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘In die dagen zullen tien mannen uit alle volken het gewaad van een Jood grijpen,

zeggende,

“Laat ons met u gaan,

want wij hebben gehoord dat Aloha met u is.”‘”

Zechariah 9.

9:1 De last van het woord van Maryah,

Is tegen het land van Hadrach,

met Damascus als Zijn rustplaats-

(want de ogen van de mannen,

vooral van alle stammen van Israël

zijn naar Maryah gericht ),

9:2 en ook tegen Hamath,

die eraan grenst;

Tyre en Sidon,

al zijn zij erg wijs.

9:3 Want Tyre bouwde haarzelf een vesting

en stapelde zilver op als stof,

en goud als het slijk van de straten.

9:4 Zie!

Maryah zal haar onteigenen

en haar pracht in de zee werpen;

en zij zal worden verteerd door vuur.

9:5 Ashkelon zal het zien en bevreesd zijn.

Ook Gaza zal zich in grote smart kronkelen;

ook Ekron,

want haar verwachting is beschaamd geworden.

Bovendien,

zal de koning van Gaza omkomen,

en Ashkelon zal niet bewoond worden.

9:6 En een bastaardras zal in Ashdod wonen,

en ik zal de trots van de Filistijnen afsnijden.

9:7 En ik zal hun bloed uit hun mond weghalen

en hun verfoeilijke dingen van tussen hun tanden.

Dan zullen zij ook een overblijfsel zijn voor onze Aloha,

en als een stam in Judah zijn,

en Ekron als een Jebusiet.

9:8 Maar Ik zal rondom Mijn huis kamperen vanwege een leger,

vanwege hem die er voorbij komt en terugkeert;

en geen geweldenaar zal er meer doorheen gaan,

want nu heb Ik het met Mijn ogen gezien.

9:9 Verheugt u zeer,

O dochter van Sion!

Schreeuwt in triomf,

O dochter van Jeruzalem!

ziet,

uw koning komt naar u toe;

Hij is rechtvaardig en begiftigd met redding,

nederig,

en op een ezel gezet,

op een jong veulen zelfs

het veulen van een ezelin.

9:10 Ik zal de strijdwagen van Ephraim afsnijden

en het paard van Jeruzalem;

en de oorlogsboog zal worden afgesneden.

En Hij zal vrede spreken aan de naties;

en Zijn heerschappij zal van zee tot zee zijn,

en van de rivier tot aan de uiteinden van de aarde.

9:11 Ook wat u betreft,

vanwege het bloed van Mijn verbond met u,

heb Ik uw gevangen bevrijd

uit de waterloze put.

9:12 Keer terug naar het bolwerk,

O gevangenen die de hoop hebben;

deze dag maak Ik bekend

dat Ik aan u dubbel zal teruggeven.

9:13 Want Ik zal Judah als Mijn boog spannen,

Ik zal de boog met Ephraim vullen.

En Ik zal uw zonen aanwakkeren,

O Zion,

tegen uw zonen,

O Yawan;

en Ik zal u maken als het strijders-zwaard.

9:14 Vervolgens,

Maryah zal over hun verschijnen,

en Zijn pijl zal uitgaan als een bliksem;

en Maryah Aloha zal de bazuin blazen,

en Hij zal oprukken in de storm-winden van het zuiden.

9:15 Maryah van de heirscharen zal hen verdedigen.

En zij zullen verslinden

en op de slingerstenen vertrappen;

en zij zullen drinken

en luidruchtig worden zoals van de wijn;

en zij zullen gevuld worden zoals een offerbekken,

doorweekt zoals de hoeken van het altaar.

9:16 En Maryah hun Aloha zal hen redden op die dag

als de kudde Zijns volk;

want zij zijn gelijk de stenen van een kroon,

glinsterend over Zijn land.

9:17 Want welke bevalligheid en schoonheid zal het hunne zijn!

Het koren zal de jonge mannen doen bloeien,

en nieuwe wijn de maagden.

Zechariah 10.

10:1 Vraagt regen van Maryah

ten tijde van de voorjaarsregen-

Maryah die de onweerswolken maakt;

en Hij zal hen regenbuien geven,

gewas in het veld voor iedereen.

10:2 Want de teraphim (voorspellende voorwerpen)

spreken ongerechtigheid

en de zieners zien leugenachtige visioenen

en zij vertellen bedrieglijke dromen;

zij troosten tevergeefs.

Daarom dwaalt het volk als schapen,

ze worden verdrukt,

want er is geen herder.

10:3 “Mijn toorn is ontstoken tegen de herders,

en Ik zal de mannelijke geiten straffen;

want Maryah van de heirscharen heeft Zijn kudde bezocht,

het huis van Judah,

en maakt hun als

Zijn majestueuze paard in de strijd.

10:4 “Vanuit hen zal de hoeksteen komen,

vanuit hen de tentpin,

vanuit hen de boog der strijd,

vanuit hen elke heerser,

allen van hen tezamen.

10:5 “Zij zullen als machtige mannen zijn,

de vijand vertredende

in het slijk van de straten tijdens de strijd;

en zij zullen strijden,

want Maryah zal met hen zijn;

en de ruiters op paarden zullen worden beschaamd.

10:6 “Ik zal het huis van Judah versterken,

en Ik zal het huis van Joseph redden,

en Ik zal hen terugbrengen,

want Ik heb medelijden met hen gehad;

en zij zullen zijn alsof Ik hen niet had verworpen,

want Ik ben Maryah hun Aloha

en Ik zal hen beantwoorden.

10:7 “Ephraim zal als een sterke man zijn,

en hun hart zal blij zijn als van wijn;

inderdaad,

hun kinderen zullen het zien en blij zijn,

hun hart zal zich verheugen in Maryah.

10:8 “Ik zal fluiten naar hen om ze te-zamen bijeen-te-brengen,

want Ik heb hen verlost;

en ze zullen zo talrijk zijn

als zij voorheen waren.

10:9 “Wanneer Ik hen verspreid onder de volken,

zullen ze Mij herinneren in verre landen,

en zij met hun kinderen

zullen leven

en terugkomen.

10:10 “Ik zal hen terugbrengen uit het land van Egypte,

en hun verzamelen vanuit Assyria;

en Ik zal hen in het land van Gilead en Lebanon brengen

totdat er voor hen geen plaatsje meer te vinden is.

10:11 “En zij zullen door de zee van benauwdheid gaan

en Hij zal de golven in de zee slaan,

zodat alle diepten van de Nijl zullen opdrogen;

en de hoogmoed van Assyria zal worden neergehaald

en de scepter van Egypte zal weggaan.

10:12 “En Ik zal hen versterken in Maryah,

en zij zullen op en neer wandelen in Zijn naam,”

maakt Maryah bekend.

Zechariah 11.

11:1 Open uw deuren,

O Lebanon,

opdat een vuur zich met uw ceders zou kunnen voeden.

11:2 Jammert,

O cipresboom,

want de cederen zijn gevallen,

omdat de glorieuze bomen vernietigd geworden zijn;

jammert,

O eiken van Bashan,

want het ondoordringbare woud is naar beneden gekomen.

11:3 Hoort het geluid van het gejammer van de herders,

want hun heerlijkheid is verwoest;

hoort het geluid van het gebrul van de jonge leeuwen,

want het struikgewas van de Jordaan is verwoest.

11:4 Zo zegt Maryah mijn Aloha,

“Weidt de kudde gedoemd om te slachten.

11:5 “Degenen die hun kopen slachten hen en gaan ongestraft,

en elk van degenen die hen verkopen zegt,

‘Gezegend zij Maryah,

want ik ben rijk geworden!’

En hun eigen herders

hebben met hen geen medelijden.

11:6 “Want Ik zal niet langer medelijden hebben met de inwoners van het land,”

verklaart Maryah;

“Maar zie,

Ik zal de mannen doen vallen,

elk in een ander’s macht

en in de macht van zijn koning;

en zij zullen het land slaan,

en Ik zal hen niet uit hun macht bevrijden.”

11:7 Zo weidde ik de kudde gedoemd om te slachten,

de ellendigen van de kudde dus.

En ik nam twee stokken voor mijzelf:

de ene noemde ik Genade

en de ander noemde ik Verbond;

zo weidde ik de kudde.

11:8 Vervolgens,

ik vernietigde de drie herders in één maand,

want mijn ziel was ongeduldig met hen,

en ook werd hun ziel afgemat van mij.

11:9 Toen zei ik,

“Ik zal u niet meer weiden.

Wat om te sterven is,

laat het sterven,

en wat moet worden vernietigd,

laat het vernietigd worden;

en laat degenen die achtergelaten worden

elkaars vlees eten.”

11:10 Ik nam mijn stok Genade

en brak het in stukken,

om mijn verbond te verbreken

die ik met al deze volken had gesloten.

11:11 Zo werd het op die dag verbroken,

en zo beseften de ellendigen van de kudde

die naar mij keken

dat dit het woord van Maryah was.

11:12 Ik zei tegen hen,

“Als het goed is in uw ogen,

geef mij mijn loon;

maar zo niet,

laat het dan maar!”

Dus wogen ze dertig sjekels van zilver uit als mijn loon.

11:13 Toen zei Maryah tegen mij,

“Gooi het maar naar de pottenbakker,

die prachtige prijs naar welke Ik werd gewaardeerd door hun.”

Dus nam ik de dertig sjekels van zilver

en gooide hen naar de pottenbakker

in het huis van Maryah.

11:14 Vervolgens,

ik brak mijn tweede staf Verbond in stukken,

om de broederschap tussen Judah en Israël te verbreken.

11:15 Maryah zei tegen mij,

“Neemt de uitrusting van een dwaze herder nogmaals tot u.

11:16 “Want zie,

Ik ga een herder doen opstaan in dit land

die zich niet bekommert om het vergankelijke,

het verstrooide niet zoekt

het verbrokene niet geneest,

of hetgeen die stilstaat niet ondersteunt,

maar het vlees van de vette schapen zal verslinden

en hun hoeven afrukken.

11:17 “Wee de waardeloze herder

die de kudde verlaat!

Een zwaard zal op zijn arm zijn

en op zijn rechteroog!

Zijn arm zal helemaal verschrompeld zijn

en zijn rechteroog zal blind worden.”

Zechariah 12.

12:1 De last van het woord

van Maryah met betrekking tot Israël.

Zo maakt Maryah bekend

die de hemelen uitstrekt,

het fundament van de aarde legt,

en de geest in-hem -van de mens- vormt,

12:2 “Zie,

Ik ga Jeruzalem een beker maken

die oprispingen veroorzaakt aan alle volken rondom;

en wanneer de belegering tegen Jeruzalem is,

zal het ook tegen Judah zijn.

12:3 “Het zal zowat komen in die dag

dat Ik Jeruzalem

tot een zwaar gesteente zal maken voor al de volken;

allen die het opheffen

zullen zwaar gewond raken.

En alle naties van de aarde

zullen tegen haar worden verzameld.

12:4 “In die dag,”

maakt Maryah bekend,

“Ik zal elk paard met verbijstering slaan

en zijn berijder met waanzin.

Maar over het huis van Judah zal Ik waken,

terwijl ik elk paard van de volken

met blindheid tref.

12:5 “Dan zullen de stammen van Judah in hun harten zeggen,

‘De inwoners van Jeruzalem

zijn voor ons een sterke ondersteuning,

door Maryah van de heirscharen,

hun Aloha.’

12:6 “In die dag,

zal Ik de stammen van Judah

maken als een vuurpot

onder de stukken hout,

en als een brandende fakkel

onder de schoven,

zodat zij aan de rechterkant

en aan de linkerkant

al de omringende volken zullen verteren,

terwijl de inwoners van Jeruzalem

weer op hun eigen vaste plaatsen zullen wonen,

in Jeruzalem.

12:7 “Ook zal Maryah ten eerste de tenten van Judah behouden,

opdat de heerlijkheid van het huis van David

en de heerlijkheid van de inwoners van Jeruzalem

niet boven Judah zal worden vergroot.

12:8 “In die dag,

Maryah zal de inwoners van Jeruzalem verdedigen,

en degene onder hun die zwak is op die dag

zal zoals David zijn,

en het huis van David zal zoals een goddelijk wezen zijn,

zoals de engel van Maryah voor hun aangezicht.

12:9 “En op die dag

zal ik op het punt staan

om al de naties te vernietigen

die tegen Jeruzalem opkomen.

12:10 “Ik zal op het huis van David

en op de inwoners van Jeruzalem

de Geest van genade en smekingen uitstorten,

zodat zij naar Mij zullen kijken die zij hebben doorstoken;

en zij zullen over Hem treuren,

zoals men treurt over een enige zoon,

en zij zullen bitter wenen over Hem

zoals het bittere geween over een eerstgeborene.

12:11 “In die dag,

er zal grote rouw zijn in Jeruzalem,

zoals de rouw van Hadadrimmon

in de vlakte van Megiddo.

12:12 “Het land zal rouwen,

elke familie afzonderlijk;

de familie van het huis van David op zichzelf

en hun vrouwen op zichzelf;

de familie van Nathan op zichzelf

en hun vrouwen op zichzelf;

12:13 de familie van het huis van Levi op zichzelf

en hun vrouwen op zichzelf;

de familie van de Shimeites op zichzelf

en hun vrouwen op zichzelf;

12:14 alle families die overblijven,

elke familie op zichzelf

en hun vrouwen afzonderlijk.

Zechariah 13.

13:1 “In die dag,

een fontein zal worden geopend

voor het huis van David

en voor de inwoners van Jeruzalem,

tot reiniging en tot besprenkeling.

13:2 “Het zal zowat komen in die dag,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend,

“Dat Ik de namen van de afgoden zal afsnijden uit het land,

en ze zullen niet langer worden herinnerd;

en Ik zal ook de profeten verwijderen

en de onreine geest uit het land.

13:3 “En als iemand nog altijd profeteert,

dan zullen zijn vader en moeder

die hem ter wereld brachten tot hem zeggen,

‘Gij zult niet leven,

want gij hebt valselijk gesproken in de naam van Maryah’;

en zijn vader en moeder

die hem ter wereld brachten

zullen hem doorsteken wanneer hij profeteert.

13:4 “Ook zal het zowat komen in die dag

dat elk van de profeten zich zal schamen

elk voor zijn visioen

wanneer hij profeteert,

en ze zullen geen harige mantel aantrekken

om te misleiden;

13:5 maar hij zal zeggen,

‘Ik ben geen profeet;

ik ben een man die het land bewerkt,

want een man verkocht mij

als een slaaf in mijn jeugd.’

13:6 “En iemand zal zeggen tegen hem,

hoe komen die wonden onderaan uw armen?’

Dan zal hij zeggen,

‘Door datgene die mij heeft verwond

in het huis van mijn vrienden.’

13:7 “Ontwaakt,

O zwaard,

tegen Mijn herder,

en tegen de man,

Mijn metgezel,”

maakt Maryah van de heirscharen bekend.

“Sla de herder opdat de schapen kunnen worden verstrooit;

en Ik zal Mijn hand tegen de kleintjes keren.

13:8 “Het zal zowat komen in het ganse land,”

maakt Maryah bekend,

“dat twee delen daarin zullen worden afgesneden en vergaan;

maar het derde zal daarin worden achtergelaten.

13:9 “En Ik zal het derde deel door het vuur brengen,

hen veredelen zoals zilver is veredelt,

en hen beproeven zoals goud is beproefd.

Zij zullen Mijn naam aanroepen,

en Ik zal hen antwoordden;

Ik zal zeggen,

‘Ze zijn Mijn volk,’

en zij zullen zeggen,

‘Maryah is m’n Aloha.'”

Zechariah 14.

14:1 Zie,

een dag van Maryah komt eraan

wanneer de van u afgenomen buit

onder u zal worden verdeeld.

14:2 Want Ik zal al de naties verzamelen

tegen Jeruzalem om te strijden,

en de stad zal worden veroverd,

de huizen worden geplunderd,

de vrouwen worden verkracht

en de helft van de stad worden verbannen,

maar de rest van het volk

zal niet afgesneden worden van de stad.

14:3 Vervolgens,

Maryah zal uitgaan

en tegen die naties strijden,

zoals wanneer Hij streed op een dag der strijd.

14:4 In die dag,

Zijn voeten zullen op de Berg van olijven staan

welke voor Jeruzalem ligt

op het oosten;

en de Berg van olijven zal worden gespleten van in zijn midden

van oost naar west door een zeer grote vallei,

zodat de helft van de berg zal bewegen naar het noorden

en de andere helft naar het zuiden.

14:5 Gij zult vluchten door de vallei van Mijn bergen,

want de vallei van de bergen zal tot Azel reiken;

ja,

gij zult vluchten

precies zoals gij vluchtte voor de aardbeving

in de dagen van Uzziah

koning van Judah.

Maryah dan,

mijn Aloha,

zal komen,

en al de heiligen met Hem!

14:6 In die dag zal er geen licht zijn;

de hemellichamen zullen afnemen.

14:7 Want het zal een unieke dag zijn

die bij Maryah bekend is.

geen dag en ook geen nacht,

maar het zal komen

dat er tegen de avondtijd licht zal zijn.

14:8 En in die dag,

levende wateren zullen vanuit Jeruzalem stromen,

de helft van hen naar de oostelijke zee

en de andere helft naar de westelijke zee;

het zal zowel in de zomer

als in de winter zijn.

14:9 En Maryah zal koning zijn over de ganse aarde;

in die dag zal Maryah

de enige ENE zijn,

en Zijn naam

de enige ENE.

14:10 Het hele land,

zal worden veranderd in een vlakte van Geba tot Rimmon

ten zuiden van Jeruzalem;

maar Jeruzalem

zal opstaan en op haar plaats blijven vanaf Benjamin’s Poort

tot aan de plaats van de Eerste Poort tot de Hoek Poort,

en van de Toren van Hananel

tot de Koning’s wijnpersen.

14:11 Mensen zullen daarin leven,

en er zal niet langer een vloek zijn,

want Jeruzalem zal in veiligheid wonen.

14:12 Dit zal nu de plaag zijn

waarmee Maryah al de volken zal treffen

die ten strijde zijn getrokken tegen Jeruzalem;

hun vlees zal rotten

terwij ze op hun voeten staan,

en hun ogen zullen in hun kassen rotten,

en hun tong zal in hun mond rotten.

14:13 Het zal zowat komen in die dag

dat een grote paniek van Maryah over hun zal vallen;

en ze zullen een anders hand grijpen,

en de hand van de ene zal worden opgeheven

tegen de hand van een ander.

14:14 Judah zal ook strijden in Jeruzalem;

en de rijkdom van alle omliggende naties

zal worden verzameld,

goud en zilver en kleding

in grote overvloed.

14:15 Zo ook

zoals deze plaag

zal de plaag over het paard zijn,

de muilezel,

de kameel,

de ezel en al het vee

dat in die kampen zal zijn.

14:16 Vervolgens,

zal het zowat komen

dat allen die overblijven

van al de naties

welke tegen Jeruzalem optrokken

van jaar tot jaar zullen opgaan

om de KONING te aanbidden,

MARYAH VAN DE HEIRSCHAREN,

en om HET FEEST te vieren.

14:17 En het zal zijn,

dat welke dan ook van de families van de aarde

niet naar Jeruzalem opgaat

om de KONING te aanbidden,

MARYAH VAN DE HEIRSCHAREN,

er zal geen regen over hen komen.

14:18 Als de familie van Egypte niet opgaat of ingaat,

dan zal er geen regen over hen vallen;

het zal die plaag zijn

waarmee Maryah de naties slaat

die niet opgaan om HET FEEST te vieren.

14:19 Dit zal de straf zijn van Egypte,

en de straf van al de naties

die niet opgaan om HET FEEST te vieren.

14:20 In die dag,

zal er op de bellen van de paarden ingeschreven staan,

“Heilig voor Maryah.”

En de kookpotten in het huis van Maryah

zullen zijn als de schalen voor het altaar.

14:21 Iedere kookpot in Jeruzalem en in Judah

zal voor Maryah van de heirscharen heilig zijn ;

en allen die offeren zullen opkomen

en van deze nemen en erin koken.

En er zal geen handelaar meer zijn

in het huis van Maryah van de heirscharen,

op die dag.



Ketava d’Khagai Nebya

Haggai Posted on Wed, September 19, 2018 13:54:46

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Khagai Nebya

Het boek Hagai de profeet.

Hagai 1.

1.1 In het tweede jaar van Darius de koning,

op de eerste dag van de zesde maand,

kwam het woord van Maryah door de profeet Hagai

tot Zerubbabel de zoon van Shealtiel,

gouverneur van Judah,

en tot Joshua de zoon van Jehozadak,

de hogepriester,

zeggende,

1:2 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Dit volk zegt,

“De tijd is zelfs nog niet gekomen,

de tijd dat het huis van Maryah zal worden herbouwd.'”

1:3 Vervolgens kwam het woord van Maryah

door Hagai

de profeet,

zeggende,

1:4 “is het tijd voor uzelf

om in uw betimmerde huizen te wonen

terwijl dit huis in puin ligt?”

1:5 Nu dus,

zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Overweegt uw wegen!

1:6 “Gij hebt veel gezaaid,

maar oogst weinig;

gij eet,

maar er is niet genoeg om voldaan te zijn;

gij drinkt,

maar er is niet genoeg om dronken te worden;

gij trekt klederen aan,

maar niet één wordt warm genoeg;

en hij die verdient,

verdient lonen om in een beurs met gaten te steken.”

1:7 Zo zegt Maryah van de heirscharen,

“Overweegt uw wegen!

1:8 “Ga op naar de heuvels,

brengt hout en herbouw de tempel,

opdat Ik ermee tevreden moge zijn

en verheerlijkt word,”

zegt Maryah.

1.9 “Gij ziet uit naar veel,

maar zie,

het blijkt te weinig;

wanneer gij het thuis brengt,

blaas Ik het weg.

Waarom?”

verklaart Maryah van de heirscharen,

“Vanwege mijn huis dat in puin ligt,

terwijl elk van u naar zijn eigen huis rent.

1:10 “Daarom,

vanwege u

heeft de hemel haar dauw achtergehouden

en de aarde heeft haar opbrengst achtergehouden.

1:11 “Want Ik riep een droogte over het land,

over de bergen,

over het graan,

over de nieuwe wijn

over de olie,

over wat de grond opbrengt,

over mensen,

over vee,

en over al het gezwoeg van uw handen.”

1:12 Vervolgens,

Zerubbabel de zoon van Shealtiel,

en Joshua de zoon van Jehozadak,

de hogepriester,

met gans het overblijfsel van het volk,

gehoorzaamden de stem van Maryah hun Aloha

en de woorden van Hagai de profeet,

zoals Maryah hun Aloha hem had gezonden.

En het volk toonde ontzag voor Maryah.

1:13 Vervolgens,

Hagai de boodschapper van Maryah,

sprak door de opdracht van Maryah tot het volk,

zeggende,

“‘Ik ben met u,’

verklaart Maryah.”

1:14 Zo wekte Maryah de geest op van Zerubbabel de zoon van Shealtiel,

gouverneur van Judah,

en de geest van Joshua de zoon van Jehozadak

de hogepriester,

en de geest van gans het overblijfsel van het volk;

en ze kwamen en werkten aan het huis van Maryah van de heirscharen,

hun Aloha,

1:15 op de vierentwintigste dag

van de zesde maand

in het tweede jaar

van Darius de koning.

Hagai 2.

2:1 Op de eenentwintigste

van de zevende maand,

het woord van Maryah

kwam door Hagai de profeet

zeggende,

2:2 “spreek nu tot Zerubbabel de zoon van Shealtiel,

gouverneur van Judah,

en tot Joshua de zoon van Jehozadak,

de hogepriester,

en tot het overblijfsel van het volk,

zeggende,

2:3 “Wie is er onder u overgelaten

wie zag deze tempel in zijn vroegere glorie?

En hoe ziet gij hem nu?

Lijkt zo één u niet als niets in uw ogen?

2:4 ‘Maar heb nu moed,

Zerubbabel,’

verklaart Maryah,

“heb ook moed,

Joshua zoon van Jehozadak,

de hoge priester,

en heb moed gans gij volk van het land,’

verklaart Maryah,

‘en werkt;

want Ik ben met u,’

verklaart Maryah van de heirscharen.

2:5 ‘Wat betreft de belofte

die Ik u heb gemaakt

toen gij uit Egypte zijt gekomen,

Mijn geest verblijft in uw midden;

vreest niet!’

2:6 “Want zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘Nog een keer binnen een tijdje,

ga Ik de hemelen en de aarde schudden,

ook de zee

en het droge land.

2:7 ‘Ik zal al de naties schudden;

en zij zullen met de rijkdom van alle naties komen,

en Ik zal dit huis met glorie vullen,’

zegt Maryah van de heirscharen.

2:8 ‘Het zilver is het Mijne

en het goud is het Mijne,’

verklaart Maryah van de heirscharen.

2:9 ‘De heerlijkheid van dit laatste huis

zal groter zijn dan het eerste,’

zegt Maryah van de heirscharen,

‘En in deze plaats zal Ik vrede geven,’

verklaart Maryah van de heirscharen.”

2:10 Op de vierentwintigste

van de negende maand,

in het tweede jaar van Darius,

het woord van Maryah

kwam tot Hagai de profeet,

zeggende,

2:11 “Zo zegt Maryah van de heirscharen,

‘vraagt nu de priesters om een uitspraak:

2:12 ‘Indien een mens geheiligd vlees draagt

in de vouw van zijn gewaad,

en brood aanraakt met deze vouw,

of gekookt voedsel,

wijn,

olie,

of enig ander voedsel,

zal het heilig zijn?'”

En de priesters antwoordden,

“Neen.”

2:13 Vervolgens zei Hagai,

“Indien iemand,

die onrein is van een lijk,

een van deze laatstgenoemde dingen aanraakt,

zal het dan onrein worden?”

En de priesters antwoordden,

“Het zal onrein worden.”

2:14 Toen zei Hagai,

“‘Zo is dit volk.

en zo is deze natie voor Mij,’

verklaart Maryah,

‘en zo is elk werk van hun handen;

en dat wat zij daar offeren is onrein.

2:15 ‘Maar nu,

overweegt vanaf deze dag verder:

voor de ene steen op de andere werd gelegd

in de tempel van Maryah,

2:16 vanaf die tijd

toen men naar een graanhoop kwam van twintig maten,

zouden er slechts tien zijn;

en toen men naar de wijnkuip kwam

om vijftig maten op te trekken

zouden er slechts twintig zijn.

2:17 ‘Ik sloeg u

en elk werk van uw handen

met rukwind,

meeldauw en hagel;

maar toch zijt gij niet naar Mij teruggekomen,’

verklaart Maryah.

2:18 ‘Overweegt vanaf deze dag verder,

vanaf de vierentwintigste dag

van de negende maand;

zelfs vanaf de dag

waarop (het fundament van) de tempel van Maryah werd gelegd,

overweegt dat:

2:19 ‘is het zaad nog in de schuur?

De wijnstok,

zelfs de vijgenboom,

ook de granaatappel en de olijfboom,

zij hebben geen vrucht afgeworpen.

Toch zal Ik u vanaf deze dag zegenen.'”

2:20 Vervolgens,

het woord van Maryah

kwam een tweede keer naar Hagai

op de vierentwintigste dag van de maand,

zeggende,

2:21 “Spreek tot Zerubbabel

gouverneur van Judah,

zeggende,

‘Ik ga de hemelen schudden

en de aarde.

2:22 ‘Ik zal de tronen van koninkrijken omver werpen

en macht van de koninkrijken van de naties vernietigen;

en Ik zal de strijdwagens omverwerpen

en hun berijders,

en de paarden

en hun berijders

zullen neergaan,

iedereen door het zwaard van een ander.’

2:23 ‘Op die dag,’

verklaart Maryah van de heirscharen,

‘Zal Ik u nemen,

Zerubbabel,

zoon van Shealtiel,

Mijn dienaar,’

verklaart Maryah,

‘En Ik zal u als een zegelring maken,

want Ik heb u gekozen,'”

verklaart Maryah van de heirscharen.



Ketava d’Zefanya Nebya

Zefanja Posted on Wed, September 19, 2018 13:52:26

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Zefanya Nebya

Het boek Zephaniah de profeet.

Zephaniah 1.

1:1 Het woord van Maryah

die tot Zephaniah kwam

zoon van Cushi,

zoon van Gedaliah,

zoon van Amaraih,

zoon van Hezekiah,

in de dagen van Josiah

zoon van Amon,

koning van Judah:

1:2 “Ik zal alle dingen compleet wegnemen

van de aardbodem,”

verklaart Maryah.

1:3 “Ik zal mens en beest wegnemen;

Ik zal de vogels uit de lucht wegnemen

en de vissen uit de zee,

en het verdorvene samen met de goddelozen;

en Ik zal de mens afsnijden van de aardbodem,”

verklaart Maryah.

1:4 “Zo zal Ik Mijn hand uitstrekken tegen Judah

en tegen al de inwoners van Jeruzalem.

En Ik zal uit deze plaats het overblijfsel van Baal afsnijden,

en de namen van de afgodische priesters

samen met de priesters.

1:5 “En degenen die neerbuigen

op de daken voor het heir van de hemel,

en degenen die neerbuigen

en geloften doen aan Maryah

maar toch zweren bij Milcom,

1:6 en degenen die zijn teruggekeerd van het volgen van Maryah,

en degenen die Maryah niet hebben gezocht

of naar Hem hebben gevraagd.”

1:7 Wees stil in de tegenwoordigheid van Maryah Aloha!

Want de dag van Maryah is nabij,

want Maryah heeft een slacht-offer bereid,

Hij heeft Zijn genodigden geheiligd.

1:8 “Dan zal het komen

zowat op de dag van Maryah Zijn slacht-offer

dat Ik de prinsen zal straffen,

de zonen van de koning

en allen die zich kleden met vreemde kleding.

1:9 “En op die dag zal Ik allen straffen

die over de tempel-dorpel springen,

die het huis van hun meesters vullen

met geweld en bedriegerij.

1:10 “Op die dag”,

verklaart Maryah,

zal er het geluid zijn van een schreeuw uit de Vispoort ,

een gejammer uit het Tweede Kwartier,

en een luid gekraak uit de heuvels.

1:11 “Jammert,

O inwoners van de Mortar,

want gans het volk van Kanaän

zal het zwijgen worden opgelegd;

allen die zilver uitwegen zullen worden afgesneden.

1:12 “Het zal zowat op dat moment komen

dat Ik Jeruzalem met lampen zal zoeken,

en ik zal de mannen straffen

die stilstaand zijn in geest,

die in hun harten zeggen,

‘Maryah zal geen goed of kwaad doen!’

1:13 “Bovendien,

hun rijkdom zal buit worden

en hun huizen een verlatenheid;

ja,

zij zullen huizen bouwen maar hen niet bewonen,

en wijngaarden planten maar niet hun wijn drinken.”

1:14 Nabij is de grote dag van Maryah,

nabij en heel snel komende;

hoort,

de dag van Maryah!

Daarin schreeuwt de krijger het bitter uit.

1:15 Een dag van toorn is die dag,

een dag van kwelling en nood,

een dag van vernietiging en verlatenheid,

een dag van duisternis en somberheid,

een dag van wolken en dikke donkerheid,

1:16 een dag van de bazuin en strijdgeschreeuw

tegen de versterkte steden

en tegen de hoge hoektorens.

1:17 Ik zal verontrusting brengen op de mensen

zodat ze zullen wandelen als de blinden,

omdat zij hebben gezondigd tegen Maryah;

en hun bloed zal als stof worden uitgestort

en hun vlees als drek.

1:18 Noch hun zilver noch hun goud

is in staat om hen te redden

op de dag van Maryah Zijn toorn;

en gans de aarde zal worden verslonden in het vuur van Zijn ijver,

want Hij zal een compleet einde maken,

jazeker een angstaanjagend,

van al de inwoners van de aarde.

Zephaniah 2.

2:1 Verzamelt uzelf tezamen,

ja,

verzamelt,

O natie zonder schaamte,

2:2 voordat het besluit van kracht wordt

de dag voorbijgaat zoals het kaf

voordat de brandende toorn van Maryah over u komt,

voordat de dag van de toorn van Maryah over u komt.

2:3 Zoek Maryah,

al gij nederigen der aarde

die Zijn verordeningen hebt uitgedragen;

zoek gerechtigheid,

zoek nederigheid.

Misschien zult gij worden verborgen

op de dag van de toorn van Maryah.

2:4 Want Gaza zal verlaten worden

en Ashkelon een verwoesting;

Ashdod zal s’middags verdreven worden

en Ekron zal ontworteld worden.

2:5 O ellende aan de inwoners van de zeekust,

de natie van de Cherethites!

Het woord van Maryah is tegen u,

O Kanaän,

land van de Filistijnen;

en ik zal u vernietigen

zodat er geen inwoner zal zijn.

2:6 Zo zal de zeekust weiland zijn

met grotten voor de herders

en kooien voor de kuddes.

2:7 En de kust zal voor het overblijfsel zijn

van het huis van Judah,

zij zullen erop weiden.

In de huizen van Ashkelon

zullen ze in de avond gaan neerliggen;

Want Maryah hun Aloha zal voor hen zorgen

en hun bestemming herstellen.

2:8 “Ik heb het getreiter van Moab gehoord

en de beschimpingen van de zonen van Ammon,

waarmee zij Mijn volk hebben bespot

en verwaand zijn geworden tegen hun grondgebied.

2:9 “Daarom,

aangezien Ik dus leef,”

verklaart Maryah van de heirscharen,

Aloha van Israël,

“Zal Moab zeker als Sodom zijn

en de zonen van Ammon als Gomorrah

een plaats door netels en zoutputten in bezit genomen,

en een eeuwige verwoesting.

Het overblijfsel van Mijn volk zal hen plunderen

en het overblijfsel van Mijn natie zal hen beërven.”

2:10 Dit zullen zij hebben in ruil voor hun trots,

omdat zij hebben bespot

en verwaand zijn geworden

tegen het volk van Maryah van de heirscharen.

2:11 Maryah zal angstaanjagend voor hun zijn,

want Hij zal alle goden van de aarde verhongeren;

en al de kustlanden van de naties

zullen voor Hem neerbuigen,

ieder vanuit zijn eigen plaats.

2:12 “Ook gij,

O Ethiopiërs,

zult door Mijn zwaard worden gedood .”

2:13 En Hij zal Zijn hand uitstrekken tegen het noorden

en Assyria vernietigen,

en Hij zal Nineveh tot een verwoesting maken,

uitgedroogd als de woestijn.

2:14 Kuddes zullen in haar midden neerliggen,

alle beesten die zich in kuddes uitstrekken;

de pelikaan en de egel

beide zullen in de toppen van haar pilaren wonen;

vogels zullen zingen in het raam,

verwoesting zal op de drempel zijn;

want Hij heeft het ceder werk blootgelegd.

2:15 Dit is de jubelende stad die veilig woont,

die in haar hart zegt,

“ik ben (het),

en naast mij is er niet één .”

Hoe is zij tot een verwoesting geworden,

een rustplaats voor beesten!

Iedereen die langs haar passeert zal sissen

en uit minachting met zijn hand wuiven.

Zephaniah 3.

3:1 Wee aan haar

die opstandig

en verontreinigd is,

de tirannieke stad!

3:2 Zij hoorde geen stem,

zij accepteerde geen instructie.

Zij vertrouwde niet op Maryah,

zij naderde niet tot haar Aloha.

3:3 Haar prinsen zijn brullende leeuwen in haar,

haar rechters zijn wolven in de avond;

zij laten niets over voor de morgen.

3:4 Haar profeten zijn roekeloze verraderlijke mannen;

haar priesters hebben het heiligdom ontheiligd.

Zij hebben de wet geweld aangedaan.

3:5 Maryah is rechtvaardig in haar;

Hij zal geen onrecht doen.

Elke morgen brengt Hij Zijn gerechtigheid in het licht;

Hij faalt niet.

Maar de onrechtvaardige kent geen schaamte.

3:6 “Ik heb naties afgesneden;

hun hoektorens liggen in puin.

Ik heb hun straten verlaten gemaakt,

met niet één die passeert;

hun steden zijn verwoest,

zonder één mens,

zonder één inwoner.

3:7 “Ik zei,

‘Gij zult Mij zeker vereren,

accepteer instructie.’

Zo zal haar woning niet worden afgesneden

volgens alles wat Ik betreffende haar heb bestemd.

Maar ze waren gretig om al hun daden te verderven.

3:8 “Wacht daarom op Mij,”

verklaart Maryah,

“Tot de dag waarop Ik opsta als een getuige.

Inderdaad,

Mijn beslissing is om naties te verzamelen,

om koninkrijken bijeen te brengen,

om op hen Mijn verontwaardiging uit te gieten,

al Mijn brandende toorn;

want de ganse aarde zal worden verslonden

door het vuur van Mijn ijver.

3:9 “Want dan zal Ik aan de volken gereinigde lippen geven,

opdat allen van hen de naam van Maryah mogen aanroepen,

om Hem schouder aan schouder te dienen.

3:10 “Van achter de rivieren van Ethiopië

Mijn aanbidders

Mijn verstrooiden

zullen Mijn offergaven brengen.

3:11 “Op die dag zult gij geen schaamte voelen

vanwege al uw daden

waarmee gij tegen Mij hebt gerebelleerd;

want dan zal Ik uit uw midden verwijderen,

uw hoogmoedige jubelenden,

en gij zult nooit meer hoogmoedig zijn

op Mijn heilige berg.

3:12 “Maar Ik zal onder u achterlaten

een bescheiden en nederig volk,

en zij zullen toevlucht nemen

in de naam van Maryah.

3:13 “Het overblijfsel van Israël zal geen kwaad doen

en geen leugens vertellen,

noch zal een bedrieglijke tong

in hun mond worden gevonden;

want zij zullen weiden en neder liggen

met niet één om hen te doen beven.”

3:14 Juicht van vreugde,

O dochter van Zion!

Juicht in triomf,

O Israel!

Wees blij en jubel met gans uw hart,

O dochter van Jeruzalem!

3:15 Maryah heeft Zijn oordelen tegen u weggenomen,

Hij heeft uw vijanden weggevaagd.

De koning van Israël,

Maryah ,

is in uw midden;

gij zult geen rampspoed meer vrezen.

3:16 Op die dag zal aan Jeruzalem worden gezegd:

“Wees niet bevreesd,

O zion;

laat uw handen niet lusteloos hangen.

3:17 “Maryah uw Aloha is in uw midden,

een zegevierende krijger.

Hij zal over u juichen van vreugde,

Hij zal stil zijn in Zijn liefde,

Hij zal zich over u verheugen

met kreten van vreugde.

3:18 “Ik zal diegenen verzamelen

die treuren over de aangestelde feesten-

zij kwamen van u,

O Zion;

de schande van ballingschap is een last op hen.

3:19 “Zie,

in die tijd

ga Ik handelen

met al uw onderdrukkers,

Ik zal het kreupele redden

en het uitgeworpene verzamelen,

en Ik zal hun schaamte in lof en roem veranderen

op de ganse aarde.

3:20 “In die tijd zal Ik u inbrengen,

zelfs op die tijd wanneer Ik u samenbreng;

Jazeker,

Ik zal u roem en lof geven

onder al de volken op de aarde,

wanneer Ik uw lot voor uw ogen herstel,”

zegt Maryah.



Ketava d’Yonan Nebya

Jonah Posted on Wed, September 19, 2018 13:50:31

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Yonan Nebya

Het boek Jonah de profeet.

Jonah 1

1:1 Het woord van Maryah

kwam tot Jonah

de zoon van Amittai zeggende,

1:2 “Sta op,

ga naar Nineveh de grote stad

en huil tegen haar,

want hun zondigheid

is vóór Mij opgekomen..”

1:3 Maar Jonah stond op

om te ontvluchten naar Tarshish

vanuit de tegenwoordigheid van Maryah.

Dus ging hij neerwaarts naar Joppa,

vond een schip

dat naar Tarshish ging,

en betaalde het tarief en ging erin

om met hen mee te gaan naar Tarshish

vanuit de aanwezigheid van Maryah.

1:4 Maryah

wierp een grote wind op de zee

en er was een geweldige storm op de zee

zodat het schip op het punt stond om te breken.

1:5 Toen werden de zeelieden bevreesd

en eenieder riep tot zijn aloha

en ze gooiden de lading

dat in het schip was in zee

om het voor hen te verlichten.

Maar Jonah was naar beneden gegaan

in het ruim van het schip,

ging nederliggen en viel in een diepe slaap.

1:6 Dus benaderde de kapitein hem en zei,

“Hoe komt het dat gij slaapt?

sta op,

roep uw Aloha aan.

Misschien zal uw Aloha bezorgd over ons zijn

zodat we niet zullen vergaan.”

1:7 Elk man zei tot zijn maat,

“Kom,

laten we loten werpen

opdat we mogen vernemen

op wiens rekening deze ramp ons heeft getroffen.”

Dus wierpen ze loten

en het lot viel op Jonah.

1:8 Vervolgens

zeiden ze tot hem:

“Zeg ons,

nu!

op wiens rekening heeft deze ramp ons getroffen?

Wat is uw beroep?

En waar komt gij vandaan?

Wat is uw land?

Van welk volk zijt gij?”

1:9 Hij zei tot hen,

“Ik ben een Hebreeër,

en ik vrees Maryah-

de Aloha van de hemel

die de zee heeft gemaakt

en het droge land.”

1:10 Vervolgens

de mannen werden vreselijk bang

en ze zeiden tegen hem,

“Hoe kon je dit doen?”

Want de mannen wisten dat hij op de vlucht was

vanuit de tegenwoordigheid van Maryah,

omdat hij het hun had verteld.

1:11 Dus zeiden ze tegen hem,

“Wat moeten we met u doen

opdat de zee kalm zou worden voor ons?”

Want de zee werd hoe lang hoe meer stormachtig.

1:12 Hij zei tegen hen,

“Pak me op en gooi me in de zee,

dan zal de zee kalm voor u worden,

want ik weet dat vanwege mij

deze grote storm over u is gekomen.”

1:13 De mannen echter,

roeiden wanhopig

om terug te keren naar het land

maar dat konden ze niet,

want de zee werd zelfs nog meer stormachtiger tegen hen.

1:14 Vervolgens,

riepen ze Maryah aan en zeiden,

“Wij bidden ernstig,

O Maryah,

laat ons niet vergaan vanwege het leven van deze man

en leg geen onschuldig bloed op ons;

want U, O Maryah , hebt gedaan gelijk het U heeft behaagd.”

1:15 Dus pakten ze Jonah op,

gooiden hem in de zee,

en de zee hield op met haar geraas.

1:16 Vervolgens,

de mannen vreesden Maryah zeer,

en zij offerden een offer aan Maryah

en deden geloften.

1:17 En Maryah bestemde een grote vis

om Jonah in te slikken,

en Jonah was in de maag van de vis

drie dagen en drie nachten.

Jonah 2

2:1 Vervolgens,

Jonah bad tot Maryah zijn Aloha

vanuit de maag van de grote vis,

2:2 en hij zei,

“Ik riep vanuit mijn ellende tot Maryah,

en Hij antwoordde mij.

ik riep om hulp vanuit de diepte van Sheol;

U hebt mijn stem gehoord.

2:3 “Want U hebt mij in de diepte gegooid,

in het hart der zeeën,

en de stroming overspoelde mij.

Al Uw baren en golven sloegen over me heen.

2:4 “Dus zei ik,

‘Ik ben verbannen van voor uw aangezicht.

Niettemin zal ik opnieuw naar Uw heilige tempel uitkijken.’

2:5 ” Water omsloot mij tot het punt des dood

de grote diepte verzwolg mij,

zeewier werd rond mijn hoofd gewikkeld.

2:6 “Ik daalde af naar de inplanting van de bergen.

De aarde met zijn grendels was voor altijd om mij heen,

maar U hebt mijn leven uit de put opgehaald,

O Maryah,

mijn Aloha.

2:7 “Terwijl ik flauwviel

herinnerde ik mij Maryah,

en mijn gebed kwam tot U,

in Uw heilige tempel.

2:8 “Zij die ijdele afgoden aanschouwen

verlaten hun getrouwheid,

2:9 maar ik zal offeren aan U

met de stem van dankzegging.

dat wat ik heb beloofd zal ik betalen.

Redding komt van Maryah.”

2:10 Vervolgens,

Maryah gebood de vis,

en hij braakte Jonah uit op het droge land.

Jonah 3

3:1 Nu,

het woord van Maryah

kwam tot Jonah

de tweede keer,

zeggende,

3:2 “Sta op,

ga naar Nineveh de grote stad

en verkondigt aan haar de bekendmaking

die Ik Ben u ga vertellen.”

3:3 Dus stond Jonah op

en ging naar Nineveh

volgens het woord van Maryah.

Nu was Nineveh een bijzonder grote stad,

van drie dagen wandelen.

3:4 Vervolgens,

Jonah begon door de stad te gaan

op één dag wandelen;

en hij riep het uit en zei,

“Nog 40 dagen en Nineveh wordt omvergeworpen.”

3:5 Vervolgens,

het volk van Nineveh geloofde in Aloha;

en ze riepen een vasten uit

en trokken juten zakken aan

van de grootste tot de kleinste van hen.

3:6 Wanneer het woord de koning van Nineveh bereikte,

stond hij op van zijn troon,

legde zijn gewaad opzij van hem,

bedekte zichzelf met een geiten-haren-boetekleed

en ging op de as zitten.

3:7 Hij maakte een proclamatie bekend en het zei,

“In Nineveh,

bij het decreet van de koning

en zijn edelen:

laat een mens,

beest,

kudde schapen,

of kudde runderen niet in één ding smaak vinden.

Laat hen niet eten of water drinken.

3:8 “Maar zowel mens als beest

moeten met een geiten-haren-boetekleed worden bedekt;

en laat mensen ernstig Aloha aanroepen

opdat elk zich van zijn goddeloze weg moge afkeren

en van het geweld dat in zijn handen is.

3:9 “Wie weet,

moge Aloha zich afwenden

en zwichten

en Zijn brandende toorn terugtrekken

opdat wij niet verloren zullen gaan.”

3:10 Wanneer Aloha hun daden zag,

dat zij zich van hun boze weg afkeerden,

toen berouwde het Aloha

aangaande de rampspoed

dat Hij uitgesproken had dat Hij over hen brengen zou.

En Hij deed het niet.

Jonah 4

4:1 Maar het misnoegde Jonah te zeerste

en hij werd boos.

4:2 Hij bad tot Maryah en zei,

“Alsjeblieft Maryah,

was dit niet wat ik zei

terwijl ik nog in mijn eigen land was?

Daarom om dit te voorkomen vluchtte ik naar Tarshish,

want ik wist dat U een genadig en barmhartig Aloha bent,

langzaam tot toorn

en overvloedig in liefdevolle vriendelijkheid,

en Een die berouw heeft over rampspoed.

4:3 “Daarom nu,

O Maryah,

alsjeblieft neem mijn leven vanuit mij,

want dood is beter voor mij dan leven.”

4:4 Maryah zei,

“Heb je goede reden om boos te zijn?”

4:5 Vervolgens,

Jonah ging uit van de stad

en zat ten oosten ervan.

Daar maakte hij een scherm voor zichzelf

en zat eronder in de schaduw

tot hij zien kon wat er in de stad gebeuren zou.

4:6 Zo bestemde Maryah Aloha een plant

en die groeide op over Jonah

om een schaduw te zijn over zijn hoofd

om hem te bevrijden van zijn ongemak.

En Jonah was uiterst blij met de plant.

4:7 Maar Aloha bestemde een worm

wanneer de dageraad kwam

de volgende dag

en die taste de plant aan

en ze verdorde.

4:8 Wanneer de zon opkwam

bestemde Aloha een verschroeiende oostenwind,

en de zon sloeg neer op Jonah’s hoofd

zodat hij flauw werd

en met heel zijn ziel smeekte om te sterven,

zeggende,

“Dood is mij beter dan leven.”

4:9 Vervolgens,

Aloha zei tot Jonah,

“Heb je goede reden om boos te zijn over de plant?”

En Jonah zei,

“Ik heb goede reden om boos te zijn,

zelfs tot de dood.”

4:10 Toen zei Maryah,

“Je had medelijden met de plant

waarvoor je niet gewerkt hebt

en die je niet hebt laten groeien,

die s’nachts opkwam

maar in een ogenblik weer verging.

4:11 “Zou IK dan geen medelijden hebben met Nineveh

die grote stad

waarin meer dan 120.000 mensen zijn

die het verschil niet kennen

tussen hun rechter en hun linkerhand,

evenals de vele dieren?



Ketava d’Obadya Nebya

Obadiah Posted on Wed, September 19, 2018 13:48:50

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Obadya Nebya

Boek Obadiah de profeet.

Obadiah 1.

1:1 Het visioen van Obadiah.

Zo zegt Maryah Aloha betreffende Edom

wij hebben een verslag van Maryah gehoord,

en een gezant is gezonden onder de naties,

zeggende:

“Sta op en laat ons tegen haar ten strijde gaan”

1:2 “Zie,

Ik zal u klein maken onder de naties;

gij zijt zeer veracht.

1:3 “De arrogantie van uw hart heeft u bedrogen,

gij die in de kloven van de rots leeft,

in de verhevenheid van uw woonplaats,

die in uw hart zegt,

‘Wie zal mij ter aarde neerhalen?’

1:4 “Al bouwt gij hoog als de adelaar,

al plaatst gij uw nest onder de sterren,

van daar uit zal Ik u naar beneden halen,”

maakt Maryah bekend.

1:5 “Indien dieven naar u toe kwamen,

indien rovers in de nacht,

O hoe geruïneerd zult gij worden!

Zouden ze niet alleen stelen totdat ze genoeg hadden?

Indien druivenplukkers naar u toe kwamen,

zouden zij niet wat restanten achterlaten?

1:6 “O hoe zal Esau worden geplunderd,

en zijn verborgen schatten doorzocht!

1:7 “Al de mannen met u verbonden

zullen u naar de grens uit zenden,

en de mannen in vrede met u

zullen u bedriegen en overweldigen.

Zij die uw brood eten

zullen een hinderlaag voor u zetten.

Er is geen begrip in hem.

1:8 “Zal Ik niet op die dag,”

maakt Maryah bekend,

“De wijze mannen uit Edom

en het begrip uit de berg van Esau vernietigen?

1:9 “Dan zullen uw machtige mannen ontzet zijn,

O Teman,

zodat iedereen uit de berg van Esau

door slachting mag worden afgesneden.

1:10 “Vanwege geweld tegen uw broer Jacob,

zult gij worden bedekt met schaamte,

en gij zult voor altijd worden afgesneden.

1:11 “Op die dag dat gij op een afstand stond,

op die dag dat vreemden van zijn rijkdom weg droegen;

en buitenlanders zijn poort binnengingen

en loten wierpen over Jeruzalem

waart ook gij als één van hen.

1:12 “Verkneukel u niet over de dag van uw broer,

de dag van zijn tegenspoed.

En verheugt u niet over de zonen van Judah

op de dag van hun ondergang;

ja,

roem niet op de dag van hun benauwdheid.

1:13 “Ga de poort van Mijn volk niet binnen

op de dag van hun rampspoed.

Ja,

gij,

verkneukel u niet over hun rampspoed

de dag van hun rampspoed.

En plundert hun rijkdom niet

op de dag van hun rampspoed.

1:14 “Sta niet bij de tweesprong van de weg

om hun vluchtelingen af te snijden;

en zet hun overlevenden niet gevangen

op de dag van hun rampspoed.

1:15 “Want de dag van Maryah trekt naderbij over al de naties.

Gelijk gij gedaan hebt,

zal het worden gedaan aan u.

Uw handelingen zullen terugkeren op uw eigen hoofd.

1:16 “Want net zoals gij hebt gedronken

op Mijn heilige berg,

zo zullen al de naties voortdurend drinken.

Zij zullen drinken en zwelgen

en worden alsof zij nooit hadden bestaan.

1:17 “Maar op de berg Zion

zullen daar dezen zijn die ontkomen,

en hij zal heilig zijn.

En het huis van Jacob zal hun bezittingen bezitten.

1:18 “Vervolgens,

het huis van Jacob zal een vuur zijn

en het huis van Joseph een vlam;

maar het huis van Esau zal als stoppels zijn.

En zij zullen hen in vlam zetten en verteren,

zodat er geen overlevenden zullen zijn

van het huis van Esau,”

want Maryah heeft gesproken.

1:19 Vervolgens,

die van de Negev zullen de berg van Esau bezitten,

en die van de Shephelah de Filistijnse vlakte;

alsook,

het grondgebied van Ephraim

en het grondgebied van Samaria bezitten,

en Benjamin zal Gilead bezitten.

1:20 En de ballingen van dit leger van de zonen van Israël,

die onder de Kanaänieten zijn zo ver als Zarephath,

en de ballingen van Jeruzalem die in Sepharad zijn

zullen de steden van de Negev bezitten.

1:21 De bevrijders zullen de berg Zion bestijgen

om de berg van Esau te oordelen;

en het koninkrijk zal van Maryah zijn.



Ketava d’Amos Nebya

Amos Posted on Wed, September 19, 2018 13:46:50

© 2004 Goethals Jean-Paul.
Aramaic Tanakh

Ketava d’Amos Nebya

Het boek Amos de profeet.

Amos 1.

1:1 De woorden van Amos,

die onder de schaapherders was van Tekoa,

die hij voorzag in visioenen over Israël

in de dagen van Uzziah koning van Judah,

en in de dagen van Jeroboam zoon van Joash,

koning van Israël,

twee jaren vóór de aardbeving.

1:2 Hij zei,

“Maryah brult vanuit Zion

en vanuit Jeruzalem brengt Hij Zijn stem uit;

en de herders hun weide-gronden rouwen,

en de spits van Carmel droogt op.”

1:3 Zo zegt Maryah,

“Om drie overtredingen van Damascus

en om vier zal Ik haar straf niet herroepen,

omdat zij Gilead hebben gedorst

met werktuigen van scherp ijzer.

1:4 “Zo zal Ik vuur op het huis van Hazael zenden

en het zal de citadellen van Ben-hadad verteren.

1:5 Ik zal ook de poortstang van Damascus door breken,

en de bewoners afsnijden van de vallei van Aven,

en hem die de scepter vasthoudt,

uit Beth-eden;

zo zal het volk van Aram in ballingschap naar Kir gaan,”

zegt Maryah.

1:6 Zo zegt Maryah,

“Om drie overtredingen van Gaza

en om vier zal Ik haar straf niet herroepen,

omdat ze een complete bevolking hebben gedeporteerd

om het over te leveren aan Edom.

1:7 “Zo zal Ik vuur op de muur van Gaza zenden

en het zal haar citadellen verteren.

1:8 “Ik zal ook de bewoners van Ashdod afsnijden,

en hem die de scepter vasthoudt,

uit Ashkelon;

Ik zal zelfs mijn macht ontketenen op Ekron,

en het overblijfsel van de Filistijnen zal vergaan,”

zegt Maryah Aloha.

1:9 Zo zegt Maryah,

“Om drie overtredingen van Tyre

en om vier zal ik haar straf niet herroepen,

omdat zij een complete bevolking hebben overgeleverd aan Edom

en het verbond van broederschap niet hebben herinnerd.

1:10 “Zo zal Ik vuur op de muur van Tyre zenden

en het zal haar citadellen verteren,”

1:11 Zo zegt Maryah,

“Om drie overtredingen van Edom

en om vier zal ik zijn straf niet herroepen,

omdat hij zijn broer vervolgde met het zwaard,

terwijl hij zijn mededogen verstikte;

zijn toorn verscheurt ook voortdurend,

en zijn razernij handhaafd hij voor altijd.

1:12 “Zo zal ik vuur op Teman zenden

en het zal de citadellen van Bozrah verteren.”

1:13 Zo zegt Maryah,

“Om drie overtredingen van de zonen van Ammon

en om vier zal Ik hun straf niet herroepen,

omdat zij de zwangere vrouw van Gilead openscheurden

teneinde hun grenzen te vergroten.

1:14 “Zo zal Ik een vuur ontsteken op de muur van Rabbah

en het zal haar citadellen verteren

temidden van oorlogsgeschreeuw op de dag van de strijd,

en een onweder op de dag van de orkaan.

1:15 “Hun koning zal in ballingschap gaan,

hij en zijn prinsen samen,”

zegt Maryah.

Amos 2.

2:1 Zo zegt Maryah,

“Om drie overtredingen van Moab

en om vier zal Ik zijn straf niet herroepen,

omdat hij de beenderen van de koning van Edom tot kalk verbrandde.

2:2 “Zo zal Ik vuur op Moab zenden

en het zal de citadellen van Kerioth verteren;

en Moab zal sterven temidden van het tumult,

met oorlogsgeschreeuw en het geluid van een ramshoorn.

2:3 “Ik zal ook de richter uit haar midden afsnijden

en al haar vorsten met hem doden,”

zegt Maryah.

2:4 Zo zegt Maryah,

“Om drie overtredingen van Judah

en om vier zal Ik haar straf niet herroepen,

omdat zij de wet van Maryah verwierpen

en zijn verordeningen niet hebben gehouden;

hun leugens hebben hun ook op een dwaalspoor gebracht,

deze naar welke hun vaders wandelden.

2:5 “Zo zal Ik vuur op Judah zenden

en het zal de citadellen van Jeruzalem verteren.”

2:6 Zo zegt Maryah,

“Om drie overtredingen van Israël

en om vier zal ik haar straf niet herroepen,

omdat zij de rechtvaardigen voor geld verkopen

en de behoeftigen voor een paar sandalen.

2:7 “Deze die er zeer naar snakken

dat het stof der aarde op het hoofd van de hulpelozen is

wenden ook de weg van de nederigen af;

en een man en zijn vader vallen op hetzelfde meisje

ten-einde Mijn heilige naam te ontheiligen.

2:8 “Op gewaden genomen als onderpand

strekken zij zich uit bij elk altaar,

en in het huis van hun Aloha

drinken ze de wijn van degenen die bestraft zijn.

2:9 “Toch was Ik het die de Amoriet vóór hen vernietigde,

hoewel zijn lengte als de hoogte van ceders was

en hij sterk was als de eiken;

heb Ik zelfs zijn vrucht van boven

en zijn wortel van onder vernietigd.

2:10 “Ik was het die u uit het land van Egypte opbracht,

en ik leidde u veertig jaar in de woestijn

opdat gij bezit zou kunnen nemen van het land van de Amoriet.

2:11 “Vervolgens,

verwekte Ik sommige vanuit uw zonen om profeten te zijn

en sommige van uw jonge mannen om Nazireeërs te zijn.

Is dit niet zo,

O zonen van Israël? “

Maakt Maryah bekend.

2:12 “Maar gij liet de Nazireeërs wijn drinken,

en gij gebood de profeten,

zeggende,

‘Gij zult niet profeteren!’

2:13 “Zie,

Ik druk u neer naar beneden

zoals een wagen wordt neergedrukt

wanneer deze is gevuld met schoven.

2:14 “De snelle van vlucht zal vergaan,

en de stoere zal zijn kracht niet versterken,

de machtige man redt zijn leven ook niet.

2:15 “Hij die de boog grijpt zal niet op zijn grond blijven staan,

de vlugge van voet zal niet ontsnappen,

noch zal hij die het paard berijdt zijn leven redden.

2:16 “Zelfs de dapperste onder de krijgers

zal naakt vluchten op die dag,”

verkondigd Maryah.

Amos 3.

3:1 Hoort dit woord

die Maryah tegen u heeft gesproken,

zonen van Israël,

tegen de ganse familie,

die Hij opwaarts heeft gebracht

uit het land van Egypte;

3:2 “U alleen heb Ik uitgekozen

onder alle families van de aarde;

daarom zal Ik u straffen

voor al uw ongerechtigheden.”

3:3 Wandelen twee mannen samen

tenzij zij een afspraak hebben gemaakt?

3:4 Brult een leeuw in het bos

wanneer hij geen prooi heeft?

gromt een jonge leeuw vanuit zijn hol

tenzij hij iets heeft gevangen?

3:5 Valt een vogel in een valnet op de grond

wanneer er geen aas in is?

springt er een valnet op van de aarde

wanneer het helemaal niets vangt?

3:6 Indien de ramshoorn wordt geblazen in een stad

zal het volk dan niet sidderen?

als er zich een ramp voordoet in een stad

heeft Maryah het niet gedaan?

3:7 Waarlijk,

Maryah doet niets

tenzij Hij Zijn geheime raad onthult

aan Zijn dienaren de profeten.

3:8 Een leeuw heeft gebruld!

wie zal niet vrezen?

Maryah Aloha heeft gesproken!

wie kan echter profeteren?

3:9 Verkondigt op de citadellen in Ashdod

en op de citadellen in het land van Egypte

en zeg,

“Verzamelt uzelf op de bergen van Samaria

en zie de grote opschuddingen in haar

en de onderdrukkingen in haar midden.

3:10 “Maar zij weten niet hoe te doen wat goed is,”

verkondigd Maryah,

“Deze die geweld en verwoesting ophopen in hun citadellen.”

3:11 Daarom,

zo zegt Maryah Aloha,

“Een vijand,

een die zelfs het land omsingeld,

zal uw sterkte van u naar beneden halen

en uw citadellen zullen geplunderd worden.”

3:12 Zo zegt Maryah,

“Precies zoals de herder

een paar poten of een stukje van een oor

wegrukt uit de muil van een leeuw,

zo zullen de zonen van Israël

vertoevende in Samaria

worden weggerukt van de hoek van een bed

en de bekleding van een rustbank!

3:13 “Luistert en getuig in het huis van Jakob,”

verklaart Maryah Aloha,

de Aloha van de heirscharen.

3:14 “Want op de dag dat Ik de overtredingen van Israël bestraf,

zal Ik ook de altaren van Bethel bestraffen;

de hoorns van het altaar zullen worden afgehouwen

en ze zullen op de grond vallen.

3:15 “Ik zal ook het winterhuis treffen

samen met het zomerhuis;

de huizen van ivoor zullen ook vergaan

en de grote huizen zullen tot een einde komen,”

verklaart Maryah.

Amos 4.

4:1 Hoort dit woord,

gij (luie) koeien van Bashan

die op de berg van Samaria zijn,

die de armen onderdrukken,

die de behoeftigen verpletteren,

die tegen uw echtgenoten zegt,

“Brengt nu,

opdat wij mogen drinken!”

4:2 Maryah Aloha heeft gezworen bij zijn heiligheid,

“Ziet,

de dagen komen over u

wanneer zij u zullen wegnemen met vleeshaken,

en het laatste van u met vishaken.

4:3 “Gij zult uitgaan

door bressen in de muren,

een ieder recht voor haar,

en ge zult naar Harmon worden gestuurd,”

verklaart Maryah.

4:4 “Betreed Beth-el en overtreedt;

vermenigvuldigt overtredingen in Gilgal!

breng uw offers elke ochtend,

uw tienden om de drie dagen.

4:5 “Bied ook een dankoffer aan

van dat wat gezuurd is,

en verkondigt vrije wil offers,

maak ze bekend.

Want gij houd ervan om zo te doen,

gij zonen van Israël”

verklaart Maryah Aloha.

4:6 “Maar Ik gaf je ook reinheid van tanden

in al uw steden

en gebrek aan brood

in al uw plaatsen,

toch ben je niet naar Mij teruggekeerd,”

verklaart Maryah.

4:7 “Bovendien,

weerhield Ik de regen van u

terwijl er nog drie maanden waren tot de oogst.

Toen zond Ik regen naar één stad

en op een andere stad zond ik geen regen;

één deel werd beregend,

terwijl het deel waarop het niet regende

opdroogde.

4:8 “Zodat twee of drie steden

naar een andere stad strompelden

om water te drinken,

maar werden niet verzadigd;

toch ben je niet naar Mij teruggekeerd,”

verklaart Maryah.

4:9 “Ik sloeg u met verschroeiende wind

en met meeldauw;

en de rups verslond

uw vele tuinen en wijngaarden,

vijgenbomen en olijfbomen;

toch ben je niet naar Mij teruggekeerd,”

verklaart Maryah.

4:10 “Ik zond een plaag onder u

naar de wijze van Egypte;

Ik doodde uw jonge mannen door het zwaard

samen met uw gevangen paarden,

en Ik deed zelfs de stank van uw kampen opgaan in uw neusgaten;

toch ben je niet naar Mij teruggekeerd,”

verklaart Maryah.

4:11 “Ik bracht u ten val,

zoals Aloha Sodom en Gomorrah ten val bracht,

en je was als een stuk brandend hout

weggerukt uit een vuurzee;

toch ben je niet naar Mij teruggekeerd,”

verklaart Maryah.

4:12 “Daarom dus zal Ik aan u doen,

O Israël;

omdat Ik dit aan u zal doen,

bereidt u voor om uw Aloha te ontmoeten,

O Israël. “

4:13 Want ziet!

Hij die bergen vormt en de wind schept

en aan de mens verklaart

wat Zijn gedachten zijn,

Hij die de dageraad tot duisternis maakt

en op de hoge plaatsen van de aarde treedt,

MARYAH

ALOHA VAN DE HEIRSCHAREN

IS ZIJN NAAM.

Amos 5.

5:1 Hoort dit woord

die ik over u ophef als een droevig klaag-gezang,

O huis van Israël:

5:2 Zij is gevallen,

ze zal niet opnieuw opstaan-

de maagd Israël.

Zij ligt verwaarloosd op haar land;

er is niet één om haar op te richten.

5:3 Want zo zegt Maryah Aloha,

“De stad die met een duizendtal sterke uitgaat

zal er nog honderd over houden,

en degene die met een honderdtal sterke uitgaat

zal er nog tien over houden

van het huis van Israël.”

5:4 Want zo zegt Maryah

tot het huis van Israël,

“Zoekt Mij opdat gij moogt leven.

5:5 “Maar neemt geen toevlucht tot Beth-el

en kom niet naar Gilgal,

steek evenmin over naar Beersheba;

want Gilgal zal zeker in gevangenschap gaan

en Beth-el zal in de problemen komen.

5:6 “Zoekt Maryah opdat gij moogt leven,

of Hij zal uitbreken als een een vuur,

O huis van Joseph,

en het zal verteren

met niet één om het te doven

in Beth-el,

5:7 degenen die het recht in alsem veranderen

en de gerechtigheid ter aarde neerwerpen.”

5:8 Hij die het zevengesternte en Orion maakte

en de diepe duisternis in de ochtend veranderde,

die ook de dag in de nacht verduisterde,

die op de wateren van de zee riep

en ze uitgoot op het oppervlak van de aarde,

Maryah is Zijn naam.

5:9 Het is Hij die de verwoesting over de sterke laat opvlammen,

zo dat die verwoesting over de vesting komt.

5:10 Ze haten hem die terechtwijst in de poort,

en ze verafschuwen hem die integer spreekt.

5:11 Daarom,

omdat gij zware huur oplegt aan de armen

en een belasting over graan van hun eist,

hoewel gij huizen hebt gebouwd van goed-gehouwen-steen,

toch zult gij in hun niet wonen;

gij hebt aangename wijngaarden geplant,

toch zult gij hun wijn niet drinken.

5:12 Want ik weet dat uw overtredingen veel zijn

en uw zonden groot zijn,

gij die de rechtvaardigen benauwt

en steekpenningen accepteert

en de armen opzij zet in de poort.

5:13 Vandaar dat op zo’n moment

de verstandige persoon de stilte bewaart,

want het is een kwade tijd.

5:14 Zoekt het goede en geen kwaad,

opdat gij moogt leven;

en zo moge Maryah Aloha van de heerscharen met u zijn,

precies zoals gij hebt gezegd!

5:15 Haat het kwaad,

hebt het goede lief,

en vestigt recht in de poort!

Misschien kan Maryah

Aloha van de heerscharen

genadig zijn jegens het overblijfsel van Joseph.

5:16 Daarom dus zegt Maryah Aloha van de heerscharen,

Maryah,

“Er is gejammer op alle pleinen,

en in alle straten zeggen ze,

‘Helaas! O wee!’

Zij roepen ook de boer op om te rouwen

en de bekwame bewener’s om te weeklagen.

5:17 “En in al de wijngaarden is er gejammer,

omdat Ik doorheen het midden van u zal gaan,”

zegt Maryah.

5:18 O wee,

gij die verlangt naar de dag van Maryah,

tot welk doel zal de dag van Maryah voor u zijn?

het zal duisternis zijn en geen licht;

5:19 als of een man vlucht voor een leeuw

en hem een beer ontmoet,

of naar huis gaat,

zijn hand tegen de muur leunt

en hem een slang bijt.

5:20 Zal dan niet de dag van Maryah schemering zijn

in plaats van licht,

complete duisternis zelfs

zonder glinstering erin?

5:21 “Ik haat,

Ik verwerp uw festivals,

evenmin schep ik behagen in uw plechtige vergaderingen.

5:22 “Zelfs al offert gij aan Mij brandoffers

en uw graan offers,

ik zal hen niet accepteren;

en ik zal zelfs niet kijken

naar de vrede offers van uw mestvee.

5:23 “Neem het lawaai van uw liederen van Mij weg;

ik zal niet eens luisteren naar de klank van uw harpen.

5:24 “Maar laat het recht als water opwellen

en gerechtigheid als een immer vloeiende stroom.

5:25 “Heb je Mij offers en graan offers gebracht

in de woestijn

gedurende die veertig jaren,

O huis van Israël?

5:26 “Gij hebt ook Sikkuth uw koning mee gedragen

en Kiyyun uw beelden,

de ster van uw goden

die gij voor uzelf gemaakt hebt.

5:27 “Daarom,

zal Ik u in ballingschap doen gaan voorbij Damascus,”

zegt Maryah,

Hem wiens naam is;

ALOHA DER LEGERSCHAREN.

Amos 6.

6:1 Wee degenen die zich op hun gemak voelen in Zion

en degenen die zich veilig voelen op de berg van Samaria,

de aanzienlijke mannen van de meest vooraanstaande naties,

tot wie het huis van Israël komt.

6:2 Ga door naar Calneh en ziet,

en ga van daar naar Hamath de grote,

daal dan naar Gath van de Filistijnen.

Zijn ze beter dan deze koninkrijken,

of is hun grondgebied groter dan het uwe?

6:3 Stel je de dag van rampspoed uit,

en zou je de zetel van geweld dichterbij brengen?

6:4 Degenen die achterover leunen op bedden van ivoor

en nonchalant aanliggen op hun banken,

en lammeren eten van de kudde

en kalveren uit het midden van de stal,

6:5 die improviseren op het geluid van de harp,

en die zoals David liedjes hebben gecomponeerd,

voor zichzelf,

6:6 die wijn drinken uit offer-kommen

terwijl ze zich zalven met de fijnste oliën,

en toch hebben ze zich niet bedroefd

over de val van Joseph.

6:7 Daarom,

zij zullen nu in ballingschap gaan

aan de kop van de ballingen,

en die nonchalante aanliggenden hun banketten

ze zullen voorbij gaan.

6:8 Maryah Aloha heeft gezworen bij Hemzelf,

Maryah Aloha van de heerscharen heeft verklaard:

“Ik verafschuw de arrogantie van Jakob,

en verafschuw zijn citadellen;

daarom zal ik de stad overleveren

en alles wat zij bevat.”

6:9 En het zal zijn,

als tien mannen in één huis achterblijven,

dat zij zullen sterven.

6:10 Vervolgens zal één zijn oom,

of zijn begrafenis ondernemer,

hem optillen om zijn botten van het huis uit te dragen,

en hij zal zeggen

tegen degene die in het binnenste deel van het huis is,

“Is er nog iemand anders bij u?”

en dat één zal zeggen,

“niemand.”

Dan zal hij antwoorden,

“Houd vrede,

want we moeten de naam van Maryah niet vermelden.”

6:11 Want ziet,

Maryah gaat bevelen

dat het grote huis tot splinters wordt geslagen

en het kleine huis tot spaanders.

6:12 Rennen paarden op de rotsen?

of ploegt iemand daar met ossen?

Toch hebt gij recht veranderd in gif

en de vrucht van gerechtigheid in alsem,

6:13 gij die u verheugt in Lodebar,

en zegt,

“Hebben wij Karnaim niet op eigen kracht

voor onszelf genomen?”

6:14 “Want ziet,

Ik ga een natie tegen u verwekken,

O huis van Israël,”

verklaart Maryah Aloha van de heerscharen,

“En zij zullen u teisteren van de ingang van Hamath

tot aan de beek van Arabah.”

Amos 7.

7:1 Alzo toonde Maryah Aloha mij,

en zie,

Hij vormde een sprinkhanenzwerm

toen het lentegewas begon te ontkiemen.

En zie,

het was lentegewas

na het maaien van de koning.

7:2 En het gebeurde ongeveer,

toen ze bijna klaar waren met het eten van de vegetatie van het land,

dat ik zei,

“Maryah Aloha,

alsjeblieft vergeef!

hoe zal Jakob blijven staan,

want hij is klein?”

7:3 Maryah veranderde Zijn mening hierover

“Het zal niet zijn,’

zei Maryah.

7:4 Alzo toonde Maryah Aloha mij,

en zie!

Maryah Aloha riep om met hen te twisten door vuur,

en het verteerde de grote diepte

en het begon de landbouwgrond te verteren.

7:5 Toen zei ik,

“Maryah Aloha,

alsjeblieft stop!

Hoe kan Jakob blijven staan,

want hij is klein?”

7:6 Maryah veranderde Zijn mening hierover.

“Ook dit zal niet zijn,”

zei Maryah Aloha.

7:7 Zo toonde Hij mij,

en zie!

Maryah stond bij een verticale muur

met een loodlijn in Zijn hand.

7:8 Maryah zei tegen mij,

“Wat ziet gij,

Amos?”

en ik zei,

“Een loodlijn.”

Vervolgens zei Maryah,

“Zie Ik ben van plan om een loodlijn te plaatsen in het midden van Mijn volk Israël.

Ik zal hen niet langer sparen.

7:9 “De hoge plaatsen van Isaac zullen worden verlaten

en de heiligdommen van Israël in verwoesting liggen.

Vervolgens zal Ik opstaan

tegen het huis van Jeroboam

met het zwaard.”

7:10 Vervolgens,

Amaziah de priester van Beth-el,

zond een woord aan Jeroboam koning van Israël,

zeggende:

“Amos heeft samengespannen tegen u

in het midden van het huis van Israël;

het land is niet in staat om al zijn woorden te verdragen.

7:11 “Want zo zei Amos,

‘Jeroboam zal sterven door het zwaard

en Israël zal zeker vanuit zijn land in ballingschap gaan.'”

7:12 Vervolgens zei Amaziah tegen Amos,

“Ga,

gij ziener,

vlucht weg naar het land van Judah

en eet daar brood

en profeteert gij daar!

7:13 “Maar profeteer niet langer in Beth-el,

want het is een heiligdom van de koning

en een koninklijke verblijfplaats.”

7:14 Vervolgens antwoordde Amos tegen Amaziah,

“Ik ben geen profeet,

noch ben ik de zoon van een profeet;

want ik ben een veehoeder

en een teler van moerbei vijgen.

7:15 “Maar Maryah

nam mij van achter de kudde

en Maryah zei tot mij,

‘Ga profeteren tot Mijn volk Israël.’

7:16 “hoor nu het woord van Maryah:

gij zegt,

‘Gij zult niet tegen Israël profeteren

noch zult gij spreken tegen het huis van Isaac.’

7:17 “Daarom,

zo zegt Maryah,

‘Uw vrouw zal een hoer worden in de stad,

uw zonen en uw dochters zullen vallen door het zwaard,

uw land zal worden verkaveld door een meetlijn

en gij zelf zult sterven op onreine grond.

Bovendien,

Israël zal zeker vanuit zijn land in ballingschap gaan.'”

Amos 8.

8:1 Zo toonde Maryah Aloha mij,

en zie!

er was een mand met zomervruchten.

8:2 Hij zei,

“Wat zie je,

Amos?

En ik zei,

“Een mand met zomervruchten.”

Vervolgens zei Maryah tegen mij,

“Het einde is gekomen voor mijn volk Israël.

Ik zal hen niet langer sparen.

8:3 “De liederen van het paleis

zullen op die dag

omdraaien tot wee-klacht,”

verklaart Maryah Aloha.

“Velen zullen de lijken zijn;

in elke plaats zal men hen in stilte uitwerpen.”

8:4 Hoort dit,

gij die de behoeftigen vertrapt,

om ze weg te doen

met de vernederden van het land,

8:5 zeggende,

“Wanneer zal de nieuwe maan over zijn,

zodat we graan kunnen verkopen,

en de sabbat,

zodat we de tarwemarkt mogen openen,

om de bushel (maat) kleiner te maken

en de shekel (muntstuk) groter,

en om met oneerlijke weegschalen te bedriegen,

8:6 om terwijl zo de hulpelozen voor geld te kopen

en de behoeftigen voor een paar sandalen,

en dat we het afval van de tarwe mogen verkopen?”

8:7 Maryah heeft gezworen

bij de trots van Jakob,

“Voorwaar,

Ik zal nooit een van hun daden vergeten.

8:8 “Zal vanwege dit het land niet beven

en iedereen die daarin woont rouwen?

Voorwaar,

alles ervan zal opstijgen zoals de Nijl,

en het zal omgegooid worden

en terug zakken zoals de Nijl van Egypte.

8:9 “Het zal gebeuren omtrent die dag,”

verklaart Maryah Aloha,

“Dat Ik de zon zal doen ondergaan op de middag

en de aarde op klaarlichte dag zal donker maken.

8:10 “Vervolgens zal ik uw festivals in rouw

en al uw liedjes in jammerklacht veranderen;

en Ik zal een rouwgewaad om ieders heupen brengen

en kaalheid op elke kop.

En ik zal in het (land)

een tijd van rouw maken als voor een enige zoon,

en het einde ervan zal als een bittere dag zijn.

8:11 “Ziet,

de dagen komen er aan,”

verklaart Maryah Aloha,

“wanneer Ik een honger over het land zal zenden,

geen honger naar brood of een dorst naar water,

maar veeleer om de woorden van Maryah te horen.

8:12 “Mensen zullen van zee naar zee strompelen

en zelfs van het noorden naar het oosten;

ze zullen heen en weer gaan

om het woord van Maryah te zoeken,

maar ze zullen het niet vinden.

8:13 “Op die dag,

de mooie maagden

en de jonge mannen

zullen van de dorst bezwijken.

8:14 “En wat betreft degenen die zweren bij de schuld van Samaria,

en die zeggen,

‘Zoals uw god leeft,

O Dan,’

en,

‘Zoals de weg van Beersheba leeft,’

zij zullen vallen en niet opnieuw opstaan.”

Amos 9.

9:1 Ik zag Maryah staan naast het altaar,

en Hij zei,

“Sla de hoofdsteden zodat hun drempels zullen schudden,

en breek ze op de hoofden van hen allen!

vervolgens zal Ik de rest van hen doodslaan met het zwaard;

ze zullen geen vluchteling hebben die ontvluchten zal,

of geen ontsnapte die ontsnappen zal.

9:2 “Al graven ze tot in Sheol,

vandaar zal Mijn hand ze nemen;

en al klimmen ze op naar de hemel,

vandaar zal Ik ze neerhalen.

9:3 “Al verstoppen ze zich op de top van Carmel,

Ik zal ze opzoeken en ze van-daar nemen;

en al verbergen ze zichzelf voor Mijn ogen

op de bodem van de zee,

Ik zal het serpent van daar bevelen

en zij zal hen bijten.

9:4 “En al gaan zij in gevangenschap voor hun vijanden,

vandaar zal ik het zwaard gebieden dat het hen doodt,

en Ik zal Mijn ogen op hun richten

ten kwade en niet ten goede.”

9:5 Maryah Aloha der heirscharen,

de Ene die het land aanraakt zodat het smelt,

en al degenen die daarin wonen rouwen,

en alles ervan (van het land) stijgt op als de Nijl

en zinkt opnieuw als de Nijl van Egypte;

9:6 de Ene die Zijn opperkamers in de hemelen bouwt

en Zijn gewelfde koepels heeft opgericht op de aarde,

Hij die de wateren van de zee oproept

en hen op het aangezicht van de aarde uitgiet,

Maryah is Zijn naam.

9:7 “Zijt gij voor Mij niet als de zonen van Ethiopia,

O zonen van Israël ?”

verklaart Maryah.

“Heb Ik Israël niet opgebracht uit het land van Egypte,

en de Filistijnen uit Caphtor

en de Arameeërs uit Kir?

9:8 “Zie,

de ogen van Maryah

zijn op het zondige koninkrijk,

en Ik zal het verdelgen vanaf de aardbodem;

niettemin,

Ik zal het huis van Jakob niet volledig vernietigen,”

verklaart Maryah.

9:9 “Want zie,

Ik zal gebieden,

en Ik zal het huis van Israël onder alle naties schudden

zoals graan in een zeef wordt geschud,

maar niet één korrel zal op de grond vallen.

9:10 “Al de zondaars van Mijn volk

zullen sterven door het zwaard,

degenen die zeggen,

‘De rampspoed zal ons niet overvallen of ons confronteren.’

9:11 “Op die dag zal Ik de gevallen tent van David oprichten,

en haar bressen ommuren;

Ik zal ook haar ruïnes oprichten

en haar weer opbouwen zoals in de dagen van ouds;

9:12 opdat zij het overblijfsel van Edom mogen bezitten

en al de naties

die door Mijn naam zijn geroepen,”

verklaart Maryah

die dit doet.

9:13 “Zie,

de dagen komen,”

verklaart Maryah,

“Wanneer de ploeger de oogster zal inhalen

en de treder van druiven hem die zaad zaait;

wanneer de bergen zoete wijn zullen afdruipen

en al de heuvels vertreden zullen worden.

9:14 “Ook zal Ik de gevangenschap herstellen

van Mijn volk Israël,

en zij zullen de verwoeste steden herbouwen

en in hen wonen;

zij zullen ook wijngaarden planten

en hun wijn drinken,

en tuinen maken

en hun vrucht eten.

9:15 “Ook zal Ik hen planten in hun land,

en ze zullen niet opnieuw ontworteld worden uit hun land

dat Ik hun heb gegeven,”

zo zegt Maryah

uw Aloha.



Next »
You cannot copy content of this page